Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 2710 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Jurisprudentie x
Jurisprudentie

Hoger beroep

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 04 2006
Trefwoorden Devolutieve werking, Kort geding, Incidenteel appèl, Appèlrechter, Bewijslastverdeling, Beslaglegger, Bewijslast, Merkenrecht, Motivering, Proceskostenveroordeling
Auteurs Hammerstein, A.

Hammerstein, A.
Jurisprudentie

Spoedprocedures

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 04 2006
Trefwoorden Kort geding, Spoedeisend belang, Belangenafweging, Geldvordering, Curator, Vader, Zekerheidstelling, Beslaglegger, Schuldeiser, Gemeente
Auteurs Verschoof, R.J.

Verschoof, R.J.

    NSL bedoeld noch geschikt als beoordelingskader bij vergunningverlening. Onderzoeksverplichting hoeft niet te worden gekoppeld aan inspraak dan wel een voor beroep vatbaar besluit.

    Het bestuursorgaan dient bij de beoordeling van de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime op de peildatum uit te gaan van een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsbelasting. Aan de hand daarvan dient te worden onderzocht of die belasting zodanig is, dat het nieuwe regime tot planologische verslechtering met een daaruit voortvloeiende waardevermindering van de woning heeft geleid.

    Nu er sprake is van een zeer aanzienlijk verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen en van een korte periode tussen de waarderingstijdstippen, had op de weg van het college gelegen om het besluit op dit punt van een nadere motivering te voorzien.

    Deze voorbeelden van doeleinden van de bestemming ‘Openbaar of bijzonder gebouw’ zijn van belang voor de bepaling van hetgeen maximaal mogelijk is onder het oude planologische regime en kunnen daarbij niet buiten beschouwing worden gelaten. Dat die voorbeelden ieder eigen specifieke effecten op de omgeving hebben, leidt niet tot een andere conclusie aangezien zij tezamen een beeld geven van het soort gebouw dat ter plaatse is toegestaan. De voorbeelden sluiten elkaar niet uit en kunnen in combinatie voorkomen.

    Dat het plaatsen van geluidschermen ruimtelijk gezien niet gewenst is, is onvoldoende voor het oordeel dat de realisatie van een geluidscherm onder het nieuwe planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

    Indien een schadepost rechtstreeks voortvloeit uit een wegaanpassingsbesluit, valt het besluit voor de uitvoering daarvan onder het bereik van artikel 49 van de WRO.

    De schade ex artikel 30 van de Rwc wordt vastgesteld door vergelijking van de rechtstreekse planologische belemmeringen die voortvloeien uit het reconstructieplan met het bestemmingsplan.

    Toetsingskader luchtkwaliteit in geval van uitwerkingsplan op basis van moederplan dat voor Blk 2005 is vastgesteld.

    Gefaseerde ontwikkeling bedrijventerrein hoeft in casu niet in planvoorschriften te worden vastgelegd.

Jurisprudentie

De verwijzingsregel van artikel 1 van het Haags Testamentsvormenverdrag 1961

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 5 2010
Trefwoorden internationaal privaatrecht, verwijzingsregel, uiterste wil, formele geldigheid, artikel 1 lid 3 Haags Testamentsvormenverdrag 1961, begrip woonplaats
Auteurs Mr. W. Breemhaar
SamenvattingAuteursinformatie

    Het besproken arrest heeft in de kern betrekking op de toepassing van artikel 1 lid 3 van het Haags Testamentsvormenverdrag 1961. Volgens deze verdragsbepaling wordt het antwoord op de vraag of een testateur woonplaats op een bepaalde plaats had, bepaald door het recht van die plaats.


Mr. W. Breemhaar
Mr. W. Breemhaar is vice-president van het Gerechtshof Leeuwarden.
Jurisprudentie

Wanneer eindigt de bevoegdheid tot beheer van de executeur?

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 5 2010
Trefwoorden executeur, boedelbeschrijving, rekening en verantwoording, bewind, beneficiaire aanvaarding
Auteurs Prof. mr. E.A.A. Luijten en Mw. prof. mr. W.R. Meijer
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage vragen wij (wederom) aandacht voor de positie van de executeur. In de erfrechtelijke jurisprudentie neemt de executeur een belangrijke plaats in, zoals ook blijkt uit het aantal uitspraken waarin executele aan de orde kwam, dat wij reeds in dit tijdschrift bespraken.1x Zie jaargang 2005, nr 2, p. 37, jaargang 2007, nr 1, p. 15 en nr 5, p. 94, jaargang 2008, nr 5, p. 76, jaargang 2009, nr 3, p. 51 en nr 5, p. 80, alsmede jaargang 2010, nr 3, p. 45. Is één van de erfgenamen tot executeur benoemd, dan doet zich de vraag voor in hoeverre de combinatie van erfgenaamschap en executeurschap een gelukkige is. Naar onze mening dient deze vraag in het algemeen ontkennend te worden beantwoord. In de casus van het hier te bespreken vonnis was de executeur geen erfgenaam, maar wel legataris. Het wantrouwen van de erfgenamen was echter ook hier groot. Aan de orde was de vraag wanneer een executeur klaar is met zijn werkzaamheden. De beantwoording van deze vraag is niet alleen hier aanleiding tot conflicten, waarbij erfgenamen zich eerder op het standpunt stellen dan de executeur zelf, dat hij zijn opdracht heeft voltooid. De rechter zal dan in het uiterste geval de oplossing moeten geven.

Noten

  • 1 Zie jaargang 2005, nr 2, p. 37, jaargang 2007, nr 1, p. 15 en nr 5, p. 94, jaargang 2008, nr 5, p. 76, jaargang 2009, nr 3, p. 51 en nr 5, p. 80, alsmede jaargang 2010, nr 3, p. 45.


Prof. mr. E.A.A. Luijten
Prof. mr. E.A.A. Luijten is emeritus hoogleraar aan de RU Nijmegen.

Mw. prof. mr. W.R. Meijer
Mw. prof. mr. Meijer is hoogleraar privaatrecht aan de OU Nederland te Heerlen.

    Het hier te bespreken arrest markeerde het eindpunt van de eerste procedure in Luxemburg naar aanleiding van een beschikking van de Commissie op grond van artikel 9 Verordening (EG) 1/2003, waarin toezeggingen van De Beers, marktleider in de diamanthandel in Europa, om niet langer zaken te doen met Alrosa, verbindend werden verklaard. Om meerdere redenen een belangrijke zaak: het gaat om een steeds belangrijker handhavingsinstrument, ook in artikel 102-zaken, het Hof van Justitie komt tot een diametraal ander oordeel dan het Gerecht van Eerste Aanleg en bevestigt andermaal de (uiterst) terughoudende toetsing van mededingingsrechtelijke beschikkingen van de Commissie. De effect based-toepassing van artikel 102 VWEU lijkt onverminderd ver weg.


Mr. P.J. Kreijger
Mr. P.J. Kreijger is advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer te Amsterdam.
Jurisprudentie

De zaak Bernard: het Hof van Justitie laat opleidingsvergoedingen toe in het voetbal

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2010
Trefwoorden Olympique Lyonnais, opleidingsvergoeding, Bernard
Auteurs Prof. dr. S.C.G. Van den Bogaert
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Bernard heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) gesteld dat voetbalclubs een opleidingsvergoeding kunnen vragen voor jonge spelers die zij hebben opgeleid wanneer deze spelers na afloop van hun opleiding een profcontract met een club uit een andere lidstaat willen sluiten. De betwiste Franse regeling ging evenwel verder dan volgens het Hof van Justitie noodzakelijk was om de bescherming van de jeugdopleiding te verzekeren en werd dan ook verworpen als strijdig met het vrij verkeer van werknemers. Met deze uitspraak gaat het Hof van Justitie door op de reeds geruime tijd ingeslagen weg om sportregels te onderwerpen aan de Europese verdragsregels, zonder daarbij evenwel de eigenheid van sport uit het oog te verliezen. Het Hof van Justitie heeft zich in deze zaak niet uitgelaten over de verenigbaarheid van de thans geldende FIF- regels inzake opleidingsvergoedingen met het Europees recht.


Prof. dr. S.C.G. Van den Bogaert
Prof. dr. S.C.G. Van den Bogaert is hoogleraar Europees recht en directeur van het Europa Instituut aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.

    Het recht op toegang tot documenten in handen van de overheid en de bescherming van persoonsgegevens als onderdeel van het recht op privéleven zijn fundamentele rechten. Bij een verzoek om documenten die persoonsgegevens bevatten, komen beide fundamentele rechten aan de orde. In Bavarian Lager verzekeren het Gerecht van Eerste Aanleg (hierna: Gerecht)en het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) ofwel het belang van openbaarheid ofwel de bescherming van persoonsgegevens volledig, hetgeen ten koste gaat van de bescherming van het andere recht. De advocaat-generaal staat daarentegen een case to case analysis voor waarmee strijdige fundamentele rechten evenwichtig kunnen worden getoetst.


Mr. T. Nauta
Mr. T. Nauta is junior docent aan de Universiteit Utrecht bij de leerstoel Economisch Publiekrecht.
Jurisprudentie

Van Auroux/Roanne naar Müller/Wildeshausen: waar ligt de grens van de aanbestedingsplicht bij gebiedsontwikkeling?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2010
Trefwoorden overheidsopdracht, gebiedsontwikkeling, gronduitgifte, publiekprivate samenwerking
Auteurs Mr. G. ‘t Hart en Mr. H.S.J. Albers
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn Müller-arrest heeft het Hof van Justitie van de Europsese Unie (hierna: Hof van Justitie) duidelijk aangegeven onder welke omstandigheden welke onderdelen van een gebiedsontwikkeling Europees moeten worden aanbesteed. De ontwikkeling en realisatie van vastgoed met een private bestemming hoeft in beginsel niet mee te worden aanbesteed met de publieke delen, indien aanbestedende dienst en ontwikkelaar vasthouden aan hun eigen rol.


Mr. G. ‘t Hart
Mr. G. ’t Hart is advocaat bij Houthoff Buruma.

Mr. H.S.J. Albers
Mr. H.S.J. Albers is advocaat bij Houthoff Buruma.

    Uitvoerbaarheid wijzigingsbevoegdheid. Niet aannemelijk gemaakt dat geen milieuvergunning kan worden verleend. Circulaire ‘Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen’ heeft slechts indicatief karakter.

    Tenten en toercaravans op natuurkampeerterrein kunnen in casu niet worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv.

    Het in artikel 1.9 van de Chw opgenomen relativiteitsvereiste is niet van toepassing op een besluit dat is bekendgemaakt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Toont 961 - 980 van 2710 gevonden teksten
1 2 42 43 44 45 46 47 49
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.