Nter_1382-4120_2017_023_005_large
Rss

Nederlands tijdschrift voor Europees recht

Meer op het gebied van Europees recht en mededingingsrecht

Over dit tijdschrift  

Meld u zich hier aan voor de attendering op dit tijdschrift zodat u direct een mail ontvangt als er een nieuw digitaal nummer is verschenen en u de artikelen online kunt lezen.

Aflevering 9-10, 2022 Alle samenvattingen uitklappen
Vrij verkeer

Het arrest Cilevičs

Taaleisen ter bescherming van de nationale identiteit: dubieuze gevolgen voor de ­onderwijstoegankelijkheid?

Trefwoorden vrijheid van vestiging, bescherming van de officiële taal, nationale identiteit, evenredigheid
Auteurs Prof. dr. S.L.T. Schoenmaekers
SamenvattingAuteursinformatie

    Een nationale regeling van een lidstaat die erin voorziet dat hogeronderwijsinstellingen uit andere lidstaten onderwijsprogramma’s in beginsel enkel mogen aanbieden wanneer die programma’s uitsluitend in de officiële taal van die lidstaat worden aangeboden, vormt een beperking op de vrijheid van vestiging. Wanneer deze verplichting tot doel heeft het gebruik van de officiële taal/talen van de lidstaat te beschermen is er sprake van een legitiem doel dat een beperking op deze vrijheid kan rechtvaardigen. Deze beperking dient echter geschikt, noodzakelijk en evenredig te zijn om het doel te bereiken. De zaak Cilevičs is van belang vanwege de zeer concrete invulling van de geschiktheidseis door het Hof van Justitie en de gevoelige achterliggende politieke kwestie die door het Hof van Justitie onbesproken blijft, meer bepaald de (mogelijke) aantasting van de taalrechten van de grote Russischtalige minderheid in Letland.
    HvJ 7 september 2022, C-391/20, ECLI:EU:C:2022:638 (Cilevičs e.a.).


Prof. dr. S.L.T. Schoenmaekers
Prof. dr. S. (Sarah) Schoenmaekers is bijzonder hoogleraar Europees recht aan de Open Universiteit, universitair hoofddocent Europees recht aan de Universiteit van Maastricht en gastprofessor aan de Universiteit van Hasselt.
Rechtsbescherming

Continuïteit en verandering in de rechtspraak over de doorwerking van richtlijnen in de nationale rechtsorde

Trefwoorden horizontale rechtstreekse werking, voorrang, grondrechten, fundamentele vrijheden
Auteurs Mr. dr. J. Lindeboom
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van recente rechtspraak van het Hof van Justitie over de doorwerking van richtlijnen in de nationale rechtsorde bespreekt deze bijdrage vijf kernpunten uit deze rechtspraak in onderling verband: (1) de verduidelijking van de verhouding tussen voorrang en rechtstreekse werking, (2) de specificering van het verbod op horizontale rechtstreekse werking, (3) de jurisdictionele effecten van richtlijnen in geschillen over grondrechten als afzonderlijke doorwerkingsvorm van richtlijnen, (4) de beperkte uitbreiding van de materiële reikwijdte van het vrijverkeersrecht tot zuiver interne situaties, en (5) de mogelijkheid van horizontale rechtstreekse werking op grond van nationaal recht.


Mr. dr. J. Lindeboom
Mr. dr. J. (Justin) Lindeboom is universitair docent Europees recht aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Rechtsbescherming

Investeringsarbitrage tegen EU-lidstaten

Op zoek naar de grenzen van het Unierechtelijk verbod

Trefwoorden autonomie van het Unierecht, staatssteun, artikel 267 VWEU, artikel 344 VWEU, wederzijds vertrouwen
Auteurs Mr. dr. J.H. Fahner
SamenvattingAuteursinformatie

    In een reeks arresten heeft het Hof van Justitie een steeds verdergaande toepassing gegeven aan de in Achmea vastgestelde onverenigbaarheid tussen intra-EU-investeringsarbitrage en het Unierecht (art. 267 en 344 VWEU). Dit artikel analyseert de stapsgewijze uitbanning van intra-EU-investeringsarbitrage door het Hof van Justitie en bespreekt in hoeverre het conflict tussen investeringsrecht en Unierecht nu beslecht is. Hierbij wordt ook ingegaan op de grenzen van het Unierechtelijk verbod en op de toekomst van buiten de Unie gezetelde intra-EU-investeringsarbitrage en van extra-EU-investeringsarbitrage.


Mr. dr. J.H. Fahner
Mr. dr. J.H. (Johannes) Fahner is advocaat internationale arbitrage en docent Internationaal economisch recht aan de Universiteit van Amsterdam.
Digitale markten

Access_open De Digital Services Act (DSA): een belangrijke stap naar betere regulering van onlinedienstverlening

Trefwoorden Digitaledienstenverordening, Richtlijn elektronische handel, online-inhoud, grondrechten, Digital Services Act (DSA)
Auteurs Mr. dr. F. Wilman
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bespreekt de recent aangenomen Digitaledienstenverordening, oftewel de Digital Services Act (DSA). Deze nieuwe verordening reguleert onlinediensten die betrekking hebben op de doorgifte en het opslaan van informatie afkomstig van de gebruikers van die diensten, zoals videodeelplatforms, onlinemarktplaatsen, bloggingwebsites, sociale media en internetaanbieders. De DSA beoogt illegale online-inhoud die via dergelijke ‘tussenhandeldiensten’ wordt verspreid beter te bestrijden en innovatie te bevorderen, maar zeker zo belangrijk is het streven gebruikers beter te beschermen in hun relatie met de aanbieders van deze diensten. Als zodanig probeert de DSA de verschillende, vaak botsende grondrechten van de betrokken partijen met elkaar te verzoenen. De DSA biedt daarmee een nieuw en tamelijk uitgebreid algemeen kader voor deze belangrijke vormen van dienstverlening, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dat doet op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens. Mede omdat de DSA een aantal innovatieve en op een open wijze omschreven regelingen bevat, zal afgewacht moeten worden hoe de nieuwe wetgeving precies zal uitpakken in de praktijk. De gevolgen zullen echter ongetwijfeld aanzienlijk zijn.
    Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PbEU 2022, L 277/1).


Mr. dr. F. Wilman
Mr. dr. F. (Folkert) Wilman is lid van de Juridische Dienst van de Europese Commissie.
Ondernemingsrecht

Passende zorgvuldigheid in internationale handelsketens

Een rechtseconomische reflectie op de voorgestelde Corporate Sustainability Due Diligence-richtlijn

Trefwoorden CSDD, doorbraak van aansprakelijkheid, negatieve externe effecten, Concern
Auteurs Mr. dr. A.J.F. Lafarre Msc en Mr. dr. G.J.H. van der Sangen
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bespreekt de voorgestelde Corporate Sustainability Due Diligence-richtlijn (CSDD) en de mogelijke effecten op het Nederlandse vennootschapsrechtelijke kader. Vanuit rechtseconomisch perspectief wordt beargumenteerd dat de passende zorgvuldigheidsverplichtingen en de bijbehorende civielrechtelijke aansprakelijkheid ertoe kunnen leiden dat negatieve externe effecten worden geïnternaliseerd. De CSDD brengt naar verwachting verandering in de manier waarop moedermaatschappijen hun concerns inrichten en het voorrecht van beperkte aansprakelijkheid gebruiken. De huidige knelpunten en onduidelijkheden binnen de voorgestelde richtlijn, inclusief de betekenis van het begrip ‘onderneming’, moeten wel worden geadresseerd in het verdere verloop van het Europese wetgevingsproces voor een optimale werking van de CSDD.
    Voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 van 23 februari 2022, COM(2022)71 final (CSDD).


Mr. dr. A.J.F. Lafarre Msc
Mr. dr. A.J.F. (Anne) Lafarre Msc is universitair hoofddocent Ondernemingsrecht aan het Departement Private, Business and Labour Law van Tilburg Law School.

Mr. dr. G.J.H. van der Sangen
Mr. dr. G.J.H. (Ger) van der Sangen is universitair hoofddocent Ondernemingsrecht aan het Departement Private, Business and Labour Law van Tilburg Law School.
Brexit

Access_open Noord-Iers protocol: een splijtzwam tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie?

Trefwoorden douanewetgeving, technische voorschriften, geschillenbeslechting
Auteurs Mr. T.P.J.N. van Rijn
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage gaat de auteur in het kort in op de voorgeschiedenis van het Protocol Ierland/Noord-Ierland, met name het Goedevrijdagakkoord. Daarna worden de bepalingen van het Protocol inzake het goederenverkeer geanalyseerd, wordt aandacht besteed aan artikel 16 en de procedure die bij het inroepen van de vrijwaringsmaatregel gevolgd moet c.q. kan worden. Afgesloten wordt met enkele concluderende opmerkingen.
    Protocol Ierland/Noord-Ierland bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 24 januari 2020 (PbEU 2020, L 29/102).


Mr. T.P.J.N. van Rijn
Mr. T.P.J.N. (Thomas) van Rijn is gewezen juridisch hoofdadviseur bij de Juridische Dienst van de Europese Commissie.