Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 20080 artikelen

x
Artikel

Digitalisering en robotisering

Voorwoord bij het themanummer

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2018
Auteurs Mr. P.A. Fruytier, Mr. R. Meijer en Mr. R.M. de Winter
SamenvattingAuteursinformatie


Mr. P.A. Fruytier
Mr. P.A. Fruytier is (cassatie)advocaat bij Houthoff te Amsterdam en redacteur van dit tijdschrift.

Mr. R. Meijer
Mr. R. Meijer is advocaat bij ZIPPRO MEIJER CITTEUR te Amsterdam en redacteur van dit tijdschrift.

Mr. R.M. de Winter
Mr. R.M. de Winter is senior jurist bij DNB en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Op afstand bestuurbaar eigendom

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2018
Trefwoorden overdraagbaarheid, Internet of Things, eigendom, technoregulering, IoT
Auteurs Mr. A. Berlee
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is de positie van de eigenaar wanneer zijn apparaat op afstand kan worden bestuurd, onbruikbaar kan worden gemaakt, of zodanig beveiligd dat men het niet mag repareren als het stuk gaat. Wie heeft er dan eigenlijk de controle: de eigenaar of een ander?


Mr. A. Berlee
Mr. A. Berlee is universitair docent goederenrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Aansprakelijkheid voor drones

Technologische ontwikkelingen en de toepasbaarheid van het aansprakelijkheidsrecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2018
Trefwoorden drones, onbemande luchtvaartuigen, privacy, productaansprakelijkheid, innovatie
Auteurs Mr. dr. ir. B.H.M. Custers
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt onderzocht in hoeverre het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht is toegerust op toenemende autonomie van drones en verdergaande miniaturisering in dronetechnologie. Na korte uitleg van relevante luchtvaartwetgeving voor dronegebruik wordt ingegaan op de onrechtmatige daad en productaansprakelijkheid. Daarna wordt besproken in hoeverre het huidige stelsel van aansprakelijkheid aanpassing behoeft.


Mr. dr. ir. B.H.M. Custers
Mr. dr. ir. B.H.M. Custers is associate professor en onderzoeksdirecteur bij eLaw, het centrum voor recht en digitale technologie aan de juridische faculteit van de Universiteit Leiden.

    Onderzocht wordt of het elektronisch verrichten van rechtshandelingen rechtsgeldig is en dezelfde bewijskracht heeft als wanneer dat schriftelijk zou geschieden.


Mr. T.J. de Graaf
Mr. T.J. de Graaf is universitair docent burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Access_open Onzekere risico’s en de verdeling van generieke causaliteitsonzekerheden vanuit twee paradigma’s

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2018
Trefwoorden causaliteitsonzekerheid, onzekere risico’s, voorzorgverplichting, macro-effecten, risicoregulering
Auteurs Mr. dr. E.R. de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij aansprakelijkheid en onzekere risico’s draait het om de verdeling van wetenschappelijke onzekerheden. In dit artikel wordt besproken dat vanuit een correctief paradigma men focust op de verdeling van onzekerheden tussen de procespartijen, terwijl het reguleringsparadigma de nadruk legt op de verdeling van onzekerheden over de maatschappij. Toepassing van beide paradigma’s leidt tot verschillende uitkomsten, onder meer in het kader van de onrechtmatigheid en het CSQN-verband.


Mr. dr. E.R. de Jong
Mr. dr. E.R. de Jong is als Universitair Hoofddocent verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (Ucall) en het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het innoverende karakter van PSD2 wat betreft zorgplichten van betaaldienstverleners jegens betaaldienstgebruikers

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2018
Trefwoorden betaaldienstverleners, zorgplichten, innovatie, PSD2, Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten
Auteurs Mr. R.E. van Esch
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel beantwoordt de auteur de vraag welke nieuwe zorgplichten jegens betaaldienstgebruikers voor betaaldienstverleners voortvloeien uit de herziene Richtlijn betaaldiensten (PSD2).


Mr. R.E. van Esch
Mr. R.E. van Esch is legal counsel bij Banning Advocaten te ’s-Hertogenbosch
Boekbespreking

Het onderzoek in de enquêteprocedure

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Boekbespreking, Proefschrift, Enquêteprocedure
Auteurs Prof. mr. G. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bevat een bespreking van het proefschrift van R.M. Hermans over het onderzoek in de enquêteprocedure.


Prof. mr. G. de Groot
Prof. mr. G. de Groot is vicepresident in de Hoge Raad en bijzonder hoogleraar Rechtspraak en conflictoplossing aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Hoe verkrijg ik een executoriale titel?

De deugdelijkheid van twee constructies onderzocht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Executoriale titel, Schikking, Proces-verbaal, Rechterlijke uitspraak
Auteurs Mr. M.W. Knigge
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien partijen ter zitting een schikking bereiken, kunnen zij een executoriale titel verkrijgen door de schikking op grond van artikel 87 lid 3 Rv /artikel 30 m lid 1 Rv (KEI) neer te leggen in een proces-verbaal. De vraag is wat geldt indien partijen buiten de zitting tot een schikking komen. In dit artikel staan twee constructies centraal die tot doel hebben om partijen in een dergelijk geval een executoriale titel te verschaffen. De eerste constructie houdt in dat de rechter uitspraak doet conform de schikking, waarbij hij een onderhandse akte aan het vonnis of de beschikking kan hechten. In de tweede constructie maakt de rechter een proces-verbaal in executoriale vorm op, waaraan hij een door partijen opgemaakte onderhandse akte met daarin de schikking hecht. In dit artikel wordt verdedigd dat beide constructies geschikt zijn om partijen een executoriale titel te verschaffen. Wel verdient de tweede constructie duidelijk de voorkeur boven de eerste.


Mr. M.W. Knigge
Mr. M.W. Knigge is universitair docent Burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden. Met dank aan prof. mr. H.B. Krans en mr. G.M. Veldt voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Artikel

De modernisering van het getuigenverhoor

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Burgerlijk procesrecht, Bewijsrecht, Getuigenbewijs, Getuigenverhoor
Auteurs Mr. dr. R.R. Verkerk
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage ziet op het verhoor van getuigen in het civiele proces. Het bespreekt een recent wetsvoorstel om het getuigenbewijs te moderniseren


Mr. dr. R.R. Verkerk
Mr. dr. R.R. Verkerk is cassatieadvocaat bij Houthoff te Rotterdam en tevens verbonden aan het Molengraaf Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Motivering door de Nederlandse cassatierechter

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden cassatie, motivering, Hoge Raad, rechtsontwikkeling
Auteurs Mr. drs. B.T.M. van der Wiel
SamenvattingAuteursinformatie

    Ook uitspraken van de Hoge Raad dienen zodanig te worden gemotiveerd dat de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar is. Bezien wordt hoe de Hoge Raad invulling geeft aan deze eisen, met name in het licht van zijn rechtsontwikkelingsfunctie.


Mr. drs. B.T.M. van der Wiel
Mr. drs. B.T.M. van der Wiel is advocaat bij Houthoff te Amsterdam en redacteur van TCR. De auteur dankt mr. drs. E.M. Hoogervorst (professional support lawyer bij Houthoff) en H. Kleijn (student aan de Universiteit van Amsterdam) voor hun ondersteuning.
Artikel

Access_open Experimentenwet: carte blanche verdient nadere overweging

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Experimenteren, Fundamentele beginselen van procesrecht, Innovatie, Artikel 86 Rv
Auteurs Mr. P. Ingelse
SamenvattingAuteursinformatie

    Tot 1 juni lag een wetsvoorstel Experimentenwet rechtspleging ter consultatie voor. Volgens dit voorstel krijgt de regering met het oog op innovatie van de rechtspraak voor onbepaalde tijd de bevoegdheid om bij AMvB te experimenteren met het Nederlands burgerlijk procesrecht. Concreet wordt onder meer gedacht aan experimenten met een eenvoudige procedure voor het MKB, met een deskundige lekenrechter naast de gewone rechter en met een harmonieuze alternatieve echtscheidingsprocedure. De experimenten moeten blijven binnen de grenzen van EU-recht, verdragen en de fundamentele beginselen van procesrecht, maar verder is de bevoegdheid vrijwel ongeclausuleerd.
    Het is de vraag of deze bevoegdheid strookt met (de strekking van) de Grondwet en past binnen de staatrechtelijke verhoudingen. De bevoegdheid is hoe dan ook te ruim doordat het experimenten mogelijk maakt en ook daadwerkelijk beoogt die de verwezenlijking van burgerlijke rechten en verplichtingen – tegen de wil van (een van) partijen – kan aantasten.
    De wetgever moet zich driemaal bedenken voordat hij een dergelijke twijfelachtige en grotendeels onnodige carte blanche in handen van de AMvB-regelgever speelt.
    Dat neemt niet weg dat de rechtspraak er zeker naar moet streven de civiele procedure eenvoudiger, sneller, flexibeler en effectiever te maken, waar nodig en aanvaardbaar met experimenten. Nog lang niet alle inventiviteit en creativiteit is uitgeput. Die experimenten hebben echter alleen zin, indien de financiële middelen worden verschaft om de consequenties te trekken uit een geslaagd experiment.


Mr. P. Ingelse
Mr. P. Ingelse is mediator/arbiter bij ReulingSchutte te Amsterdam. Tot begin 2015 was hij lid van het Gerechtshof Amsterdam, laatstelijk als voorzitter van de Ondernemingskamer.

Martin Brink
Mr. dr. Martin Brink is advocaat bij Van Benthem & Keulen te Utrecht, en aldaar werkzaam op de praktijkgebieden Corporate Litigation, Fusies & Overnames en Geschillenoplossing. Hij promoveerde in 2008 aan de Universiteit Maastricht op het onderwerp Due Diligence en publiceerde veel over aspecten van het Ondernemingsrecht en over mediation. Hij doceert aan de Grotius Academie en is raadsheer-plaatsvervanger te ’s-Gravenhage.
Interview

Experimenteren met de vrederechter is de moeite waard!

Een gesprek met kantonrechter Rik Kruisdijk en vrederechter Lode Vrancken

Tijdschrift Nederlands-Vlaams tijdschrift voor mediation en conflictmanagement, Aflevering 2 2018
Auteurs Emese von Bóné
Auteursinformatie

Emese von Bóné
Emese von Bóné is als rechtshistorica verbonden aan de Erasmus School of Law van de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

    With a Belgian law of June, 18 2018, the principle of the voluntary nature of mediation was affected. A lot of critical comments can be made at this point. The scope of the obligation is not clear. Mandatory mediation raises the threshold to the court and has as effect that many cases are not handled in the most appropriate way. The bar doesn’t support the measure. Research is needed to find out if the new measure is justified.


Tom Wijnant
Tom Wijnant is assistent en doctoraatsonderzoeker aan de UGent. Zijn onderzoek legt de nadruk op de optimalisering van bemiddeling in België, met een focus op de faciliterende rol van de advocatuur.
Artikel

Access_open De Belgische evenwichtsoefening inzake de verplichte ADR-poging in het raam van een gerechtelijke procedure

Tijdschrift Nederlands-Vlaams tijdschrift voor mediation en conflictmanagement, Aflevering 2 2018
Trefwoorden mandatory mediation, access tot justice, Belgian Council of State, ADR legislation june 18 2018
Auteurs Eric Lancksweerdt
SamenvattingAuteursinformatie

    This contribution examines how, when establishing the new Belgian legislation on the promotion of ADR, a delicate balance was sought between proponents and opponents of mandatory mediation. The Belgian government was in favour of compulsory mediation, but the Council of State, the High Council of Justice, members of parliament from the majority and the opposition, and representatives of professional organizations were opposed to it. A delicate compromise was found whereby the judge can impose a mediation, but if both sides are opposed to it, a mandatory mediation attempt is excluded.


Eric Lancksweerdt
Eric Lancksweerdt is hoofddocent aan de UHasselt en praktijkassistent aan de UAntwerpen. Zijn onderzoeksdomeinen zijn alternatieve conflictoplossing, burgerparticipatie, rechtspraktijk en ethiek, menselijke kwaliteiten in een juridische context.

Eric Lancksweerdt
Eric Lancksweerdt is hoofddocent aan de UHasselt en praktijkassistent aan de UAntwerpen. Zijn onderzoeksdomeinen zijn alternatieve conflictoplossing, burgerparticipatie, rechtspraktijk en ethiek, menselijke kwaliteiten in een juridische context.

Rob Jagtenberg
Rob Jagtenberg is senior research fellow at Erasmus University and has published frequently on the relationship between public and private justice. He has been involved in research commissioned by the Worldbank, the Netherlands Council for the Judiciary, and various Dutch Ministries including the MoJ funded national project on court-connected mediation.

    Recently, a new law with articles concerning mandatory mediation was approved in Belgium. From January 1st, 2019, the judge will be able to refer parties to mediation on a mandatory basis. This article considers if mandatory mediation is a realistic and feasible track in Belgium, focusing on the evolution of alternative dispute resolution in Belgium and in the European Union. The first part will define mediation in Belgium, followed by an analysis of the articles concerning mandatory mediation of the newly passed law. The article will also have a gander at Belgian legal developments to see which initiatives have already been taken towards mandatory dispute resolution. To conclude, an assessment is made if mandatory mediation is a realistic and feasible track in light of the existing evolutions of ADR in Belgium.


Céline Jaspers
Céline Jaspers is doctoraatsbursaal aan de UHasselt. Voordien was zij advocaat-stagiair. Zij behaalde een LLM ‘Dispute Resolution’ aan Pepperdine University. Momenteel bereidt zij een proefschrift voor over ‘De verplichte ADR-poging in scheidingssituaties’.
Artikel

Access_open Oververtegenwoordiging van jongeren met een migratieachtergrond in de strafrechtketen

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 3 2018
Trefwoorden disproportionate minority contact, DMC, juvenile justice, ethnicity, adolescents
Auteurs Dr. Albert Boon, Melissa van Dorp MSc en Drs. Sjouk de Boer
SamenvattingAuteursinformatie

    In the United States, the term disproportionate minority contact (DMC) is used to refer to the disproportionate number of minority youth who come into contact with the juvenile justice system. Statistics on DMC in the United States put the issue on the political agenda and measures have been taken to reduce the inequality. In the Netherlands, there are some studies on the representation of ethnic minority groups in suspect statistics, but data regarding all ethnic groups at various stages of the juvenile justice chain are lacking. Due to this lack of information, DMC is not mentioned in Dutch research literature and is not a political issue. Therefore, the purpose of this article was to explore whether DMC existed in the Netherlands and whether elements of the US policy could be applied to the Dutch situation. To investigate this, the likelihood (odds ratio (OR)) was calculated for young people with a migration background to be registered and held as a suspect, to participate in an alternative punishment program (Halt) and their likelihood of incarceration. It turned out that the OR for young people with a non-Western migration background to be registered as a suspect was more than three times as high, with an OR of 5 or higher for some ethnic groups. The chances of a Halt-settlement were much lower for young people with a non-Western background. The odds of ending up in a youth prison was over six times higher for youngsters with a non-Western background compared to their Dutch native peers. For young people of Caribbean and Moroccan origin the likelihood was more than ten times higher. These results showed that DMC is present at all examined stages in the Dutch juvenile justice chain. The large overrepresentation of young people with a migration background (especially of Moroccan and Caribbean origin) shows that further research is needed in order to develop programs to reduce DMC. To establish this, it is important to register the ethnic origin of the individuals at all stages of the juvenile justice chain.


Dr. Albert Boon
Dr. A.E. Boon is psycholoog/onderzoeker bij Lucertis/De Jutters: kinder- en jeugdpsychiatrie (Parnassia Groep) en bij Curium-LUMC, de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie Universiteit Leiden.

Melissa van Dorp MSc
M. van Dorp, MSc is psycholoog/onderzoeker bij Lucertis/De Jutters: kinder- en jeugdpsychiatrie (Parnassia Groep) en bij de Academische Werkplaats Risicojeugd.

Drs. Sjouk de Boer
Drs. S.B.B. de Boer is psycholoog/onderzoeker bij Lucertis/De Jutters: kinder- en jeugdpsychiatrie (Parnassia Groep).
Artikel

Een bijzondere groep daders: vrouwelijke langgestraften na afloop van de Tweede Wereldoorlog in Nederland

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 3 2018
Trefwoorden female, perpetrators, World War II, empirical study, criminal career
Auteurs Drs. Jantien Stuifbergen MSc
SamenvattingAuteursinformatie

    Early literature on female perpetrators of World War II focused on labelling the accused as deranged psychopaths, thereby distinguishing the group of perpetrators from the vast subdued and ‘normal’ population. While this perception has changed over the past decades, the perception of female perpetrators has remained limited either way, women are denied having a lot of agency when perpetrating crimes in conflict. Similar to the ‘mad Nazi’-theory these narratives imply that female perpetrators are different from ‘ordinary’ women, as their actions collide with notions of ideal femininity. This empirical research has shown that in the case of female perpetrators of World War II in the Netherlands it seems that they can be seen as ordinary women operating in extraordinary circumstances. In this study, a special group of female war criminals is described. Against the background of early post-war imaging of such women and more recent research on female perpetration during wartime, an analysis of Dutch perpetrators who received severe punishments after the War, is made. Based on unique historical data, the criminal career of these women as World War II perpetrators is analysed. The outcomes show that a notable part already had a criminal record before the war and that the perception of who they were and why they acted the way they did needs reconsideration, since they were not psychologically weak and incompetent. They were generally young, unemployed and low educated and they planned and committed their crimes of treasons in order to create better living conditions for themselves. In fact, one can claim that these women are likely to be ordinary people influenced by dispositional and situational factors.


Drs. Jantien Stuifbergen MSc
Drs. J.A.M. Stuifbergen, MSc is programmacoördinator van de Master International Crimes, Conflict and Criminology en promovenda bij de sectie Strafrecht en Criminologie van de Vrije Universiteit Amsterdam,

Prof. mr. Hans de Doelder
Prof. mr. H. de Doelder, em. Hoogleraar straf- en strafprocesrecht Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit van Curaçao.
Toont 981 - 1000 van 20080 gevonden teksten
1 2 42 43 44 45 46 47 48 50 »
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.