Zoekresultaat: 41 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2010 x Rubriek Artikel x
Artikel

Illegaal vuurwerk: biedt Pyrorichtlijn uitzicht op oplossing?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2010
Trefwoorden illegaal vuurwerk, verboden consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk, Europese Pyrorichtlijn (2007/23/EG), Vuurwerkbesluit
Auteurs Prof. mr. G.A. Biezeveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Jaarlijks wordt op grote schaal door particulieren vuurwerk afgestoken dat in Nederland niet is toegestaan als consumentenvuurwerk, maar wel als professioneel vuurwerk Vooral zwaar knalvuurwerk dat in Nederland niet wordt gebruikt bij vuurwerkevenementen, is een belangrijke bron van onveiligheid en leidt tot veel ongelukken en materiële schade. Naar aanleiding van een ingrijpende wijziging van het Vuurwerkbesluit ten gevolge van een Europese richtlijn (‘Pyrorichtlijn’) per 4 juli 2010 wordt in deze bijdrage bekeken of een invoerverbod van ‘oneigenlijk’ professioneel vuurwerk in Nederland dichterbij komt. Geconcludeerd wordt dat de Pyrorichtlijn hiervoor wel ruimte biedt, maar dat die nog niet is benut.


Prof. mr. G.A. Biezeveld
Prof. mr. G. (Gustaaf) A. Biezeveld is bijzonder hoogleraar Milieurecht aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en redacteur van TO. Tevens is hij coördinerend milieuofficier van justitie bij het Functioneel Parket (Den Haag) en als zodanig betrokken bij de landelijke aanpak van verboden consumentenvuurwerk.
Artikel

Kort geding in cassatie versus bodemprocedure

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2010
Trefwoorden bodemprocedure, kortgedingprocedure, kort geding, cassatie(beroep), belang bij cassatie
Auteurs Mr. L.A.R. Siemerink
SamenvattingAuteursinformatie

    De verhouding tussen de kortgedingprocedure en de bodemprocedure roept vragen op. Specifiek is de vraag hoe een kort geding in cassatie zich verhoudt tot een aanhangige bodemprocedure. Bij beantwoording van de vraag stuit men op het probleem dat de Hoge Raad deze ‘verhoudingsvraag’ niet ambtshalve kan beoordelen. Het is daarom wenselijk dat bij de verhouding kort geding in cassatie versus bodemprocedure cassatieberoep niet openstaat en eiser zodoende niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daartoe zou het primaat van de bodemprocedure ook hangende cassatie moeten worden aanvaard. De verhouding kort geding versus bodemprocedure wordt hierdoor helder, in het bijzonder in cassatie.


Mr. L.A.R. Siemerink
Mr. L.A.R. Siemerink is gerechtsauditeur bij het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

De nieuwe tegenstrijdigbelangregeling en de praktijk

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2010
Trefwoorden tegenstrijdig belang, wetsvoorstel bestuur en toezicht, artikel 2:146/256 BW, persoonlijk belang bestuurders en commissarissen
Auteurs Prof. mr. A.F.M. Dorresteijn
SamenvattingAuteursinformatie

    Het wetsvoorstel 31 763 (bestuur en toezicht) bevat een nieuwe regeling van het tegenstrijdig belang welke er in de kern op neerkomt dat bestuurders en commissarissen niet mogen deelnemen aan besluitvorming indien zij daarbij een persoonlijk tegenstrijdig belang hebben. In deze bijdrage wordt de nieuwe regeling onder de loep genomen, mede met het oog op vragen die zich in de praktijk kunnen gaan voordoen. Allereerst wordt de nieuwe regeling in kort bestek geschetst, gevolgd door enkele kanttekeningen. Voor een goed begrip van de regeling worden ook enkele met het tegenstrijdig belang verwante aangelegenheden gesignaleerd die buiten de nieuwe regeling vallen. Daarna worden enkele specifieke opmerkingen gemaakt met het oog op de praktijk. Deze bijdrage wordt afgesloten met een samenvatting van de belangrijkste bevinden en een conclusie.


Prof. mr. A.F.M. Dorresteijn
Prof. mr. A.F.M. Dorresteijn is hoogleraar ondernemingsrecht (transnationale aspecten) aan de Universiteit Utrecht en advocaat bij AKD Advocaten en Notarissen.
Artikel

Schuivende panelen, corporate compliance als broeders hoeder?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2010
Trefwoorden zorgplicht, piramidefonds, bijzondere zorgplicht ten opzichte van derden, niet-gereguleerde beleggingsinstellingen, Banken
Auteurs Mr. E.P. van Banning
SamenvattingAuteursinformatie

    In de afgelopen jaren zijn enkele omvangrijke financiële fraudes aan het licht gekomen rondom niet-gereguleerde beleggingsinstellingen die bij particuliere beleggers miljoenen euro’s hebben opgehaald. Tegelijkertijd zien wij de ontwikkeling dat banken in toenemende mate aansprakelijk gesteld worden vanuit een tekortkoming in de zorgplicht ten aanzien van de beleggers in dit soort instellingen. In dit artikel wordt aan de hand van een literatuur- en praktijkonderzoek getracht antwoord te geven op de vraag of er een verschuiving heeft plaatsgevonden van toezicht van de AFM op de niet-gereguleerde beleggingsinstellingen naar zorgplicht van banken ten opzichte van derdenbeleggers in niet-gereguleerde beleggingsinstellingen die klant bij hun zijn (‘schuivende panelen’). Op basis van de bevindingen uit het onderzoek doet de auteur tevens enkele suggesties voor banken om de risico’s bij het accepteren van een niet-gereguleerde beleggingsinstelling als klant zo beperkt mogelijk te houden.


Mr. E.P. van Banning
Mr. E.P. van Banning is werkzaam als senior compliance officer bij een financiële instelling op het gebied van cliënt acceptance and anti-money laundering.

    In deze bijdrage wordt ingegaan op het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn 2000/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe titel in Boek 7 BW betreffende de kredietovereenkomst. Op hoofdlijnen wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste veranderingen die de wetswijziging meebrengt.


Mr. R. Meijer
Mr. R. Meijer is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Toets of geen toets? Is de Haaksbergen-rechtspraak staatssteunproof?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2010
Trefwoorden ‘Haaksbergen’-jurisprudentie, aanmeldingsplicht, standstill verplichting / artikel 108, derde lid VWEU, steunmaatregel, staatssteunbegrip / artikel 107, eerste lid VWEU, ruimtelijke ordening
Auteurs Mr. E.V.A. Henny en Mr. J.M. Davidson
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van een recente uitspraak van de Rechtbank Arnhem, bespreekt dit artikel de wijze waarop de bestuursrechter de staatssteunregels toepast in zogenoemde ‘Haaksbergen’-situaties. Wanneer vernietiging wordt gevorderd van een besluit in de sfeer van de ruimtelijke ordening, omdat de financiering ervan geschiedt met niet aangemelde staatssteun, laat de bestuursrechter dikwijls na te toetsen of aan alle voorwaarden van artikel 107, eerste lid VWEU is voldaan. Dit artikel onderzoekt in hoeverre de nationale rechter op grond van het communautaire recht gehouden is om in geval van een beroep op artikel 108, derde lid VWEU – al dan niet expliciet – aan alle voorwaarden van artikel 107, eerste lid VWEU te toetsen en geeft commentaar op de onvolledige toets van de bestuursrechter in Haaksbergen’-situaties.


Mr. E.V.A. Henny
Mr. E.V.A. Henny is advocaat bij Allen & Overy.

Mr. J.M. Davidson
Mr. J.M. Davidson is advocaat bij Allen & Overy.
Artikel

Wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: overbodig of onmisbaar in de praktijk?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2010
Trefwoorden toezicht, decentrale overheden, naleving, aanwijzing, verhaalsrecht
Auteurs Mr. M.J.M. Verhoeven
SamenvattingAuteursinformatie

    Wanneer Europese regelgeving in de Nederlandse rechtsorde niet goed nageleefd wordt, spreekt de Europese Commissie de lidstaat Nederland daarop aan. Binnen de nationale rechtsorde is de centrale overheid echter niet als enige verantwoordelijk voor de toepassing van Europees recht. De toepassing van Europese regelgeving in de nationale rechtsorde is veelal ook in handen van andere overheidsorganen, zoals zelfstandige bestuursorganen en decentrale overheden. De centrale overheid heeft vanwege haar Europese verantwoordelijkheid voor de correcte toepassing van Europees recht behoefte aan voldoende bevoegdheden voor toezicht op deze overheidsorganen. Met het wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (Kamerstukken II 2009/10, 32 157, nr. 2; hierna afgekort tot wetsvoorstel NErpe) worden aan het toezichtsinstrumentarium enkele nieuwe bevoegdheden toegevoegd, die zijn toegesneden op de handhaving van Europees recht. In deze bijdrage een eerste blik op dit wetsvoorstel.


Mr. M.J.M. Verhoeven
Mr. M.J.M. Verhoeven is als promovenda verbonden aan het Europa Instituut en de Afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Overname van vorderingen en verrekening bij faillissement

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2010
Trefwoorden faillissement, overname van vorderingen, verrekening van vorderingen
Auteurs Prof. mr. B. Wessels
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur bespreekt de grondgedachte achter de mogelijkheid van verrekening bij faillissement (art. 53 Fw) en gaat uitvoerig in op de in art. 54 Fw opgenomen uitzondering. Voorts wordt aandacht gegeven aan de positie van een bank in het geval dat een debiteur van de (gefailleerde) schuldenaar zijn schuld aan deze heeft voldaan door storting op diens rekening bij een bank en deze zich wil verrekenen. Ten slotte wordt kritisch de leer van de Hoge Raad besproken (die art. 54 Fw toepast indien sprake is van een vóór het faillissement overgenomen schuld of vordering en het beroep op verrekening plaatsvindt op een tijdstip gelegen vóór de dag van de faillietverklaring), alsook de wijze waarop een ‘overnemer’ (vaak: bank) zich tegen de aantasting van de transactie op grond van art. 54 Fw kan behoeden.


Prof. mr. B. Wessels
Prof. mr. B. Wessels is hoogleraar internationaal insolventierecht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Bevestiging van een vernietigbaar besluit: het domino-effect

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 4 2010
Trefwoorden bevestiging, vernietigbaar, besluitvorming buiten vergadering
Auteurs Mr. drs. J.A. Spijksma
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009 (Hay Group) en de relevantie daarvan voor besluitvorming binnen rechtspersonen.


Mr. drs. J.A. Spijksma
Mr. drs. J.A. Spijksma is advocaat bij Stibbe.
Artikel

De werkgever en het kelderluik

Over toepassing van de Kelderluik-criteria bij artikel 7:162 en artikel 7:658 BW

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2010
Trefwoorden gezichtspunten, Kelderluik-factoren, Bayar/Wijnen, werkgeversaansprakelijkheid, onrechtmatige daad, context
Auteurs Mr. J.P. Quist
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Kelderluik-arrest uit 1965 heeft de Hoge Raad een viertal gezichtspunten geformuleerd die van belang (kunnen) zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting. Veertig jaar later, in het arrest Bayar/Wijnen, heeft de Hoge Raad deze factoren herhaald en daaraan een gezichtspunt toegevoegd in een geval waarin het ging om een werknemer die bij het werken met een gevaarlijke machine letsel had opgelopen. In dit artikel wordt ingegaan op de manier waarop invulling aan de verschillende gezichtspunten (en enkele andere relevante omstandigheden) wordt gegeven. De toepassing van de gezichtspunten bij op artikel 6:162 BW en artikel 7:658 BW gebaseerde vorderingen lijkt veel op elkaar. Een opvallend verschil is echter dat het enkele feit dat het bij artikel 7:658 BW om aansprakelijkheid van de werkgever gaat, van groot belang is voor de strengheid waarmee toepassing aan de Kelderluik-factoren en andere (mogelijk) relevante omstandigheden wordt gegeven. Daar waar de Kelderluik-factoren bij artikel 6:162 BW (in beginsel) een neutraal karakter hebben, wijzen zij bij artikel 7:658 BW veel meer in de richting van een bevestigende beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. De context waarbinnen een bepaalde schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, is dan ook van grote invloed op de wijze waarop de verschillende factoren worden ingekleurd. In deze bijdrage komen ook andere overeenkomsten en verschillen tussen toepassing van artikel 6:162 BW en artikel 7:658 BW aan bod.


Mr. J.P. Quist
Mr. J.P. Quist is verbonden aan de sectie Arbeidsrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam en tevens advocaat bij Adriaanse van der Weel Advocaten te Middelburg (www.avdw.nl).
Artikel

Uitsluiting van dwaling in franchiseovereenkomsten

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 1 2010
Trefwoorden franchise, dwaling
Auteurs Mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck en Mr. J.J.W. Kappert
SamenvattingAuteursinformatie

    Auteurs bezien welke de bijzondere aspecten van franchising zijn die in ogenschouw moeten worden genomen bij het opstellen van franchiseovereenkomsten. Verschillende mogelijkheden voor de franchisegever om zich tegen dwalende franchisenemers te wapenen, worden besproken.


Mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck
Mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck was ten tijde van het schrijven van dit artikel werkzaam bij Dijkstra Voermans Advocatuur & Notariaat te Utrecht.

Mr. J.J.W. Kappert
Mr. J.J.W. Kappert was ten tijde van het schrijven van dit artikel werkzaam bij Dijkstra Voermans Advocatuur & Notariaat te Utrecht.
Artikel

Conversie onverenigbaar met de absolute nietigheid van ongeoorloofde kartelafspraken

Enige opmerkingen over de reikwijdte van de nietigheidssanctie van art. 101 lid 2 VWEU en art. 6 lid 2 Mw naar aanleiding van HR 18 december 2009, LJN BJ9439 (Prisma c.s./verweerders)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden Nietigheid, conversie, kartelverbod, art. 6 lid 2 Mw, art. 101 lid 2 VWEU
Auteurs Mr. E.-J. Zippro
SamenvattingAuteursinformatie

    In HR 18 december 2009, LJN BJ9439 (Prisma c.s./verweerders) is de vraag aan de orde of een samenwerkingsovereenkomst nietig is vanwege de schending van het kartelverbod van art. 6 van de Mededingingswet (Mw). De uitspraak van de Hoge Raad bevat informatie over de definitie van de relevante geografische markt voor franchisediensten en de beoordeling van de mededingingsbeperkende strekking van een samenstel van aanbiedingsplicht, optierechten en een postcontractueel non-concurrentiebeding. Met dit arrest komt een einde aan de onzekerheid die bestond over de vraag of conversie al dan niet verenigbaar zou zijn met de in art. 6 lid 2 Mw neergelegde absolute nietigheid van ongeoorloofde mededingingsbeperkende overeenkomsten.


Mr. E.-J. Zippro
Mr. E.-J. Zippro is universitair docent burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

De ambtenaar en art. 6:170 BW: de bestuursrechter of de civiele rechter?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 3 2010
Trefwoorden schadebesluit, forumkeuze, ondergeschikte, aansprakelijkheid jegens, ambtenaar, schadevergoeding
Auteurs Mr. D.E. Alink
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 30 oktober 2009 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen, waarin aan de orde was dat een ambtenaar tijdens een lunchpauze letsel heeft toegebracht aan een collega-ambtenaar. De vraag rijst of het arrest dient te worden geplaatst in het kader van het Staat/Zevenbergen-arrest – op grond waarvan (ook) een ambtenaar de keuze heeft zich te wenden tot de bestuursrechter dan wel de civiele rechter indien hij een schadevergoeding vordert op grond van de onrechtmatigheid van een besluit – of dat de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de vraag of deze kwestie thuishoort bij de civiele rechter dan wel de bestuursrechter verschillend beantwoorden.


Mr. D.E. Alink
Mr. D.E. Alink is gerechtsauditeur bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

De ovenbouwers van de Holocaust

Een casestudie van organisatiecriminaliteit

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 1 2010
Trefwoorden Tweede Wereldoorlog, Holocaust, Organisatiecriminaliteit, Duitsland
Auteurs Prof. dr. Wim Huisman en BSc Annika van Baar
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article, theories on organisational crime are applied to the involvement of the German corporation Topf & Söhne in the Holocaust. This corporation produced ovens for various concentration and destruction camps in Germany and Poland and contributed significantly to the execution of the Holocaust with their innovative products. The motivation to procure these ovens to the SS does not seem to stem from force, ideological agreement or maximisation of profit. Instead loss-minimisation and a ‘culture of perfection’ seem to form the explanation. Opportunity was provided by the Nazi-Germany regime and the knowledge and skills were already at hand within the organisation. Because of the close collaboration between these two parties, this case can be qualified as a form of state-corporate crime. Administrative, political and social control was absent and neutralisations only seem to have been formed after the Holocaust. The analysis shows how theories about ‘regular’ organisational criminality can form an explanation of the involvement of corporations in international crimes.


Prof. dr. Wim Huisman
Prof. dr. W. Huisman is hoogleraar Criminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, w.huisman@rechten.vu.nl.

BSc Annika van Baar
A. van Baar BSc. is student-assistent aan de Vrije Universiteit Amsterdam, a.vanbaar@rechten.vu.nl.
Artikel

Aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring

Een bespreking van enkele aspecten van de 403-verklaring aan de hand van de Jones Lang LaSalle-uitspraak

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2010
Trefwoorden 403-verklaring, concernverband, concernrecht, Jones Lang LaSalle-zaak, aansprakelijkheid
Auteurs Mr. B. Niels
SamenvattingAuteursinformatie

    In het huidige economische klimaat zal de belangstelling van zowel crediteuren als hoofdelijke debiteuren voor de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring ongetwijfeld toenemen. Uit de praktijk en uit de rechtspraak blijkt echter dat nog de nodige onduidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 2:403 BW en de reikwijdte van de gedeponeerde 403-verklaring, waardoor enerzijds de moeder aansprakelijk kan zijn zonder dat het noodzakelijk is en anderzijds de dochter in strijd met de wettelijke regelgeving geen jaarrekening kan hebben gepubliceerd. Ook wordt regelmatig door de moeder vergeten de verklaring ten behoeve van een inmiddels verkochte dochter in te trekken en de aansprakelijkheid te beëindigen. In dit artikel wordt aan de hand van de recente Jones Lang LaSalle-zaak de problematiek met betrekking tot de 403-verklaring besproken.


Mr. B. Niels
Mr. B. Niels is advocaat bij Allen & Overy LLP te Amsterdam.
Artikel

Naar een ruimere aansprakelijkheid van rechters en arbiters?

HR 4 december 2009, LJN BJ7834 (Greenworld/Arbiters)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 2 2010
Trefwoorden persoonlijke aansprakelijkheid, arbiter, rechter, onrechtmatige arbitrage, onrechtmatige rechtspraak
Auteurs Mr. R. Meijer
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Greenworld/Arbiters-arrest heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de te hanteren aansprakelijkheidsmaatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van arbiters. De Hoge Raad maakt een koppeling met de persoonlijke aansprakelijkheid van rechters, maar lijkt meer ruimte voor aansprakelijkheid te bieden dan men op basis van deze aansluiting bij overheidsrechtspraak zou verwachten. In deze bijdrage wordt ingegaan op de betekenis en reikwijdte van het arrest voor de persoonlijke aansprakelijkheid van arbiters en rechters en de aansprakelijkheid van de overheid voor onrechtmatige rechtspraak.


Mr. R. Meijer
Mr. R. Meijer is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Verdere duidelijkheid over afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten: de wijze waarop Hof Amsterdam omgaat met de richtinggevende oordelen van de Hoge Raad

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 2 2010
Trefwoorden effectenlease, causaal verband, onaanvaardbare financiële last, eigen schuld lessee, aflossingen en betaalde rente lessee, restschuld, verrekening van voordeel
Auteurs Mr. Y.A. Wehrmeijer
SamenvattingAuteursinformatie

    In juni 2009 heeft de Hoge Raad een aantal richtinggevende oordelen gegeven over het handelen van aanbieders van effectenleaseproducten. De vraag na deze arresten was op welke manier deze oordelen zouden uitwerken in de grote variëteit aan effectenlease-zaken. Hof Amsterdam heeft op 1 december 2009 vier arresten gewezen waarin het voormelde richtinggevende oordelen van de Hoge Raad toepast en een aantal nog openstaande vragen beantwoordt. Het artikel gaat in op de wijze waarop het hof voormelde richtinggevende oordelen toepast en analyseert de oplossingen van het hof ten aanzien van causaal verband, voordeelstoerekening, eigen schuld en rente.


Mr. Y.A. Wehrmeijer
Mr. Y.A Wehrmeijer is advocaat bij Houthoff Buruma te Den Haag.
Artikel

Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2010
Trefwoorden tussentijds beroep, tussenvonnis, deelvonnis, verlof
Auteurs Mr. drs. S.M. Kingma
SamenvattingAuteursinformatie

    Over weinig procesrechtelijke onderwerpen is de afgelopen veertig jaar zo’n omvangrijke en fijnmazige jurisprudentie verschenen als over tussentijds hoger beroep en cassatieberoep tegen tussen- en deeluitspraken (tussenvonnissen, tussenbeschikkingen, deelvonnissen en deelbeschikkingen). In ‘Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken’ geeft S.M. Kingma een uitgebreid overzicht van de huidige stand van het recht en betoogt hij dat uit het uitgangspunt dat tussenuitspraken en de einduitspraak samen één geheel vormen, verdergaande consequenties te trekken zijn dan nu worden getrokken. Verder geeft hij enkele wenken voor wijzigingen van het stelsel, zoals een aanpassing van het systeem van verlening van toestemming voor tussentijds beroep en een herziening van de regeling van (tussentijds beroep van) voorlopige en niet-voorlopige voorzieningen.


Mr. drs. S.M. Kingma
Mr. drs. S.M. Kingma is cassatieadvocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen te ’s-Gravenhage.
Artikel

Access_open Tussentijdse beëindiging van duurovereenkomsten voor bepaalde tijd

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 1 2010
Trefwoorden duurovereenkomsten voor bepaalde tijd, opzegging, onvoorziene omstandigheden, artikel 6:258 BW, artikel 6:248 BW, Mondia/Calanda, Vereniging voor de Effectenhandel/CSM
Auteurs D.J. Beenders en P.W. den Hollander
SamenvattingAuteursinformatie

    Duurovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen tussentijds worden beëindigd door onder meer opzegging op grond van artikel 6:248 BW en ontbinding door de rechter op grond van artikel 6:258 BW. Steeds geldt daarbij het criterium van onvoorziene – in de zin van niet-verdisconteerde – omstandigheden, die van dusdanige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. In dit overzichtsartikel wordt allereerst ingegaan op de verhouding tussen de hiervoor genoemde grondslagen voor tussentijdse beëindiging en wordt betoogd dat een partij in beginsel vrij is om een van beide grondslagen te kiezen. Vervolgens wordt het voornoemde criterium van onvoorziene omstandigheden nader onder de loep genomen en worden, mede aan de hand van recente rechtspraak, drie gezichtspunten geformuleerd die relevant lijken bij de invulling van dit criterium: inhoud en aard van de overeenkomst, aard en onderlinge verhouding van partijen en de gewichtigheid van de belangen over en weer.


D.J. Beenders
Mr. D.J. Beenders is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

P.W. den Hollander
Mr. P.W. den Hollander is als PhD-fellow verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht, Universiteit Leiden.
Artikel

De rechter als regelgever

Over rechtersregelingen en rechtsvorming door de (bestuurs)rechter

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2010
Trefwoorden rechtersregeling, rechtsvorming, rechterlijk beleid, beleidsruimte, interpretatieruimte
Auteurs Mr. dr. J.C.A. de Poorter
SamenvattingAuteursinformatie

    De rechter voert in zekere zin beleid wanneer hij het recht bedrijft. Dit beleid is vaak neergelegd in niet als zodanig voor de rechtsgemeenschap kenbare, richtinggevende afspraken. De rechtsgemeenschap komt die slechts op het spoor door het bestuderen van de jurisprudentie. In andere gevallen neemt het beleid echter de vorm aan van in voor de rechtsgemeenschap kenbare beleidsregels, neergelegde afspraken. Vanuit rechtsstatelijke optiek zijn dergelijke rechtersregelingen niet zonder meer problematisch. Zeker niet waar de rechter enige beleidsruimte wordt gelaten. Wel vergt het openbaar maken van rechtersregelingen telkens een afweging van belangen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tegenover het belang van de individuele rechtsbedeling. Wanneer de rechter niet over beleidsruimte, maar over enige mate van interpretatieruimte beschikt, lijkt een rechtersregeling minder aangewezen. De rechter spreekt in dergelijke gevallen door middel van zijn uitspraken.


Mr. dr. J.C.A. de Poorter
Mr. dr. J.C.A. de Poorter is raadadviseur bij de Raad van State. J.dePoorter@RaadvanState.nl
Toont 21 - 40 van 41 gevonden teksten
« 1 2
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.