DOI: 10.5553/TvH/1568654X2022022002004

Tijdschrift voor HerstelrechtAccess_open

Artikel

Excuses uit het hart

Enkele overwegingen bij nationale excuses voor het koloniale slavernijverleden

Trefwoorden slavernij, koloniaal verleden, nationale excuses, erkenning, restitutie
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Wouter Veraart. (2022). Excuses uit het hart. Tijdschrift voor Herstelrecht (22) 2, 37-51.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Er is in Nederland de laatste jaren veel te doen over de omgang met de geschiedenis van slavernij en de handel in slaafgemaakten in de voormalige Nederlandse koloniën. Burgemeesters van drie grote steden – Amsterdam, Rotterdam en Utrecht – hebben recentelijk formeel excuses aangeboden voor het actieve aandeel in deze geschiedenis van generaties van stadsbesturen. Ook de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland bood namens het provinciebestuur excuses aan voor zijn historische voorgangers. Daarnaast liet de financiële wereld van zich horen: zowel de president van De Nederlandsche Bank als de CEO van ABN Amro heeft in 2022 excuses gemaakt voor de eigen rol van de bank en zijn bestuurders (DNB) en voor de rol van rechtsvoorgangers en hun bestuurders (ABN Amro) in dit beladen verleden. Aan vrijwel al deze excuses is historisch onderzoek voorafgegaan, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd of digitaal kunnen worden gevonden (zie o.a. Brandon et al., 2020; Stipriaan, 2020; Oostindie, 2020; Jouwe et al., 2021; Kok & Brandon, 2022; Fatah-Black et al., 2022). Daarnaast heeft onder meer het Rijksmuseum in 2021 in een zorgvuldig opgezette expositie aandacht besteed aan slavernij in de Nederlandse koloniën in ‘Oost’ en ‘West’ (Sint Nicolaas et al., 2021). Deze recente ontwikkeling kan niet los worden gezien van decennia van activisme die lange tijd buiten de publieke ‘mainstream’ is gebleven, maar gaandeweg tot een verschuiving in het dominante historiografische en maatschappelijke perspectief op dit verleden heeft geleid (Jones, 2012).
      Nationale excuses voor het slavernijverleden zijn tot dusver uitgebleven. Maar de ingezette trend laat zien dat het niet langer de vraag is of, maar wanneer ook nationale excuses zullen volgen. De voorbereidingen om op nationaal niveau tot excuses te komen zijn al enkele jaren onderweg. Op 1 juli 2021 bracht het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingestelde Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden advies uit over erkenning, excuses en herstel. Dit Adviescollege stelde voor om:

      ‘(…) bij wet te erkennen dat de slavenhandel en de slavernij die tussen de zeventiende eeuw en 1 juli 1863 direct of indirect onder Nederlands gezag hebben plaatsgevonden, misdrijven tegen de menselijkheid waren. Daarbij moet ook het leed erkend worden van alle mensen die slachtoffer van deze misdrijven zijn geworden en het leed van hun afstammelingen’ (Oudshoorn-Tinga et al., 2021, p. 7).

      Een explorerend historisch-wetenschappelijk onderzoek naar de rol van het landsbestuur met betrekking tot het koloniale slavernijverleden is in de zomer van 2022 gestart. In augustus 2022 bracht bovendien een aantal leden van de Tweede Kamer vanuit de Commissie Binnenlandse Zaken een werkbezoek aan Suriname, Curaçao en Bonaire om zich persoonlijk te verdiepen in de kwestie van het slavernijverleden en de betekenis van excuses. Opvallend afwezig was de VVD, waarvan de fractie te kennen gaf de meerwaarde van het werkbezoek niet in te zien. Juist binnen deze conservatieve politieke partij, waartoe ook de huidige premier van Nederland, Mark Rutte, behoort, bestaat grote scepsis over het belang van excuses voor historisch onrecht.
      In deze bijdrage wil ik nader ingaan op de waarde en de vorm van nationale excuses, mede in het licht van het advies van de Dialooggroep Slavernijverleden. Daarbij beperk ik me tot de rol van het recht in de omgang met dit verleden. Mijn kanttekeningen betreffen in de eerste plaats de juridisch-politieke betekenis van excuses: hoe kunnen excuses daadwerkelijk aan de erkenning van juridisch onrecht uit het verleden bijdragen? Vervolgens ga ik in op de formele kant van nationale excuses: zouden deze inderdaad de vorm van een wet moeten hebben, zoals het Adviescollege aanbeveelt? Een tweede punt betreft de vraag naar mogelijke juridische aansprakelijkheid als gevolg van te maken excuses. Het Adviescollege beveelt aan deze aansprakelijkheid volledig uit te sluiten:

      ‘[H]et adviescollege [stelt] zich op het standpunt om in de wetstekst ook expliciet civiel- of strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten. Een uitsluiting van aansprakelijkheid neemt niet weg dat de wetgever bevoegd is om op vrijwillige basis een stelsel van financiële tegemoetkomingen in het leven te roepen.’ (Oudshoorn-Tinga et al., 2021, p. 42-43)

      Maar wat gebeurt er precies als nationale excuses vergezeld zouden gaan van een ‘disclaimer’, waarin elke vorm van juridische aansprakelijkheid die uit de excuses zou kunnen voortvloeien bij voorbaat wordt uitgesloten? Ik sluit af met een korte conclusie.

    • De rechtsstatelijke betekenis van excuses voor slavernij

      ‘Onder het regime van gouverneur Mauricius lezen wij, hoe op de aanklacht van de Raad-Fiscaal huiszoeking gedaan werd bij een zekere juffrouw Pieterson, die als onmenselijk wreed bekend stond. Het onderzoek bracht aan het licht, dat zij ‘eene menigte harer slaven om het leven heeft doen brengen op tyrannique en barbaarse manieren.’ Zij dacht er ook niet aan deze daden te ontkennen, maar sprak tegenover de commissie van onderzoek de fiere woorden: “dat sy haer eigen goed, voor haer geld gekogt, destrueeren mogt.”’ (De Kom, 1999, p. 34-35)

      Slavernij is een vorm van ontrechting, van uitsluiting uit de rechtsorde door aan mensen het vermogen te ontnemen om aan het rechtsverkeer deel te nemen (Veraart, 2005). Wie tot slaaf wordt gemaakt, verandert in juridisch opzicht van een rechtssubject in een rechtsobject, van een vrij persoon in een verhandelbare zaak; men gaat in ‘eigendom’ over op een ander. Het Nederlands Burgerlijk Wetboek omschrijft eigendom nog steeds als ‘het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben’ (art. 5:1 lid 1 BW). Geheel in lijn met deze klassiek-liberale conceptie van het eigendomsrecht, karakteriseerde de zeventiende-eeuwse filosoof John Locke de relatie tussen meester en slaaf als een private, despotische machtsverhouding: een alomvattende, asymmetrische machtsrelatie in de privésfeer die niet, of ternauwernood, begrensd wordt door het recht (Veraart, 2017, p. 224-225). Met als gevolg dat de slaafgemaakte permanent blootstaat aan de mogelijkheid van onbegrensd geweld van de kant van haar of zijn eigenaar. In de koloniale ruimte werden commerciële slavernij en slavenhandel – praktijken die op het Europese grondgebied waren verboden – gelegitimeerd door degenen die tot slavernij werden gedwongen op grond van hun huidskleur, afkomst of etniciteit te beschouwen als inferieure wezens, als minderwaardige mensen of ‘beesten’. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw kreeg deze rechtvaardiging hoe langer hoe meer een wetenschappelijk karakter, doordat zij in – omstreden en inmiddels verworpen – antropologische en biologische ‘rassentheorieën’ werd verankerd (Hondius, 2014, p. 163-210).
      Een op raciale leest geschoeid juridisch-economisch systeem dat wereldwijd functioneerde en waarin tot slaaf gemaakte mensen eeuwenlang blootstonden aan juridisch nagenoeg onbegrensd geweld: dat is de koloniale erfenis van het slavernijverleden. Een verleden waarin slavernij als mensonwaardige rechtsinstelling de limiet-case (het ‘uiterste geval’) vormt van de structurele ongelijkheid die de gehele koloniale ruimte van de Europese koloniale grootmachten als een funderend principe doortrekt. Zoals blijkt uit de systematische uitsluiting van volwaardig burgerschap en, bijgevolg, de gebrekkige juridische status van alle ‘niet-Europeanen’ in de Europese kolonies. En zoals blijkt uit allerlei andere juridische vormen van exploitatie die werden gekenmerkt door ongelijkheid, uitbuiting, geweld en dwang, en die als koloniale vormen van ontrechting kunnen worden beschouwd (Jones, 2021, p. 48-52).
      Slavernij is wellicht het meest sprekende voorbeeld van een juridische constructie die tot doel heeft om aan mensen hun rechtssubjectiviteit te ontnemen en die daarmee een directe aanslag vormt op hun functioneren als personen, als sprekende, handelende, vertellende en verantwoordelijke individuen die in relaties met anderen betekenis geven aan hun leven. Orlando Patterson vergeleek slavernij in een beroemde studie met ‘social death’, ‘sociale dood’ (Patterson, 1982). De raakvlakken tussen slavernij en de minder bekende Franse rechtsfiguur van de ‘mort civile’, de civielrechtelijke dood, zijn inderdaad opvallend. En de destructieve kant van slavernij die door Patterson wordt benadrukt – het verlies van sociaal-culturele werelden van degenen die tot slaaf werden gemaakt – viel samen met de destructie die het Europese kolonialisme in het algemeen heeft gekenmerkt: vernietiging van inheemse volkeren, vernietiging van talen en culturen, grootschalige plunderingen, vernietiging van ecosystemen als gevolg van de aanleg van plantages en de extractie van natuurlijke hulpbronnen (Ferdinand, 2019, p. 55-86).
      De afschaffing van de slavernij in 1863 bracht in de toenmalige kolonie Suriname nog geen einde aan het lot van de voormalige slaafgemaakten – zij moesten eerst nog tien jaar dwangarbeid verrichten voor hun voormalige eigenaren. Het einde van de slavernij in de Europese koloniën ging in het algemeen gepaard met een royale compensatie van de voormalige eigenaren – op basis van een zorgvuldige taxatie van de waarde van hun voormalige ‘slaven’ (Draper, 2013). Van compensatie van degenen aan wier slavernij een einde was gekomen, was in het geheel geen sprake.
      Het lijdt geen twijfel dat het slavernijverleden én de afwerende wijze waarop door de voormalige koloniale grootmachten met die erfenis sinds de afschaffing is omgegaan, doorwerken in het heden. De voortdurende economische en sociale ongelijkheden tussen een groot aantal voormalig gekoloniseerde en voormalig koloniserende landen is daar bijvoorbeeld deels op terug te voeren (Beckles, 2013; Piketty, 2022, p. 48-94). Ook de raciale vooroordelen, waarbinnen een ‘beschaafd westen’ tegenover een ‘onbeschaafd’ oosten of zuiden wordt geplaatst en mensen op basis van huidskleur, afkomst of etniciteit als inferieure, gevaarlijke wezens worden weggezet, met discriminatie tot gevolg, zijn een voortzetting van de racistische denkschema’s die de koloniale tijd hebben beheerst (Hondius, 2014, p. 59-110; Breman, 2021, p. 44-46).
      Slavernij als rechtsinstelling is onverenigbaar met een rechtsstaat. Als rechtsgelijkheid de normatieve kern vormt van de rechtsstaat, dan is slavernij als rechtsinstelling daarvan de volmaakte ontkenning. Slavernij is verenigbaar met een cynische rechtsopvatting waarin als recht geldt wat de machthebbers voorschrijven. Maar een rechtsstaat die op een ideaal van de gelijke waardigheid van ieder mens is gebaseerd, verdraagt geen slavernij. Niet in het heden, maar óók niet in de toekomst of in het verleden. De afschaffing van de slavernij in Suriname en de Antillen op 1 juli 1863 liet de rechtsgeldigheid van slavernij als rechtsinstelling tot aan het moment van haar afschaffing echter intact – lang na de Franse Revolutie met haar onvervreemdbare rechten van de mens en van de burger en na de proclamatie van de eerste Nederlandse constitutie, de Bataafse Staatsregeling van 1798, waarin dezelfde idealen doorklonken. Excuses voor het slavernijverleden waarin koloniale slavernij alsnog tot een misdadige vorm van juridisch onrecht wordt bestempeld, zet een kruis door deze historische rechtsgeldigheid. Daarmee verkrijgen de slaafgemaakten postuum alsnog de rechtserkenning die zij als volwaardige personen verdienen.

    • Een misdrijf tegen de menselijkheid

      Excuses kunnen, afhankelijk van de formulering, alsnog een kruis zetten door de rechtsgeldigheid van de koloniale slavernij. Daarvan is sprake als deze praktijk, in plaats van als ‘destijds nu eenmaal geldend recht’, voortaan wordt gekarakteriseerd als een extreme vorm van juridisch onrecht, een universele misdaad: een misdrijf tegen de menselijkheid. De kwalificatie van koloniale slavernij als een misdrijf tegen de menselijkheid is adequaat, omdat de systematische behandeling van mensen als verhandelbare en manipuleerbare objecten het schoolvoorbeeld van een verontmenselijkende praktijk vormt. Dit is geen anachronistische constatering: slavenhandel en slavernij, en koloniale slavernij in het bijzonder, zijn in de loop van de geschiedenis immers voortdurend moreel en juridisch omstreden geweest, als rechtsinstellingen waartegen in de eerste plaats de slaafgemaakten zelf voortdurend hebben gestreden en waarover, ook binnen Europa, steeds werd gedebatteerd (Fatah-Black, 2021, p. 113-136). Hoezeer er met twee maten werd gemeten, blijkt uit het feit dat, sinds de late middeleeuwen, slavernij op het grondgebied van West-Europa zelf was verboden vanwege haar mensonwaardige karakter (Polanen, 2021, p. 35). De ‘geciviliseerde’ rechtsorde waarin slavernij was uitgebannen, was dus ruimtelijk begrensd tot West-Europa; ten aanzien van niet-Europeanen in de buiten-Europese, koloniale zone waren deze ‘barbaarse’ praktijken juist wel toegestaan (Veraart, 2022, p. 1774).
      De kwalificatie misdrijf tegen de menselijkheid met betrekking tot de koloniale slavernij en slavenhandel werd onder andere gebezigd in de Verklaring van de door de VN georganiseerde ‘World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance’, die van 31 augustus tot 8 september 2001 plaatsvond in Durban, Zuid-Afrika. Artikel 13 van deze Verklaring luidt als volgt:

      ‘We acknowledge that slavery and the slave trade, including the transatlantic slave trade, were appalling tragedies in the history of humanity not only be­cause of their abhorrent barbarism but also in terms of their magnitude, organ­ized nature and especially their negation of the essence of the victims, and fur­ther acknowledge that slavery and the slave trade are a crime against humanity and should always have been so, especially the transatlantic slave trade, and are among the major sources and manifestations of racism, racial discrimination, xenophobia and related intolerance, and that Africans and people of African descent, Asians and people of Asian descent and indigenous peoples were victims of these acts and continue to be victims of their consequences.’ (curs. WV)

      Opvallend is dat in deze formulering wordt gesteld dat de slavernij en slavenhandel een misdrijf tegen de menselijkheid ‘zijn’ (‘are’) én ‘altijd zouden moeten zijn geweest’ (‘should always have been so’), waardoor er een ambiguïteit ontstaat in deze tekst. In de huidige tijd zouden de slavernij en slavenhandel zonder meer als een misdrijf tegen de menselijkheid gelden, maar destijds nog niet, al zou dit wel hebben ‘gemoeten’. Door deze doelbewuste dubbelzinnigheid wordt de legaliteit van het koloniale systeem van slavernij en slavenhandel nog steeds in stand gehouden. De toevoeging ‘and should always have been so’ is het uitvloeisel van een compromis na druk van onder andere het Verenigd Koninkrijk, dat vreesde voor juridische aansprakelijkheid voor zijn actieve aandeel in het slavernijverleden als de kwalificatie ‘misdrijf tegen de menselijkheid’ zonder meer op dit verleden van toepassing zou worden verklaard (Sundberg, 2002, p. 13). Ten aanzien van deze toevoeging werd door een aantal Caraïbische landen, in protest, een formeel voorbehoud gemaakt (Beckles, 2013, p. 256-261). Een vergelijkbare dubbelhartigheid kenmerkt ook de ‘Joint Declaration’ van Duitsland en Namibië uit mei 2021, waarin ten aanzien van de doelbewuste vernietiging, tussen 1904 en 1908, door de Duitse koloniale machthebbers van de Ovaherero- en Nama-volkeren in toenmalig Zuidwest-Afrika (het huidige Namibië), in artikel 10 het volgende wordt opgemerkt:

      ‘The German Government acknowledges that the abominable atrocities committed during periods of the colonial war culminated in events that, from today’s perspective, would be called genocide.’ (curs. WV)

      Met deze formulering probeert de Duitse regering duidelijk te maken dat zij de kwalificatie ‘genocide’ slechts in een politiek-morele zin, ‘vanuit hedendaags perspectief’, voor haar rekening wenst te nemen, maar uitdrukkelijk niet aanvaardt in een juridische zin. Ook hier wordt deze terughoudendheid ingegeven door de angst voor mogelijke juridische aansprakelijkheid voor reparatie. Deze pogingen om de legaliteit van koloniale misdrijven (slavernij, slavenhandel, volkerenmoord) intact te laten, met als juridisch argument dat ‘genocide’ en ‘misdrijven tegen de menselijkheid’ als onverjaarbare internationale misdrijven pas halverwege de twintigste eeuw zouden zijn ontstaan en vanwege het legaliteitsbeginsel geen terugwerkende kracht zouden kunnen hebben (Talmon, 2017), zijn discutabel. De criminoloog Willem de Haan heeft er in een interessant artikel op gewezen dat reeds in Neurenberg het misdrijf tegen de menselijkheid een retroactieve toepassing kreeg bij de berechting van een aantal nazi-kopstukken (Haan, 2015, p. 793-794). Ook het feit dat internationaal is afgesproken dat misdrijven tegen de menselijkheid en het misdrijf genocide niet kunnen verjaren, met als gevolg dat temporele grenzen (verjaringstermijnen) kunnen worden doorbroken, brengt De Haan in verband met de neiging om juist bij deze zwaarste categorie misdrijven die een doorwerking in het heden hebben, met het legaliteitsbeginsel soepel om te gaan. ‘In these [exceptional] cases’, schrijft De Haan, ‘a violation of the legality principle is seen as not only morally justified, but even legally acceptable’ (Haan, 2015, p. 794). En hij concludeert:

      ‘Historical truth and justice require the application of both past and contemporary perspectives to historical events because, even if international crimes did not yet exist legally in the sense of being already criminalized in international law, the acts and events to which these concepts refer were committed in reality. And their consequences live on into the present. We have to relate to them in terms of truth and justice, if only because not to do so also implies a moral stance.’ (Haan, 2015, p. 799; curs. WV)

      De Haans laatste opmerking in dit citaat verdient een zorgvuldige lezing. Hij stelt dat wie besluit om de grootste misdrijven uit het verleden onbenoemd te laten in de internationaal aanvaarde termen die ons vandaag ter beschikking staan, óók een morele positie inneemt. Wie vol blijft houden dat koloniale slavernij destijds nu eenmaal ‘legaal’ was en ‘erbij hoorde’, ook al denken ‘wij’ daar ‘met de huidige morele inzichten’ heel anders over, is niet bezig om dit onrecht werkelijk te adresseren. Het ‘instituut’ blijft in zijn historische rechtsgeldigheid overeind staan, ook al wordt de onbetwistbare onmenselijke kant ervan ‘met de ogen van nu’ betreurd. Waar slavernij en slavenhandel in de koloniale periode via een ruimtelijke uitsluiting slechts buiten West-Europa werden toegestaan, is daar in de huidige tijd een temporele uitsluiting voor in de plaats gekomen: ‘Jazeker, vandaag is slavernij een onverjaarbaar misdrijf tegen de menselijkheid, maar het koloniale slavernijverleden valt daarbuiten.’1x Met dank aan Martijn Stronks voor een verhelderende discussie op dit punt.
      Van deze temporele uitsluiting is in de Franse wet ‘betreffende de erkenning van de slavenhandel en de slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid’ (‘tendant à la reconnaissance de la traite et de l’esclavage en tant que crime contre l’humanité’) van 21 mei 2001 – slechts enkele maanden voor ‘Durban’ – echter geen sprake. Het eerste artikel van deze wet-Taubira is glashelder:

      ‘De Franse Republiek erkent dat, enerzijds, de trans-Atlantische slavenhandel en de slavenhandel in de Indische Oceaan en, anderzijds, de slavernij, die vanaf de 15e eeuw in Amerika en in het Caribisch gebied, in de Indische Oceaan en in Europa zijn gepleegd [‘perpétrés’] tegen de Afrikaanse, de Amerindiaanse, de Malagassische en de Indische bevolking, een misdrijf tegen de menselijkheid vormen.’2x ‘La République française reconnaît que la traite négrière transatlantique ainsi que la traite dans l’océan Indien d’une part, et l’esclavage d’autre part, perpétrés à partir du xve siècle, aux Amériques et aux Caraïbes, dans l’océan Indien et en Europe contre les populations africaines, amérindiennes, malgaches et indiennes constituent un crime contre l’humanité.’ (vert. WV)

      Naar aanleiding van de dood van George Floyd in de Verenigde Staten heeft het Europees Parlement Europa’s aandeel in koloniaal onrecht, waaronder de trans-Atlantische slavenhandel, in een breed gedragen resolutie ook als ‘crimes against humanity’ aangeduid (Europees Parlement, 2021, sub N). Voorts hebben de burgemeesters van drie grote Nederlandse steden die namens hun stadsbesturen inmiddels hun excuses hebben aangeboden, in hun toespraken eveneens de term ‘misdaad tegen de menselijkheid’ gebruikt om het onrecht te kwalificeren, waarbij alleen burgemeester Aboutaleb enig voorbehoud lijkt te maken:

      ‘Tegelijk kan geen fragment of detail de misdaad tegen de menselijkheid die de slavernij was verzachten.’ (Burgemeester Femke Halsema, Oosterpark Amsterdam, 1 juli 2021)

      ‘Er zijn ook altijd Rotterdammers geweest die vanuit hun levensovertuiging ageerden tegen deze misdaden en tegen deze misdaden, zo u wilt, tegen de menselijkheid. Maar die stem – stem van hun geweten – werd altijd overschreeuwd door de stem van de handelsgeest.’ (Burgemeester Ahmed Aboutaleb, Laurenskerk Rotterdam, 10 december 2021)3x In de geschreven tekst van deze toespraak staat: ‘Er zijn ook altijd Rotterdammers geweest die vanuit hun levensovertuiging ageerden tegen deze misdaden tegen de menselijkheid. Maar de stem van hun geweten werd overschreeuwd door de stem van de handelsgeest.’

      ‘Vandaag staan we stil bij het slavernijverleden van onze stad en blikken we vooruit om hier lessen uit te trekken. Ik vind dit enorm belangrijk, omdat we het hebben over niets minder dan een misdaad tegen de menselijkheid. Gedurende meer dan 250 jaar heeft er een groot onrecht plaatsgevonden, waar ook de stad Utrecht een rol in heeft gehad.’ (Burgemeester Sharon Dijksma, Janskerk Utrecht, 23 februari 2022)

      Ook het Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden beveelt aan om deze lijn te volgen. Het stelt immers voor om:

      ‘(…) bij wet te erkennen dat de slavenhandel en de slavernij die tussen de zeventiende eeuw en 1 juli 1863 direct of indirect onder Nederlands gezag hebben plaatsgevonden, misdrijven tegen de menselijkheid waren.’ (Oudshoorn-Tinga et al., 2021, p. 7)

      Tegelijkertijd worstelt ook het Adviescollege met het vraagstuk van een mogelijke daaruit voortvloeiende juridische aansprakelijkheid.

    • Excuses in de vorm van een wet?

      De aanbeveling van het Adviescollege om te erkennen dat de slavernij en slavenhandel misdrijven tegen de menselijkheid waren, slaat een bres in de rechtsgeldigheid van de koloniale slavernij als ‘instituut’ en voorkomt de temporele uitsluiting van de koloniale periode die nog in de Verklaring van Durban valt terug te vinden. Tegelijkertijd meent het Adviescollege dat nationale excuses het best in de vorm van een wet, of zelfs van een ‘consensusrijkswet’ (Rijn et al., 2021, p. 56), zouden kunnen worden vervat:

      ‘De Staat der Nederlanden, mede als rechtsopvolger van eerder Nederlands gezag, die slavenhandel en slavernij direct of indirect heeft toegestaan, mogelijk gemaakt, bevorderd of bedreven, biedt hiervoor bij wet zijn excuses aan.’ (Ouds­hoorn-Tinga et al., 2021, p. 43)

      Die gewenste wettelijke vorm, waarbij onder meer naar de Franse wet-Taubira wordt verwezen, roept de nodige vragen op. Allereerst kan het aangevoerde argument dat een ‘excuseswet’ het maatschappelijk draagvlak zou vergroten, niet overtuigen (Rijn et al., 2021, p. 61). Want welk draagvlak is hier relevant? Is het niet eerder zo dat oprechte excuses die door een staatshoofd of regeringsleider worden aangeboden, hun eigen draagvlak creëren en zullen leiden tot een wijziging van het historisch zelfbeeld?
      In de tweede plaats is de wet-Taubira géén wet waarin excuses worden aangeboden. In deze wet wordt ‘slechts’ vastgesteld dat de koloniale slavenhandel en slavernij een misdrijf tegen de menselijkheid ‘constitueren’ (in gelijke zin: Rijn et al., 2021, p. 39). Dat lijkt een juiste beslissing. Want terwijl de formeel-juridische vaststelling dat er van een misdrijf tegen de menselijkheid sprake is, zich goed met de – per definitie: formele – wettelijke vorm laat verenigen, laat het aanbieden van excuses, als óók een persoonlijk gebaar, zich juist moeilijk in een – per definitie: onpersoonlijke – wettelijke vorm gieten. In Frankrijk heeft de wet-Taubira onder meer geleid tot een jaarlijkse herdenkingsdag op 10 mei, waarop sinds 2006 opeenvolgende Franse presidenten, soms met tussenpozen, toespraken hebben gehouden, elk op hun eigen wijze. De huidige president Emmanuel Macron liet op 10 mei 2020, toen de herdenking vanwege coronamaatregelen niet door kon gaan, voor het laatst zelf van zich horen via een officieel bericht (in 2021 en 2022 zag hij af van het houden van een toespraak), dat als volgt begon:

      ‘Sinds vijftien jaar vormt 10 mei de nationale herdenkingsdag van de slavenhandel, de slavernij en de afschaffingen ervan op onze republikeinse kalender. Deze dag bestaat opdat wij deze bladzijden uit onze geschiedenis nooit vergeten. Het herinnert ons aan de barbaarsheid van de slavenhandel en de koloniale slavernij, deze misdaad tegen de menselijkheid die eeuwenlang werd begaan. Maar het herinnert ons er ook aan dat we door dit systeem aan de kaak te stellen en te vernietigen pas werkelijk zijn geworden wat we zijn: het land van de mensenrechten en een Republiek die één en ondeelbaar is en die uit haar diversiteit de kracht put van het universele.’4x ‘Depuis quinze ans, le 10 mai marque dans notre calendrier républicain la journée nationale des mémoires de la traite, de l’esclavage et de leurs abolitions. Cette journée existe pour que jamais nous n’oubliions ces pages de notre histoire. Elle nous rappelle la barbarie de la traite négrière et de l’esclavage colonial, ce crime contre l’humanité qui fut perpétré durant des siècles. Mais elle nous rappelle aussi que c’est en dénonçant et en détruisant ce système que nous sommes véritablement devenus ce que nous sommes : le pays des droits de l’homme, et une République une et indivisible qui puise dans sa diversité la force de l’universel.’ (vert. WV)

      In de laatste zin van dit fragment wordt een direct verband gelegd tussen enerzijds het ‘ontmaskeren’ en ‘vernietigen’ van het systeem van koloniale slavernij en slavenhandel, en anderzijds de mogelijkheid om een ‘land van de mensenrechten’ te zijn. De onvoorwaardelijke erkenning en veroordeling van de eigen historische rol in deze misdaad is daarvoor een belangrijke eerste stap. Dus is het ook betekenisvol dat de Franse president François Hollande in een van zijn herdenkingstoespraken, op 10 mei 2013, inging op de directe Franse betrokkenheid en in dat kader sprak van ‘de minachting van Frankrijk voor zijn eigen eer en grootheid’. Hollande verwees daarbij naar de ‘Code noir, die slaven tot roerende zaken degradeerde’. De Code noir was een belangrijk decreet van de Franse koning Louis XIV uit 1685 met betrekking tot de positie van slaafgemaakten in de Franse koloniale gebieden in Midden-Amerika en staat sindsdien symbool voor de innige betrokkenheid van de Franse staat bij deze praktijken. Kortom, de wet-Taubira uit 2001 bevat zelf geen excuses, maar heeft wel een Franse herinneringscultuur op gang gebracht waarbinnen opeenvolgende staatshoofden zich op een volstrekt andere wijze dan tot in 2001 gebruikelijk was tot dit verleden zijn gaan verhouden.
      Volgens de president van Suriname, Chan Santhoki, in een recent interview met de Volkskrant, zouden excuses voor het slavernijverleden niet zozeer ‘formeel’ moeten zijn, maar vooral ‘uit het hart’ moeten komen (Lindhout, 2022). Die gedachte is ook aanwezig in het werk van de Franse denker Paul Ricoeur. Volgens Ricoeur kunnen publieke gebaren als excuses en verzoeken om vergeving juist niet direct in ‘instituties’ worden getransformeerd (Ricoeur, 2004, p. 477). Een van de redenen daarvoor is dat ‘instituties’ zelf geen moreel geweten hebben en dus ook geen ‘hart’:

      ‘The paradox is that institutions have no moral conscience and that it is their representatives, speaking in their name, that confer on them something like a proper name and, with it, historical guilt.’ (Ricoeur, 2004, p. 479)

      Bij Ricoeur wordt de erkenning van het onrecht uit het verleden (‘the admission of fault’) vertolkt door een stem die van beneden, ‘uit de diepte’ komt, en die afkomstig is van een gezagsdrager die zich, als representant van een staatkundig geheel, verantwoordelijk voelt voor de betrokkenheid van eerdere besturen en rechtsvoorgangers bij de misdaden uit het verleden en voor de blijvende gevolgen daarvan. Het is een stem of een gebaar van iemand die de moed heeft om zich uit dien hoofde nederig en kwetsbaar op te stellen. De onverwachte knieval in Polen van de West-Duitse bondskanselier Willy Brandt, in 1970, bij een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de opstand in het Joodse getto van Warschau, is het voorbeeld dat Ricoeur hierbij noemt (Ricoeur, 2004, p. 477). De getoonde persoonlijke deemoed en verantwoordelijkheid van degene die het grotere onpersoonlijke en abstracte geheel (de Staat, het landsbestuur) representeert, opent de mogelijkheid van reparatie, zelfs van verzoening, en geeft de (nabestaanden van de) slachtoffers de gelegenheid om ‘vanuit de hoogte’ op dat menselijke gebaar te reageren. De omkering van de machtsrelatie, waarbij de historische representant van de voormalige onderdrukker de aanspreekbare partij ‘in de laagte’ vormt en de nazaten van de slachtoffers de ‘boventoon’ kunnen voeren, maakt het volgens Ricoeur mogelijk dat zelfs ten aanzien van ‘onverjaarbare’ en ‘onvergeeflijke’ misdaden de lastige weg naar verzoening – Ricoeur spreekt zelf van vergeving – wordt geopend.

    • Apology Lite

      Het Adviescollege Slavernijverleden laat zijn aanbeveling om ook de excuses in een wettelijke vorm te gieten vergezeld gaan van een opmerkelijke toevoeging. Het stelt immers voor ‘om in de wetstekst ook expliciet civiel- of strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten’ (Oudshoorn-Tinga et al., 2021, p. 42-43). Dat betekent dat, mocht men een claim met betrekking tot het slavernijverleden indienen bij een rechter, men zich niet op deze wettelijke excuses kan beroepen ter ondersteuning van die claim. Volgens de geraadpleegde juridische deskundigen, waarop het Adviescollege zich in dit voorstel baseert, moet een gang naar de rechter zo veel mogelijk worden ontmoedigd:

      ‘De kwestie is wat betreft het slavernijverleden naar onze mening te groot om de uitkomsten van een [rechterlijke] casuïstische benadering met zoveel onzekere factoren te laten afhangen.’ (Rijn et al., 2021, p. 48)

      Rechters zouden, in deze visie, niet de juiste instantie zijn om zich met een zo omvattend vraagstuk als de reparatie voor het slavernijverleden bezig te houden, en hun onzekere, casuïstische benadering zou een coherente aanpak van het herstel- en reparatievraagstuk zelfs in de weg kunnen staan. De gedachte dat het nuttig zou zijn excuses voor het slavernijverleden te voorzien van een juridische ‘disclaimer’ om succesvolle rechtszaken te voorkomen, is niet nieuw. Toen de Amerikaanse Senaat op 18 juni 2009 in een resolutie ‘on behalf of the people of the United States’ formeel excuses aanbood ‘for the wrongs committed to [African-Americans] and their ancestors who suffered under slavery and Jim Crow laws’, liet zij daarop de volgende clausule volgen:

      ‘2 DISCLAIMER. – Nothing in this resolution –

      1. authorizes or supports any claim against the United States; or

      2. serves as a settlement of any claim against the United States.’

      In een interessante reflectie op deze resolutie van de Amerikaanse senaat, merkt de rechtswetenschapper Kaimipono Wenger onder meer op dat de daarin opgenomen disclaimer helemaal niet nodig was geweest. Er bestaat, stelt hij, geen direct verband tussen excuses en juridische aansprakelijkheid. In Amerika heeft men zowel op federaal als op statelijk niveau herhaaldelijk excuses voor historisch onrecht zonder disclaimer aangeboden, zonder dat dit tot juridische aansprakelijkheid heeft geleid (Wenger, 2009, p. 8). Opvallend is overigens dat de juristen die het Adviescollege adviseerden in hun beschouwing tot dezelfde conclusie komen, daarbij onder meer verwijzend naar Frankrijk, alwaar de wet-Taubira die niet van een disclaimer voorzien is, niet tot succesvolle rechtszaken heeft geleid (Van Rijn et al., 2021, p. 45-47; Cour de Cassation, 2019). Ook in het algemeen achtten zij de kans uiterst gering dat civielrechtelijke claims ten aanzien van het slavernijverleden in de rechtszaal tot successen zouden kunnen leiden (Van Rijn et al., 2021, p. 47). Die mening wordt breed gedeeld. Zo hebben de verschillende rechtszaken rond reparaties voor het slavernijverleden in de Verenigde Staten wel een belangrijke agenderende functie, maar biedt deze juridische route niet of nauwelijks kans op direct resultaat in de vorm van reparatie (Wenger, 2017, p. 90; Loth, 2018).
      Opname van een disclaimer als onderdeel van formele excuses doet wel iets anders, stelt Wenger. Het ondermijnt het onvoorwaardelijke karakter dat een excuus ten aanzien van groot onrecht uit het verleden geloofwaardig maakt:

      ‘A sincere apology accepts responsibility for wrongdoing and accepts appropriate consequences wherever they may lead. But this disclaimer makes clear that the apology extends only to a certain (limited and painless) point.’ (Wenger, 2009, p. 8)

      Wenger noemt dit ‘apology lite’. Een afgezwakte vorm van excuses waarin de mogelijke consequenties vooraf worden ‘gemanaged’ door voor de aanbieder van de excuses onwenselijke juridische gevolgen zorgvuldig uit te sluiten. De angst voor de minieme kans dat een claim met betrekking tot het slavernijverleden bij een rechter ooit gehoor zou kunnen vinden, leidt dan tot een formulering die vergelijkbaar is met het ‘compromis’ in de Verklaring van Durban: opnieuw wordt de erkenning van het koloniale slavernij-onrecht van haar juridische betekenis beroofd, waardoor de slaafgemaakten en hun nabestaanden nog steeds niet de rechtserkenning krijgen die zij als volwaardige personen en rechtssubjecten, net als ieder ander, verdienen. Elders heb ik al eens betoogd dat een gereguleerd moreel gebaar dat gepaard gaat met een uitsluiting van juridische aansprakelijkheid, bij gedupeerden ‘gevoelens van rechtsontkenning’ kan veroorzaken (Geeraets & Veraart, 2019, p. 66). Juist ten aanzien van het slavernijverleden, waarvan juridische uitsluiting – de doelbewuste vernietiging van de rechtssubjectiviteit van slaafgemaakten – de kern vormde, zijn excuses die met nieuwe vormen van juridische uitsluiting gepaard gaan, zacht gezegd, hoogst problematisch.

    • Conclusie

      Omgaan met het koloniale slavernijverleden wordt door het Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden in verband gebracht met erkenning, excuses en herstel. In de eerste plaats met de formele erkenning van het koloniale slavernijverleden als juridisch onrecht, als – wat het steeds geweest is, ook al is de term hedendaags – een misdrijf tegen de menselijkheid. In de tweede plaats met excuses, vanwege het aandeel dat representanten en bestuurders van de voormalige koloniserende macht in het aanrichten en het mogelijk maken van dat onrecht hebben gehad. En in de derde plaats met herstel, waarvoor ruimte komt na erkenning en excuses.
      De formeel-juridische vaststelling dat de koloniale slavernij en slavenhandel misdrijven tegen de menselijkheid waren, laat zich in principe goed met de – eveneens formele – wettelijke vorm verenigen. Die wettelijke vorm is echter minder geschikt voor het aanbieden van excuses, omdat excuses, als een bij uitstek menselijk gebaar, zich slechts moeizaam in een – per definitie onpersoonlijke en abstracte – wettelijke vorm laat gieten. Als nationale excuses voor het slavernijverleden ‘uit het hart’ zouden moeten komen, dan zou de wettelijke vorm die hiervoor door het Adviescollege in zijn rapport wordt aanbevolen, heroverweging verdienen. Ook de aanbeveling om die wettelijke excuses van een disclaimer te voorzien, moet kritisch worden bekeken, omdat excuses voor juridisch onrecht die met nieuwe vormen van juridische uitsluiting gepaard gaan, hoogst problematisch zijn.
      Nationale excuses voor zo’n groot onrecht als het koloniale slavernijverleden behoren door de hoogste representant(en) van de Nederlandse Staat zonder berekeningen, zonder voorwaarden en zonder juridische voorbehouden te worden gemaakt. Degene die zijn stem laat horen, zal zich deemoedig en verantwoordelijk – aanspreekbaar – moeten durven opstellen zonder controle over het vervolg. Op die wijze wordt een venster geopend waardoor een wijziging in de relaties mogelijk wordt en er ruimte komt voor processen van reparatie en verzoening.

    • Literatuur
    • Beckles, H. (2013). Britain’s Black Debt. Reparations for Caribbean Slavery and Native Genocide. Kingston: University of the West Indies Press.

    • Brandon, P., Jones, G., Jouwe, N. & Rossum, M. van (Red.) (2020). De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam-onderzoek. Amsterdam: Spectrum.

    • Breman, J. (2021). Kolonialisme en racisme. Een postkoloniale kroniek. Amsterdam: Amsterdam University Press.

    • Draper, N. (2013). The Price of Emancipation: Slave-Ownership, Compensation and British Society at the End of Slavery. Cambridge: Cambridge University Press 2013.

    • Fatah-Black, K. (2021). Slavernij en beschaving. Geschiedenis van een paradox. Amsterdam: Ambo/Anthos.

    • Fatah-Black, K., Lauret, L. & Tol, J. van den (2022). Dienstbaar aan de keten. De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van de slavernij, 1814-1863. Leiden: Leiden University Press.

    • Ferdinand, M. (2019). Une écologie décoloniale. Penser l’écologie depuis le monde caribéen. Paris: Éditions du Seuil.

    • Geeraets, V.C. & Veraart, W. (2019). Juridisch uitgesloten, probleem opgelost? De verliespost van gereguleerde compassie. In B. van Stokkom (Red.), Genoegdoening & Redelijkheid: Over de grenzen van slachtofferemancipatie (pp. 47-70). Den Haag: Boom Criminologie.

    • Haan, W. de (2015). Knowing What We Know Now. International Crimes in Historical Perspective. Journal of International Criminal Justice, 13(4), 783-799.

    • Hondius, D.G. (2014). Blackness in Western Europe. Patterns of Paternalism and Exclusion. New Brunswick-London: Transaction Publishers.

    • Jones, G. (2012). De Slavernij is onze geschiedenis (niet). Over de discursieve strijd om de betekenis van de ntr-televisieserie De Slavernij. BMGN - Low Countries Historical Review, 127(4), 56-82.

    • Jones, G. (2021). Anton de Kom en het geweld van het moderne burgerschap. In M. Esajas et al., Antonlogie. Verhalen over het gedachtegoed van Anton de Kom (pp. 36-64). Amsterdam: Atlas Contact.

    • Jouwe, N., Kuipers, M. & Raben, R. (Red.) (2021). Slavernij en de stad Utrecht. Zutphen: Walburg Pers.

    • Kok, G. de & Brandon, P. (2022). Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen. Amsterdam: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

    • Kom, A. de (2017). Wij slaven van Suriname. Amsterdam: Atlas Contact.

    • Lindhout, S. (2022). President Santhoki is op zoek naar een nieuwe relatie met Nederland (interview). de Volkskrant, 12 september 2022.

    • Loth, M.A. (2018). Houdbaar recht: over de aansprakelijkheid voor historisch onrecht. In M.A. Loth & L.P.W. van Vliet, Recht over tijd. Hoever reikt het privaatrecht in het verleden? Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2018 (pp. 7-81). Zutphen: Uitgeverij Paris.

    • Oostindie, G. (Red.) (2020). Het koloniale verleden van Rotterdam. Amsterdam: Boom.

    • Oudshoorn-Tinga, D.H. et al. (2021). Ketenen van het verleden. Rapport van bevindingen. Amsterdam: Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden.

    • Patterson, O. (1982). Slavery and Social Death. A Comparative Study. Cambridge Mass: Harvard University Press.

    • Piketty, T. (2022). A brief History of Equality. Cambridge-London: Harvard University Press.

    • Polanen, T. van (2021). Snak, Claas and Bastiaan’s Struggle for Freedom. Three Curaçaoan Enslaved Men and Their Court Cases About the Free Soil Principle in the Dutch Republic. BMGN - Low Countries Historical Review, 136(1), 33-58.

    • Ricoeur, P. (2004). Memory, History, Forgetting. Chicago-London: The University of Chicago Press.

    • Rijn, A. van, Rijpkema, B. & Thodé, G. (2021). Erkenning, excuses en herstel. Den Haag: Boom juridisch.

    • Sint Nicolaas, E. et al. (2021). Slavernij. Het verhaal van João, Wally, Oopjen, Paulus, van Bengalen, Surapati, Sapali, Tula, Dirk, Lohkay. Amsterdam: Rijksmuseum / Atlas Contact.

    • Stipriaan, A. van (2020). Rotterdam in slavernij. Amsterdam: Boom.

    • Sundberg, U. (2002). Durban: The Third World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenofobia and Related Intolerance. International Review of Penal Law, 73(1), 301-317.

    • Talmon, S. (2017). The genocide in Namibia: genocide in a historical-political or in a legal sense? German Practice in International Law, https://gpil.jura.uni-bonn.de (geraadpleegd op 31 augustus 2022).

    • Veraart, W. (2005). Ontrechting. Krisis. Tijdschrift voor empirische filosofie, 6(4), 61-64.

    • Veraart, W. (2017). Het slavernijverleden van John Locke: Naar een minder wit curriculum? In B. Van Beers & I. van Domselaar (Red.), Homo Duplex: De dualiteit van de mens in recht, filosofie en sociologie (pp. 215-237). Den Haag: Boom juridisch.

    • Veraart, W. (2022). Over de mogelijkheid van functioneel extreem geweld. Nederlands Juristenblad, (22), 1771-1777.

    • Wenger, K.D. (2009). Apology Lite: Truths, Doubts and Reconciliations in the Senate’s Guarded Apology for Slavery. Connecticut Law Review. CONNtemplations, 42(1), 1-12.

    • Wenger, K.D. (2017). Forty Acres and a Lawsuit: Legal Claims for Reparations. In M. Deflem (Red.), Race, Ethnicity and Law. Sociology of Crime, Law and Deviance, vol. 22 (pp. 79-91). Bingley: Emerald Publishing.

    • Overige bronnen
    • Concurrent Resolution apologizing for the enslavement and racial segregation of African-Americans, 111th Congress. 1st Session. S. Con. Res. 26 (18 juni 2009).

    • Cour de Cassation, Chambre civile (17 april 2019). ECLI:FR:CCASS:2019:C100376.

    • Déclaration de M. François Hollande, Président de la République, à l’occasion de la Journée nationale des mémoires de la traite, de l’esclavage et leurs abolitions, à Paris (10 mei 2013), beschikbaar op www.vie-publique.fr/discours/187895-declaration-de-m-francois-hollande-president-de-la-republique-locc.

    • Durban Declaration and Programme of Action, adopted by the World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance, Durban (8 september 2001), A/CONF.189/12, beschikbaar op www.un.org/WCAR/durban.pdf.

    • Europees Parlement, Resolution of 19 June 2020 on the anti-racism protests following the death of George Floyd. 2020/2685(RSP).

    • Joint Declaration by the Federal Republic of Germany and the Republic of Namibia. ‘United in Remembrance of Our Colonial Past, United in Our Will to Reconcile, United in Our Vision of the Future’(mei 2021), beschikbaar op www.parliament.na/wp-content/uploads/2021/09/Joint-Declaration-Document-Genocide-rt.pdf.

    • Loi n° 2001-434 du 21 mei 2001 tendant à la reconnaissance de la traite et de l’esclavage en tant que crime contre l’humanité (Loi Taubira), beschikbaar op www.legifrance.gouv.fr/loda/id/JORFTEXT000000405369.

    • Message de M. Emmanuel Macron, président de la République, à l’occasion de la Journée nationale des mémoires de la traite, de l’esclavage et des abolitions (10 mei 2020), beschikbaar op www.vie-publique.fr/discours/275161-emmanuel-macron-10052020-journee-des-memoires-de-la-traite-esclavage.

    • Toespraak burgemeester Ahmed Aboutaleb, Internationale dag van de Mensenrechten, Laurenskerk Rotterdam (10 december 2021), geschreven versie beschikbaar op https://persberichtenrotterdam.nl/wp-content/uploads/sites/4/Toespraak-burgemeester-Ahmed-Aboutaleb-in-Laurenskerk-10-december-2021-1.pdf.

    • Toespraak burgemeester Femke Halsema, Herdenking Slavernijverleden, Oosterpark Amsterdam (1 juli 2021), geschreven versie beschikbaar op www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/burgemeester/speeches/toespraak-slavernijherdenking-2021.

    • Toespraak burgemeester Sharon Dijksma, Erkenning slavernijverleden Utrecht, Janskerk Utrecht (23 februari 2022), geschreven versie beschikbaar op https://utrecht.archiefweb.eu/#archive.

    Noten

    • * Dank gaat uit naar Guno Jones voor zijn waardevolle commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
    • 1 Met dank aan Martijn Stronks voor een verhelderende discussie op dit punt.

    • 2 ‘La République française reconnaît que la traite négrière transatlantique ainsi que la traite dans l’océan Indien d’une part, et l’esclavage d’autre part, perpétrés à partir du xve siècle, aux Amériques et aux Caraïbes, dans l’océan Indien et en Europe contre les populations africaines, amérindiennes, malgaches et indiennes constituent un crime contre l’humanité.’ (vert. WV)

    • 3 In de geschreven tekst van deze toespraak staat: ‘Er zijn ook altijd Rotterdammers geweest die vanuit hun levensovertuiging ageerden tegen deze misdaden tegen de menselijkheid. Maar de stem van hun geweten werd overschreeuwd door de stem van de handelsgeest.’

    • 4 ‘Depuis quinze ans, le 10 mai marque dans notre calendrier républicain la journée nationale des mémoires de la traite, de l’esclavage et de leurs abolitions. Cette journée existe pour que jamais nous n’oubliions ces pages de notre histoire. Elle nous rappelle la barbarie de la traite négrière et de l’esclavage colonial, ce crime contre l’humanité qui fut perpétré durant des siècles. Mais elle nous rappelle aussi que c’est en dénonçant et en détruisant ce système que nous sommes véritablement devenus ce que nous sommes : le pays des droits de l’homme, et une République une et indivisible qui puise dans sa diversité la force de l’universel.’ (vert. WV)

Dank gaat uit naar Guno Jones voor zijn waardevolle commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

Print dit artikel