Zoekresultaat: 113 artikelen

x
Artikel

Non bis in idem in Europa: de zaken Spasic en M.

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1 2015
Trefwoorden non bis in idem, artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst, artikel 50 Handvest EU, beperking grondrechten Handvest EU, tenuitvoerleggingsvoorwaarde
Auteurs Mr. dr. W.F. van Hattum
SamenvattingAuteursinformatie

    Binnen Schengen en de EU geldt de regel dat iemand die onherroepelijk is berecht niet nog eens mag worden vervolgd of gestraft wegens hetzelfde feit (non bis in idem). Geldt deze bescherming ook wanneer de straf wel definitief is geworden maar nog niet ten uitvoer is gelegd? Artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst is hierover duidelijk: het stelt tenuitvoerlegging als voorwaarde voor toepassing van de waarborg tegen tweede vervolging of bestraffing. Artikel 50 Handvest stelt deze voorwaarde echter niet. In de zaak Spasic beoordeelt het Hof van Justitie – voor het eerst – de verhouding tussen beide non bis in idem-bepalingen.
    In de zaak M. is de vraag aan de orde of een ‘buitenvervolgingstelling’ een tweede vervolging in een andere lidstaat belet. Het betreft een strafrechtelijke beslissing die nationaal een minder sterke non bis in idem-werking heeft dan een onherroepelijk eindvonnis. Deze bijdrage laat aan de hand van beide zaken zien hoe het Hof van Justitie de balans probeert te houden tussen vrijheid, veiligheid en recht enerzijds en het voorkomen en bestrijden van criminaliteit anderzijds.
    HvJ 27 mei 2014 (GK), zaak C-129/14 PPU, Spasic, prejudiciële spoedprocedure op verzoek Oberlandesgericht Nürnberg (Duitsland), ECLI:EU:C:2014:586, n.n.g. en HvJ 5 juni 2014, zaak C-398/12, M., prejudiciële procedure op verzoek Tribunale di Fermo (Italië), ECLI:EU:C:2014:1057, n.n.g.


Mr. dr. W.F. van Hattum
Mr. dr. W.F. (Wiene) van Hattum is als universitair docent straf- en strafprocesrecht verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

Recht op toegang tot een advocaat in het strafproces.

Enkele gedachten naar aanleiding van de implementatie van Richtlijn 2013/48/EU.

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2014
Trefwoorden Richtlijn 2013/48/EU, recht op toegang tot een raadsman, Salduz
Auteurs Prof. mr. Jan Boksem
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 22 oktober 2013 werd Richtlijn 2013/48/EU (hierna: de Richtlijn) vastgesteld. Deze Richtlijn bevat onder meer minimumvoorschriften betreffende het recht van de verdachte op toegang tot een advocaat in strafprocedures. De advocaat moet op zijn beurt de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen. De Richtlijn dient uiterlijk op 27 november 2016 in de nationale wetgeving te zijn geïmplementeerd. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de (mogelijke) gevolgen van de implementatie van de Richtlijn voor de Nederlandse rechtsorde.
    Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, Pb. EU 2013, L 294.


Prof. mr. Jan Boksem
Prof. mr. J. (Jan) Boksem is werkzaam als bijzonder hoogleraar verdediging in strafzaken bij Maastricht University en is tevens advocaat bij Anker & Anker Strafrechtadvocaten te Leeuwarden.

Willem H. van Boom
Prof dr. Willem van Boom is a professor of law. As of August 2014, he holds tenure at Leiden Law School.

    The Versailles Treaty (Art. 227) called for the prosecution of Wilhelm II, the German ex-Kaiser. Because of the refusal of the Dutch Government to surrender Wilhelm, a trial never took place. This paper tries to elaborate some questions concerning this possible trial. What was the background of the said Treaty paragraph? What would have happened when Wilhelm had been surrendered? Based on a report of a special committee to the peace conference, the possible indictment is discussed. The authors try to elaborate some thoughts for answering the question about Wilhelm’s criminal responsibility, especially as author of the war (‘ius ad bellum’) by starting an aggressive war and/or by violating the neutrality of Belgium and Luxemburg. Wilhelm’s possible responsibility for violations of the ‘ius in bello’ (laws and customs of war) in Belgium, France, and Poland and/or by ordering an unlimited submarine war is discussed as well. It is concluded that it would have been very difficult for the tribunal to have Wilhelm find criminal responsible for the indictment, except for the violation of the neutrality of Belgium and Luxemburg. But then, the tribunal would have been obliged to answer fundamental questions about the command responsibility of Wilhelm. From a point of view of international criminal law, it is rather unfortunate that the unique opportunity for a ‘Prologue to Nuremberg’ was not realised, although a trial would not have made history take a different turn than it did in the twentieth century after the ‘Great War’.


Paul Mevis
P.A.M. Mevis is professor of criminal law at the Erasmus University Rotterdam. Prof. Mevis wrote before ‘De berechting van Wilhelm II’, in J. Dohmen, T. Draaisma & E. Stamhuis (ed.), Een kwestie van grensoverschrijding. Liber amicorum P.E.L. Janssen (2009), at 197-231.

Jan M. Reijntjes
J.M. Reijntjes is professor of (international) criminal law at the University of Curaçao.

    Since 2005, Dutch victims of serious crime have the right to make an oral statement in court (‘spreekrecht’). In the past decade, the Dutch criminal justice system has accommodated this right to make an oral statement with regard to the consequences of the crime; no major problems have occurred. Indeed, only a minority of the victims consumes this right (ca. 230 cases annually), the majority prefers to lodge a written statement. Nevertheless, the Dutch legislature is of the opinion that the right to make an oral statement should be extended and has lodged a draft-proposal recently. The aim is to provide crime victims a right to put forward an advice to the judge at the trial session, such an advice relating to the full scheme of judicial decision-making (truth, legal qualification, punishment). Such a provision resembles a Victim Statement of Opinion, used in the American scheme of justice, and even exceeds this. The draft has been met with criticism, only the Dutch Victim Support is in favor. One of the objections heard is the one dimensional focus underlying the draft: by focusing on a specific group of victims – those who have suffered from serious crimes – the legislature neglects the heterogeneous nature of victims’ needs.


Renée Kool
Renée Kool is als universitair hoofddocent verbonden aan Ucall en het Montaigne-Instituut, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Utrecht en redacteur van dit blad.
Artikel

Probleemoplossingsgericht denken bij witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen

Tijdschrift PROCES, Aflevering 4 2014
Trefwoorden Witwassen, Eigen misdrijf, Uitzondering, Poging tot witwassen
Auteurs Mr. Joost Verbaan en Mr. dr. Joost Nan
SamenvattingAuteursinformatie

    According to the text of the law and the meaning of the (international and) Dutch legislator, someone can also commit the crime of money laundering when the illegal proceeds originate from a crime he committed himself. The acquisition or possession of property that was derived from criminal activity is also considered as money laundering regardless whose criminal activity it was. The Dutch Supreme Court made an exception for situations in which the defendant has done nothing to conceal or disguise the criminal background of the property. This means that, for instance, when a drug dealer has hidden his ‘dirty money’ in or around his house, it cannot be qualified as money laundering. This poses problems for investigative authorities. In this article, the possibility of regarding the act of hiding and keeping hidden money as an attempt to launder money, based on the presumption that every act involving the hidden or kept money will result in money laundering, is researched.


Mr. Joost Verbaan
Mr. Joost Verbaan is docent Straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en directeur van het Erasmus Centre for Penal Studies van die universiteit.

Mr. dr. Joost Nan
Mr. dr. Joost Nan is universitair docent Straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en (cassatie)advocaat bij Gilhuis Advocaten te Dordrecht.

Mr. A. Hammerstein
Prof. Hammerstein is raadsheer in buitengewone dienst Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

Naar een vervanging van de unus-testisregel van artikel 342 lid 2 Sv

Tijdschrift PROCES, Aflevering 3 2014
Trefwoorden unus testis, bewijsmotivering, bewijsbeslissing, bewijsminimum
Auteurs Mr. dr. Joost S. Nan
SamenvattingAuteursinformatie

    The rule that a conviction cannot be based on the statement of just one witness, is codified in article 342 of the Dutch Criminal Procedural Code. The Supreme Court has recently demanded that such a statement finds sufficient support in other evidence and that sometimes the trial judge needs to specify why that statement is corroborated enough by other evidence. However, the Supreme Court has always given a very marginal meaning to this rule, by allowing convictions which basically are substantiated by only that one statement. The evidence supporting the story of the witness does not have to prove that the crime actually took place, nor that is indeed the defendant who has committed it. In this article, I propose the replacement of the rule with a well-founded motivated ruling of the trial judge on this subject.


Mr. dr. Joost S. Nan
Mr. dr. Joost S. Nan is universitair docent Straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en (cassatie)advocaat.
Artikel

De speelruimte van de strafrechter

Een pleidooi voor een meer open en transparante opstelling

Tijdschrift PROCES, Aflevering 3 2014
Trefwoorden strafrecht, onpartijdigheid, rechter, wraking
Auteurs Mr. Leonard de Weerd en Mr. Liza Stapel
SamenvattingAuteursinformatie

    A fair trial can only be guaranteed if a judge gives as much insight in his line of thinking as possible and if a judge is actively participating in finding the truth in a criminal case. According to statutes and case law a judge has a lot of freedom to show how he feels about certain things during criminal proceedings. A challenge to a judge shall not quickly be admissible. Still, a judge needs to be impartial and willing to review his preliminary decision/opinion.


Mr. Leonard de Weerd
Mr. Leonard de Weerd is senior rechter bij de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, afdeling strafrecht.

Mr. Liza Stapel
Mr. Liza Stapel is senior juridisch medewerkster Midden-Nederland, locatie Utrecht, afdeling strafrecht.

    In dit stuk zetten de auteurs de huidige stand van zaken rond het recht op consultatiebijstand voor niet-aangehouden verdachten uiteen en betogen zij dat de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake de consultatiebijstand voor deze categorie verdachten de toets van het EHRM niet kan doorstaan.


mr. J.T.E. Vis

mr. E. van Reydt

    Sinds de inwerkingtreding van de Wubhv mag de inspecteur op grond van drie wetten patiëntendossiers inzien. De zorgaanbieder moet weten waar de grenzen van die bevoegdheid liggen in verband met zijn eigen beroepsgeheim. Voor de IGZ geldt hetzelfde, maar zij wordt nog voor een andere vraag gesteld. Namelijk wat zij mag doen met de verkregen vertrouwelijke gegevens. Uit een arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 blijkt dat het verschil maakt dat sprake is van een afgeleide geheimhoudingsplicht. Een wettelijke regeling van gebruik van patiëntengegevens is wenselijk.


Mr. A.C. de Die
Mieke de Die is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.

Prof. dr. mr. Hans Nelen
Prof. dr. mr. H. Nelen is hoogleraar criminologie aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Access_open Hoe moet recht worden onderwezen?

Tijdschrift Law and Method, 2012
Trefwoorden curriculum rechtenstudie, aard van het recht, positief recht, (hulp)wetenschappen
Auteurs Jaap Hage
SamenvattingAuteursinformatie

    The central issue of this paper is to outline a scientifically oriented course in law. Most actual courses focus on positive law, and the main conclusion of this paper is that this is wrong. This conclusion is based on the premise that law is not by definition positive law, but the answer to the question which rules should be enforced by collective means. This premise is argued in the full paper.Positive law is law to the extent that it should be enforced by collective means, and not by definition. Therefore a scientific course in law should pay some attention to positive law, but should not assign it the dominant place in the curriculum which it presently tends to have.To make this abstract idea more concrete, some proposals are made for a law curriculum. The starting point is that the law bachelor should only address positive law where this is necessary for exercises in legal reasoning. Moreover it should address the viable fundamental visions on the nature of law, the main theories about normative reasoning (main currents in ethics), and the facts which are relevant in the light of these normative theories for the question which norms should be enforced by collective means. These facts include both positive law and the results of the different sciences (e.g. psychology, sociology, economy, and biology) which are relevant to answer the normative question. Because there are too many scientific results to take in during a bachelor course, the study of the sciences should be replaced by an introduction to scientific method, which allows lawyers to evaluate the outcomes of scientific research. Finally, the bachelor course should also address ‘generic positive law’, the main questions which must be answered by legal systems and the most viable answers to these questions.The master phase of the curriculum should, for those lawyers who want to practice the positive law of a particular jurisdiction, be filled with the detailed study of the relevant positive law.


Jaap Hage
Jaap Hage is hoogleraar Algemene rechtsleer aan Maastricht University.
Artikel

Tegen dovemansoren?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2012
Trefwoorden strafrechtswetenschap, antiterrorismewetgeving, crime complex, social media
Auteurs Mr. dr. M.A.H. van der Woude
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage gaat de auteur, mede aan de hand van de casus van de antiterrorismewetgeving, nader in op de vraag wat de betekenis is van de strafrechtswetenschap bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving op het terrein van orde en veiligheid. Haar standpunt is dat de rol van de strafrechtswetenschap binnen het wetgevingsproces tegenwoordig te beperkt is en geoptimaliseerd zou kunnen worden. Hierbij worden de strafrechtswetenschapper en de strafwetgever niet alleen in de schijnwerpers gezet, maar wordt ook de belangrijke en onlosmakelijke band tussen beiden benadrukt.


Mr. dr. M.A.H. van der Woude
Mr. dr. M.A.H. van der Woude is werkzaam als universitair docent bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.

    In deze bijdrage staat de vraag centraal hoe de rechter moet handelen als hij nieuwe informatie ontvangt in de periode tussen de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak. In 1922 werd daar in dit tijdschrift een discussie over gevoerd tussen De Jongh, rechter te Amsterdam en Besier, advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Waar De Jongh meende dat de rechter doof en blind moest zijn voor deze informatie, kon deze volgens Besier hervatting van het onderzoek ter terechtzitting bevelen, omdat tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Beide opvattingen worden in deze bijdrage nader genuanceerd in het licht van de hedendaagse jurisprudentie over dit vraagstuk.


Mr. Rob van van Noort
Mr. Rob van Noort is officier van justitie in Den Haag en sinds 2010 redactielid van PROCES.
Column

Over tbs, de weigerende observandus en het verschoningsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 5 2012
Trefwoorden beroepsgeheim, tbs, weigering medewerking onderzoek, verschoningsrecht
Auteurs Mr. E.J.C. de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    Aan daders van (ernstige) strafbare feiten kan tbs worden opgelegd. Nodig is dan dat tijdens het begaan van het strafbaar feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Dat dient onderzocht te worden als daartoe aanleiding bestaat. Sommige verdachten weigeren medewerking aan zo’n onderzoek, uit angst voor tbs of om andere redenen. Een weigering betekent niet dat geen tbs kan worden opgelegd. Soms is dat feitelijk toch onmogelijk. In verband daarmee is het voorstel gedaan dat de rechter kan gelasten dat hulpverleners aan de onderzoekers gegevens verstrekken die betrekking hebben op bijvoorbeeld eerdere contacten met de psychiatrie. Dit voorstel is zeer kritisch ontvangen. Bezien wordt of dat geheel terecht is.


Mr. E.J.C. de Jong
Ernst de Jong is advocaat bij KBS advocaten te Utrecht en lid van de Commissie van Toezicht FPC 2landen te Utrecht.

    Een bekende uitzondering op het uitgangspunt van toezicht in twee feitelijke instanties is het appelverbod bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Krachtens art. 7:685 lid 11 BW kan tegen een ontbindingsbeschikking hoger beroep noch cassatie worden ingesteld. Dit roept vragen op met betrekking tot de rechtsbescherming van werknemers en werkgevers, mede gegeven de eisen die daaraan vanuit art. 6 EVRM gesteld kunnen worden. De auteur onderzoekt of het appelverbod in overeenstemming is met de voornoemde hogere norm en of eventuele misslagen in de ontbindingsbeschikking, ondanks het wettelijk appelverbod, hersteld kunnen worden. Aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden van doorbreking van het appelverbod, herstel, herroeping en het leerstuk van de onrechtmatige rechtspraak. Onderzocht wordt of, en zo ja, voor welke gebreken in de ontbindingsbeschikking en de ontbindingsprocedure deze acties uitkomst kunnen bieden.


mr. Vivian Bij de Vaate
Mw. mr. D.M.A. (Vivian) Bij de Vaate is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Staat het medisch beroepsgeheim rechtshandhaving in de relatie tussen IGZ en OM in de weg?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 1 2012
Trefwoorden afgifte patiëntgegevens, beroepsgeheim, IGZ, OM
Auteurs Prof. mr. T.M. Schalken
SamenvattingAuteursinformatie

    In de praktijk komt het geregeld voor dat het OM patiëntgevoelige gegevens opvraagt bij de IGZ. Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de medische geheimhoudingsplicht van de arts of zorginstelling die deze gegevens aan de IGZ heeft afgestaan, zodat ook de IGZ aan een geheimhoudingsplicht is gebonden? De auteur bespreekt in dit artikel enkele argumenten die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de IGZ verplicht dan wel bevoegd is de gevorderde patiëntgegevens aan het OM te verstrekken alsmede of het OM die gegevens al dan niet in of ten behoeve van een strafzaak mag gebruiken.


Prof. mr. T.M. Schalken
Tom Schalken is emeritus hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

De staat van de criminologie van internationale misdrijven

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 4 2011
Trefwoorden criminology of international crimes, genocide, war crimes, crimes against humanity
Auteurs Mr. dr. Roelof Haveman, Prof. dr. Alette Smeulers, Prof. dr. Stephan Parmentier e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    What do we know about the criminological aspects of international crimes? What do they entail and what are facilitating factors which can help us understand their causes and how should we respond to these crimes? Are international crimes merely a more extreme form of ordinary crimes or are they a different kind of criminality? In the past few years a growing number of scholars both at a national and at an international level have devoted their scholarly attention to this important and urgent research theme. In this special issue we aim to present a number of articles in which different perspectives on this topic are presented. By doing so we hope to enhance our knowledge of this phenomenon and to provide an impulse to further criminological research within this area in both the Netherlands and Belgium. This introductory article gives an overview of the state of the art of international crime criminology in the Netherlands and Belgium, and the rest of the world.


Mr. dr. Roelof Haveman
Mr. dr. R.H. Haveman is freelance Rule of Law-consultant en momenteel gestationeerd in Côte d’Ivoire, roelof.haveman@gmail.com.

Prof. dr. Alette Smeulers
Prof. dr. A.L. Smeulers heeft de onderzoekslijn criminologie van de internationale misdrijven aan de Vrije Universiteit Amsterdam opgezet en is sinds 1 september 2011 tevens hoogleraar internationale criminologie aan de Universiteit van Tilburg, a.l.smeulers@tilburguniversity.edu.

Prof. dr. Stephan Parmentier
Prof. dr. S. Parmentier is hoogleraar Sociologie van de criminaliteit, het recht en de mensenrechten aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), Rechtsfaculteit, Katholieke Universiteit Leuven, stephan.parmentier@law.kuleuven.be.

Dr. Christianne de Poot
Dr. C.J. de Poot is senior onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), Den Haag, en Lector Forensisch Onderzoek bij de Hogeschool van Amsterdam en de Politieacademie, c.j.de.poot@minvenj.nl.
Artikel

De strafrechter als executierechter in het kader van het strafvorderlijk kort geding (art. 43 Sv)

Tijdschrift Caribisch Juristenblad, Aflevering 4 2011
Trefwoorden executierechter, strafvorderlijk kort geding, voorwaardelijke invrijheidsstelling, elektronisch toezicht
Auteurs Mr. F.J.P. Lock
SamenvattingAuteursinformatie

    Over de vraag of artikel 43 Wetboek van Strafvordering (‘strafvorderlijk kort geding’) zich ook uitstrekte over de executiefase bestond discussie. Inmiddels is het vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. In het artikel geeft de auteur, tot juli 2011 lid van het Hof, een overzicht van de rechtspraak van het Hof in procedures ex artikel 43 Sv over kwesties die de executie van vrijheidsstraffen betreffen. De vraag wordt behandeld welke kwesties de executie aangaande door het Hof wel en welke niet onder de reikwijdte van artikel 43 Sv worden gebracht. Met name wordt aandacht besteed aan beslissingen aangaande voorwaardelijke invrijheidsstelling en elektronisch toezicht en de toetsing daarvan door de rechter. Ook wordt (mogelijke) toekomstige wetgeving op dit terrein besproken. De auteur komt tot de conclusie dat thans een duidelijk toetsingskader voor beslissingen aangaande executie van vrijheidsstraffen ontbreekt. Het Hof heeft een zekere lijn ingezet. Veel beslissingen aangaande de executie kunnen via de weg van artikel 43 Sv aan de strafrechter worden voorgelegd. Een duidelijk criterium voor de beoordeling welke beslissingen daarvan zijn uitgesloten, is er (nog) niet. Ten aanzien van de beslissingen die wel kunnen worden voorgelegd lijkt het Hof (steeds meer) een marginale, administratiefrechtelijke toets aan te leggen. Ten aanzien van beslis- en beroepstermijnen ontbreekt de nodige duidelijkheid. Met het oog op de rechtsbescherming en de rechtszekerheid van de gedetineerde dient ook aan de resterende onduidelijkheid zoveel mogelijk een einde te worden gemaakt.


Mr. F.J.P. Lock
Mr. F.J.P. Lock was tot 1 augustus 2011 lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Thans is hij raadsheer in het Gerechtshof te Arnhem.
Toont 81 - 100 van 113 gevonden teksten
1 2 3 5
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.