Zoekresultaat: 205 artikelen

x
Jaar 2010 x
Artikel

De kartelhel

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2010
Trefwoorden kartel, criminalisering van kartelovertredingen, eerste- en tweedegraads kartelovertredingen, antikartelcultuur
Auteurs Mr. R. Wesseling
SamenvattingAuteursinformatie

    Nederland stond lang bekend als het kartelparadijs van Europa. Die situatie is wezenlijk veranderd, mede door de introductie van de Mededingingswet en de oprichting van de NMa in 1998. Tot eind van de jaren negentig van de vorige eeuw kreeg de kartellist nog goedkeuring van de minister voor Economische zaken voor kartelovereenkomsten. Nu wil diezelfde minister dezelfde kartellist achter de tralies zetten. Het kan in de politiek, zoals bekend, snel gaan. Het is echter de vraag of burgers en ondernemingen zich met hetzelfde tempo kunnen aanpassen aan een zo radicale wijziging van een norm.


Mr. R. Wesseling
Mr. R. Wesseling is werkzaam als advocaat bij Stibbe.
Artikel

Markt en Overheid: oplossing zoekt probleem

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2010
Trefwoorden wetsvoorstel Markt en Overheid, Effect toetreding op innovatie en marktstructuur, Effect toetreding op prijs
Auteurs Prof. dr. B.E. Baarsma en Dr. L.A.W. Tieben
SamenvattingAuteursinformatie

    Het wetsvoorstel Markt en Overheid is een ‘drama in veel bedrijven’, waarin de wereld op een klassieke manier op zijn kop is gezet. Jarenlang hebben de regels centraal gestaan, maar is men vergeten waarvoor de regels een oplossing moeten bieden. Dit artikel betoogt dat het wetsvoorstel is geëvolueerd van een wetsvoorstel gericht op de bescherming van concurrenten naar een wetsvoorstel dat eigenlijk niks meer beschermt. En dat terwijl er wel degelijk een economische ratio achter de wetgeving voor Markt en Overheid steekt. De conclusie is dat het huidige wetsvoorstel hier door de wispelturigheid van de politiek uiteindelijk geen adequate oplossing voor biedt.


Prof. dr. B.E. Baarsma
Prof. dr. B.E. Baarsma is algemeen directeur van SEO Economisch Onderzoek en bijzonder hoogleraar Marktwerking- en mededingingseconomie aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de UvA.

Dr. L.A.W. Tieben
Dr. L.A.W. Tieben is senior onderzoeker bij het cluster Mededinging en Regulering van SEO Economisch Onderzoek.
Artikel

Access_open Is de vrijheid van godsdienst in de moderne multiculturele samenleving nog een hanteerbaar recht?

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2010
Trefwoorden freedom of religion, human rights, human dignity, traditional religion, unequal treatment
Auteurs Koo van der Wal
SamenvattingAuteursinformatie

    There are two fundamental problems with regard to the freedom of religion. The first concerns the content and scope of the right; the second, a possible unequal treatment between population groups. The first problem can only be dealt with by a preliminary analysis of the religious phenomenon, which precedes a legal definition. It turns out that there is a range of different types of religion, with on the one hand traditional forms of religion which are narrowly interwoven with the culture in question (all kinds of ‘cultural’ practices possessing a religious dimension), and on the other forms of religion which loosen to a considerable extent the ties between culture and religion. Evidently, the former types of religion cause problems in modern society. An additional problem is that freedom of religion as a modern basic right rests on a view of human being – including the idea of the inherent dignity and autonomy of the human person – which is at odds with the symbolic universe of traditional religion. The conclusion of the article is that in the modern pluralist society freedom of religion is on its way to becoming, or already has become, an unmanageable right. So the problems arising around this right (including that of unequal treatment) can only be solved in a pragmatic, not really satisfactory way. In that context, modern humanitarian standards should be observed in the implementation of the right of freedom of religion because fundamental human rights are connected with a specific concept of humanity.


Koo van der Wal
Koo van der Wal is emeritus professor of Philosophy at the University of Amsterdam and the Erasmus University Rotterdam.
Artikel

Beroepstermijnen aanbestedingsrecht en het effectiviteitsbeginsel

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2010
Trefwoorden doeltreffendheidsbeginsel, aanbesteding, bestuursrecht, beroepstermijnen, Rechtsbescherming
Auteurs Prof. mr. E. Steyger
SamenvattingAuteursinformatie

    In twee arresten heeft het Hof van Justitie beroepstermijnen opnieuw getoetst aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming, en laat voortaan de lidstaten minder beleidsvrijheid dan tot dusver gebruikelijk. De arresten hebben een ruimer bereik dan alleen het aanbestedingsrecht.


Prof. mr. E. Steyger
Prof. mr. E. Steyger is hoogleraar Europees bestuursrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en advocaat bij Holla Poelman Van Leeuwen advocaten te ’s-Hertogenbosch.
Jurisprudentie

Google AdWords: het Hof maakt veel duidelijk, maar we zijn er nog niet

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2010
Trefwoorden inbreuk op de merkrechten, opslagdiensten, E-Commerce richtlijn, aantasting van de herkomstaanduidingsfunctie, Google AdWords
Auteurs Mr. M.J Heerma van Voss en Mr. V.A. Zwaan
SamenvattingAuteursinformatie

    De kogel is door de kerk voor Google; zij maakt geen inbreuk op de merkrechten met AdWords en Google verricht opslagdiensten in de zin van de E-Commerce richtlijn, als gevolg waarvan zij in beginsel een beroep kan doen op de daarin neergelegde aansprakelijkheidsexoneratie. Voor een geslaagd beroep zal de nationale rechter wel tot de conclusie moeten komen dat het gedrag van Google ‘binnen de perken blijft van dat van een als tussenpersoon optredende dienstverlener’.Wat betreft het merkgebruik door de adverteerder, komt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) met een (voor dit soort zaken?) specifieke invulling voor het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium ‘aantasting van de herkomstaanduidingsfunctie’. Tot slot is opvallend dat het Hof van Justitie resoluut stelt dat in dit soort zaken geen sprake is van afbreuk aan de andere merkfuncties dan voornoemde.


Mr. M.J Heerma van Voss
Mr. M.J. Heerma van Voss is advocaat bij SOLV te Amsterdam.

Mr. V.A. Zwaan
Mr. V.A. Zwaan is advocaat bij SOLV te Amsterdam.
Jurisprudentie

Perikelen bij bestuurlijke boetes

CBb 2 februari 2010, Tele2/OPTA, LJN BL5463

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 2 2010
Trefwoorden 18xy-reeks, bestuurlijke boetes, boeterapport, boetebesluit
Auteurs Mr. E.C. Pietermaat
SamenvattingAuteursinformatie

    OPTA is belast met de handhaving van het bepaalde in de Telecommunicatiewet (Tw). Daarvoor heeft OPTA onder meer de bevoegdheid bestuurlijke boetes op te leggen. Hoofdstuk 15 Tw bevat nadere regels met betrekking tot de wijze waarop OPTA bij het opleggen van boetes te werk moet gaan. Een deel van die regels is met de inwerkingtreding van de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 juli 2009 komen te vervallen. In plaats daarvan gelden nu de regels van die Vierde tranche Awb. Het betreft met name regels van procedurele aard die beogen rechtsbescherming te bieden.


Mr. E.C. Pietermaat
Mr. E.C. Pietermaat is werkzaam als advocaat te Den Haag bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.

    In een column geeft een redacteur of auteur zijn of haar visie op een bepaald onderwerp.


Mr. A.W.H. Docters van Leeuwen
Mr. A.W.H. Docters van Leeuwen is werkzaam als senior research fellow bij het NSOB.
Artikel

Successierechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Wie zal mijn opvolger zijn?

Tijdschrift EstateTip Review, Aflevering 23 2010
Trefwoorden testament
Auteurs


Discussie

WUBHV in de eindfase: waar bleef de vertrouwelijkheid?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 3 2010
Auteurs Prof. mr. J.G. Sijmons en Prof. mr. T.M. Schalken

Prof. mr. J.G. Sijmons

Prof. mr. T.M. Schalken
Artikel

Het non-concurrentiebeding in maatschapsovereenkomsten

Reikwijdte van non-concurrentiebeding vaak op gespannen voet met mededingingsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 3 2010
Auteurs Mr. K. Mous

Mr. K. Mous
Artikel

Vrouwen en witwassen: een logische combinatie met incoherente resultaten

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 2 2010
Trefwoorden vrouwen, georganiseerde misdaad, witwassen, 420bis
Auteurs Melvin Soudijn
SamenvattingAuteursinformatie

    A part in Dutch penal law defines money laundering as ‘any person who acquires an object, possesses it, hands it over or sells it or makes use of an object, knowing that the object originates – directly or indirectly – from an offense’. Under object is meant any goods and any property rights. With this in mind, the author argues that whoever knows that money (the object) is derived from crime, but spends the money anyway, is committing a money laundering offense. Taking the argument one step further, it is therefore a reasonable hypothesis that a large number of wives or girlfriends of criminals, have been prosecuted for money laundering. That is, if the women knew that the money they spent was obtained through crime. To test the hypothesis, 62 cases dealing with organized crime were selected and analyzed. These cases largely focus on male perpetrators of drug crimes, money laundering, human smuggling and human trafficking. It turns out that the women often knew their male friends or husbands were involved in crime. The women also profited of these crimes because they used their friends’ expensive cars, lived in large mansions and often went shopping for luxury items. Still, hardly anyone was prosecuted for money laundering offenses. Several explanations were found, ranging from pity of officers, an overload of work, absence of direct proof or simply male chauvinist bias. Only if the women were actively involved in other crimes, would they find themselves prosecuted with (among others) money laundering offenses.


Melvin Soudijn
Melvin Soudijn is als senior wetenschappelijk onderzoeker werkzaam bij de KLPD. E-mail: Melvin.Soudijn@klpd.politie.nl.
Discussie

Michael Oakeshott en de droom van een rechtsstaat zonder regelgevers, managers en toezichthouders

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden rule of law, rechtsstatelijke kwaliteitsmaatstaven, governance, interne moraal van de wetgeving
Auteurs prof. dr. W.J. Witteveen
SamenvattingAuteursinformatie

    Het klassieke liberalisme zag de rechtsstaat als een politieke gemeenschapdie bestuurd wordt op basis van het legaliteitsbeginsel. Van dat ideaalbeeld is in een tijd van governance en new public management niet veel over. Voor wetgever, bestuur en rechter kwamen regelgever, manager en toezichthouder in de plaats; een nieuwe onheilige trias politica. De politieke filosofie van Michael Oakeshott laat zien waarom het oude ideaal waardevol blijft, omdat het ook bij een andere institutionele inrichting van het openbaar bestuur oproept tot het erkennen van rechtsstatelijke kwaliteitsmaatstaven die de kwaliteit van een praktijk van regelgeleid gedrag bepalen.


prof. dr. W.J. Witteveen
Prof. dr. W.J. Witteveen is hoogleraar rechtstheorie en retorica aan de Universiteit van Tilburg. w.j.witteveen@uvt.nl
Artikel

De marginverplichting bij handel in aandelenopties

Van Haanstra/Rabobank naar Nabbe/Staalbankiers

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 6 2010
Trefwoorden aandelenopties, zorgplicht, marginverplichting, zelfregulering
Auteurs Mr. B.T.M. van der Wiel
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage vormt de bakermat van de bijzondere zorgplicht, de marginverplichting bij handel in aandelenopties door particulieren, voorwerp van onderzoek. Juist ook voor de ontwikkelingen buiten het terrein van de handel in aandelenopties zijn de op dit terrein ontwikkelde gedachten nog steeds zeer invloedrijk. Bovendien is dit terrein ook zelf nog steeds in ontwikkeling. Geschetst worden de geschiedenis en het wezen van de handel in opties, de zelfregulering van de optiehandel en de rechtspraak over de marginverplichting.


Mr. B.T.M. van der Wiel
Mr. B.T.M. van der Wiel is advocaat bij Houthoff Buruma te Den Haag. Hij treedt regelmatig op voor financiële ondernemingen.
Artikel

De herziene Groepsvrijstelling en richtsnoeren verticale beperkingen: never change a winning team?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2010
Trefwoorden herziene Groepsvrijstelling, richtsnoeren verticale beperkingen, onlineverkooprestricties, Hardcore restricties
Auteurs Mr. S.J.H. Evans
SamenvattingAuteursinformatie

    Ondernemingen die momenteel onderhandelen over het aangaan van een verticale overeenkomst zijn gewaarschuwd: op 1 juni a.s. treedt Verordening (EG) nr. 330/2010 betreffende de toepassing van artikel 101 lid 3 VWEU op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (de ‘nieuwe Groepsvrijstelling’) in werking. Bestaande verticale overeenkomsten dienen binnen één jaar aan de nieuwe regels te worden aangepast. Ook dit keer gaat de Groepsvrijstelling gepaard met richtsnoeren die ondernemingen dienen te helpen bij de mededingingsrechtelijke beoordeling van door hen aangegane verticale overeenkomsten. Op basis van haar ervaring en de opmerkingen van belanghebbenden achtte de Commissie een fundamentele wijziging van de bestaande Groepsvrijstelling niet noodzakelijk: never change a winning team. Of deze veronderstelling terecht is, zal hierna worden nagegaan.


Mr. S.J.H. Evans
Mr. S.J.H. Evans is werkzaam bij het Europa Instituut (Universiteit Utrecht) en is tevens werkzaam als professional support lawyer bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V.
Jurisprudentie

De doorwerking van richtlijnen en algemene beginselen van EU-recht

De stand van zaken na het arrest Kücückdeveci

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2010
Trefwoorden uitsluitende directe werking, Kücükdeveci, Handvest van de Grondrechten
Auteurs Dr. H. de Waele en Mr. I. Kieft
SamenvattingAuteursinformatie

    Kücükdeveci is een mijlpaalarrest. Het verruimt de mogelijkheden voor richtlijnen om ‘horizontale effecten’ te sorteren, en voegt zo een belangrijk nieuw hoofdstuk toe aan een klassiek hoofdpijndossier. In geschillen tussen particulieren lijkt er voortaan vaker dan voorheen, over de band van de zogenoemde ‘uitsluitende directe werking’ van Europese regels, een beroep op bepalingen uit richtlijnen te kunnen worden gedaan. Daarbij wordt eerdere jurisprudentie over de doorwerking van algemene beginselen van EU-recht uitgebreid. Het arrest leidt echter tevens tot vervagende grenzen tussen de Europeesrechtelijke kernleerstukken. Verder dreigt het gevaarlijke spanningen op te roepen, zowel tussen rechters als tussen lidstaten, onder meer door een (potentieel) brisante passage over het Handvest van de Grondrechten. Al met al vormt het oordeel een ware Fundgrube voor verdere wetenschappelijke theorievorming; daarnaast reikt het advocaten en magistraten een aantal praktische handvatten voor de toekomst aan.


Dr. H. de Waele
Dr. H. de Waele is universitair docent Europees recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Mr. I. Kieft
Mr. I. Kieft is advocaat te Amsterdam bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V.
Artikel

Vergelijkende reclame; enkele beschouwingen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2010
Trefwoorden vergelijkende reclame, oneerlijke handelspraktijken, misleiding, denigrerende reclame, lookalikes
Auteurs Mr. J.J.E. Bremer LL.M.
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel zullen enkele recente ontwikkelingen op het terrein van het recht van de vergelijkende reclame de revue passeren. Allereerst zal aandacht worden besteed aan het begrip ‘vergelijkende reclame’ en de reikwijdte daarvan. Daarna zullen ontwikkelingen op het terrein van de misleidende vergelijkende reclame worden besproken, waaronder de gevolgen van de implementatie van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken en de jurisprudentie ten aanzien van misleidende omissies. Vervolgens zal aan de hand van enkele voorbeelden uit recente jurisprudentie de stand van zaken ten aanzien van denigrerende of kleinerende vergelijkende reclame worden geïllustreerd. Tot slot wordt een uitstap gemaakt naar het tradioneel meer tot het terrein van het merkenrecht gerekende onderwerp van de lookalike-producten en wordt de mogelijke relevantie van het recht betreffende vergelijkende reclame voor deze producten besproken.


Mr. J.J.E. Bremer LL.M.
Mr. J.J.E. Bremer LL.M. is werkzaam als advocaat bij BarentsKrans.
Artikel

Maatschappelijk ondernemen en toezicht op publieke belangen in de zorg?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden toezicht NZA, maatschappelijke onderneming, herdefiniëren publiek belang
Auteurs prof. mr. J.G. Sijmons
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zorg ligt bij de NZa het toezicht op de publieke belangen. Deze toezichtfunctie staat ten onrechte onder druk. Evenmin als op de zorgverzekeringsmarkt – de ‘countervailing power’ van de zorgverleningmarkt – is voor het bewaken van publieke belangen de rechtsvorm van de ‘maatschappelijke onderneming’ nodig. In recente evaluaties van de Zorgverzekeringswet en de Wet marktordening gezondheidszorg kwam naar voren dat beide wetten nog niet de verwachtingen waarmaken, o.a. vanwege een beperkte regierol van de zorgverzekeraar, respectievelijk te weinig sturing en toezicht door de NZa richting marktwerking. Een gewijzigde, maar reeds in de wet besloten liggende taakopvatting voor minister van VWS en NZa zou de transitie over dit gevaarlijke dode punt kunnen heen tillen.


prof. mr. J.G. Sijmons
Prof. mr. J.G. Sijmons is bijzonder hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Utrecht en advocaat te Zwolle. j.g.sijmons@nysingh.nl
Artikel

Naar een effectief toezicht op de woningcorporaties

Balanceren tussen staat en markt

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden woningcorporaties, toezicht, diensten van algemeen economisch belang, extern en intern toezicht, toezichthouder voor de corporatiesector
Auteurs mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen en D. Özmis
SamenvattingAuteursinformatie

    Woningbouwcorporaties zijn hybride organisaties die opereren op het snijvlak tussen staat en markt. Vanwege hun hybride status vallen zij tussen het wal en schip wat betreft toezicht en controle. Enerzijds vertoont het publiekrechtelijk toezicht door de minister van Wonen Wijken en Integratie en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting hiaten. Anderzijds zijn de corporaties beperkt onderhevig aan de tucht van de markt. Woningcorporaties kampen momenteel met een slecht imago dat zij hebben gekregen doordat verschillende corporaties waren betrokken bij omstreden projecten. Ook is een beeld ontstaan dat de maatschappelijke prestaties van de corporaties inzake de realisatie en verhuur van sociale woningen ondermaats zijn. Inmiddels zijn vele rapporten verschenen over het functioneren van de woningcorporaties. Een rode draad in deze rapporten is, dat het publiekrechtelijk toezicht op de corporaties niet transparant en effectief is geregeld. Bovengenoemde ontwikkelingen en de imagoschade hebben de roep om een steviger extern publiekrechtelijk toezichtkader verhevigd, niet in de laatste plaats vanuit de sector zelf. Oud-minister van der Laan heeft inmiddels voorstellen gedaan tot aanscherping van het toezicht op de corporaties, inclusief de oprichting van een nieuwe toezichthouder voor de corporatiesector. Dit artikel beziet op kritische wijze of het voorstel van de oud-minister zal bijdragen aan een transparanter en effectiever toezicht op de woningcorporaties.


mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen
Mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen is universitair hoofddocent economisch publiekrecht bij het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht. s.a.c.m.lavrijssen@uu.nl

D. Özmis
D. Özmis rondt momenteel de master Recht en onderneming af en is als student-assistent verbonden aan het Europa Instituut.
Artikel

Toezicht op het bijzonder onderwijs

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden bijzonder onderwijs, intern en extern toezicht, verticaal en horizontaal toezicht, (quasi)bestuurlijk toezicht, maatschappelijke onderneming
Auteurs prof. mr. P.J.J. Zoontjens
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is de staat en de toekomst van het toezicht in het onderwijs? In deze bijdrage wordt nader ingegaan op het karakter van het toezicht in voornamelijk het bijzonder onderwijs en op de verschuivingen en veranderingen die daarbij zijn te onderkennen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen onderwijstoezicht en (quasi)bestuurlijk toezicht, verticaal en horizontaal toezicht en intern en extern toezicht. Geconcludeerd kan worden dat het verticale toezicht afneemt ten gunste van het horizontale toezicht. Als beloning voor bewezen kwaliteit van het onderwijs en de bestuurlijke professionaliteit en financiële betrouwbaarheid van de school kan het inspectietoezicht terughoudend worden vormgegeven. Er vindt ook een belangrijke verschuiving plaats van extern naar intern toezicht. De regels in de onderwijswetgeving inzake goed bestuur binden de bijzondere instellingen aan het doel van scheiding van bestuur en toezicht in de interne verhoudingen van de organisatie, maar laten hen in hoge mate vrij om aan deze scheiding concreet vorm te geven. Het is overigens afwachten of de versterkte nadruk op intern toezicht zal blijken te werken. Naar verwachting zal de eventuele regeling inzake de Maatschappelijke Onderneming in het Burgerlijk Wetboek maar beperkte betekenis hebben voor het onderwijs. Scholen moeten er niettemin vrij voor kunnen kiezen. Het toezicht kan in een quasi markt, welke het stevig publiekrechtelijk gefundeerde bekostigde onderwijs is, soms de schijn van markttoezicht krijgen, maar voorlopig is het niet meer dan dat. Uiteindelijk zou het systeem van accreditatie in het hoger onderwijs op termijn nog het meest met markttoezicht in verband kunnen worden gebracht, maar dan moet wel aan een aantal feitelijke voorwaarden worden voldaan die zich nu nog niet aandienen.


prof. mr. P.J.J. Zoontjens
Prof. mr. P.J.J. Zoontjens is bijzonder hoogleraar onderwijsrecht aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Onderwijsraad. p.j.j.zoontjens@uvt.nl
Artikel

Gedragsregels voor Nederlandse beleggingsondernemingen handelend met cliënten buiten de Europese Economische Ruimte

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 6 2010
Trefwoorden MiFID, Wet op het financieel toezicht (Wft), gedragsregels, beleggingsonderneming, bijkantoor
Auteurs Mr. I.M. Hamstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Als een Nederlandse beleggingsonderneming diensten verleent via haar bijkantoor buiten de EER aan een cliënt van buiten de EER, biedt de Wet op het financieel toezicht geen duidelijkheid of de beleggingsonderneming de Nederlandse gedragsregels dient te volgen. Deze bijdrage gaat in op deze onduidelijkheid, waarbij de schrijfster ook refereert aan de guidance van de Europese Commissie.


Mr. I.M. Hamstra
Mr. I.M. Hamstra is werkzaam als advocaat bij Clifford Chance te Amsterdam.
Toont 101 - 120 van 205 gevonden teksten
1 2 3 4 6 8 9 10 11
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.