Zoekresultaat: 211 artikelen

De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2009 x Rubriek Artikel x

    The concept of risk and the practice of financial risk management are important factors in the present-day financial world. Handbooks explain this focus on risk as a reaction to increased volatility of prices, interest rates and exchange rates since the early 1970s. Financial economists have developed mathematical models and quantitative techniques to hedge the risks of financial transactions. The financial innovations developed in this process, so-called derivatives, are derived from older forms of intertemporal transactions, such as options, futures, forwards and warrants. The use of derivatives has grown rapidly since the early 1970s. A number of authors has pointed out that the widespread use of these financial instruments to hedge risks at the level of banks and corporations has increased systemic risk at the macro-level. Some authors think that risk management is principally impossible, as uncertainty reigns the world. Others have pointed out that financial organizations have used derivatives not only for risk management, but also for other less lofty organizational purposes, such as creating excessive credit and taking highly leveraged positions. While this criticism is generally valid, it should be realized that the use of quantitative techniques and the practice of derivatives cannot be banned from the present-day financial world.

W.G. Wolters
Prof. dr. Willem Wolters is als emeritus hoogleraar economische antropologie verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

‘There is no justice, just us’

Hoe de overheid dierenextremisme in de hand werkt

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 7 2009
Auteurs E. Eskens

    In recent years the Dutch radical animal movement has manifested itself through arson, threats and destruction of property. This article describes the rise of the radical movement and its tendency towards violence. While the animal movement has its roots in nineteenth century romanticism, the anarchism of the sixties and the squatting movement of the eighties gave way to a more radical animal movement. The anti-establishment movement of the sixties turned against intensive farming. When the punk movement of the eighties freed itself from an overwhelming sense of doom, it gave rise to a new attitude, which rejected drugs, alcohol, and meat. The so-called Straight Edge Movement developed into one of the driving forces behind the recent animal related violence. Hiding behind the facade of the Animal Liberation Front the activists are strongly convinced that they have morality on their side while targeting farms, cattle trucks, and animal test facilities. Many animal activists feel that Dutch law as it is, does not protect animals in a sufficient way. Another problem is that animal laws are hardly being upheld. Inspections of farms, slaughterhouses and transportation vehicles are rare, prosecutors usually give no priority to animal cases, and judges and the rare judicial sentences are usually extremely mild. This leads radical activists to a conclusion that one of them wrote on a wall: ‘There is no justice, just us’.

E. Eskens
Drs. Erno Eskens studeerde filosofie en politicologie en is uitgever en bestuurslid van stichting Dier en Recht Nederland. Hij publiceerde onlangs het boek Democratie voor dieren (uitg. Contact).

    The increase of piracy attacks in the Horn of Africa as of 2007-2008 as well as its changing face towards types of maritime terrorism, has given rise to the question as to whether the contemporary system on the Laws of the High Seas needs to be revisited.
    In particular, the question merits thought as to the effectiveness of the adjudicatory system in piracy cases. At present, this is left into the hands of national jurisdictions to decide whether to investigate and prosecute such cases. However, the discretionary powers of states as to such prosecutions result in many lacunae. Should or could the International Criminal Court, instead of national jurisdictions, assume jurisdiction in these matters? If not, is there ample argument for the advent of an ad hoc international criminal tribunal on this area? In this article, answers to these queries will be provided.

G.G.J. Knoops
Prof. dr. mr. Geert-Jan Alexander Knoops is hoogleraar internationaal strafrecht en internationaal strafrechtadvocaat bij Knoops & Partners Advocaten te Amsterdam.

Zeeroof in Afrika

Mondiale en lokale verklaringen voor piratenactiviteit in Nigeria en Somalië

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 8 2009
Auteurs S. Eklöf Amirell

    This article aims to explain where, when, how and why piratical activity has taken off in Nigeria and Somalia since the 1970s. The geographical and historical conditions of the continent are compared with those of the other main region of piratical activity in the world during recent decades, Southeast Asia. A critical evaluation is then made of the available information concerning the problem and the different possible, local and global, explanations for the recent surge in African piracy, including opportunity, inequality and the proliferation of small and light weapons. The widespread notion that contemporary piracy can be explained with reference to state failure is challenged, and the rise of organized piratical activity, particularly in the Niger Delta and off the Somali coast, is instead understood as a result of the interaction of local social and political dynamics with transnational and global influences.

S. Eklöf Amirell
Dr. Stefan Eklöf Amirell is als associate professor verbonden aan het Swedish Institute of International Affairs in Stockholm.

    Recent years have seen a surge in piracy in the Gulf of Aden, followed by growing international involvement in pursuing pirates off the Somali coast. The piracy problem is multifaceted and includes complex geopolitical, regional, legal and operational challenges. But the commitment demonstrated by a broad range of actors to fight piracy in Somali waters also offers unique opportunities. The unprecedented awareness of and attention to the region's insecurity provides international stakeholders with the momentum to strengthen their ties and address the root causes. This article gives a comprehensive account of the piracy issue and presents recommendations to nations engaged in counter-piracy activities.

B. van Ginkel
Mr. Bibi van Ginkel is verbonden aan het Clingendael Security and Conflict Programme van het Instituut Clingendael in Den Haag.

J. Hemmer
Drs. Jort Hemmer is verbonden aan het Clingendael Security and Conflict Programme van het Instituut Clingendael in Den Haag.

S. Kamerling
Drs. Susanne Kamerling is verbonden aan het Clingendael Security and Conflict Programme van het Instituut Clingendael in Den Haag.

F.-P. van der Putten
Dr. Frans-Paul van der Putten is verbonden aan het Clingendael Security and Conflict Programme van het Instituut Clingendael in Den Haag.

Access_open Algemene voorwaarden onder de voorgestelde richtlijn consumentenrechten

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2009
Trefwoorden algemene voorwaarden, richtlijn consumentenrechten, oneerlijke bedingen, transparantiebeginsel, informatieplicht
Auteurs Prof. dr. M.B.M. Loos

    De voorgestelde richtlijn consumentenrechten zal leiden tot aanmerkelijke wijzigingen in het Nederlandse privaatrecht, vooral doordat de richtlijn uitgaat van volledige harmonisatie. In dit artikel wordt onderzocht wordt of ook op het terrein van de algemene voorwaarden ingrijpende wijzigingen van het Nederlandse recht te verwachten zijn. De conclusie is dat het met de wijzigingen wel meevalt. De belangrijkste wijziging betreft de vervanging van de zwarte en grijze lijst door een Europese zwarte en grijze lijst, die elkaar grotendeels maar niet geheel overlappen. Onzekerheid bestaat vooral over de positie van de informatieplicht, die in ieder geval anders zal moeten worden gehanteerd dan de wetgever aanvankelijk beoogd had: artikel 6:234 BW zal in ieder geval niet meer als een limitatieve invulling van de informatieplicht van artikel 6:233 BW kunnen worden opgevat. Verdedigd wordt dat de vereiste soepelere houding ten aanzien van de informatieplicht ook buiten het geharmoniseerde terrein – in het bijzonder voor overeenkomsten tussen twee professionele partijen – zou moeten gelden.

Prof. dr. M.B.M. Loos
Prof. dr. M.B.M. Loos is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Centre for the Study of European Contract Law.

Access_open Het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland en een kennelijk onuitroeibaar misverstand

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2009
Trefwoorden Wetboek Napoleon, overdrachtsstelsel, beschikkingsbevoegdheidsvereiste, leveringsvereiste
Auteurs Prof. mr. W.J. Zwalve

    Het nieuwe, natuurrechtelijke beginsel van de eigendomsoverdracht 'par l'effet des obligations' werd als een algemeen beginsel van vermogensrecht neergelegd in artikel 711 en 1138 van de Code Civil en is in veel landen die de Franse traditie volgen (zoals Italië, België en Polen) overgenomen. Niet echter in het Wet Napoleon, ingerigt van het koningrijk Holland van 1809 (WNH). Daarin vindt men het oude gemeenrechtelijke stelsel – dat voor de invoering van de Code Civil ook in Frankrijk de heersende leer was geweest – gecodificeerd in artikel 588-589 WNH. Wat men hierin vindt, is het systeem van eigendomsoverdracht dat onder het ancien regime nagenoeg overal in Europa gold. Van een aantal traditionele gemeenrechtelijke permissen in dat systeem heeft het huidige Nederlandse recht in 1838 (en 1950) definitief afscheid genomen. Kennisneming van artikel 588-589 WNH is echter nuttig, omdat het de lezer confronteert met de rechtsgevolgen van eerdere gemaakte rechtspolitieke keuzes. Een nadere analyse van de bepalingen lijkt daarom op zijn plaats, zeker met het oog op de vraag of daaruit lessen voor de toekomst zijn te leren.

Prof. mr. W.J. Zwalve
Prof. mr. W.J. Zwalve is werkzaam in de juridische faculteit van de Universiteit Leiden.

Access_open Arrest inzake de vaststellingsovereenkomst

Een toeschietelijke Hoge Raad (HR 27 maart 2009 RvdW 2009, 462)

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2009
Trefwoorden executiegeschil, vaststellingsovereenkomst, uitleg, garantie, dwangsommen, verjaring, dwingend recht, strijd openbare orde goede zeden
Auteurs Mr. M.W. Bijloo

    Merck, Sharpe en Dohme (MSD) en Euromedica zijn verwikkeld in een inbreukprocedure. Bij kort gedingvonnis van 9 juli 1999 wordt Euromedica veroordeeld om de inbreuk op de merkrechten van MSD te staken op verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000 per overtreding met een maximum van ƒ 1.000.000. Nadat MSD vervolgens – op basis van een gestelde overtreding van het verbod door Euromedica – maatregelen wilde treffen om dwangsommen te incasseren, heeft Euromedica een kort geding procedure aanhangig gemaakt tot staking van deze executie. De president van de rechtbank wijst deze vordering toe. Na wijzen van arrest door het gerechtshof in het hoger beroep komen partijen overeen dat MSD tegen overlegging van een bankgarantie van ƒ 1.000.000 door Euromedica af zou zien van executie van de dwangsommen, totdat bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak zou zijn komen vast te staan dat (i) Euromedica inbreuk had gepleegd op de rechten van MSD in cassatie, en (ii) Euromedica dwangsommen verschuldigd was op grond van het kort geding vonnis van 9 juli 1999. Nadat bij onherroeplijke rechterlijke uitspraak was komen vast te staan dat Euromedica wel degelijk inbreuk maakte en derhalve de dwangsommen verschuldigd was, stelde Euromedica zich op het standpunt dat de dwangsommen inmiddels verjaard waren en verzocht zij de rechtbank Haarlem om een verklaring van recht met die strekking. De rechtbank wees de vordering af, maar het gerechtshof Amsterdam wees de vordering in hoger beroep toe. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de overeenkomst tussen partijen waarbij afstand werd gedaan van executie van de dwangsommen tegen overlegging van een bankgarantie moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst ex art. 7:900 BW. Als gevolg daarvan werd de verhouding tussen partijen niet langer beheerst door het vonnis van 9 juli 1999 en de aansluitende procedures, maar door de vaststellingsovereenkomst. Op deze vaststellingsovereenkomst is de relevante verjaringsbepaling niet van toepassing. Nu is betreffende verjaringsbepaling van dwingend recht, maar op basis van art. 7:902 BW is een vaststellingsovereenkomst ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht.Er kunnen naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad twee conclusies worden getrokken: ten eerste dat er in de visie van de Hoge Raad sprake van een vaststellingsovereenkomst kan zijn ondanks dat het niet zeker is of partijen zulks hebben beoogd. Verder is het onduidelijk waar de Hoge Raad de grens trekt ten aanzien van (de toepassing van) artikel 7:902 BW.

Mr. M.W. Bijloo
Mr. M.W. Bijloo is advocaat bij Baker & McKenzie Amsterdam.

Gezichtspunten bij ontslag: verwijtbaarheid, proportionaliteit en continuïteit

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2009
Trefwoorden ontslag, ontslagvergoeding, ontbinding, ontbindingsvergoeding, kennelijk onredelijk ontslag, ratio, grondslag, gezichtspunten, proportionaliteit
Auteurs Mw. mr. W.L. Roozendaal

    In het ontslagrecht zijn vele gezichtspunten relevant. Waarom zijn zij relevant? Betoogd wordt dat de vele redenen hiervoor zijn samen te vatten als drie toetsen: de verwijtbaarheidtoets, de proportionaliteitstoets en de continuïteitstoets. Volgens de eerste toets moeten gradaties van verwijtbaarheid bij een tekortkoming relevant zijn voor de bescherming tegen ontslag. Volgens de tweede toets moet het gewicht van de ontslaggrond proportioneel zijn aan de ingrijpendheid van het ontslag.Volgens de derde toets moet ontslag (desondanks) mogelijk zijn als zinvolle voortzetting van de overeenkomst niet haalbaar is. Is dat laatste het geval, dan moet eventuele disproportionaliteit van het ontslag (dan maar) worden uitgedrukt in een vergoeding. De analyse van gezichtspunten bij ontslag geeft aanleiding tot de stelling, dat bij het vaststellen van de ontbindingsvergoeding onvoldoende getoetst wordt aan proportionaliteit, zodat de vergoedingen gemakkelijk disproportioneel zijn.

Mw. mr. W.L. Roozendaal
W.L. Roozendaal is docent aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam, afdeling staats- en bestuursrecht.

Over getuigschriften en zo

100 jaar Wet op de arbeidsovereenkomst

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2009
Trefwoorden wet op de arbeidsovereenkomst, historie, gezichtspunten, ontwikkelingen
Auteurs Mr. R.A.A. Duk

    Dit artikel is de bewerking van een op 31 mei 2007 voor de Vereniging van Arbeidsrecht gehouden voordracht over 100 jaar Wet op de arbeidsovereenkomst. In vervolg op uiteenzettingen van Levenbach en Van der Grinten bij het 50- en 75-jarig bestaan van die wet wordt bezien hoe wetgeving en rechtspraak zich in die periode hebben ontwikkeld, met een zwaar accent op de periode sinds 1982, wat aanleiding geeft tot enkele beschouwingen over de rol van wetgever en rechter in het arbeidsrecht, nu en in de toekomst.

Mr. R.A.A. Duk
R. Duk is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek.

Richtlijn 2009/44/EG: EG-knuppel in het hoenderhok van het Nederlandse goederenrecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2009
Trefwoorden financiëlezekerheidsovereenkomst, fiduciaverbod, Collateral Richtlijn, art. 3:84 lid 3 BW, Richtlijn 2009/44/EG
Auteurs Prof. mr. dr. F.E.J. Beekhoven van den Boezem

    De onlangs gewijzigde Collateral Richtlijn doet het ‘fiduciaverbod’ sneuvelen (althans waar het gaat om een financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht van kredietvorderingen)!

Prof. mr. dr. F.E.J. Beekhoven van den Boezem
Prof. mr. dr. F.E.J. Beekhoven van den Boezem is juridisch adviseur ING en hoogleraar onderneming en financiering aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Omzetting van het kaderbesluit slachtofferzorg in beleidsregels van het Openbaar Ministerie of in formele wetgeving?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2009
Trefwoorden Kaderbesluit slachtofferzorg, OM-beleidsregels, omzetting richtlijnen, formele wetgeving
Auteurs Mr. W. Geelhoed

    Het kaderbesluit slachtofferzorg zou oorspronkelijk in beleid van het Openbaar Ministerie worden geïmplementeerd. Dat desondanks wetswijziging plaatsvindt, is vooral te danken aan overwegingen in het kader van de fundamentele herziening van het Wetboek van Strafvordering en niet aan het bestaan van het kaderbesluit. De jurisprudentie van het Hof van Justitie over de omzetting van richtlijnen, die ook op kaderbesluiten van toepassing is, brengt echter mee dat beleidsregels van het Openbaar Ministerie niet het juridisch bindende karakter bezitten dat voor omzetting is vereist. Opname in wettelijke regelingen is vrijwel onontkoombaar. Het OM verliest hierdoor een substantieel beleidsterrein aan de wetgever.

Mr. W. Geelhoed
Mr. W. Geelhoed is PhD-fellow straf- en strafprocesrecht, Instituut voor Strafrecht en Criminologie, Universiteit Leiden.

Het Verdrag van Lissabon, het instemmingsrecht en het parlementair behandelingsvoorbehoud

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2009
Trefwoorden parlementair behandelingsvoorbehoud, Verdrag van Lissabon, instemmingsrecht, informatieverplichting, ministeriële verantwoordelijkheid
Auteurs Mw. mr. B. van Mourik

    Met de discussie over het instemmingsrecht en het parlementair behandelingsvoorbehoud in het kader van de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon heeft in staatsrechtelijk opzicht iets belangrijks plaatsgevonden. De discussie over het instemmingsrecht heeft duidelijk gemaakt dat het Nederlandse parlement voor zichzelf een minder belangrijke rol ziet weggelegd als het Europees Parlement verdergaande bevoegdheden krijgt. Dit is opmerkelijk, onder andere gelet op het feit dat de laatste jaren juist ook veel is gesproken over een belangrijke aanvullende rol die nationale parlementen zouden moeten vervullen als het gaat om Europese besluitvorming. Ook al heeft het Europees Parlement op een bepaald terrein medewetgevende bevoegdheden, ze heeft geen leden van de Raad ter verantwoording te roepen. Hier ligt dus een belangrijke controletaak voor het Nederlandse parlement. Met de invoering van de bijzondere informatieverplichting voor de regering ten aanzien van voorstellen die door het parlement van bijzonder politiek belang worden geacht, is het instrumentarium waarmee het parlement de regering controleert in het kader van Europese besluitvorming uitgebreid. Zo bezien lijkt het debat over de goedkeuringswet van het Verdrag van Lissabon op winst voor het parlement. Paradoxaal gegeven is echter dat het debat over het parlementair behandelingsvoorbehoud heel duidelijk de dominante positie van de regering ten opzichte van het parlement heeft weergegeven. De regering domineerde de parlementaire discussie en oefende veel druk uit op de coalitiefracties in de Kamer. Uit het debat blijkt dan ook vooral de tandenloosheid van het parlement ten opzichte van de regering, iets wat niet als winst maar als verlies dient te worden beschouwd.

Mw. mr. B. van Mourik
Mw. mr. B. van Mourik is promovenda bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht. B.vanMourik@uu.nl

De wettelijke implementatie van administratieve samenwerking in de Europese Unie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2009
Trefwoorden implementatie, samenwerkingsverplichtingen, administratieve samenwerking, toezicht, Awb
Auteurs Mr. P. Boswijk, Dr. mr. O.J.D.M.L. Jansen en Prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven

    Het artikel bevat een overzicht van de implementatie in Nederland, Duitsland en Spanje van de in de sectoren financiële dienstverlening, douane, voedselveiligheid en visserij door Europa voorgeschreven vormen van samenwerking in het kader van het nalevingstoezicht. Het is opvallend dat samenwerkingsverplichtingen verschillend worden vormgeven in de onderzochte lidstaten. Verder zijn er grote verschillen tussen de regelingen van de verschillende sectoren binnen één lidstaat. Nederlandse toezichthouders kunnen op grond van de Awb toezicht houden op de naleving van Nederlands recht en van verordeningen. Moeten toezichtbevoegdheden kunnen worden toegepast in verband met de naleving van in een andere lidstaat omgezette richtlijn, dan moet een voorziening worden getroffen in de sectorale wetgeving. Buitenlandse toezichthouders die zijn aangewezen bij of krachtens een verordening zijn toezichthouders zijn in de zin van de Awb. Het is overigens de vraag of dit de bedoeling is geweest van de wetgever. Het onzelfstandig toezicht is in de Awb gedeeltelijk geregeld, namelijk voor wat betreft het vergezellen door een buitenlandse inspecteur van een Nederlandse toezichthouder bij het betreden van plaatsen. Voor andere bevoegdheden, zoals de toegang tot documenten, is deze bepaling echter te beperkt.

Mr. P. Boswijk
Mr. P. Boswijk is promovendus Europees bestuursrecht bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht. P.Boswijk@uu.nl

Dr. mr. O.J.D.M.L. Jansen
Dr. mr. O.J.D.M.L. Jansen is universitair hoofddocent Europees bestuursrecht bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht. O.J.D.M.L.Jansen@uu.nl

Prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven
Prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven is hoogleraar Europees bestuursrecht bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht. r.widdershoven@uu.nl

Wie is de waterbeheerder en wat moet hij doen?

Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de waterbeheerder in de Waterwet

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2009
Trefwoorden waterbeheer, Waterwet, overheidszorg, functioneel decentraal beheer
Auteurs Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick

    In een themanummer over de Waterwet kan een beschrijving van de waterbeheerder en zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden niet ontbreken. De Waterwet regelt het beheer en gebruik van het watersysteem in al zijn aspecten.1x Zie naast de bijdragen in dit themanummer over de Waterwet eveneens S. Handgraaf, De Waterwet, M en R? 2009, p. 489-496; zie over het wetsvoorstel T.P. de Kramer & N. Teesing (red.), De nieuwe Waterwet, Vereniging voor milieurecht 2007-2, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, M.N. Boeve & L. van Middelkoop (red.), Het waterrecht in perspectief. Actuele ontwikkelingen en doorwerking naar het milieurecht en het ruimtelijke-ordeningsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2008, p. 35-52, en over het voorontwerp H.J.M. Havekes, Het voorontwerp Waterwet, M en R 2005, p. 628-632. Zie eveneens E.C.M. Schippers & J.H. Geerdink, Alles over water in een notendop (in twee delen), Gemeentestem 2008, 7296, p. 261-272 en Gemeentestem 2008, 7297, p. 289-302. De nadruk ligt daarbij op het watersysteem: het samenhangende geheel van één of meer oppervlaktelichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Deze definiëring geeft ook de ruime reikwijdte van de wet: het gaat om het gehele watersysteem, maar de Waterwet reguleert niet de waterketen.2x Zie hierover P. Jong, Watersysteem en waterketen in de water- en milieuwetgeving, in: M.V.C. Aalders & R. Uylenburg (red.), Het milieurecht als proeftuin, 20 jaar Centrum voor Milieurecht, Groningen: Europa Law Publishing 2007, p. 57-72. De drinkwatervoorziening en het verzamelen en transport van afvalwater vallen buiten de reikwijdte van de wet.


  • * De leerstoel wordt financieel ondersteund door de Stichting Schilthuisfonds. Tevens maakt Marleen van Rijswick deel uit van de door de Stichting Leven met Water ingestelde multidisciplinaire ‘leertafel’ Watergovernance, waar zij is benoemd op de leerstoel Ontwikkelingsgericht waterrecht.
  • 1 Zie naast de bijdragen in dit themanummer over de Waterwet eveneens S. Handgraaf, De Waterwet, M en R? 2009, p. 489-496; zie over het wetsvoorstel T.P. de Kramer & N. Teesing (red.), De nieuwe Waterwet, Vereniging voor milieurecht 2007-2, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, M.N. Boeve & L. van Middelkoop (red.), Het waterrecht in perspectief. Actuele ontwikkelingen en doorwerking naar het milieurecht en het ruimtelijke-ordeningsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2008, p. 35-52, en over het voorontwerp H.J.M. Havekes, Het voorontwerp Waterwet, M en R 2005, p. 628-632. Zie eveneens E.C.M. Schippers & J.H. Geerdink, Alles over water in een notendop (in twee delen), Gemeentestem 2008, 7296, p. 261-272 en Gemeentestem 2008, 7297, p. 289-302.

  • 2 Zie hierover P. Jong, Watersysteem en waterketen in de water- en milieuwetgeving, in: M.V.C. Aalders & R. Uylenburg (red.), Het milieurecht als proeftuin, 20 jaar Centrum voor Milieurecht, Groningen: Europa Law Publishing 2007, p. 57-72.

Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick
Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick is hoogleraar Europees en nationaal waterrecht aan de Universiteit Utrecht.

Vergoeding van medische schade in België: het nieuwe tweesporensysteem

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2009
Trefwoorden tweesporensysteem, medische schade, foutaansprakelijkheidsrecht, no fault-systeem
Auteurs Mevrouw mr. E. de Kezel

    In deze bijdrage worden kort de ontwikkelingen geschetst die het medisch aansprakelijkheidsrecht in België heeft ondergaan en wellicht nog zal ondergaan. In België ligt het foutaansprakelijkheidsrecht als systeem tot vergoeding van medische schade reeds lang onder vuur. Door de Wet van 15 mei 2007 werd het klassieke foutaansprakelijkheidsrecht als vergoedingssysteem voor medische schade afgeschaft en werd er een nieuw vergoedingssysteem ingevoerd, waarbij de fout als grondvoorwaarde tot de vergoeding wordt geschrapt (het zogenoemde ‘no fault’-systeem). Hoewel de inwerkingtreding voorzien was voor 1 januari 2008, is dit systeem nooit in werking getreden. Op 23 oktober 2008 besliste de federale ministerraad om de nieuwe ingevoerde no fault-regeling te herzien en te vervangen door een foutloze aansprakelijkheidsregeling, geïnspireerd door het Franse systeem (tweesporensysteem). Tegelijkertijd werd beslist om het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, het KCE, te belasten met een studieopdracht om de kostprijs te ramen van een dergelijk systeem in België. De inwerkingtreding van de no fault-Wet van 15 mei 2007 werd, in afwachting daarvan, voor de tweede maal uitgesteld voor onbepaalde tijd, via een bepaling in de Wet houdende diverse bepalingen (I) van 22 december 2008. De zet die de procedure inzake de geschillen over het toepassingsgebied van de no fault-Wet regelde (Wet inzake de regeling van geschillen van 15 mei 2007) werd eveneens voor de tweede maal uitgesteld, via een bepaling opgenomen in de Wet houdende diverse bepalingen (II) van 22 december 2008. Op dit moment speelt dus nog steeds het ‘klassieke’ foutaansprakelijkheidsrecht.

Mevrouw mr. E. de Kezel
Mw. mr. E. de Kezel is docent aan het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht, Vrij Wetenschappelijk Medewerker aan het Centrum voor Verbintenissenrecht van de Universiteit Gent, en advocaat bij Stibbe aan de Balie te Brussel.

Mediation en strafrecht: een proces naast een proces

Tijdschrift PROCES, Aflevering 6 2009
Trefwoorden Mediation, Strafrechtmediation, Bijzondere voorwaarde, Herstelbemiddeling
Auteurs Janny Dierx

    Mediation met slachtoffer en dader kan een succesvolle interventie zijn in het kader van het strafproces. Zowel een verwijzing naar mediation als de afspraken die slachtoffer en dader hebben vastgelegd in een mediationovereenkomst kunnen door de rechter worden opgelegd als bijzondere voorwaarde. Door gebruik te maken van deze mogelijkheden kan de rechter een impuls geven aan de ontwikkeling van een court-connected systeem voor mediation. Nederland zou daarmee aansluiten bij de internationale opmars van toepassing van mediation als interventie in het strafrecht. In dit artikel worden een aantal uitgangspunten van court-connected strafrechtmediation uitgewerkt.

Janny Dierx
Janny Dierx is adviseur en mediator bij organisatieadviesbureau De Beuk.

Grenzen aan toezicht

Minimumwaarborgen voor de uitvoering van bijzondere voorwaarden

Tijdschrift PROCES, Aflevering 6 2009
Trefwoorden Bijzondere voorwaarden, Rechtspositie onder toezicht gestelden, Toezicht, Rechtspositie
Auteurs Miranda Boone

    In deze bijdrage is een lans gebroken voor de versterking van de rechtspositie van personen die zich onder toezicht van de reclassering moeten houden aan bijzondere voorwaarden. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de wettelijke regeling van de voorwaardelijke modaliteiten, de internationale minimumstandaards voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende sancties en belangrijke penitentiaire beginselen als het beginsel van minimale beperkingen en het resocialisatiebeginsel. Er is gepleit voor een grotere kenbaarheid van de inhoud die aan bijzondere voorwaarden en de combinaties van voorwaarden kan worden gegeven, een rechtspositieregeling op hoofdlijnen waarin de belangrijkste beslissingen die tegen onder toezicht gestelden kunnen worden genomen met waarborgen zijn omkleed en een aantal materiële rechten zijn uitgewerkt. Ten slotte is ervoor gepleit de klachtenregeling beter toegankelijk te maken en met meer waarborgen te omkleden, waaronder het openstellen van een beroepsmogelijkheid.

Miranda Boone
Miranda Boone is universitair hoofddocent strafrecht en criminologie aan de Universiteit Utrecht en tevens redactielid van PROCES.

Achtergronden en determinanten van radicalisering en terrorisme

Een overzicht

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 4 2009
Trefwoorden radicalisme, terrorisme, radicaliseringsproces
Auteurs Wim Koomen en Joop van der Pligt

    This article presents an overview of the main determinants of radicalization and terrorism. Experienced discrimination plays an important role, and can be seen as threatening. This could amplify the importance of ideology and religious convictions, and these both unify the group and direct the behavior of the group. Perceived threats also result in emphasizing group identity and increases the cohesiveness of the threatened group. This may lead to polarization between groups and radicalization. This radicalization is also affected by cognitions, such as perceived inequity and injustice, as well as emotions such as anger and contempt. In a later phase of radicalization group processes, such as groupthink, and support from the wider social group may further strengthen radicalization. Justification processes, like dehumanizing the opponent, are also likely to play a role. Finally, the transition from radicalization to terrorism is discussed.

Wim Koomen
Dr. W. Koomen is werkzaam bij de faculteit sociale psychologie van de Universiteit van Amsterdam, w.koomen@uva.nl.

Joop van der Pligt
Prof. dr. J. van der Pligt is hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, J.vanderPligt@uva.nl


De salafi-beweging en de vorming van een morele gemeenschap

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 4 2009
Trefwoorden moslimjongeren, salafisme
Auteurs Martijn de Koning

    Accounts of radicalization and of social movements are often flawed by a static understanding of participation in radical networks. By analyzing the practices of the Salafi movement and its participants in reviving, establishing and nurturing a moral community of true believers I will explore how participation in this movement is sustained. I will show that by teaching young Muslims a particular lifestyle, exemplifying what it means to be a true believer, the Salafi movement tries to establish a position as the moral guardian of the Muslim community. For Muslim youth in this movement the activities are a means to evoke and nurture the experience of belonging and an essential practice for being part of the community of true believers.

Martijn de Koning
Drs. M. de Koning is onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen, post@martijndekoning.com.
Toont 41 - 60 van 211 gevonden teksten
1 3 5 6 7 8 9 10 11
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.