Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 2710 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Jurisprudentie x

    Gaswinning. Proefboring. Onderzoeksverplichting bij wijzigingsbevoegdheid.

    Voorzienbaarheid en normaal maatschappelijk risico.


Berthy van den Broek

    Bescherming als gemeentelijk monument is niet langer gerechtvaardigd.

    Begrip achtererfgebied. Term ‘oorspronkelijk hoofdgebouw’.

    De voorgenomen instandhoudingsmaatregelen kunnen niet als mitigerende maatregelen worden aangemerkt. De passende beoordeling schiet tekort nu met de beoogde instandhoudingsmaatregelen niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken in de Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast.

    Volksgezondheid is aspect dat bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet worden betrokken. Geen nadere onderzoeksplicht bevoegd gezag nu er geen indicatie is dat de veehouderijactiviteiten risico’s meebrengen voor de volksgezondheid.

Jurisprudentie

De zoektocht naar de juiste interpretatie van opvolgend werkgeverschap na Van Tuinen/Wolters

HR 11 mei 2012, JAR 2012, 150 (Van Tuinen/Wolters) en het voorstel Wet werk en zekerheid (Kamerstukken II 2013/14, 33818)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2014
Trefwoorden opvolgend werkgever(schap), zodanige banden, voorgezette arbeidsovereenkomst, ketenregeling, proeftijd, transitievergoeding
Auteurs S. Palm
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel beantwoordt de vraag waarom de Hoge Raad bij de uitleg van artikel 7:668a lid 2 Burgerlijk Wetboek heeft gekozen voor aansluiting bij zijn maatstaf uit de proeftijdjurisprudentie en daarnaast of de regering in het voorstel Wet werk en zekerheid op terechte gronden heeft besloten de koers van de Hoge Raad niet te volgen. De auteur stelt vast dat aansluiting bij de proeftijdjurisprudentie tot op zekere hoogte een compromis is en niet in alle gevallen goed toepasbaar is. De door de regering voorgestelde koerswijziging maakt de toepassing van het leerstuk opvolgend werkgeverschap echter nog complexer. Daarom volgt een suggestie voor een andere interpretatie van het leerstuk opvolgend werkgeverschap.


S. Palm
Steven Palm is advocaat bij Ploum Lodder Princen en promovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Jurisprudentie

De Nederlandse en de Duitse oproepkracht vergeleken

HR 27 april 2012, JAR 2012/149 en HR 3 mei 2013, JAR 2013/140

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2014
Trefwoorden oproepovereenkomst, min/max-contract, Duitsland, flexibele arbeidsrelatie, rechtsvergelijking
Auteurs J.R. Vos en F.M. Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    De Wet Werk en Zekerheid beoogt de rechtspositie van flexibele arbeidskrachten te versterken. De oproepkracht komt er evenwel maar bekaaid vanaf. Aan de hand van een vergelijking met het Duitse wordt bezien op welke manier de Nederlandse wetgeving op dit punt kan worden verbeterd. Bepleit wordt de inkomensgrens uit artikel 7:628a BW te laten vervallen. Daarnaast wordt een concrete norm voorgesteld voor de toepassing van artikel 7:610b BW bij min/max-contracten.


J.R. Vos
J.R. Vos is advocaat bij BarentsKrans NV.

F.M. Dekker
F.M. Dekker is advocaat bij BarentsKrans NV.
Jurisprudentie

Parkwood: (vooral) oude wijn in nieuwe zakken

HvJ EU 18 juli 2013, C-426/11, JAR 2013/216 (Alemo-Herron e.a./Parkwood)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2014
Trefwoorden overgang van onderneming, werknemersbescherming, incorporatiebeding, cao’s, vrijheid van ondernemerschap, Parkwood
Auteurs N. Jansen
SamenvattingAuteursinformatie

    Verliezen dynamische incorporatiebedingen die verwijzen naar cao’s op grond van Richtlijn 2001/23 hun dynamische karakter na een overgang van onderneming? Op basis van het arrest Parkwood kan deze vraag nog steeds bevestigend worden beantwoord. Het is echter wel een voorwaardelijk ja, omdat het lidstaten op grond van artikel 8 van de Richtlijn 2001/23/EG vrijstaat te kiezen voor gunstiger werknemersbescherming. Uit Parkwood blijkt echter dat het verlenen van gunstiger werknemersbescherming, in die zin dat dynamische incorporatiebedingen na een overgang dynamisch blijven, niet onbegrensd kan. Onder meer de vrijheid van ondernemerschap kan zich daartegen verzetten.


N. Jansen
Niels Jansen is als junior docent/onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam
Jurisprudentie

Annotatie

Tijdschrift Caribisch Juristenblad, Aflevering 1 2014
Auteurs L.J.J. Rogier en J.C. de Wit

L.J.J. Rogier

J.C. de Wit

Dr. Jeff Sybesma
Dr. Jeff Sybesma is legal advisor CBCS, lid van de RvA en bijzondere rechter in ambtenaren- en sociale zaken. Dit artikel is echter geheel op eigen titel geschreven.
Jurisprudentie

Ondernemingsprocesrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2014
Auteurs Prof. mr. H.E. Boschma en Mr. P.G.F.A. Geerts
Auteursinformatie

Prof. mr. H.E. Boschma
Prof. mr. H.E. Boschma (hoogleraar ondernemingsrecht) en

Mr. P.G.F.A. Geerts
Mr. P.G.F.A. Geerts (universitair docent) zijn verbonden aan de vakgroep handels- en arbeidsrecht van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Groningen.
Jurisprudentie

Betekeningsproblemen bij onbekende erfgenamen

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 1 2014
Trefwoorden onbekende erfgenamen, betekening, vereffenaar, beheerder
Auteurs Mr. S.W. Autar-Matawlie en Mr. C.A.J.M. van Waes
SamenvattingAuteursinformatie

    Huurrechtadvocaten krijgen in de praktijk regelmatig van woningcorporaties de vraag voorgelegd wat zij kunnen doen wanneer een huurder is overleden en de erfgenamen en hun woonplaatsen onbekend zijn. De verhuurder heeft een economisch en maatschappelijk belang bij het zo spoedig mogelijk weer kunnen verhuren van de woning en zal rechtsmaatregelen tot ontruiming willen treffen. De erfgenamen hebben belang bij een zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap.De Hoge Raad heeft in april 2013 betekening op de voet van artikel 53 of 54 lid 2 Rv afgewezen en voorgesteld in dergelijke gevallen de rechter te verzoeken een vereffenaar te benoemen. Deze oplossing is tijdrovend en is verderstrekkend dan nodig is. Een alternatief zou kunnen worden gevonden in artikel 4:191 lid 2 BW.


Mr. S.W. Autar-Matawlie
Mr. S.W. Autar-Matawlie is als erfrechtadvocaat en estateplanner verbonden aan GMW Advocaten te Den Haag.

Mr. C.A.J.M. van Waes
Mr. C.A.J.M. van Waes is als nalatenschapsmediator en erfrechtadvocaat verbonden aan Van Waes mediation en advocatuur te Den Haag.
Jurisprudentie

De taak van de ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 1 2014
Trefwoorden verdeling, taak executeur-afwikkelingsbewindvoerder, schulden van de nalatenschap
Auteurs Prof. mr. E.A.A. Luijten en Prof. mr. W.R. Meijer
SamenvattingAuteursinformatie

    Als in een uiterste wil een 'executeur-afwikkelingsbewindvoerder' wordt benoemd zonder de instelling van een bewind, kunnen gemakkelijk geschillen ontstaan over de bevoegdheden van deze functionaris.Recente arresten van de Hoge Raad bevestigen deze stelling. Aangeraden wordt in uiterste willen zijn taak en bevoegdheden duidelijk te regelen.


Prof. mr. E.A.A. Luijten
Prof. mr. E.A.A. Luijten is emeritus hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Prof. mr. W.R. Meijer
Prof. mr. W.R. Meijer is emeritus hoogleraar aan de Open Universiteit Nederland te Heerlen.
Jurisprudentie

Jurisprudentieoverzicht

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 1 2014
Auteurs Mr. E.M.A. van Amersfoort en Mr. dr. I. Visser

Mr. E.M.A. van Amersfoort

Mr. dr. I. Visser
Jurisprudentie

Uitleg van een uitsluitingsclausule

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 1 2014
Trefwoorden uitsluitingsclausule, Haviltex-norm, CAO-norm
Auteurs Prof. mr. B.E. Reinhartz
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt uiteengezet hoe een uitsluitingsclausule bij uiterste wilsbeschikkingen en giften moet worden uitgelegd. Het onderscheid tussen de Haviltex- en de CAO-norm wordt nader uitgewerkt. Bepleit wordt een geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-norm bij de uitleg van giften.


Prof. mr. B.E. Reinhartz
Prof. mr. B.E. Reinhartz is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.
Jurisprudentie

Lufthansa

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2014
Trefwoorden Lufthansa, staatssteun, openingsbesluit, formele onderzoeksprocedure
Auteurs Berend Jan Drijber en George Dictus
SamenvattingAuteursinformatie

    Is de nationale rechter gebonden aan het besluit van de Europese Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden? Dat vraagt het Oberlandesgericht Koblenz aan het Hof van Justitie in een geschil tussen Deutsche Lufthansa en Flughafen Frankfurt-Hahn GmbH.
    Het Hof van Justitie beantwoordt deze vraag bevestigend: nationale rechters zijn gebonden aan een dergelijk besluit. In deze annotatie gaan de auteurs in op de belangrijkste overwegingen van het Hof van Justitie en de (mogelijke) consequenties van het arrest.
    HvJ EU 21 november 2013, zaak C-284/12, Deutsche Lufthansa AG/Flughafen Frankfurt-Hahn GmbH, n.n.g.


Berend Jan Drijber
Mr. B.J. Drijber is advocaat en partner bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn en tevens redactielid van M&M.

George Dictus
Mr. G.A. Dictus is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.
Jurisprudentie

De Wet Bibob en de ‘criminal charge’

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 juni 2014 ECLI:NL:RVS:2014:1993

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2014
Auteurs mr. drs. B. van der Vorm en
Samenvatting

    In voornamelijk de bestuursrechtelijke literatuur is veel kritiek geuit op de Wet Bibob wet. Zo is ze omschreven als een ‘bestuursrechtelijk wangedrocht’1 en een ‘geforceerd wetgevingsproduct’. De commentaren op deze wet hebben onder andere betrekking op het feit dat de intrekking van een beschikking op grond van de Wet Bibob onder omstandigheden wellicht is aan te merken als een ‘criminal charge’ en in het verlengde hiervan sprake is van een gebrek aan rechtsbescherming voor de betrokkene(n). Voorts wordt het gedoogbeleid ten aanzien van de coffeeshops als problematisch ervaren. Deze problematische aspecten worden in deze annotatie besproken aan de hand van de onderhavige uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Allereerst worden de feiten uit de onderhavige casus besproken. Ten tweede wordt aandacht besteed aan de discussie over de vraag in hoeverre een intrekking van een beschikking op grond van de Wet Bibob dient te worden aangemerkt als een ‘criminal charge’. Ten derde wordt ingegaan op het gedoogbeleid van coffeeshops in relatie tot de toepassing van de Wet Bibob.


mr. drs. B. van der Vorm


Jurisprudentie

De kwalificatie bij witwassen in ontwikkeling

HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2014:714

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2014
Auteurs mr. D.J. van Leeuwen en
Samenvatting


mr. D.J. van Leeuwen


Toont 81 - 100 van 2710 gevonden teksten
1 2 3 5 7 8 9 49 50
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.