Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 202 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving x
Artikelen

Steekspel met de fiscus

De fiscale aftrekbeperking van steekpenningen

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 6 2015
Auteurs mr. A.A. Feenstra en G.H. Ulrich
Samenvatting

    De bestrijding van corruptie staat al enige tijd hoog op de politieke agenda. Ook het Openbaar Ministerie heeft het zoeklicht gericht op corruptie, hetgeen wel blijkt uit diverse strafrechtelijke onderzoeken die recent de aandacht van de media hebben gehaald (SBM Offshore, gedeputeerde Hooijmaijers). Dat de bestrijding van corruptie ook onderdeel uitmaakt van de fiscale wetgeving is minder bekend. In deze bijdrage zullen wij ingaan op de ontstaansgeschiedenis van deze wetgeving en de fiscale praktijk in relatie tot steekpenningen. Het komt immers nog steeds voor dat ondernemers betalingen doen in de vorm van commissies, kortingen of bonussen in relatie tot het kunnen of mogen leveren van hun producten of diensten. In die gevallen is het mogelijk dat discussie ontstaat met de fiscus over de zakelijkheid en de aftrekbaarheid van deze betalingen.


mr. A.A. Feenstra

G.H. Ulrich

    Op 1 januari 2015 is het wetsvoorstel ‘Verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit’ in werking getreden. Volgens oud-minister Opstelten van Veiligheid en Justitie zorgt de combinatie van hoge winsten en verhoudingsgewijs lage straffen ervoor dat het plegen van financieel-economische fraude aantrekkelijk is. Het kabinet wil dat dit tot het verleden gaat behoren en heeft daarom de wettelijke sancties voor financieel-economische criminaliteit aangescherpt en de bevoegdheden voor opsporing en vervolging van dit soort feiten verruimd.


mr. dr. drs. G.G. Vos

    Na de recordschikking van het OM met SBM Offshore over omkoping door handelsagenten, vraagt men zich af: is dit nog wel een incident? Nee, het is een logisch gevolg van trend dat het internationaal actieve bedrijfsleven zijn groei steeds vaker uit corruptiegevoelige gebieden haalt en onvoldoende is voorbereid op de risico’s die dat met zich meebrengt. Third parties en partijen verderop in de supply chain zijn de zwakste schakel in de integriteitsketen.


dr. S. Iyer

mr. A.B. Scheltema Beduin

    Deze bijdrage stelt in een high level outline een aantal trends aan de orde dat in dit verband aandacht verdient. Hoewel deze trends zonder meer van betekenis zijn op het terrein van anti-corruptie, overstijgen zij deze focus en verdienen zij aandacht in breder verband. Tevens wordt in deze bijdrage een aantal te verwachten ontwikkelingen beschreven. Bij het schrijven dit artikel is met een schuin oog gekeken naar de praktijk aan gene zijde van de oceaan.


mr. T. van Roomen

mr. A. Verbruggen
Artikelen

Strafrecht als probleemgerichte aanpak van corruptie?

Studies naar de responsiviteit van anticorruptiebeleid in Nederland en Roemenië

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 6 2015
Auteurs prof. mr. dr. W. Huisman en M. Gorsira
Samenvatting

    Concreet ten aanzien de strafrechtelijke aanpak is de vraag of corrupt gedrag inderdaad het gevolg van een kosten en baten analyse is. In dit artikel proberen wij deze vraag te beantwoorden door een vergelijking te maken tussen twee landen binnen de Europese Unie die zowel wat betreft de omvang van corruptie als het gevoerde anti-corruptiebeleid sterk verschillen: Nederland en Roemenië. Eerst beschrijven wij kort de verschillen in anti-corruptie beleid tussen de twee landen. Dat doen wij op basis studies en evaluaties van GRECO (Group of States against Corruption), OESO, de Europese commissie en Transparency International. Vervolgens kijken we naar de uitkomsten van een studie naar mogelijke oorzaken van corruptie in Nederland en naar mogelijke oorzaken van corruptie in Roemenië. Bij de studies in Nederland en Roemenië waren de auteurs van dit artikel betrokken.


prof. mr. dr. W. Huisman

M. Gorsira

    Op 9 oktober 2014 hield Roan Lamp zijn inaugurele rede ter gelegenheid van zijn benoeming als bijzonder hoogleraar Financieel strafrecht aan de VU Amsterdam onder de titel ‘Denken over toezicht en straf na de financiële crisis’. De inhoud van de door Lamp uitgesproken rede is interessant en actueel. Kort samengevat bepleit Lamp een integratie van bestuursrecht en strafrecht voor het financiële sanctierecht met als doel de handhaving van normen niet alleen doelmatig en effectief maar ook ‘eerlijk’ te maken. Een toekomstperspectief op het financiële sanctierecht is in zijn ogen te meer van belang in een tijd waarin het denken binnen het financiële recht punitiever is geworden.


mr. dr. M.J.A. Duker

    De centrale vraag in dit artikel is of rechterlijke toetsing van transacties wenselijk is. Om deze vraag te beantwoorden gaan wij in paragraaf 2 allereerst kort in op de geuite kritiek over de transactiebevoegdheid van het Openbaar Ministerie (OM). Vervolgens wordt in paragraaf 3 de huidige schikkingsregeling uiteengezet, waarna in paragraaf 4 de thans bestaande mogelijkheden om een schikking voor te leggen aan de rechter aan bod komt. Om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van een rechterlijke toetsing bij schikking, komt in paragraaf 5 de rechterlijke controle op schikkingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk aan bod. Wij sluiten in paragraaf 6 het artikel af met ons antwoord op de centrale vraag en doen daarnaast enkele aanbevelingen.


mr. N.G.H. Verschaeren

mr. A.B. Schoonbeek

    In de Amerikaanse Foreign Corrupt Practices Act 1977 (‘FCPA’) is een verbod opgenomen om betalingen te doen aan buitenlandse ambtenaren (‘foreign officials’) teneinde zakelijke transacties te verkrijgen of te behouden. Rechtspraak over de (reikwijdte van de) FCPA is schaars. U.S. v. Esquenazi is de eerste zaak waarin een Amerikaanse rechter een definitie van en enkele beoordelingsfactoren voor het begrip instrumentality heeft gegeven. Deze uitspraak heeft mogelijk (ook) gevolgen voor een groot aantal Nederlandse bedrijven. In de onderhavige bijdrage zullen wij dit nader toelichten. Alvorens we ingaan op de zaak U.S. v. Esquenazi, wordt aandacht besteed aan de (extraterritoriale) reikwijdte van de FCPA. In de daaropvolgende paragraaf volgt een uiteenzetting van de achtergrond van het begrip instrumentality onder de FCPA. Daarna worden de feiten en het juridisch kader van U.S. v. Esquenazi behandeld. We sluiten af met een analyse van de uitspraak en de (mogelijke) implicaties voor Nederlandse bedrijven.


mr. A. Verbruggen

mr. T. van Roomen
Artikelen

Het wetsvoorstel Huis voor klokkenluiders

Een praktijkgerichte bespreking

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 4 2015
Auteurs mr. M. Verveld-Suijkerbuijk
Samenvatting

    Op 9 april 2015 zonden de initiatiefnemers van het wetsvoorstel Huis voor klokkenluiders een aanpassing van een eerder dit jaar uitgebrachte novelle aan de Tweede Kamer. Met dit aangepaste wetsvoorstel komen zij tegemoet aan het advies dat de Raad van State uitbracht naar aanleiding van de novelle. Het doel van het wetsvoorstel is tweeledig: het dient de rechtsbescherming van klokkenluiders en draagt bij aan de oplossing van maatschappelijke misstanden. Dit overzichtsartikel bespreekt op praktijkgerichte wijze de inhoud van het wetsvoorstel.


mr. M. Verveld-Suijkerbuijk
Artikelen

Verhullen van de herkomst bij witwassen

Een stand van zaken en handvatten voor de praktijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 4 2015
Auteurs mr. W.H. Hulst en mr. S. Visser
Samenvatting

    Witwassen is in het Wetboek van Strafrecht in art. 420bis lid 1 sub b strafbaar gesteld. Naar de tekst van de wet is het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf voldoende voor een witwasveroordeling. De Hoge Raad ontwikkelde daarop wat in de dogmatiek de kwalificatieuitsluitingsgrond wordt genoemd. Dit artikel geeft een juridisch kader waarin wordt uitgelegd wat deze kwalificatieuitsluitingsgrond inhoudt, hoe de rechterlijke macht deze kwalificatieuitsluitingsgrond heeft toegepast in de praktijk, hoe deze kwalificatieuitsluitingsgrond zich verhoudt tot het begrip herkomst genoemd in sub a van art. 420bis lid 1 en tot slot worden enkele handvatten voor de praktijk (opsporing, vervolging, rechterlijk oordeel en verdediging) geboden.


mr. W.H. Hulst

mr. S. Visser

    1. Klaagster verzocht opheffing van zowel het conservatoir als het klassiek beslag op een woning. Door klaagster was eerder aan de officier van justitie verzocht om het beslag op te heffen zodat de woning kon worden verkocht. Met de notaris zou kunnen worden overeen gekomen dat de volledige koopsom van de woning naar het BOOM dient te worden overgemaakt, zodat er voor het OM geen risico zou zijn. Het OM wees dit verzoek echter van de hand.


mr. J.L. Baar

    Er zijn maar weinig bestuursrechtelijke wetten zo controversieel als de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Op grond van deze wet is het mogelijk dat het bestuursorgaan een beschikking weigert of intrekt, indien sprake is van een ernstig gevaar van misbruik van de beschikking. Gezien de huidige stand van zaken in de jurisprudentie kan de Wet Bibob bezwaarlijk worden aangemerkt als een vorm van ‘bestuursstrafrecht’. Dit betekent echter geenszins dat de invloed van strafrechtelijke dogmatiek en jurisprudentie op de toepassing van de Wet Bibob te verwaarlozen is. Dit laat zich treffend illustreren aan de hand van de zogenoemde ‘achterdeurproblematiek’. Deze ‘achterdeurproblematiek’ hangt samen met het gedoogbeleid.


mr. drs. B. van der Vorm

    Eind 2014 is in de fiscale vakliteratuur, maar ook in de media de nodige aandacht besteed aan een strafrechtelijke aangifte wegens een verdenking van beïnvloeding van getuigen door of namens het Ministerie van Financiën. Inmiddels heeft het hof beslist dat de belastingaanslagen moeten worden vernietigd op grond van artikel 8:31 Awb (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:645). De aangifte is ingediend door de President van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en ziet op gebeurtenissen in een fiscale procedure bij voormeld hof.


mr. A.A. Feenstra

    Naar schatting wordt door bedrijven jaarlijks ongeveer 26 miljard euro aan schade geleden als gevolg van Financieel-Economische Criminaliteit (hierna: FEC). In dit artikel zal een uiteenzetting worden gegeven van verschillende onderwerpen die van invloed zijn voor de aanpak van FEC, zoals de mate van beschikbaarheid van informatie ten aanzien van de omvang van FEC en de afwijkingen tussen verschillende definitie bepalingen ten aanzien van FEC, worden beschreven. Tevens zal een korte voorzet worden gedaan voor een innovatieve visie op de bestrijding en het terugdringen van FEC.


A.H.M. de Groot

mr. E.C.S. Crouwel

    In het voorjaar van 2012 maakte minister Opstelten van Veiligheid en Justitie het concept-wetsvoorstel ‘Verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit’ bekend. Op het daarop gebaseerde wetsvoorstel is stevige kritiek geuit, zowel vanuit de praktijk als vanuit de wetenschap. Inmiddels is de gelijknamige wet op 1 januari 2015 in werking getreden.


mr. J. Verhaert
Jurisprudentie

De Wet Bibob en de ‘criminal charge’

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 juni 2014 ECLI:NL:RVS:2014:1993

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2014
Auteurs mr. drs. B. van der Vorm en
Samenvatting

    In voornamelijk de bestuursrechtelijke literatuur is veel kritiek geuit op de Wet Bibob wet. Zo is ze omschreven als een ‘bestuursrechtelijk wangedrocht’1 en een ‘geforceerd wetgevingsproduct’. De commentaren op deze wet hebben onder andere betrekking op het feit dat de intrekking van een beschikking op grond van de Wet Bibob onder omstandigheden wellicht is aan te merken als een ‘criminal charge’ en in het verlengde hiervan sprake is van een gebrek aan rechtsbescherming voor de betrokkene(n). Voorts wordt het gedoogbeleid ten aanzien van de coffeeshops als problematisch ervaren. Deze problematische aspecten worden in deze annotatie besproken aan de hand van de onderhavige uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Allereerst worden de feiten uit de onderhavige casus besproken. Ten tweede wordt aandacht besteed aan de discussie over de vraag in hoeverre een intrekking van een beschikking op grond van de Wet Bibob dient te worden aangemerkt als een ‘criminal charge’. Ten derde wordt ingegaan op het gedoogbeleid van coffeeshops in relatie tot de toepassing van de Wet Bibob.


mr. drs. B. van der Vorm


Artikelen

Spreken is zilver, zwijgen is goud: een inlichtingenverplichting zonder waarborg fout?

De reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel en de (voorgenomen) faillissementswetgeving

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2014
Auteurs mr. A. Zeeman en mr. A.A. Feenstra
Samenvatting

    In deze bijdrage zullen wij ingaan op een aantal onderwerpen waarbij de reikwijdte en toepassing van het nemo tenetur-beginsel aan de orde is. Ten eerste is dit het veelbesproken Chambaz-arrest van het EHRM. In dit arrest heeft het EHRM het nemo tenetur-beginsel uitgebreid naar de persoon die ‘niet kan uitsluiten’ dat gevorderd materiaal voor bestraffingsdoeleinden gebruikt zal worden. Vervolgens gaan wij in op de ‘receptie’ van het Chambazarrest in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor een goed begrip voor de samenhang met voorgaande EHRMarresten wordt voorafgaand aan beide onderwerpen een analyse gegeven van de ‘klassieke’ jurisprudentie ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel. Hiernaast besteden wij aandacht aan een nieuwe wending bij de toepassing van het nemo tenetur-beginsel, namelijk de uitwerking in de faillissementspraktijk. Door de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie en de focus van het Openbaar Ministerie op faillissementsfraude is de toepassing van het nemo tenetur-beginsel op dit terrein actueel geworden. In de faillissementswetgeving zijn legio verplichtingen opgenomen van een gefailleerde ten opzichte van de curator, terwijl het nemo tenetur-beginsel in die relatie nog betrekkelijk onontgonnen gebied lijkt. Ten slotte zullen wij afronden met een standpunt omtrent de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel, alsmede een waardering hoe de huidige en toekomstige faillissementswetgeving zich verhoudt tot dat beginsel.


mr. A. Zeeman

mr. A.A. Feenstra

    In bijna een kwart van de faillissementsdossiers is vermoedelijk sprake van enige vorm van fraude. Dit blijkt uit redelijk recent onderzoek dat in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie is uitgevoerd. Uitgaande van ongeveer 10.000 faillissementen (landelijk) op jaarbasis, zou dat kunnen betekenen dat er elk jaar in ongeveer 2.500 dossiers sprake is van fraude. Het bedrag dat aan onbetaalde vorderingen achterblijft in alle frauduleuze faillissementen werd in 2011 geraamd op ruim 1,7 miljard euro per jaar.


mr. J.C. Reddingius
Jurisprudentie

‘Hetzelfde feit’

Hoge Raad 4 februari 2014 ECLI:HR:NL:2014:228 Annotatie

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 1 2014
Auteurs mr. dr. M.J.A. Duker
Samenvatting

    Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in strafzaken kan een tenlastelegging alleen op vordering van de officier van justitie worden gewijzigd indien het ten laste gelegde daarna nog steeds hetzelfde feit betreft (art. 313, lid 2 Sv jo. art. 68 Sr). Dit arrest gaat over de vraag of er nog sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr wanneer een tenlastelegging betreffende het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte wordt gewijzigd door er subsidiair aan toe te voegen dat de verdachte die aangifte opzettelijk niet heeft gedaan. Annotatie bij Hoge Raad 4 februari 2014 ECLI:HR:NL:2014:228


mr. dr. M.J.A. Duker
Artikelen

De curator als civiele fraudebestrijder

Kanttekeningen bij het Voorontwerp versterking positie curator voor de bestrijding van faillissementsfraude

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 1 2014
Auteurs mr. W.J.B. van Nielen en mr. C.M. Derijks
Samenvatting

    Op 25 februari 2014 is het Voorontwerp ‘Versterking positie curator’ in consultatie gegaan. Het Voorontwerp dient gezien te worden in het kader van het streven van de Minister van Veiligheid en Justitie de curator te betrekken bij de bestrijding van faillissementsfraude. Dit artikel plaatst enkele kanttekeningen bij het Voorontwerp voor de bestrijding van faillissementsfraude.


mr. W.J.B. van Nielen

mr. C.M. Derijks
Toont 181 - 200 van 202 gevonden teksten
1 2 3 4 5 6 7 8 10
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.