Zoekresultaat: 37 artikelen

x
Article

Access_open Legal Constraints on the Indeterminate Control of ‘Dangerous’ Sex Offenders in the Community: The Dutch Perspective

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Dutch penal law, preventive supervision, dangerous offenders, human rights, social rehabilitation
Auteurs Sanne Struijk en Paul Mevis
SamenvattingAuteursinformatie

    In the Netherlands, the legal possibilities for post-custodial supervision have been extended considerably in recent years. A currently passed law aims to further increase these possibilities specifically for dangerous (sex) offenders. This law consists of three separate parts that may all result in life-long supervision. In the first two parts, the supervision is embedded in the conditional release after either a prison sentence or the safety measure ‘ter beschikking stelling’ (TBS). This paper focuses on the third part of the law, which introduces an independent supervisory safety measure as a preventive continuation of both a prison sentence and the TBS measure. Inevitably, this new independent sanction raises questions about legitimacy and necessity, on which this paper reflects from a human rights perspective. Against the background of the existing Dutch penal law system, the content of the law is thoroughly assessed in view of the legal framework of the Council of Europe and the legal principles of proportionality and less restrictive means. In the end, we conclude that the supervisory safety measure is not legitimate nor necessary (yet). Apart from the current lack of (empirical evidence of) necessity, we state that there is a real possibility of an infringement of Article 5(4) ECHR and Article 7 ECHR, a lack of legitimising supervision ‘gaps’ in the existing penal law system, and finally a lack of clear legal criteria. Regardless of the potential severity of violent (sex) offenses, to simply justify this supervisory safety measure on the basis of ‘better safe than sorry’ is not enough.


Sanne Struijk
Sanne Struijk, Ph.D., is an Associate Professor at the Erasmus School of Law.

Paul Mevis
Paul Mevis is a Professor at the Erasmus School of Law.

    Het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) is in het leven geroepen om internationale kinderontvoering tegen te gaan en is sinds 1 september 1990 voor Nederland van kracht. Het uitgangspunt van het verdrag is dat kinderen die van de ene naar de andere Verdragsstaat ontvoerd zijn zo spoedig mogelijk dienen terug te keren naar de Staat van gewoon verblijf. De rechter van de Staat waarnaar het kind ontvoerd is kan echter van dit uitgangspunt afwijken, en derhalve een verzoek tot teruggeleiding van het ontvoerde kind afwijzen, door gebruik te maken van een van de zogenoemde weigeringsgronden die zijn neergelegd in de artikelen 12, 13 en 20 HKOV. Deze bijdrage gaat in op de wijze waarop deze weigeringsgronden de afgelopen (ruim) vijfentwintig jaar in de Nederlandse jurisprudentie zijn toegepast. Uit die jurisprudentieanalyse volgt dat de weigeringsgronden in het algemeen niet (te) ruim worden geïnterpreteerd, maar dat een beroep daarop wel degelijk succesvol kan zijn. Vanwege de casuïstische aard van internationale kinderontvoeringszaken kunnen echter niet eenvoudig één of meer combinaties van factoren worden aangewezen op grond waarvan aanstonds duidelijk is dat een teruggeleidingsverzoek zal worden afgewezen.
    The Hague Convention on the Civil Aspects of International Child Abduction aims to prevent international child abduction. The Convention came into force in the Netherlands on the 1st September 1990.
    As a starting point, the Convention holds that a child abducted from one Contracting State and taken to another should be promptly returned to the country of his or her habitual residence. However, the court of the Contracting State to which a child has been abducted may depart from this rule and decide to dismiss the application for the return of the child on the basis of one of the exceptions stipulated in Articles 12, 13 or 20 of the Convention.
    This article deals with the way in which the above-mentioned provisions have been applied in Dutch case law since the Convention came into force. From the analysis of the case law it can be generally established that courts tent to interpret these exceptions rather restrictively. Nevertheless, such exceptions have still been successfully invoked. However, owing to the casuistically nature of international child abduction matters it is not possible to uncover certain combinations of factors that would definitively lead to the rejection of return of the child.


dr. mr. Geeske Ruitenberg
Geeske Ruitenberg is lecturer/researcher at the VU University Amsterdam.
ECJ Court Watch

ECJ 14 June 2016, case C-308/14 (Commission – v – UK), Free movement, tax

European Commission – v – United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Free movement, tax
Samenvatting

    UK child benefits may be refused to unlawfully resident Member State nationals.

Artikel

Waarom er fiscaal nog iets zou moeten worden geregeld

‘Ways to tackle inheritance cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 4 2016
Trefwoorden Grensoverschrijdende nalatenschappen / Successions in Europe, Inheritance crossborder tax obstacles, Habitual residence, Aanknopingspunten voor heffing, Situsland
Auteurs Mr. dr. K.M.L.L. van de Ven
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur gaat in op het rapport van de EU Expert Group: ‘Ways to tackle inheritance crossborder tax obstacles facing individual within the EU.’ Zij is van mening dat om de vraag te kunnen beantwoorden of de in het rapport gegeven weg naar een oplossing de juiste is, nog het nodige moet worden onderzocht. Gebruikmaking van het netwerk van de CNUe kan daarbij nuttig zijn.


Mr. dr. K.M.L.L. van de Ven
Mr. dr. K.M.L.L. van de Ven is docent belastingrecht aan de Universiteit Maastricht en tevens werkzaam bij Athena Advies en Praktijk te Maastricht.

    This report discusses the interesting remarks and conclusions made by the speakers at the ERA seminar, ‘Recent Case Law of the European Court of Human Rights in Family Law Matters’, which took place in Strasbourg on 11-12 February 2016. The report starts with a brief discussion on the shifting notion of ‘family life’ in the case law of the ECtHR, then turns to best interests of the child in international child abduction cases, the Court’s recognition of LGBT rights and finally the spectrum of challenges regarding reproductive rights in the Court’s case law. The overarching general trend is that the Court is increasingly faced with issues concerning non-traditional forms of family and with issues caused by the internationalisation of families. How this is seen in the Court’s recent case law and how it effects the various areas of family law is discussed in this report.


Charlotte Mol LL.B.
Charlotte Mol is a Legal Research Master student at the University of Utrecht, where she specializes in family law and private international law. She has assisted the Commission on European Family Law with the editing of the comparative study on informal relationships. As a guest student she visited the University of Antwerp for two months, where she researched the best interests of the child in international child abduction cases in collaboration with, and under the supervision of, Prof. Thalia Kruger. She holds a European Law School LL.B. from Maastricht University.
Article

Access_open Relief in Small and Simple Matters in Belgium

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 4 2015
Trefwoorden Belgium, small matters, simple matters, recovery of unchallenged claims, summary order for payment
Auteurs Stefaan Voet
SamenvattingAuteursinformatie

    This article is based on a national report that was written for the XVth World Congress of the International Association of Procedural Law that was held in Istanbul in May 2015 and that focused on Effective Judicial Relief and Remedies in an Age of Austerity. It first of all sketches the general judicial context in Belgium and some of its relevant features: the judicial organisation, the goals of the civil justice system, the course of an ordinary civil lawsuit, the role of the court, and the litigation costs. Next, a detailed and critical overview of the current and future procedures that offer relief in small and simple matters is given. The current summary order for payment procedure, which was introduced in 1967, did not meet its goals. The article concludes that a new trend is emerging in Belgium, namely keeping small and unchallenged claims outside the judiciary and providing for cheaper and more efficient alternatives.


Stefaan Voet
Stefaan Voet is an Associate Professor of Law at the Katholieke Universiteit Leuven and a Visiting Professor at the Universiteit Hasselt.
Artikel

Gewone verblijfplaats in de Erfrechtverordening

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 4 2015
Trefwoorden internationaal erfrecht, gewone verblijfplaats, woonplaats, Erfrechtverordening
Auteurs Mr. dr. I. Curry-Sumner
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 17 augustus 2015 wordt de Erfrechtverordening van toepassing. De verordening bevat zowel regels op het gebied van de bevoegdheid van de notaris om een Europese verklaring van erfrecht op te stellen, als regels van toepasselijk recht. In beide gevallen wordt gebruikt gemaakt van de aanknopingsfactor van de gewone verblijfplaats van de erflater. De vraag rijst echter hoe deze dient te worden vastgesteld. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij het verschil tussen de begrippen woonplaats en gewone verblijfplaats, en wordt nader gekeken naar de factoren die een rol spelen bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de erflater.


Mr. dr. I. Curry-Sumner
Mr. dr. I. Curry-Sumner is freelance docent/onderzoeker, eigenaar en oprichter van Voorts Juridische Diensten te Dordrecht en tevens rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Overijssel.

    Op 11 februari 2015 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation aangenomen. Dit is het eerste Europese instrument over het verhuizen met kinderen na scheiding. De Recommendation heeft een duidelijk tweeledig doel: het voorkomen van conflicten over verhuizingen met kinderen en, indien een conflict is gerezen, het bieden van richtsnoeren voor het oplossen daarvan. In deze bijdrage staan in de eerste plaats de inhoud van de Recommendation en de daarbij gemaakte keuzes centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag wat deze Recommendation kan betekenen voor het Nederlandse recht en de toepassing daarvan in verhuiszaken. In de Recommendation worden enige, naar het oordeel van de auteur verstandige keuzes gemaakt. Zo verdient het stevig inzetten op alternatieve geschiloplossing steun. Daarnaast is de aanbevolen afzonderlijke beoordeling van het belang van het kind, zonder dat dit belang echter de doorslag hoeft te geven, in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. Ook het pleidooi voor een neutrale, kind-gecentreerde, casuïstische benadering door de rechter strookt met de wijze waarop Nederlandse rechters tot hun beslissingen in verhuiszaken komen. Specifieke verhuiswetgeving op deze punten, zoals de Recommendation voorstelt, acht de auteur dan ook niet nodig. Wel zou de wettelijke verankering van de in de Recommendation voorgestelde formele notificatieplicht kunnen bijdragen aan het voorkomen van verhuisconflicten. Krachtens deze plicht dient de ouder met een verhuiswens de andere ouder – schriftelijk en binnen een redelijke termijn – te informeren over de voorgenomen verhuizing. Hoewel de verwachtingen van het daadwerkelijke effect van de Recommendation als niet-bindend instrument niet al te hoog gespannen moeten zijn, draagt deze bij aan de erkenning van verhuizing met kinderen als een (hoog)potentieel conflictueuze aangelegenheid.
    On the 11th February 2015 the Committee of Ministers of the Council of Europe adopted the Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation. This is the first European instrument on child relocation. The aim of the Recommendation is twofold: preventing relocation disputes, and in case of a dispute, providing guidelines for solving them. This contribution firstly intends to examine the principles of the Recommendation and the choices that has been made during the drafting process. Secondly, it will look at the question of to what extent the Recommendation could lead to any adjustments of Dutch law and its application in relocation cases. In the opinion of the author, a number of prudent choices have been made in the Recommendation. In the first place, the encouragement of alternative dispute resolution ought to be supported. Secondly, the recommended individual and separate assessment of the best interests of the child (whose interests are, however, not decisive) is in accordance with the case law of the Supreme Court of the Netherlands in relocation cases. The plea for a neutral, child centered, case-by-case approach by the court is also consistent with the way in which Dutch courts make their decisions in relocation cases. Specific relocation legislation in this regard is not necessary in the opinion of the author. However, a legislative provision requiring the relocating parent to inform the other parent prior to the intended relocation might contribute to the prevention of disputes on child relocation. Although expectations concerning the actual effect of the Recommendation as a non-binding instrument should not be too high, it nevertheless contributes to the recognition of child relocation as an issue with a high potential for conflict.


Prof. mr. Lieke Coenraad
Prof. mr. Lieke Coenraad is Professor of Private Law and Dispute Resolution at the law faculty of VU University Amsterdam. She is also deputy judge at the Court of Appeal of Amsterdam.

    The Rome I Regulation on the law applicable to contractual obligations contains several provisions aimed explicitly at the protection of ‘weaker’ contracting parties, such as consumers and employees. However, in addition to this, the interests of weaker parties are sometimes also safeguarded through the application of ‘overriding mandatory provisions’, which are superimposed on the law applicable to the contract to protect a fundamental interest of a Member State. This article is an attempt to clarify the extent to which the concept of overriding mandatory provisions may serve as a vehicle for weaker party protection. To do this, it examines the definition and limitations of the concept and its relation to conflict of laws rules based on the protective principle. Finally, the article seeks to establish whether the doctrine of overriding mandatory provisions remains relevant in the case of harmonisation of substantive law at the EU level, for which it will differentiate between full and minimum harmonisation.


Laura Maria van Bochove Ph.D.
Assistant professor in the Department of Private International and Comparative Law at the Erasmus School of Law. The author would like to thank the reviewers for their comments.
Article

Access_open Global Citizens and Family Relations

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2014
Trefwoorden global governance, family relations, nationality, habitual residence, party autonomy
Auteurs Professor Yuko Nishitani Ph.D.
SamenvattingAuteursinformatie

    As globalisation progresses, cross-border movements of people are becoming dynamic and multilateral. The existence of different groups and minorities within the community renders the society multiethnic and multicultural. As individuals acquire new affiliation and belonging, the conventional conflict of laws methods may no longer be viable and should be subject to a thorough re-examination. Against this background, this paper analyses appropriate conflicts rules in international family relations to reflect an individual’s identity. Furthermore, in light of the contemporary law fragmentation, this study also analyses interactions between state law and non-state cultural, religious or customary norms.


Professor Yuko Nishitani Ph.D.
Professor at Kyushu University Faculty of Law, Japan. This work was supported by the JSPS Grants-in-Aid for Scientific Research (C) (Grant Number 26380063). The author sincerely thanks Professor Carol Lawson (Nagoya University) and Ms. Nettie Dekker for their devoted editing work.

    This article discusses the possibility spouses have under the Rome III Regulation (EC Regulation 1259/2010) to choose the law applicable to their divorce. It discusses the limits and exceptions of this freedom to choose.


Dr. Thalia Kruger
Thalia Kruger is professor at the law faculty of the University of Antwerp, where she teaches and researches private international law, international civil procedure and international family law. She is also Honorary Research Associate at the University of Cape Town.

    This article seeks to critically analyse the European Commission's Proposal for a Council Regulation on jurisdiction, applicable law and recognition and enforcement of decisions in matters of matrimonial property regimes (COM (2011) 126). It focuses upon the coordination of the Proposal's provisions on jurisdiction and applicable law with the parallel provisions contained in other related EU private international law instruments, namely those relating to divorce (Brussels II bis and Rome III) and succession (Succession Regulation). In doing so, the article adopts a 'stress-test' approach, presenting scenarios in which interaction between these related instruments takes place. The compositions and circumstances of the fictitious couples in these scenarios are varied in order to fully illustrate the potential consequences of the interplay between the instruments. This article seeks to assess the extent to which (in)consistency exists between the current and proposed EU private international instruments and, by evaluating this interaction through a number of norms, how identified inconsistencies impact upon international couples' legal relationships. In order to ensure the analysis remains as up to date as possible, the article will also take into account relevant changes introduced in the latest revised versions of the Proposal.


Jacqueline Gray LL.M.
Jacqueline Gray studied law at the University of Glasgow (2006-2010) and European law at the Leiden University (2010-2011). Following this, she undertook a four-month internship at the Molengraaff Institute for Private Law and five-month traineeship at the European Parliament in Brussels. She is now a PhD student at the Molengraaff Institute for Private Law, where she is writing her dissertation on party autonomy in the EU private international law relating to family matters and succession.

Pablo Quinzá Redondo LL.M.
Pablo Quinzá Redondo, a research scholar funded by the Spanish Ministry of Education, Culture and Sport, is currently undertaking a PhD at the University of Valencia. His specialisation concerns 'The europeanisation of matrimonial property regimes from a substantive and private international law perspective'. Prior to commencing his PhD, he completed undergraduate degrees in both Law and Administration and Business management (2004- 2010), as well as a Master’s degree in Company Law (2010-2012), at the University of Valencia.
Artikel

Rechtskeuze voor buitenlands erfrecht en het wettelijk erfdeel

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 5 2011
Trefwoorden internationaal erfrecht, rechtskeuze, legitieme portie/wettelijk erfdeel, Europese Erfrechtverordening, Boek 10 BW (Internationaal privaatrecht)
Auteurs Mr. J.G. Knot
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van een drietal vonnissen van de Rechtbank Haarlem wordt nader ingegaan op de vraag hoe volgens Nederlands internationaal erfrecht de aanspraak op een legitieme portie dient te worden beoordeeld, in het licht van een rechtskeuze voor buitenlands erfrecht. Aan de orde komen onder meer het verschil tussen een conflictenrechtelijke en een materieelrechtelijke rechtskeuze en de gevolgen van een dubbele nationaliteit van de testateur voor de geldigheid van diens rechtskeuze. Tevens wordt bezien of de verhouding tussen rechtskeuze en wettelijk erfdeel zal veranderen onder de toekomstige Europese Erfrechtverordening (conform het thans voorliggende voorstel) of na inwerkingtreding van Boek 10 BW (per 1 januari 2012). Ten slotte wordt kort aandacht geschonken aan de mogelijkheid uit het Oostenrijkse erfrecht een afstammeling te onterven, zonder dat daardoor enige aanspraak op een legitieme portie ontstaat.


Mr. J.G. Knot
Mr. J.G. Knot is is universitair docent internationaal privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk adviseur bij PlasBossinade te Groningen.
Artikel

Internationale estate planning: ook regels van internationaal huwelijksvermogensrecht binnen EU geharmoniseerd

Hoofdlijnen van het voorstel voor een Europese Huwelijksvermogensrechtverordening

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 3 2011
Trefwoorden Europees internationaal privaatrecht (IPR), internationaal huwelijksvermogensrecht, Europese Huwelijksvermogensrechtverordening, Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, estate planning
Auteurs Mr. J.G. Knot
SamenvattingAuteursinformatie

    In navolging van het internationaal erfrecht wordt nu voorgesteld ook het internationaal huwelijksvermogensrecht op Europees niveau te harmoniseren. Vragen van bevoegdheid, toepasselijk recht en erkenning en tenuitvoerlegging in kwesties van huwelijksvermogensrecht met internationale elementen worden in de toekomst aan de hand van regels uit een Europese verordening beantwoord.Voor de advisering op het terrein van de internationale civielrechtelijke estate planning is dit een belangrijke ontwikkeling. Daarom worden de hoofdlijnen van het Europese voorstel uitvoerig geanalyseerd. Daarnaast wordt onderzocht of, en zo ja, in hoeverre dit voorstel is afgestemd op en in lijn is met het eerdere erfrechtelijke voorstel.De conclusie luidt dat de voorgestelde regeling vooralsnog de nodige onduidelijkheden in zich bergt, die in het kader van de, mede voor de estate planning gewenste, rechtszekerheid en voorspelbaarheid nadere opheldering en toelichting behoeven.


Mr. J.G. Knot
Mr. J.G. Knot is universitair docent internationaal privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk adviseur bij PlasBossinade te Groningen.
Praktijk

Kwaliteitsslag in Nederland bij afdoening IKO-zaken en de rol van Cross Border Mediation

Tijdschrift Nederlands-Vlaams tijdschrift voor mediation en conflictmanagement, Aflevering 1 2011
Trefwoorden Cross Border Mediation, International child abduction, co-mediation, Centre International Child Abduction
Auteurs Wendy A. van der Stroom-Willemsen
SamenvattingAuteursinformatie

    In family law practice we are dealing increasingly with international aspects of broken relationships. Once children are involved, severe questions of habitual residence occur when one of the parties decides to return to his or her land of origin.Over the past years the 1980 Hague Abduction Convention has been criticised in the Netherlands, mostly because of the duration of such proceedings.In the Netherlands a change in legislation is now almost a fact, introducing a set of measures one of which is offering parents a Cross Border Mediation.This summer, The Hague Conference will come off with a ‘Guide of good practice’, to introduce Cross Border Mediation in international child abduction cases. The Netherlands stand out in having a Cross Borer Mediation system already integrated into their legal practice, soon to be legal system. So far the results have been evaluated positively in such a way that Cross Border Mediation should be considered as a useful tool in preventing abduction cases as well as in regular relocation cases.


Wendy A. van der Stroom-Willemsen
Wendy A. van der Stroom-Willemsen is advocaat en (cross border) mediator, werkzaam bij familierechtkantoor Smeets Gijbels.
Discussie

Contracteren met Russische partijen

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 1 2010
Trefwoorden Rusland, Russisch overeenkomstenrecht, Russisch BW
Auteurs Dr. W.A. Timmermans
SamenvattingAuteursinformatie

    Met de groei in de handelsbetrekkingen met Rusland en de daaruit voortvloeiende toename van het aantal koop- en investeringscontracten is het voor juridische dienstverleners ongetwijfeld nuttig enige kennis te hebben van het Russische overeenkomstenrecht. In deze bijdrage wordt men geïnformeerd over de basisbeginselen daarvan. Deze wijken evenwel niet fundamenteel af van wat algemeen gebruikelijk is.


Dr. W.A. Timmermans
Dr. W.A. Timmermans is advocaat te Leiden en gespecialiseerd in internationaal ondernemingsrecht; bovendien is hij universitair docent Russisch recht aan de Universiteit Leiden.
Toont 21 - 37 van 37 gevonden teksten
« 1 2 »
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.