DOI: 10.5553/TO/156850122021021004003

Tijdschrift voor OmgevingsrechtAccess_open

Artikel

De stand van de stelselherziening: de AMvB’s afgerond

Trefwoorden inwerkingtreding, Omgevingswet, aanvullingsbesluiten, Invoeringsregeling, digitaal stelsel
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. H.W. (Wilco) de Vos, 'De stand van de stelselherziening: de AMvB’s afgerond', TO 2021-1, p. 7-15

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      De bouw van het stelsel van de Omgevingswet nadert zijn voltooiing. Een belangrijke stap is de afronding van de AMvB’s. Eind vorig jaar zijn het Invoeringsbesluit1x Stb. 2020, 400. en de Aanvullingsbesluiten geluid en grondeigendom2x Stb. 2020, 557 en Stb. 2020, 532. in het Staatsblad gepubliceerd.3x De volledige citeertitel van de Invoeringswet, het Invoeringsbesluit en de Invoeringsregeling en de aanvullingswetten, aanvullingsbesluiten en aanvullingsregelingen is met de toevoeging ‘Omgevingswet’. Die toevoeging blijft in dit artikel achterwege. Begin dit jaar volgden de Aanvullingsbesluiten natuur en bodem.4x Stb. 2021, 22 en Stb. 2021, 98. Hiermee is het grootste pakket aan regels van het Rijk voor (activiteiten in) de fysieke leefomgeving afgerond. In dit artikel worden de belangrijkste veranderingen beschreven sinds de advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerp van die besluiten.

      Ook op regelingsniveau is voortgang geboekt. Zo is de Invoeringsregeling vastgesteld en in de Staatscourant gepubliceerd.5x Stcrt. 2020, 64380. Deze regeling is vormgegeven volgens de nieuwe digitale publicatiestandaard Standaard officiële overheidspublicaties (STOP)-Toepassingsprofiel omgevingsdocumenten (TPOD) AMvB-MR. Dit leidt tot een nieuwe stijl van wijzigen, waarbij de veranderingen zijn weergegeven als revisies op onderdelen van de Omgevingsregeling. Verder zijn de aanvullingsregelingen inhoudelijk vergaand afgerond. De officiële publicatie volgt nog. Er is al wel een integrale geconsolideerde versie van de Omgevingsregeling beschikbaar.6x Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

      Nu de (uitvoerings)regelgeving inhoudelijk vrijwel afgerond is, gaat alle aandacht uit naar de voortgang van de implementatie en de totstandkoming van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Die onderwerpen staan centraal in het parlementaire debat over de inwerkingtreding van het stelsel. Ook in dat debat zijn er weer diverse ontwikkelingen. Zo heeft de Tweede Kamer eind vorig jaar een motie aangenomen die de regering verzoekt de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet te bepalen op 1 januari 2022 en het ontwerp-koninklijk besluit (KB) met de daarin opgenomen vermelding van die datum zo snel mogelijk voor te hangen bij de beide Kamers der Staten-Generaal.7x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 160. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft vervolgens het ontwerpbesluit aan beide Kamers gezonden.8x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172. Daarop volgde in de Tweede Kamer een schriftelijke behandeling die op 25 februari plenair een mondeling vervolg kreeg. Daarmee is de voorhangprocedure in de Tweede Kamer afgerond.
      De Eerste Kamer voelde zich overvallen door de voorhang van het ontwerp-KB en heeft eerst een debat over de procedure gevoerd. Ze heeft aangegeven tijd nodig te hebben voor een zorgvuldige behandeling. De minister heeft de toezegging gedaan dat het ontwerp van het inwerkingtredings-KB niet ter bekrachtiging aan de Koning zal worden voorgelegd voordat in beide Kamers de inhoudelijke behandeling is afgerond. Vervolgens heeft de Eerste Kamer het ontwerp in behandeling genomen. In dit artikel wordt nader op het parlementaire proces ingegaan.

      Ondertussen komt er steeds meer regelgeving tot stand die op het stelsel voortbouwt. Het gaat om wijzigingen van uiteenlopende aard: van technische wijzigingen tot de implementatie van Europese regelgeving of nieuw beleid. Een voorbeeld daarvan is het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering.9x Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden die wijzigingen zo vormgegeven dat die zowel onder het huidige recht als onder het stelsel van de Omgevingswet kunnen plaatsvinden. De inwerkingtreding van het stelsel is daar dus niet van afhankelijk.

      Dit jaar zullen de laatste regels van het stelsel worden afgerond en gepubliceerd. Het jaar zal vooral in het teken staan van de interbestuurlijke roadmap Route 2022 met mijlpalen en acties voor een goede invoering.10x Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/implementatie/implementatie-wet/routeplanners/gezamenlijke-route-2022/route-2022-mijlpalen-weg-1-januari-2022/. Die gezamenlijke route van Rijk en decentrale overheden is belangrijk, want de voorgenomen datum van inwerkingtreding komt nu snel dichtbij.

    • 2 Totstandkoming van het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten

      2.1 De AMvB’s van de stelselherziening omgevingsrecht zijn gereed

      Inmiddels zijn het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten vastgesteld en in het Staatsblad gepubliceerd. Daarmee zijn dan alle AMvB’s van de stelselherziening omgevingsrecht gereed die noodzakelijk zijn voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel.
      Het invoeringsspoor en de vier aanvullingssporen zullen tegelijk met het hoofdspoor in werking treden. Bij inwerkingtreding gaan de wijzigingen en aanvullingen, die in het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten zijn opgenomen, op in de vier AMvB’s van de Omgevingswet. Daarnaast worden in totaal 69 bestaande AMvB’s gewijzigd en 53 AMvB’s ingetrokken. Het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten houden geen zelfstandige betekenis. Zij blijven nog wel tijdelijk van betekenis voor het daarin opgenomen overgangsrecht. In tabel 1 worden de AMvB’s van de stelselherziening met de bijbehorende vindplaatsen weergegeven.

      Tabel 1 AMvB’s van de stelselherziening omgevingsrecht
      HoofdspoorInvoeringsspoorAanvullingssporena
      Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290)
      Besluit bouwwerken leefomgeving
      (Stb. 2018, 291)
      Besluit kwaliteit leefomgeving
      (Stb. 2018, 292)
      Besluit activiteiten leefomgeving
      (Stb. 2018, 293)
      Invoeringsbesluit
      (Stb. 2020, 400)
      Aanvullingsbesluit geluid
      (Stb. 2020, 557)
      Aanvullingsbesluit bodem
      (Stb. 2021, 98)
      Aanvullingsbesluit natuur
      (Stb. 2021, 22)
      Aanvullingsbesluit grondeigendom
      (Stb. 2020, 532)

      a De aanvullingsbesluiten staan in de volgorde waarin deze (afgezien van enkele onderdelen) op de beoogde datum (1 januari 2022) in werking zullen treden. Deze volgorde zal bij KB worden bepaald.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft over het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten adviezen met een positief dictum uitgebracht. Hieronder wordt per AMvB kort ingegaan op de belangrijkste opmerkingen en de aangebrachte wijzigingen na de advisering.

      2.2 Invoeringsbesluit

      Het Invoeringsbesluit zorgt voor de aanpassing van andere AMvB’s aan het nieuwe stelsel. Die aanpassing bestaat uit het wijzigen of het geheel of gedeeltelijk intrekken van een groot aantal bestaande AMvB’s. Een belangrijk onderdeel van het Invoeringsbesluit is het overgangsrecht. Het overgangsrecht moet zorgen voor een goede overgang van het oude naar het nieuwe regime. Onderdeel daarvan is de zogenoemde bruidsschat die is geregeld in hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit. De bruidsschat voegt (tijdelijke) regels toe aan omgevingsplannen en waterschapsverordeningen over onderwerpen die nu nog op rijksniveau geregeld worden, maar die onder de Omgevingswet op decentraal niveau worden geregeld. Deze (tijdelijke) regels zijn nodig ter voorkoming van een rechtsvacuüm waarbij de oude rijksregels zijn vervallen, maar de betrokken onderwerpen op decentraal niveau nog niet zijn geregeld.11x Een uitgebreide uitleg over de bruidsschat is te vinden in hoofdstuk 7 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit (Stb. 2020, 400, p. 1164-1176).

      Daarnaast vult het Invoeringsbesluit de vier AMvB’s op grond van de Omgevingswet aan met regels over onder meer: omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen, nadeelcompensatie, vergunningplichten voor de bouwactiviteit en informatie die beschikbaar wordt gesteld voor ontsluiting via de landelijke voorziening van het DSO. Enkele aanvullingen van die AMvB’s vloeien voort uit moties die bij de parlementaire behandeling van de wetgeving van het stelsel zijn aangenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de uitbreiding van de motiveringsplicht voor decentrale overheden bij de totstandkoming van een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid. Dit wordt geregeld in de afdelingen 10.1, 10.3 en 10.4 van het Omgevingsbesluit. Op de relatie met de uitvoering van deze moties wordt ingegaan in paragraaf 9.6 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit.12x Stb. 2020, 400, p. 1217-1218.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een positief advies uitgebracht (dictum B).13x Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120280/w04-20-0033/#highlight=invoeringsbesluit. De in het Invoeringsbesluit opgenomen wijzigingen en aanvullingen van de AMvB’s op grond van de Omgevingswet, de intrekking van een groot aantal bestaande AMvB’s en het overgangsrecht passen volgens de Afdeling bij een consistente, heldere en gestructureerde uitwerking van het stelsel. Het grootste deel van de opmerkingen ziet op een verantwoord moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Afdeling gaat in het bijzonder in op het DSO en de voortgang van de implementatie van het nieuwe stelsel bij bestuursorganen. De Afdeling wijst er bijvoorbeeld op dat er voldoende zekerheid moet zijn dat de bevoegde gezagen op het moment van inwerkingtreding, op 1 januari 2022, aan de geformuleerde minimumcriteria14x De vijf minimale criteria hebben tot doel dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet: - provincies en Rijk een vastgestelde omgevingsvisie hebben;- provincies een vastgestelde omgevingsverordening hebben;- Rijk, provincie of waterschap een projectbesluit kan vaststellen;- gemeenten een omgevingsplan kunnen vaststellen en beschikbaar kunnen houden;- het bevoegd gezag een aanvraag/melding kan ontvangen, aanvragen om omgevingsvergunningen kan beoordelen, en dat de indieningsvereisten helder zijn. voldoen en klaar zijn om de hun in de Omgevingswet toebedeelde taken uit te voeren. Ook zal helder moeten zijn dat bij inwerkingtreding alle functies die behoren bij de minimale invulling van het DSO goed werken en het stelsel gevuld is. De Afdeling vraagt daarnaast om duidelijkheid over de doorontwikkeling en uitbouw van het DSO en de termijn waarbinnen dit wordt gerealiseerd. In het nader rapport wordt het belang van een verantwoord moment van invoering onderschreven en wordt daarop uitgebreid ingegaan. De door de Afdeling genoemde aspecten zijn van wezenlijk belang bij de afweging over de inwerkingtreding van het stelsel bij het inwerkingtredings-KB.

      De Afdeling adviseert de verschillende rollen toe te lichten van bestuursorganen in de fysieke leefomgeving en bij de bestuurlijke samenwerking bij het realiseren van maatschappelijke opgaven. Ook adviseert de Afdeling te voorzien in overgangsrecht om afwegingsruimte voor bestaande ontheffingsmogelijkheden in bestemmingsplannen – die opgaan in het omgevingsplan – te behouden. Naar aanleiding hiervan is de nota van toelichting aangevuld en is in aanvullend overgangsrecht voorzien. Verder zijn nog enkele andere wijzigingen doorgevoerd. Dit zijn behalve redactionele en wetstechnische wijzigingen ook meer inhoudelijke wijzigingen. Zo zijn aan de bruidsschat voor het omgevingsplan regels toegevoegd over lozingen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater in de bodem. Hiermee is een rechtsvacuüm voorkomen, omdat de rijksregels over dergelijke lozingen die zijn opgenomen in het Besluit lozen buiten inrichtingen als gevolg van het Invoeringsbesluit vervallen.

      2.3 Aanvullingsbesluit geluid

      De AMvB’s op grond van de Omgevingswet die in het hoofdspoor tot stand zijn gekomen, bevatten al regels over geluid, onder meer over geluid door activiteiten in de fysieke leefomgeving. Via het aanvullingsspoor krijgen de regels over geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen een plaats in het stelsel van de Omgevingswet. Ze vervangen de regels over geluid van deze bronnen in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder en de regels over geluidproductieplafonds in de Wet milieubeheer en het Besluit geluid milieubeheer.

      Het Aanvullingsbesluit geluid vult de AMvB’s op grond van de Omgevingswet aan met specifieke regels over het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen en met regels over het toelaten van geluidgevoelige gebouwen nabij die geluidbronnen. Ook bevat het besluit regels over de sanering van te hoge geluidbelastingen door decentrale infrastructuur. Het besluit bevat verder overgangs- en invoeringsbepalingen, waaronder een zogenoemde bruidsschat met regels over het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een positief advies uitgebracht (dictum B).15x Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120775/w17-20-0094-iv/#highlight=aanvullingsbesluit%20geluid. De Afdeling heeft vragen gesteld over het toezicht op en de handhaving van geluidproductieplafonds en de rechtspositie van belanghebbenden daarbij.
      In reactie hierop is het Aanvullingsbesluit zo aangevuld dat belanghebbenden altijd de mogelijkheid hebben om een verzoek om bestuursrechtelijke handhaving te doen in het geval geluidproductieplafonds worden overschreden en het treffen van maatregelen uitblijft. Tegen de beslissing op het verzoek staat rechtsbescherming bij de bestuursrechter open.

      In de tweede plaats heeft de Afdeling vragen gesteld over de keuze voor een vijfjaarlijkse verslaglegging over de naleving van geluidproductieplafonds. Die hebben niet geleid tot een verhoging van de verslagfrequentie in verband met de bestuurslasten daarvan. Wel is aanvullend bepaald dat monitoringsgegevens voor het geluid in een kalenderjaar jaarlijks in het geluidregister worden vastgelegd en zo inzichtelijk worden gemaakt.

      Naast diverse wetstechnische verbeteringen zijn nog drie inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Naar aanleiding van de consultatie van het ontwerp van de Aanvullingsregeling geluid worden industrieterreinen met zeehavengebonden activiteiten niet langer bij ministeriële regeling aangewezen. Of er sprake is van dergelijke activiteiten wordt, net als nu, overgelaten aan het bevoegd gezag. Verder is het basisjaar voor de monitoring van het geluid van wegen van gemeenten en waterschappen verschoven van 2021 naar (in beginsel) 2022. Dit omdat het geluid in 2021 nog sterk beïnvloed wordt door de COVID-19-maatregelen. Verder is uit de nota van toelichting een tabel met kwalificaties voor gecumuleerd geluid geschrapt. Dit beklemtoont dat het bevoegd gezag bepaalt op welke wijze deze afweging plaatsvindt.

      In de Aanvullingsregeling geluid is een nieuwe rekenregel opgenomen over beoordeling van gecumuleerd geluid in de omgeving van luchthavens. In het overgangsrecht zal worden geregeld dat tot een nader te bepalen tijdstip de bestaande rekenregels gelden. Daarnaast vindt er een interbestuurlijke impactanalyse plaats. Eventuele wijzigingen naar aanleiding daarvan zullen in een apart wijzigingsspoor worden ondergebracht.

      2.4 Aanvullingsbesluit bodem

      Via het aanvullingsspoor bodem wordt het nieuwe bodembeleid vastgelegd en geïntegreerd in het stelsel van de Omgevingswet. De nieuwe regels maken zo veel mogelijk gebruik van de instrumenten van de Omgevingswet, zoals het omgevingsplan en de algemene rijksregels over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Preventie staat voorop. Met behulp van zorgplichten en algemene regels wordt beoogd nieuwe verontreinigingen en aantasting van de bodem te voorkomen. Ook worden regels gesteld over het beheer van historische verontreinigingen, waarbij wordt uitgegaan van de benodigde bodemkwaliteit op een locatie in relatie tot het (gewenste) gebruik en niet langer van ‘een geval van verontreiniging’ als bedoeld in de Wet bodembescherming met de daarbij behorende plichten. Deze beleidswijziging houdt verband met de afronding van de aanpak van spoedlocaties.16x Kamerstukken II 2017/18, 34 864, nr. 3, p. 5-9.

      Via het Aanvullingsbesluit bodem wordt het Besluit activiteiten leefomgeving aangevuld met algemene rijksregels voor het verrichten van een aantal activiteiten, zoals het graven in de bodem en het saneren van de bodem. Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder meer aangevuld met een instructieregel om te borgen dat in het omgevingsplan regels worden gesteld die beperkingen opleggen aan het bouwen op verontreinigde bodem. Het aanvullingsbesluit bevat ook een zogenoemde bruidsschat, waarmee een goede overgang van regels van het Rijk naar de gemeenten wordt geborgd.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een blanco advies uitgebracht (dictum A). Bij nader rapport is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de technische afstemming met de andere onderdelen van het stelsel te verbeteren. Ook is een beperkt aantal inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Zo wordt het Omgevingsbesluit gewijzigd om een ‘doorzendfunctionaliteit’ toe te voegen aan het DSO. Meldingen worden straks via het DSO ingediend bij het bevoegd gezag. In de huidige situatie worden deze meldingen doorgestuurd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), zodat die het ketentoezicht kan uitoefenen. Het DSO kent nog niet de mogelijkheid om berichten door te zenden. Om de huidige situatie voort te kunnen zetten, is voorzien in een doorzendfunctionaliteit.

      2.5 Aanvullingsbesluit natuur

      Met het aanvullingsspoor natuur wordt de inhoud van de regels op grond van de Wet natuurbescherming in het stelsel van de Omgevingswet opgenomen. Naast regels over de bescherming van soorten en gebieden, zoals het Natuurnetwerk Nederland, gaat het om regels over faunabeheer, de jacht, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de handel in dieren en planten van bedreigde soorten (CITES-verdrag).17x Omwille van de volledige integratie van de Wet natuurbescherming in de Omgevingswet hebben ook deze onderwerpen al een plek gekregen in het stelsel van de Omgevingswet, eventueel vooruitlopend op een volgende module. Hiervoor worden in de Omgevingswet enkele specifieke grondslagen opgenomen. Verder wordt zo veel mogelijk aangesloten bij instrumenten van de Omgevingswet, zoals instructieregels, de omgevingsverordening, algemene rijksregels en de omgevingsvergunning.

      Het Aanvullingsbesluit natuur zorgt voor de opname van inhoudelijke regels over het beschermen van natuurgebieden, over dier- en plantensoorten en over houtopstanden. Het regelt bijvoorbeeld de aanwijzing van vergunningplichtige activiteiten ter bescherming van Natura 2000-gebieden en van bepaalde dier- en plantensoorten in het Besluit activiteiten leefomgeving. Ook bevat het een aanvulling van het Besluit kwaliteit leefomgeving met beoordelingsregels voor natuurgerelateerde omgevingsvergunningen. De regels zijn beleidsneutraal overgenomen uit de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming. De instrumenten en regels worden wel aangepast aan het systeem en de terminologie van de Omgevingswet. Daarbij blijft het huidige beschermingsniveau geborgd.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een blanco advies uitgebracht (dictum A).18x Zie www.raadvanstate.nl/adviezen/@121849/w11-20-0270-iv/#highlight=aanvullingsbesluit%20natuur. Bij nader rapport is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de technische afstemming met de andere onderdelen van het stelsel te verbeteren en te actualiseren. Ook is een aanvullende toelichting opgenomen over de bevoegdheden van gemeenten en provincies rondom houtopstanden. De structurele stikstofaanpak wordt via een afzonderlijk spoor – het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering19x Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C. en bijbehorend besluit – in het stelsel van de Omgevingswet opgenomen.

      2.6 Aanvullingsbesluit grondeigendom

      Het aanvullingsspoor grondeigendom voegt regels over onteigening, landinrichting, stedelijke kavelruil en voorkeursrecht toe aan het stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast worden wijzigingen aangebracht in de regeling over grondexploitatie (kostenverhaal). Hiermee krijgt het stelsel diverse instrumenten voor actief en faciliterend grondbeleid. Deze instrumenten zijn van belang voor het beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving – en daarmee voor het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Deze wettelijke instrumenten maken het voor de overheid mogelijk om in meer of mindere mate inbreuk te maken op de rechtspositie van eigenaren van onroerende zaken en in samenhang daarmee ook op de rechtspositie van zakelijk of persoonlijk gerechtigden. Deze regels zijn daarom niet alleen bestuursrechtelijk, maar ook privaatrechtelijk relevant. Vanwege de ingrijpende rechtsgevolgen die bepaalde instrumenten, zoals onteigening, kunnen hebben, worden de meeste regels over grondeigendom op wetsniveau geregeld. Deze worden via de Aanvullingswet grondeigendom onderdeel van de Omgevingswet.

      Het Aanvullingsbesluit grondeigendom voorziet in nadere regels over een aantal onderwerpen. Het gaat om inhoudelijke en procedurele regels voor de voorkeursrechtbeschikking, de onteigeningsbeschikking, het ruilbesluit en het besluit geldelijke regelingen. Daarnaast zijn algemene regels gesteld over landinrichtingsactiviteiten en zijn de regels over het kostenverhaal die in het Omgevingsbesluit zijn opgenomen, op onderdelen gewijzigd.

      De Afdeling advisering van de Raad van State heeft over het Aanvullingsbesluit grondeigendom een positief advies uitgebracht (dictum B).20x Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120650/w04-20-0069/#highlight=Aanvullingsbesluit%20grondeigendom%20Omgevingswet. In het advies besteedt de Afdeling vooral aandacht aan het onderwerp kostenverhaal. Ten eerste adviseert de Afdeling te overwegen om nadere criteria of methodieken op te nemen voor het ramen van de opbrengsten van de gronden waarop bouwactiviteiten plaatsvinden. In het nader rapport is aangegeven dat er bewust geen methodieken voor de raming van de opbrengsten zijn vastgelegd. Dit is maatwerk en er is in de praktijk niet één methode aan te wijzen waarmee de opbrengsten van de grond in alle gevallen zijn te schatten. Meerdere benaderingen zijn mogelijk, waarbij met uiteenlopende factoren rekening kan worden gehouden. In de huidige Wet ruimtelijke ordening zijn ook geen ramingsmethodieken opgenomen. Er is volgens de regering niet gebleken – bijvoorbeeld uit jurisprudentie – dat daar onduidelijkheid over is.
      Verder adviseert de Afdeling om de opgenomen peildatum voor het ramen van de opbrengsten te concretiseren. Dit advies is gevolgd door het peilmoment duidelijker vast te leggen. Het bestuursorgaan moet de opbrengsten van de gronden inschatten aan de hand van een datum in het jaar dat de kosten zullen worden verhaald. In het nader rapport is toegelicht dat de peildatum niet is gelijkgesteld aan het moment van het geven van de kostenverhaalsbeschikking, omdat dit het nadeel met zich kan brengen dat voor elke individuele beschikking opnieuw een raming van de opbrengsten moet plaatsvinden.
      Tot slot adviseert de Afdeling om na te gaan of een verruiming van de criteria voor het afzien van kostenverhaal wel past bij een beleidsneutrale omzetting. Dit advies is gevolgd. De mogelijkheid om van kostenverhaal af te zien was onbedoeld verruimd door het herindelen van de kostensoortenlijst. De regels zijn zo aangepast dat er sprake is van een beleidsneutrale voortzetting van het Besluit ruimtelijke ordening zoals beoogd.

    • 3 Wijzigingen van de AMvB’s buiten de stelselherziening

      Uiteraard staat de wereld niet stil en kan het nodig zijn om technische of specifieke aanpassingen in de regelgeving door te voeren. Dat geldt ook voor beleidswijzigingen of de implementatie van nieuwe Europese of internationale voorschriften. De vier AMvB’s op grond van de Omgevingswet (dus inclusief het Invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten) vormen de basis waarop verder wordt gebouwd. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de wijzigingen zo vormgegeven dat die zowel onder het huidige recht als onder het stelsel van de Omgevingswet kunnen plaatsvinden. Ze bevatten bijvoorbeeld zowel wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 als wijzigingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. In tabel 2 zijn de wijzigingen van de AMvB’s opgenomen die al in het Staatsblad zijn gepubliceerd.

      Tabel 2 Wijzigingen AMvB’s Omgevingswet
      WijzigingPublicatie
      Wijziging Bouwbesluit 2012/Bbl inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (BENG) (Stb. 2019, 501) wijzigingen Bbl zijn opgenomen in art. III
      Wijziging Bouwbesluit 2012/Bbl ter implementatie van Richtlijn 2018/844 (tweede herziening EPBD) (Stb. 2020, 84) wijzigingen Bbl zijn opgenomen in art. IV
      Wijziging Bouwbesluit 2012/Bbl in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen (Stb. 2020, 189) wijzigingen Bbl zijn opgenomen in art. II
      Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen + wijziging Bal (Stb. 2020, 197) wijzigingen bijlage II Bal zijn opgenomen in art. 9
      Wijziging Besluit algemene regels ruimtelijke ordening/Bkl/Ob (kustfundament, grote rivieren, radarstations en hoogspanningsverbindingen) (Stb. 2020, 204) wijzigingen Bkl en Ob zijn opgenomen in art. II en III
      Wijziging Bouwbesluit 2012/Bbl/Bkl/Ob (certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties) (Stb. 2020, 348) wijzigingen Bbl, Bkl en Ob zijn opgenomen in art. II, III en IV
      Wijziging Bouwbesluit 2012/Bbl (inijking energielabels & methodiek bepalen energieprestatie) (Stb. 2020, 454) wijzigingen Bbl zijn opgenomen in art. V
      Wijziging Asbestverwijderingsbesluit 2005, Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, Bouwbesluit 2012/Bbl (Stb. 2021, 10) wijziging Bbl is opgenomen in art. IV

      De wijzigingen van de AMvB’s van de Omgevingswet zullen tegelijk met het hoofd-, invoerings- en aanvullingsspoor in werking treden. De precieze onderlinge wetstechnische volgorde, om bijvoorbeeld te zorgen dat wijzigingen elkaar niet onbedoeld overschrijven en dat de nummering klopt, zal worden vastgesteld via een technisch inwerkingtredings-KB, dat volgt op het inwerkingtredings-KB van de Omgevingswet.

      Bovenstaande wijzigingen zijn al verwerkt in geconsolideerde versies van de vier AMvB’s op grond van de Omgevingswet. Die geconsolideerde versies zijn raadpleegbaar via de website aandeslagmetdeomgevingswet.nl.21x Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/. Daarnaast zijn er wijzigingen van de AMvB’s die nog in procedure zijn.22x Ook daarvoor zijn via de genoemde website geconsolideerde ‘werkversies’ beschikbaar. Een voorbeeld is het Besluit kwaliteitsborging bouwen. Een ander voorbeeld is het Besluit publiekrechtelijk afdwingbare financiële bijdragen, waarvoor begin dit jaar de voorhangprocedure is gestart.23x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 173. Zodra een dergelijk wijzigingsbesluit is vastgesteld en in het Staatsblad is gepubliceerd, zullen de geconsolideerde versies worden geactualiseerd. Vanaf de datum van inwerkingtreding gebeurt dat via wetten.nl.

    • 4 Het parlementaire proces rondom de inwerkingtreding

      4.1 Een uitgebreid proces bij beide Kamers

      De afgelopen maanden hebben beide Kamers naar aanleiding van diverse voortgangsbrieven, rapporten, waaronder het advies van het Bureau ICT-toetsing (BIT) en de tweede Gateway Review over het digitale stelsel, en perspublicaties24x Zie o.a. Trouw 13 november 2020, www.trouw.nl/politiek/nieuwe-mislukking-overheid-omgevingswet-in-gevaar-door-ict-problemen~bcd211ee/. schriftelijke vragen gesteld. Daarnaast waren er in de Eerste Kamer twee technische briefings: een demosessie over de werking van de landelijke voorziening van het DSO en een briefing verzorgd door de opstellers van het BIT-advies en de tweede Gateway Review. Eind vorig jaar was er een mondeling overleg met de Minister van BZK in de Eerste Kamer en een notaoverleg in de Tweede Kamer. Belangrijke thema’s waren in beide Kamers de stand van zaken van het DSO en de financiële gevolgen voor decentrale overheden. In aan het parlement gezonden position papers scharen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zich achter de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2022. Aandachtspunten daarbij zijn dat er dan een stabiel DSO is en dat de wet budgetneutraal moet kunnen worden ingevoerd.

      In vervolg op het notaoverleg heeft de Tweede Kamer een motie van Regterschot c.s.25x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172. aangenomen waarin het kabinet werd opgeroepen om nog in december het ontwerpinwerkingtredings-KB van de Omgevingswet voor te hangen met als datum van inwerkingtreding 1 januari 2022. Daarnaast zijn enkele andere moties aangenomen rondom de financiën, onder meer om te borgen dat de implementatie van de Omgevingswet decentrale overheden niet meer gaat kosten dan zij oplevert.26x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nrs. 162 en 165. En om bij de implementatie structureel aandacht te hebben voor minder digivaardigen.27x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 164. Een motie van Terpstra (CDA) over het beleidsneutraal overnemen van de huidige cumulatieregels voor luchtvaartgeluid is aangehouden.28x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 167.

      De Minister van BZK heeft vervolgens, ter uitvoering van de aangenomen motie-Regterschot c.s., het ontwerp van het inwerkingtredings-KB bij beide Kamers voorgehangen. Bij de aanbieding aan de Eerste Kamer heeft de minister benadrukt dat de voorhangprocedure aan beide Kamers ruimte laat om hun eigen proces in te richten. De wettelijke termijn van vier weken is geen fatale termijn maar een minimumtermijn. Beide Kamers kunnen voor de behandeling de tijd nemen die zij voor een zorgvuldige behandeling nodig achten. Zodra de Kamers het ontwerp van het KB in behandeling nemen, zal het kabinet wachten met de voordracht van het KB aan de Koning tot deze behandeling is afgerond.29x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172; Kamerstukken I 2020/21, 33 118, BN, p. 2. Op deze manier kan gevolg worden gegeven aan zowel het vervolg van de behandeling in de Tweede Kamer, conform de aangenomen motie, als de uitdrukkelijke wens van de Eerste Kamer om voldoende tijd te hebben voor een zorgvuldige behandeling.

      4.2 Tweede Kamer

      De Tweede Kamer heeft het ontwerp-KB eind vorig jaar in behandeling genomen en schriftelijke vragen gesteld. Deze zijn begin dit jaar beantwoord en hadden onder meer betrekking op de bovengenoemde onderwerpen.30x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 174.

      In verband met het demissionair worden van het kabinet werd de besluitvorming over de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het debat over het wel of niet controversieel verklaren van onderwerpen. Daarbij is de vraag aan de orde of de Kamer die onderwerpen nog met het demissionaire kabinet verder behandelt. Dit debat kende een wisselend verloop. In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken werd het inwerkingtredings-KB niet controversieel verklaard. In de daaropvolgende plenaire vergadering werd de beantwoording van de hierboven genoemde schriftelijke vragen wél controversieel verklaard. Het voorstel daarvoor kreeg een meerderheid, later bleek door onbedoeld voorstemmen door de fractie van D66.31x In de Handelingen is tot uitdrukking gebracht dat de fractie van D66 wordt geacht tegen het voorstel te hebben gestemd. Dit verandert echter de stemmingsuitslag niet. Die fractie diende vervolgens een voorstel in om het onderwerp weer van de lijst van controversiële onderwerpen af te halen.32x Kamerstukken I 2020/21, 35 718, nr. 10. En zo geschiedde een week later,33x Waarbij de leden van de fracties van PvdA, Krol, 50PLUS, DENK, D66, VVD, SGP, CDA, ChristenUnie en FVD voor het voorstel van D66 hebben gestemd. waarna werd besloten tot een plenaire afronding van de behandeling op 25 februari. Bij die behandeling werd een motie ingediend om de Omgevingswet niet per 1 januari 2022 in te voeren.34x Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 178. Deze motie werd verworpen. Daarmee is de voorhangprocedure in de Tweede Kamer afgerond.

      4.3 Eerste Kamer

      De Eerste Kamer heeft naar aanleiding van de voortgangsbrief van 13 november 2020 schriftelijke vragen gesteld.35x Kamerstukken I 2020/21, 33 118, BQ. Onder meer over criteria voor verantwoorde invoering en realisatie, voorbereidingen op de invoering van het DSO, financiële randvoorwaarden voor invoering en doorontwikkeling, en (timing van de) informatievoorziening. De Eerste Kamer geeft daarbij aan tijd nodig te hebben voor de oordeelsvorming over het moment van inwerkingtreding. Dit heeft op woensdag 13 januari 2021 geleid tot een extra plenaire vergadering over het voorgehangen inwerkingtredings-KB. De reden daarvoor was de aanname van een deel van de Kamerleden dat op die dag om 24.00 uur de voorhangtermijn zou aflopen, terwijl de Kamer op dat moment nog niet in de gelegenheid was geweest om het ontwerp voldoende te behandelen. Een belangrijk discussiepunt was de betekenis van de termijn van vier weken in de wettelijke voorhangbepaling.36x Art. 23.10 lid 2 Omgevingswet (na wijziging door de Invoeringswet). Daarnaast was, omdat de aanbieding van het ontwerp in de recesperiode had plaatsgevonden, voor diverse Kamerleden onduidelijk wanneer de termijn zou eindigen. Ook was het de vraag wat de positie van de Kamer was na het verstrijken van de voorhangperiode. Een belangrijk discussiepunt was de waardering van de toezegging van het kabinet bij de aanbieding van het ontwerp-KB, dat het ontwerp-KB niet ter bekrachtiging aan de Koning wordt voorgelegd zolang de parlementaire behandeling niet is afgerond. Een deel van de Kamerleden zag risico’s. Een ander deel wees op de betekenis van een toezegging binnen de staatsrechtelijke verhoudingen tussen regering en parlement. Gezien deze vragen heeft de Minister van BZK, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, een brief gestuurd met informatie over de voorhangprocedure en de gedane toezeggingen.37x Kamerstukken I 2020/21, 33118, BO. De strekking daarvan is dat de Kamer haar eigen proces bepaalt en de tijd kan nemen die voor een zorgvuldige behandeling nodig is. In het debat is hierover nader gediscussieerd. Uiteindelijk was een ruime meerderheid van de Eerste Kamerleden akkoord met het vervolg van de behandeling van het ontwerp. Ook bij de besluitvorming over het wel of niet controversieel verklaren van onderwerpen is dit onderwerp niet controversieel verklaard. De inhoudelijke behandeling wordt gezamenlijk voorbereid door de vaste commissies voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO) en Economische Zaken en Klimaat (EZK)/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Deze leveren begin maart inbreng voor schriftelijk overleg.

    • 5 Enkele andere ontwikkelingen en vervolg

      5.1 Invoeringsregeling gepubliceerd

      De Invoeringsregeling is vastgesteld en in de Staatscourant gepubliceerd.38x Stcrt. 2020, 64380; zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-64380.html. Hiermee is het invoeringsspoor afgerond. De publicatie heeft plaatsgevonden conform de nieuwe standaard voor overheidspublicaties: STOP-TPOD AMvB-MR. Dit is de eerste wijziging in een nieuwe stijl, waarbij de wijzigingen met behulp van renvooi en in kleur worden weergegeven. In figuur 1 zijn enkele voorbeelden opgenomen. Deze nieuwe stijl van wijzigen zal voortaan bij substantiële wijzigingen van de Omgevingsregeling worden gehanteerd.

      Voorbeelden in nieuwe standaard voor overheidspublicaties (STOP-TPOD AMvB-MR)
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TO/TO_2021_1

      5.2 Wijziging Awb door parlement aangenomen

      Het voorstel voor de wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (35 256) is door de Tweede Kamer met een ruime meerderheid aangenomen.39x Het wetsvoorstel is op 17 november 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. Voor: SP, PvdA, Krol, PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, D66, VVD, SGP, CDA, ChristenUnie en PVV. Tegen: GroenLinks, FVD en Van Haga. Tijdens de behandeling waren er onder meer amendementen voorgesteld over het forfait bij nadeelcompensatie in de Omgevingswet. Deze hadden betrekking op de waardedaling van onroerende zaken als gevolg van omgevingsplannen. Met dit amendement beogen de indieners te bewerkstelligen dat bewoners geconfronteerd met waardedaling van hun huizen als gevolg van overheidsplannen in de directe omgeving, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van windparken, worden gecompenseerd voor die waardedaling. Een ander voorgesteld amendement bevatte een verplichting tot het toezenden van een ontwerpbesluit aan ‘alle belanghebbende omwonenden’ in gevallen waarin de coördinatieregeling van toepassing is. Bij de stemming is geen van de amendementen aangenomen. De Eerste Kamercommissies voor Justitie en Veiligheid (J&V) en voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO) hebben op 23 februari 2021 een blanco eindverslag uitgebracht. Het voorstel wordt op 2 maart 2021 als hamerstuk afgedaan. Dit is de laatste wijziging die op wetsniveau nodig is om de Omgevingswet in werking te kunnen laten treden.

      5.3 Andere wetswijzigingen van de Omgevingswet

      Het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering40x Zie het gewijzigd voorstel van wet: Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C. is door de Tweede Kamer aangenomen.41x Het wetsvoorstel is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. Voor: SP, Krol, 50PLUS, D66, VVD, SGP, CDA en ChristenUnie. Tegen: PvdA, PvdD, FVD, DENK, PVV, GroenLinks en Van Kooten-Arissen. Dit bevat onder meer omgevingswaarden voor stikstofreductie en een verplichting voor de Minister van LNV om een programma stikstofreductie en natuurverbetering vast te stellen. Verder bevat het een verplichting voor gedeputeerde staten om provinciale gebiedsplannen op te stellen ter uitwerking van de landelijk vereiste depositiereductie. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een verplichting voor de Minister van LNV om een aanvullend programma vast te stellen voor het legaliseren van voorheen vergunningvrije projecten met geringe depositie en een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Een inhoudelijke bespreking blijft hier achterwege, aangezien het een wijzigingsvoorstel betreft dat geen onderdeel vormt van de drie sporen van de stelselherziening of noodzakelijk is voor de inwerkingtreding van het stelsel (zie ook hierboven par. 3). De wijzigingen in het wetsvoorstel zijn vormgegeven als wijzigingen van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet. Dit betekent dat de inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet hier niet van afhankelijk is, maar dat het stelsel wel volledig actueel is als de betrokken wijzigingen in werking treden. De stand van zaken van de behandeling van het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering in de Eerste Kamer is dat er in ieder geval twee schriftelijke rondes plaatsvinden en dat het streven erop is gericht om het voorstel voor de Tweede Kamerverkiezingen plenair te behandelen.

      Inmiddels is de Verzamelwet IenW 2019 in het Staatsblad gepubliceerd.42x Stb. 2020, 455. Hierin zijn wijzigingen op het gebied van geluid opgenomen die voortvloeien uit de motie-Rietkerk c.s., die is aangenomen tijdens de behandeling van de Aanvullingswet geluid in de Eerste Kamer.43x Kamerstukken I 2019/20, 35 054, I. Deze wijzigingen maken het mogelijk dat provincies uit eigen beweging, en niet alleen op verzoek van gemeenten, de geluidproductieplafonds voor industrieterreinen van provinciaal belang vaststellen.

      In diverse andere wetsvoorstellen en wetten (buiten de stelselherziening) worden wijzigingen van de Omgevingswet opgenomen. Die zorgen ervoor dat het nieuwe stelsel wordt geactualiseerd en aangepast aan de voorgestelde specifieke wijzigingen. Een voorbeeld is het voorstel voor de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer.44x Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 2. Ook van de Omgevingswet is er een integrale geconsolideerde versie beschikbaar die het resultaat van de wijzigingen weergeeft.45x Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

      5.4 Vervolg

      De komende periode zullen de aanvullingsregelingen worden vastgesteld en in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarmee zijn dan, na het hoofdspoor en het invoeringsspoor, ook de aanvullingssporen gereed. Met het aannemen van de wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (35 256) door de Eerste Kamer is de wetgeving van het Rijk die onderdeel is van de stelselherziening inhoudelijk afgerond. De geconsolideerde versies van de Omgevingswet, de vier AMvB’s (alsmede een geconsolideerde versie van de bruidsschat) en de Omgevingsregeling zijn nu al raadpleegbaar.46x Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/. Handig voor iedereen die kennis wil nemen van de nieuwe wetgeving.
      De komende tijd zal de nadruk liggen op de voorbereidingen op de invoering en een goede werking van het (digitale) stelsel in de praktijk. In deze laatste fase op weg naar de invoering is er veel aandacht voor de voortgang daarvan.47x In de artikelenreeks ‘De stand van de stelselherziening’ wordt stilgestaan bij de uitkomsten van parlementaire debatten en de totstandkoming van de wet- en regelgeving van het stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast komt (de invoering van) het stelsel van de Omgevingswet regelmatig aan de orde in publicaties in de pers, juridische literatuur, opiniestukken en blogs. Deze publicaties variëren van informerend tot (zeer) kritisch en leiden dikwijls tot reacties of levendige debatten op social media. Gezien de omvang en diversiteit daarvan blijft bespreking daarvan in deze reeks achterwege als die niet leiden tot wijzigingen in de wet- en regelgeving van het stelsel. Die invoeringsaspecten zullen dan ook een belangrijke rol spelen in het vervolg van het parlementaire proces rondom de besluitvorming over het tijdstip van de inwerkingtreding. Ook komt er steeds meer aandacht voor de toepassing van de instrumenten van het stelsel voor maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld voor meer regie op de woningbouw of de energietransitie. De stelselherziening komt daarmee in een volgende fase: van de totstandkoming van de uitvoeringsregelgeving naar de uitvoering van de regelgeving.

    Noten

    • * Het artikel is op persoonlijke titel geschreven. De tekst van dit artikel is afgesloten op 25 februari 2021.
    • 1 Stb. 2020, 400.

    • 2 Stb. 2020, 557 en Stb. 2020, 532.

    • 3 De volledige citeertitel van de Invoeringswet, het Invoeringsbesluit en de Invoeringsregeling en de aanvullingswetten, aanvullingsbesluiten en aanvullingsregelingen is met de toevoeging ‘Omgevingswet’. Die toevoeging blijft in dit artikel achterwege.

    • 4 Stb. 2021, 22 en Stb. 2021, 98.

    • 5 Stcrt. 2020, 64380.

    • 6 Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

    • 7 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 160.

    • 8 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172.

    • 9 Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C.

    • 10 Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/implementatie/implementatie-wet/routeplanners/gezamenlijke-route-2022/route-2022-mijlpalen-weg-1-januari-2022/.

    • 11 Een uitgebreide uitleg over de bruidsschat is te vinden in hoofdstuk 7 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit (Stb. 2020, 400, p. 1164-1176).

    • 12 Stb. 2020, 400, p. 1217-1218.

    • 13 Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120280/w04-20-0033/#highlight=invoeringsbesluit.

    • 14 De vijf minimale criteria hebben tot doel dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet: - provincies en Rijk een vastgestelde omgevingsvisie hebben;- provincies een vastgestelde omgevingsverordening hebben;- Rijk, provincie of waterschap een projectbesluit kan vaststellen;- gemeenten een omgevingsplan kunnen vaststellen en beschikbaar kunnen houden;- het bevoegd gezag een aanvraag/melding kan ontvangen, aanvragen om omgevingsvergunningen kan beoordelen, en dat de indieningsvereisten helder zijn.

    • 15 Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120775/w17-20-0094-iv/#highlight=aanvullingsbesluit%20geluid.

    • 16 Kamerstukken II 2017/18, 34 864, nr. 3, p. 5-9.

    • 17 Omwille van de volledige integratie van de Wet natuurbescherming in de Omgevingswet hebben ook deze onderwerpen al een plek gekregen in het stelsel van de Omgevingswet, eventueel vooruitlopend op een volgende module.

    • 18 Zie www.raadvanstate.nl/adviezen/@121849/w11-20-0270-iv/#highlight=aanvullingsbesluit%20natuur.

    • 19 Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C.

    • 20 Advies en nader rapport: www.raadvanstate.nl/adviezen/@120650/w04-20-0069/#highlight=Aanvullingsbesluit%20grondeigendom%20Omgevingswet.

    • 21 Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

    • 22 Ook daarvoor zijn via de genoemde website geconsolideerde ‘werkversies’ beschikbaar.

    • 23 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 173.

    • 24 Zie o.a. Trouw 13 november 2020, www.trouw.nl/politiek/nieuwe-mislukking-overheid-omgevingswet-in-gevaar-door-ict-problemen~bcd211ee/.

    • 25 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172.

    • 26 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nrs. 162 en 165.

    • 27 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 164.

    • 28 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 167.

    • 29 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 172; Kamerstukken I 2020/21, 33 118, BN, p. 2.

    • 30 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 174.

    • 31 In de Handelingen is tot uitdrukking gebracht dat de fractie van D66 wordt geacht tegen het voorstel te hebben gestemd. Dit verandert echter de stemmingsuitslag niet.

    • 32 Kamerstukken I 2020/21, 35 718, nr. 10.

    • 33 Waarbij de leden van de fracties van PvdA, Krol, 50PLUS, DENK, D66, VVD, SGP, CDA, ChristenUnie en FVD voor het voorstel van D66 hebben gestemd.

    • 34 Kamerstukken II 2020/21, 33 118, nr. 178.

    • 35 Kamerstukken I 2020/21, 33 118, BQ.

    • 36 Art. 23.10 lid 2 Omgevingswet (na wijziging door de Invoeringswet).

    • 37 Kamerstukken I 2020/21, 33118, BO.

    • 38 Stcrt. 2020, 64380; zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-64380.html.

    • 39 Het wetsvoorstel is op 17 november 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. Voor: SP, PvdA, Krol, PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, D66, VVD, SGP, CDA, ChristenUnie en PVV. Tegen: GroenLinks, FVD en Van Haga.

    • 40 Zie het gewijzigd voorstel van wet: Kamerstukken I 2020/21, 35 600, C.

    • 41 Het wetsvoorstel is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. Voor: SP, Krol, 50PLUS, D66, VVD, SGP, CDA en ChristenUnie. Tegen: PvdA, PvdD, FVD, DENK, PVV, GroenLinks en Van Kooten-Arissen.

    • 42 Stb. 2020, 455.

    • 43 Kamerstukken I 2019/20, 35 054, I.

    • 44 Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 2.

    • 45 Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

    • 46 Zie https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/tekst-toelichting-omgevingswet-amvb/.

    • 47 In de artikelenreeks ‘De stand van de stelselherziening’ wordt stilgestaan bij de uitkomsten van parlementaire debatten en de totstandkoming van de wet- en regelgeving van het stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast komt (de invoering van) het stelsel van de Omgevingswet regelmatig aan de orde in publicaties in de pers, juridische literatuur, opiniestukken en blogs. Deze publicaties variëren van informerend tot (zeer) kritisch en leiden dikwijls tot reacties of levendige debatten op social media. Gezien de omvang en diversiteit daarvan blijft bespreking daarvan in deze reeks achterwege als die niet leiden tot wijzigingen in de wet- en regelgeving van het stelsel.

Het artikel is op persoonlijke titel geschreven. De tekst van dit artikel is afgesloten op 25 februari 2021.

Print dit artikel