Zoekresultaat: 138 artikelen

x
Artikel

Bijzondere opsporingsbevoegdheden in Curaçao

Tijdschrift Caribisch Juristenblad, Aflevering 3 2012
Trefwoorden BOB, Wetboek van Strafvordering, opsporingsbevoegdheden, infiltratie, planmatig
Auteurs Mr. J.H.J. Verbaan en mr. R.J. Verbeek
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 3 april 2012 is de Landsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen) aangenomen door de Staten van Curaçao. In deze bijdrage bespreken de auteurs deze Landsverordening. De auteurs maken deel uit van het Antilliaanse projectteam van prof. Hans de Doelder van de Erasmus Universiteit en hebben in die hoedanigheid een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafrecht en de Landsverordening BOB. In het artikel wordt allereerst de noodzaak van de BOB-wetgeving besproken. De auteurs maken duidelijk waarom Curaçao niet langer zonder BOB-wetgeving kan. Vervolgens worden de algemene uitgangspunten van de Landsverordening besproken, waarbij aandacht wordt besteed aan de verschillen met de Nederlandse BOB-wet, de gevallen en gronden voor toepassing van de dwangmiddelen, de rol van de officier van justitie en de procureur-generaal en de overige algemene bepalingen uit de wet. Tot slot worden de verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden besproken, waarbij uitgebreid aandacht wordt besteed aan planmatige observatie, infiltratie en het opnemen en onderzoek van communicatie.


Mr. J.H.J. Verbaan
Mr. J.H.J. Verbaan is werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker bij de sectie Strafrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

mr. R.J. Verbeek
Mr. R.J. Verbeek is werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker bij de sectie Strafrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Beide auteurs maken in die hoedanigheid ook deel uit van het Antilliaanse projectteam van prof. De Doelder. Dit projectteam verleent bijstand bij de herziening van het Wetboek van Strafvordering en heeft tevens bijstand verleend bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafrecht.
Casus

Pitfalls in de overnamepraktijk

Enige regelmatig voorkomende valkuilen in koopcontracten

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2012
Auteurs Mr. P.P.J. Jongen en mr. M.J.E. van den Bergh
Auteursinformatie

Mr. P.P.J. Jongen
Mr. P.P.J.Jongen is advocaaat bij Höcker Advocaten.

mr. M.J.E. van den Bergh
Mr. M.J.E. van den Bergh is advocaaat bij Höcker Advocaten.
Artikel

Onderwijsinstelling aansprakelijk voor ontoereikende dekking van schoolongevallenpolis?

Enkele beschouwingen naar aanleiding van HR 28 oktober 2011, LJN BQ2324, RvdW 2011, 1313 (Beganovic/Stichting ROC van Twente)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden onderwijsinstelling, verzekerings- en/of waarschuwingsplicht, zorgplicht, onderwijsovereenkomst, onrechtmatige daad
Auteurs Mr. S. Voskamp
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens een door een school (ROC) georganiseerde kartwedstrijd vindt een ongeval plaats. Studente lijdt schade en spreekt het ROC aan wegens het niet hebben van een toereikende schoolongevallenverzekering. Dienen onderwijsinstellingen zich te verzekeren voor risicovolle activiteiten, of te waarschuwen dat een adequate dekking ontbreekt? De Hoge Raad oordeelt van niet. Was er wellicht een andere uitkomst geweest als aan de vordering schending van de onderwijsovereenkomst dan wel gevaarzettend handelen van de school ten grondslag was gelegd?


Mr. S. Voskamp
Mr. S. Voskamp is als docent burgerlijk recht werkzaam bij de afdeling Civiel Recht van de Universiteit Leiden.
Hoofdartikel

Grensoverschrijdende overgang van onderneming

Een analyse van de bevoegde rechter en het toepasselijke recht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden grensoverschrijdend, overgang, onderneming, IPR, werknemersbescherming, rechtsmacht, toepasselijk recht
Auteurs mr. F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Nederlandse ondernemers besteden steeds vaker de ondernemingsactiviteiten uit aan ondernemers in het buitenland. Dergelijke grensoverschrijdende transacties kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de werknemers. Zij krijgen niet alleen te maken met een buitenlandse werkgever, maar eventueel ook met een verplaatsing van de ondernemingsactiviteit naar het buitenland. In deze bijdrage wordt nagegaan of Richtlijn 2001/23 EG inzake overgang van onderneming eveneens de rechten van deze werknemers beschermt. Aandacht komt toe aan de vraag welke nationale rechter rechtsmacht heeft en aan de hand van welk (implementatie)recht de claims inzake de toepassing van de Richtlijn worden beoordeeld. De auteur komt tot de conclusie dat de Richtlijn op het punt van het toepasselijke recht aanpassing behoeft.


mr. F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is als docent/onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

De automatisch vervallende 403-verklaring

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2011
Trefwoorden art. 2:403 BW, 403-verklaring, concernvrijstelling, groepsmaatschappij, aansprakelijkheid
Auteurs Mr. M.R.C. van Zoest
SamenvattingAuteursinformatie

    In de literatuur wordt wel gepleit voor het opnemen van een groepsband als voorwaarde in een 403-verklaring. Ook in de praktijk blijkt dit te worden toegepast met het oog op een automatisch eindigende aansprakelijkheid bij het verbreken van de groepsband, meestal in het kader van een verkoop van de desbetreffende dochtervennootschap. In deze bijdrage wordt ingegaan op deze voorwaarde, waarbij de volgende twee vragen centraal staan: (1) komt de aansprakelijkheid van de moeder automatisch te vervallen na verbreking van de groepsband, en (2) kan de dochter gebruik maken van de concernvrijstelling als ten behoeve van haar een 403-verklaring is gedeponeerd die afhankelijk is gesteld van de groepsband tussen de moeder en de dochter? Na beantwoording van deze vragen wordt een alternatief voor het groepsbegrip als voorwaarde voor aansprakelijkheid besproken. De bijdrage wordt afgesloten met een korte samenvatting en conclusie.


Mr. M.R.C. van Zoest
Mr. M.R.C. van Zoest is advocaat bij Loyens & Loeff N.V. te Amsterdam.
Artikel

Access_open Boek 10 BW – een grote stap in de codificatie van het internationaal privaatrecht

Achtergronden en enige kanttekeningen

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2011
Trefwoorden Boek 10 BW internationaal privaatrecht, codificatie, algemene bepalingen, redelijkheid en billijkheid ook voor het IPR?, tweedeling BW-RV geschikt voor IPR?, verhouding tot het buitenlandse IPR
Auteurs Prof. mr. A.V.M. Struycken
SamenvattingAuteursinformatie

    Per 1 januari 2012 zal er een Boek 10 BW zijn dat de codificatie bevat van een groot deel van het Nederlandse IPR. Het gaat om een consolidatie van een reeks IPR-wetten die sedert 1980 tot stand zijn gekomen. Aandacht wordt besteed aan het proces van voorbereiding van Boek 10, aan de functie van de redelijkheid en billijkheid in het IPR, aan de geschiktheid van het BW als onderdak voor het IPR, aan de verhouding tot het buitenlandse IPR en aan enige algemene bepalingen.


Prof. mr. A.V.M. Struycken
Prof. mr. A.V.M. Struycken is emeritus hoogleraar burgerlijk recht, internationaal privaatrecht en rechtsvergelijking aan de Radboud Universiteit Nijmegen en oud-voorzitter van de Staatscommissie voor Internationaal Privaatrecht.
Artikel

De positie van de executieopbrengst in faillissement

HR 29 april 2011, LJN BP4948, NJ 2011, 273 (Ontvanger/Eijking q.q.)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 10 2011
Trefwoorden executie, pauliana, beslag, executieopbrengst, restantexecutieopbrengst
Auteurs Mr. M.L. Tuil
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest Ontvanger/Eijking q.q. heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de executieopbrengst die vóór het faillissement is verwezenlijkt niet in de faillissementsboedel valt. Volgens de Hoge Raad valt uitsluitend de restantexecutieopbrengst in het faillissement.


Mr. M.L. Tuil
Mr. M.L. Tuil is postdoc Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Praktijk

Postcontractuele goede trouw en de reden voor ontbinding

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2011
Trefwoorden afgebroken onderhandelingen, Plas/Valburg, onvoorziene omstandigheden, redelijkheid en billijkheid, ontbinding
Auteurs Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur twee arresten van de Hoge Raad over het onderscheid tussen de precontractuele en de postcontractuele fase voor het afbreken van onderhandelingen. Tevens bespreekt de auteur een arrest van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad een oordeel gaf over de eisen die aan een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden gegeven.


Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Advocaten in Alphen aan den Rijn.

Mr. P.E. de Kort
Mr. P.E. de Kort is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel

Redelijkheid en billijkheid bij beëindiging overblijvende aansprakelijkheid uit 403-verklaring

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 5 2011
Trefwoorden 403-verklaring, overblijvende aansprakelijkheid, artikel 2:404 BW, Jones Lang, Hoeveholding
Auteurs Mr. drs. H.J.C. Marquenie
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de doorbreking van de bestendige lijn in de rechtspraak met betrekking tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid als gevolg van de uitspraak van de Ondernemingskamer in de zaak Jones Lang tegen BosGijze c.s.


Mr. drs. H.J.C. Marquenie
Mr. drs. H.J.C. Marquenie is werkzaam als advocaat bij Stibbe.
Artikel

De juridische (af)splitsing: wat als een huurder van kleur verschiet?

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 5 2011
Trefwoorden juridische splitsing, contractsoverneming, indeplaatsstelling, verzet, huurovereenkomst
Auteurs Mr. J.G.A. van Olst
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de positie van een verhuurder in het kader van een splitsing belicht en wordt beschreven welke waarborgen (al dan niet) voorhanden zijn. De auteur doet een aanbeveling over hoe de verhuurder contractueel kan voorkomen dat een huurovereenkomst overgaat naar een minder solvente (of om andere redenen minder wenselijke) huurder.


Mr. J.G.A. van Olst
Mr. J.G.A. van Olst is werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Jurisprudentie

Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie één jaar juridisch bindend: rechtspraak in kaart

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden EU-Handvest, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, Verdrag van Lissabon
Auteurs Mr. A. Pahladsingh en Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel brengt de Europese en Nederlandse rechtspraak over het EU-Handvest voor het eerste jaar waarin het juridisch bindend was in kaart aan de hand van verschillende thema’s: temporele aspecten, de reikwijdte van het EU-Handvest en toetsing ten gronde, waaronder de relatie tot het EVRM. De auteurs pleiten ervoor dat de verschillende etappes van uitleg van het EU-Handvest zo zichtbaar en helder mogelijk in de rechtspraak van met name het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke colleges voor het voetlicht komen.


Mr. A. Pahladsingh
Mr. A. Pahladsingh is werkzaam als jurist bij de Raad van State in Den Haag.

Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen
Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen is werkzaam als jurist bij de Raad van State in Den Haag.
Jurisprudentie

Burgerlijk procesrecht in de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2011
Trefwoorden procesrecht, rechtsmacht, bewijsrecht, cassatie, Gemeenschappelijk Hof van Justitie
Auteurs Mr. F.J.P. Lock
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze kroniek wordt rechtspraak uit 2010 van de Hoge Raad en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in (voormalig) Antilliaanse en Arubaanse zaken besproken, onder meer onder de noemers ‘cassatierechtspraak’, ‘betekeningsperikelen’, ‘aanvang appèltermijn’, ‘art. 40 Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden’, ‘interregionale en internationale rechtsmacht’, ‘bewijsrecht’ en ‘actieve rechter’. Voorts worden de gevolgen van de recente staatkundige veranderingen voor het burgerlijk procesrecht in het Caribische deel van het Koninkrijk besproken, alsmede recente ontwikkelingen op de gebieden van wetgeving en literatuur.


Mr. F.J.P. Lock
Mr. F.J.P. Lock is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hij is als docent burgerlijk procesrecht verbonden aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen.
Artikel

Zaaksvervanging

Proefschrift van mr. J.B. Spath

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden zaaksvervanging, surrogaat, goederenrecht, originaire verkrijging, ongegronde verkrijging
Auteurs Mr. A. Hammerstein
SamenvattingAuteursinformatie

    Bespreking van het proefschrift van mr. J.B. Spath.


Mr. A. Hammerstein
Mr. A. Hammerstein is raadsheer bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

Beschikken en rechtsovergang

Proefschrift van mr. J.H.M. van Swaaij

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden beschikken, rechtsovergang
Auteurs Mr. W. Snijders
SamenvattingAuteursinformatie

    Bespreking van het proefschrift van mr. J.H.M. van Swaaij.


Mr. W. Snijders
Mr. W. Snijders is oud-vicepresident Hoge Raad der Nederlanden en oud-regeringscommissaris NBW.
Jurisprudentie

Insolventieprocesrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2011
Trefwoorden insolventieprocesrecht, Insolventiewet, Recofa-richtlijnen, Procesreglementen
Auteurs Mr. E.F. Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    De periode van deze kroniek over insolventieprocesrecht beslaat twee jaar (van september 2009 tot september 2011). De auteur behandelt het voorontwerp voor een Insolventiewet, de Recofa-richtlijnen en Procesreglementen. Vervolgens bespreek ze verschenen jurisprudentie van (met name) de Hoge Raad.


Mr. E.F. Groot
Mr. E.F. Groot is docent Burgerlijk procesrecht & Insolventierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    In het afgelopen decennium is in de (lagere) jurisprudentie op uiteenlopende wijze geoordeeld over de omvang van de 403-aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor uit arbeids- en andere duurovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen van haar vrijgestelde groepsmaatschappij (hierna dochtermaatschappij). De centrale vraag daarbij was telkens of deze aansprakelijkheid alleen geldt voor verplichtingen voortvloeiend uit tijdens de aansprakelijkstellingstelling aangegane arbeidsovereenkomsten of tevens voor verplichtingen voortvloeiend uit voor de aansprakelijkstelling aangegane arbeidsovereenkomsten en, indien dat laatste het geval was, of de aansprakelijkheid dan alleen voor gedurende de aansprakelijkstelling uit arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen geldt of ook voor daarvoor reeds uit arbeidsovereenkomsten ontstane verplichtingen.


J.P.H. Zwemmer
Mr. J.P.H. Zwemmer is advocaat te Amsterdam en promovendus bij het Hugo Sinzheimer Instituut van de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Ontslagrecht in het Koninkrijk der Nederlanden (2)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2010
Trefwoorden ontslagrecht, concordantiebeginsel, Antillen, Aruba, arbeidsrecht, Koninkrijk der Nederlanden, doorwerking, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Auteurs Mr. F.M. Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    Volgens artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn de wetgevers van de verschillende Koninkrijkslanden verplicht een aantal belangrijke rechtsgebieden ‘zoveel mogelijk’ op overeenkomstige wijze te regelen. In een tweetal artikelen onderzoekt de auteur in hoeverre zij met betrekking tot het ontslagrecht aan deze zogenoemde concordantieverplichting voldoen. Volgens de auteur houdt artikel 39 Statuut namelijk in dat een verschil in wetgeving tussen de drie Koninkrijkslanden slechts geoorloofd is indien daar een behoorlijke rechtvaardigingsgrond voor kan worden aangewezen. In dit tweede deel ligt de focus allereerst op gevolgen van de recente staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk voor het vigerende ontslagrecht. Conclusie hiervan is dat de materiële gevolgen voor het ontslagrecht zeer beperkt zijn. Met dit als uitgangspunt worden vervolgens de opzegbepalingen uit het BW, de rechterlijke ontbinding en het einde van rechtswege in de verschillende koninkrijkslanden met elkaar vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat er tussen de verschillende landen een hoop ongerechtvaardigde verschillen bestaan. Deze verschillen lijken zich evenwel voornamelijk voor te doen op technisch-juridische gebieden. Bij het uitvaardigen van nieuwe wetgeving houden de wetgevers dus onvoldoende rekening met het concordantiebeginsel. De rechters uit het Koninkrijk kan men in dezen daarentegen weinig kwalijk nemen. Daar waar hun een zekere beoordelingsruimte wordt gelaten, bestaat er immers een grote mate aan concordantie. Door middel van concorderende interpretatie worden de open normen in de verschillende landen namelijk op dezelfde wijze ingevuld. Hierbij moet er echter wel voor worden gewaakt dat er een te grote mate van concordantie wordt bereikt. De rechter mag de verschillen in cultuur en gewoontes tussen de Koninkrijkslanden niet uit het oog verliezen.


Mr. F.M. Dekker
Mr. F.M. Dekker is externe promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en advocaat(-stagiair) bij BarentsKrans N.V. te Den Haag.
Artikel

Vuurwerkramp Enschede: de Staat gaat vrijuit

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 10 2010
Trefwoorden vuurwerkramp, overheidsaansprakelijkheid, Enschede, ramp
Auteurs Mr. E.M. van Orsouw
SamenvattingAuteursinformatie

    Aanleiding voor deze bijdrage is de uitspraak van de Hoge Raad op 9 juli 2010 over de vuurwerkramp. Waar de vordering bij de Hoge Raad strandt op cassatietechnische gronden, werpt de zaak niettemin vele interessante vragen op. Wat is de invloed van politieke keuzes op de vraag wat we van de overheid mogen verwachten in het kader van rampenbestrijding? Wat te doen met gevaar van wijsheid achteraf bij de beoordeling of een bepaalde ramp had kunnen en moeten worden voorkomen? Heeft de kennis van een enkele ambtenaar te gelden als kennis van ‘de Staat’? Mag de Staat bij zijn doen en laten zonder meer vertrouwen op de naleving van afgegeven vergunningen?


Mr. E.M. van Orsouw
Mr. E.M. van Orsouw is advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.
Artikel

Access_open Ondernemingen en algemene voorwaarden

Tijdschrift Vermogensrechtelijke Analyses, Aflevering 2 2010
Trefwoorden algemene voorwaarden, onderneming, zwarte lijst, grijze lijst, reflexwerking
Auteurs Mr. R.H.C. Jongeneel en Prof. mr. B. Wessels
SamenvattingAuteursinformatie

    Afdeling 6.5.3 BW (Algemene voorwaarden) heeft in beginsel betrekking op ieder gebruik van algemene voorwaarden. Een belangrijke uitzondering is artikel 6:235 lid 1 BW, waarin aan bedrijven van een bepaalde omvang een beroep op de specifieke vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 6:233 en 234 BW (open norm en informatie- of kennisgevingsplicht) wordt onthouden. Afdeling 6.5.3 BW, in het bijzonder artikel 6:236 BW (zwarte lijst) en artikel 6:237 BW (grijze lijst), is daarnaast letterlijk beperkt tot overeenkomsten met consumenten, maar de betekenis van deze lijsten werkt door in overeenkomsten tussen ondernemers onderling. Beide thema’s worden mede aan de hand van een analyse van rechtspraak behandeld, waarbij de auteurs aanbevelingen voor verdere uitleg formuleren.


Mr. R.H.C. Jongeneel
Mr. R.H.C. Jongeneel is vicepresident van de Rechtbank Amsterdam.

Prof. mr. B. Wessels
Prof. mr. B. Wessels is hoogleraar internationaal insolventierecht aan de Universiteit Leiden.
Toont 81 - 100 van 138 gevonden teksten
1 2 3 5 7
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.