Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 455 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Onderneming en Financiering x
Artikel

De commanditaire vennootschap als jointventurevehikel: perikelen met het beheersverbod

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2013
Trefwoorden joint venture, commanditaire vennootschap, beheersverbod, bv/cv-structuur
Auteurs Mr. A.J.S.M. Tervoort
SamenvattingAuteursinformatie

    Onderzocht wordt in hoeverre de cv een passende rechtsvorm is voor een joint venture (JV). Daartoe wordt het verbod voor een commanditaire vennoot om daden van beheer te verrichten geanalyseerd. De conclusie is dat de reikwijdte van dit verbod zo onduidelijk is, dat een cv een minder geschikte rechtsvorm is voor een JV wanneer de partners joint control over hun samenwerkingsvehikel willen hebben zonder het risico te lopen op hoofdelijke verbondenheid voor diens schulden. Afgesloten wordt met een overzicht van enige structuurvarianten die beter bruikbaar lijken.


Mr. A.J.S.M. Tervoort
Mr. A.J.S.M. Tervoort is bedrijfsjurist en advocaat te Amsterdam en is als fellow verbonden aan het Zuidas Instituut voor Financieel Recht en Ondernemingsrecht te Amsterdam.
Artikel

Joint ventures: praktische aspecten in vogelvlucht

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2013
Trefwoorden joint venture, samenwerking, noodzaakfinanciering, blocking votes
Auteurs Mr. K.A. de Vries, Mr. P.J.A.M. Nijnens en Mr. E.L. Gerretsen
SamenvattingAuteursinformatie

    Partijen die een joint venture (JV) willen aangaan, dienen diverse commerciële en juridische vragen te bespreken en op basis daarvan afspraken vast te leggen in een JV-overeenkomst. Omdat dergelijke overeenkomsten veelal voor langere termijn gelden, is het raadzaam om vooral ook aandacht te besteden aan de situatie dat onverhoopt de samenwerking tot een geschil leidt of dat additionele financiering door de JV-partners nodig is. In het artikel worden allereerst een aantal vragen besproken die in het voorjaartraject aan de orde komen. Vervolgens wordt specifiek aandacht besteed aan de initiële en mogelijke additionele financiering door JV-partners en hoe geschillen kunnen worden beslecht. Aan de orde komt dat JV-partners er rekening mee moeten houden dat in een situatie van ‘noodzaakfinanciering’ sommige afspraken door de Ondernemingskamer opzijgezet kunnen worden.


Mr. K.A. de Vries
Mr. K.A. de Vries is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

Mr. P.J.A.M. Nijnens
Mr. P.J.A.M. Nijnens is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

Mr. E.L. Gerretsen
Mr. E.L. Gerretsen is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.
Artikel

Verwarring over de vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden jaarrekening, vaststelling, publicatie, publicatietermijn, accountantscontrole, decharge
Auteurs mr. B. Verkerk
SamenvattingAuteursinformatie

    Art. 2:210 lid 5 BW stelt bv’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, in staat op vereenvoudigde wijze de jaarrekening vast te stellen. Naar aanleiding van dit artikel zal in deze bijdrage worden ingegaan op de volgende vragen:

    1. Hoe zit het met de volgtijdelijkheid van het opmaken en vaststellen van de jaarrekening en afgifte van de accountantsverklaring?

    2. Leidt de vereenvoudigde vaststelling tot een verkorting van de termijn voor publicatie van de jaarrekening, met eventuele gevolgen voor bestuurdersaansprakelijkheid in geval van faillissement?

    3. Hoe te handelen wanneer niet gewenst is dat vaststelling van de jaarrekening tot decharge leidt?


mr. B. Verkerk
Mr. B. Verkerk is advocaat bij AKD en docent Ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Private equity – wat is het en hoe is het gereguleerd in Nederland?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden private equity, werkwijze, regelgeving, Nederland, AIFM-richtlijn
Auteurs Mr. C.D. Spetter
SamenvattingAuteursinformatie

    Private equity richt zich op het werven van fondsen en het verkrijgen van veel vreemd vermogen (leverage) om daarmee investeringen te doen in portfolio-ondernemingen. Na de nodige bedrijfsverbeteringen, vindt de exit plaats met als doel hier een zo hoog mogelijk rendement op te halen. Hoewel de regelgeving voor private equity-partijen momenteel beperkt is in Nederland, zal hier verandering in komen met de komst van de AIFM-richtlijn; naast een vergunningplicht brengt deze richtlijn meerdere doorlopende informatieverplichtingen met zich mee.


Mr. C.D. Spetter
Mevrouw Spetter heeft dit artikel geschreven naar aanleiding van haar afstudeerscriptie.
Artikel

Albron/Roest – All’s well that ends well

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden overgang van onderneming, intra-concern detachering, payrolling, aandelenoverdracht, hoofdelijke aansprakelijkheid, art. 7:663 BW, Richtlijn 2001/23/EG
Auteurs Prof. dr. R.M. Beltzer en mr.dr. J.P.H. Zwemmer
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 5 april 2013 wees de Hoge Raad arrest in de ruim zeven jaar lopende Albron-zaak over overgang van onderneming. Centrale vraag in deze zaak is of bij de uitbesteding van de cateringactiviteiten door Heineken aan Albron de arbeidsovereenkomsten van de bij deze activiteiten werkzame, maar niet in dienst zijnde werknemers van rechtswege mee zijn overgegaan naar Albron. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend op basis van een richtlijnconforme uitleg van art. 7:663 BW. Dat de werknemers uitsluitend intra-concern waren gedetacheerd bij de overgedragen onderneming en een arbeidsovereenkomst hadden gesloten met een andere Heinekengroepsmaatschappij, vormt naar het oordeel van de Hoge Raad geen belemmering voor de overgang van hun arbeidsovereenkomsten.


Prof. dr. R.M. Beltzer
Prof. dr. R.M. Beltzer is Hoogleraar Arbeid & Onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.

mr.dr. J.P.H. Zwemmer
Mr.dr. J.P.H. Zwemmer is Advocaat arbeidsrecht bij Boekel De Nerée en Docent en onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Aandeelhouders: van ‘flitskapitaal’ naar ‘geduldig kapitaal’

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden aandeelhouders, typologie, stewardship, dialoog, betrokken aandeelhouderschap
Auteurs drs. J. van der Ende en mr.dr. A. van der Krans
SamenvattingAuteursinformatie

    Aandeelhouders worden vaak over één kam geschoren als het gaat om de verantwoordelijkheid voor inzicht en toezicht bij (beursgenoteerde) ondernemingen. In dit artikel wordt een eenvoudige typologie van aandeelhouders ontwikkeld aan de hand van twee criteria. Uitgangspunt is verder dat een gezonde balans nodig is tussen de verschillende typen aandeelhouders. Een onderneming zal vooral behoefte hebben aan langetermijnaandeelhouders die betrokken zijn, de onderneming en haar management kennen en daardoor de monitoringrol adequaat kunnen invullen. Ook vanuit maatschappelijk oogpunt is een aanzienlijk percentage ‘loyaal-kritische aandeelhouders’ gewenst. Het gaat dan om aandeelhouders met geconcentreerde portefeuilles, een langetermijnhorizon en grote betrokkenheid bij de onderneming. Stimulering van deze vorm van aandeelhouderschap kan door financiële stimulering, regelgeving en samenwerking. De ‘Best practices voor betrokken aandeelhouderschap’ van Eumedion zijn een stap in de goede richting tot betere samenwerking tussen institutionele beleggers. Een aanzienlijk deel van de aandeelhouders van beursvennootschappen zal zich als loyale aandeelhouders moeten gedragen om het alternatief, inperking van aandeelhoudersrechten, te voorkomen. Dit zal inspanning vragen, maar dergelijk gedrag is essentieel voor een goede corporate democracy.


drs. J. van der Ende
Johan van der Ende is Senior Advisor bij KBR Finance.

mr.dr. A. van der Krans
Anatoli van der Krans is Senior Advisor Responsible Investment & Governance bij MN (voorheen bekend als Mn Services) te Den Haag.
Artikel

Uitoefening instemmingsrechten bij verpanding

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden instemmingsrechten, pandrecht, onherroepelijke volmacht, privatieve last
Auteurs Mr. G.M. Portier en Mr. M.E.A. van Loenhoud
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel behandelen de auteurs de vraag of de wettelijke instemmingsrechten in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen toekomen aan een pandhouder van aandelen in een bv. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen instemmingsrechten die toekomen aan vergadergerechtigden en instemmingsrechten die toekomen aan aandeelhouders. Tevens wordt besproken of er nog andere mogelijkheden zijn om de pandhouder in staat te stellen om te bepalen op welke wijze instemmingsrechten worden uitgeoefend.


Mr. G.M. Portier
Mr. G.M. Portier is werkzaam als notaris bij Loyens & Loeff.

Mr. M.E.A. van Loenhoud
Mr. M.E.A. van Loenhoud is werkzaam als kandidaat-notaris bij Loyens & Loeff.
Artikel

De wenselijkheid van een algemene zorgplicht in de Wft

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Wijzigingswet financiële markten 2014, Wet op het financieel toezicht, Autoriteit Financiële Markten, zorgplicht, financiëledienstverleners
Auteurs mr. N.A. van Opbergen
SamenvattingAuteursinformatie

    In het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014 wordt voorgesteld een algemene zorgplicht voor financiëledienstverleners vast te leggen in de Wet op het financieel toezicht (art. 4:24a nieuw). Belangrijkste argument daarvoor is informatiescheefheid tussen financiëledienstverleners en klanten. Belangrijkste argument daartegen is rechtsonzekerheid voor financiëledienstverleners, omdat onduidelijk zou zijn wanneer de zorgplicht wordt overtreden. Voor een succesvolle handhaving van de algemene zorgplicht is vereist dat de AFM dit alleen doet in evidente gevallen. Het voorgestelde artikel moet deels worden gewijzigd.


mr. N.A. van Opbergen
Mevrouw Van Opbergen heeft dit artikel geschreven naar aanleiding van haar afstudeerscriptie.
Artikel

Draagplicht en regres bij concernfinanciering na twee verrassende uitspraken van de Hoge Raad

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2013
Trefwoorden concernfinanciering, draagplicht, regresrecht, profijtbeginsel
Auteurs Prof. mr. W.J. Oostwouder
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur aan de hand van twee recente arresten die de Hoge Raad heeft gewezen (HR 6 april 2012, LJN BU3784 en HR 13 juli 2012, LJN BW4206) de problematiek omtrent draagplicht en regres bij concernfinanciering. Uit het laatstgenoemde arrest valt af te leiden dat indien er bij of naar aanleiding van concernfinanciering geen afspraken omtrent de draagplicht of het niet-ontstaan van regresrechten zijn gemaakt, de vraag of (en in welke mate) de concernschuld een concernmaatschappij aangaat aan de hand van het profijtbeginsel dient te worden vastgesteld. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag aan wie overeenkomstig de bedoeling van partijen de tegenwaarde van de geldlening ten goede is gekomen. Dat een concernvennootschap toegang heeft tot het krediet betekent nog niet dat zij hier ook van heeft geprofiteerd in die zin dat haar ‘de tegenwaarde van die schuld ten goede is gekomen’. De auteur concludeert dat met dit arrest het dwaalspoor naar het aannemen van solidariteit – draagplicht voor gelijke delen – is afgesneden.


Prof. mr. W.J. Oostwouder
Prof. mr. W.J. Oostwouder is hoogleraar Bedrijfsfinancieel recht aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het enquêterecht voor banken

Annotatie bij Hof Amsterdam (OK) 29 oktober 2012 (Nijl Aircraft Docking)

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2013
Trefwoorden enquêterecht, pandrecht aandelen, noodzaakfinanciering, onmiddellijke voorzieningen, Ondernemingskamer
Auteurs Mr. Ph.W. Schreurs
SamenvattingAuteursinformatie

    In recente literatuur is gewezen op de mogelijkheden die een pandhouder van aandelen heeft om een enquêteverzoek in te dienen en de voordelen die daaraan zijn verbonden. Op 29 oktober 2012 heeft de Ondernemingskamer voor het eerst een verzoek van een pandhoudende bank toegewezen om bij wijze van onmiddellijke voorziening een bestuurder die een herstructurering verhinderde, te schorsen en te vervangen door een onafhankelijke bestuurder. In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op het enquêterecht voor de verschaffers van vreemd vermogen en op deze eerste uitspraak. Het lijkt aannemelijk dat banken deze mogelijkheid vaker zullen gaan aangrijpen.


Mr. Ph.W. Schreurs
Mr. Ph.W. Schreurs is advocaat bij Boels Zanders Advocaten te Eindhoven.
Artikel

Drie opmerkingen bij de ‘Wet bestuur en toezicht’

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2013
Trefwoorden Wet bestuur en toezicht, one tier-organisatiestructuur, two tier-organisatiestructuur, taakverdeling bestuurders, besluitvorming, aansprakelijkheidsrisico bestuurders
Auteurs Mr. C. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 januari 2013 is de ‘Wet bestuur en toezicht’ (samen met de ‘Reparatiewet bestuur en toezicht’) in werking getreden. Deze bijdrage gaat in op drie onderdelen van de wet. Ten eerste de vraag of in een naamloze en besloten vennootschap met een dualistische organisatiestructuur nadere taakverdelingen die worden aangebracht in de onderlinge verhouding tussen de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders noodzakelijk bij of krachtens de statuten moeten worden vastgelegd, of ook zonder zo’n statutaire basis mogelijk zijn. De parlementaire geschiedenis wijst die mogelijkheid – in overeenstemming met art. 2:9 BW – af, maar staat in andere gevallen wel zulke nadere taakverdelingen toe. Dit roept de vraag op waarom de parlementaire geschiedenis op het ene punt terughoudender is dan op het andere punt. Ten tweede geeft art. 2:129a lid 3/239a lid 3 BW aan naamloze en besloten vennootschappen met een monistisch model de mogelijkheid te bepalen dat bestuursbesluiten door één of meer bestuurders kunnen worden genomen, waardoor besluitvorming op die punten door het gehele bestuur niet nodig is. Een uitzondering hierop zijn besluiten in de zin van art. 2:164/274 BW die een vergaande strekking hebben. De auteur verdedigt de stelling dat er meer besluiten zijn die buiten het toepassingsgebied van art. 2:129a lid 3/239a lid 3 moeten blijven: het gaat dan om alle besluiten (en feitelijke beslissingen) die een strategisch karakter hebben. Ten derde bespreekt de auteur het aansprakelijkheidsrisico dat niet-uitvoerende bestuurders lopen in vergelijking met het aansprakelijkheidsrisico dat commissarissen in een dualistisch model lopen. De conclusie is dat de collectieve verantwoordelijkheid voor de bestuurstaak die in een monistisch model op alle, dat wil zeggen op zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende, bestuurders rust, leidt tot een vergroot aansprakelijkheidsrisico van de niet-uitvoerende bestuurders. Dat kan een argument zijn om niet te kiezen voor een monistisch model.


Mr. C. de Groot
Mr. C. de Groot is universitair hoofddocent Ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.
Praktijk

Securitisaties en Islamitisch financieren

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2012
Trefwoorden securitisaties en islamitisch financieren
Auteurs Mr. E.F. Coomans-Piscaer
SamenvattingAuteursinformatie

    Als gevolg van de economische en regulatoire veranderingen van de laatste jaren zijn de investeringsmogelijkheden van Europese investeerders beperkter geworden. Om nieuwe investeerders aan te trekken, zou er gezocht kunnen worden naar investeerders van buiten Europa, zoals investeerders uit het Midden-Oosten en Azië. Een groot gedeelte van de investeerders uit het Midden-Oosten en Azië investeert slechts in structuren die gebaseerd zijn op de beginselen van het islamitisch financieren. Om de Nederlandse securitisatiestructuur voor dergelijke investeerders interessant te maken, dient deze te voldoen aan de vereisten van het islamitisch financieren. Het artikel behandelt globaal de securitisatiestructuur die in Nederland en in het islamitisch financieren worden gebruikt. Ook worden een paar knelpunten aangehaald die van belang kunnen zijn bij het aanpassen van de Nederlandse securitisatiestructuur aan de beginselen van het islamitisch financieren.


Mr. E.F. Coomans-Piscaer
Mr. Coomans-Piscaer is Advocaat bij Loyens & Loeff N.V.
Praktijk

Uitkeren aan aandeelhouders, (hoe) kunnen we dat doen?

Een overzicht na afsluiting van een rumoerig wetgevingsproces

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2012
Trefwoorden FlexBV, artikel 2:216 BW, uitkeren aan aandeelhouders, crediteurenbescherming
Auteurs Mr. I.C.P. Groenland
SamenvattingAuteursinformatie

    Een van de onderwerpen uit de FlexBV wetgeving die op 1 oktober 2012 van kracht is geworden en waar sinds de aanvang van het wetgevingsproces het meest over is geschreven, zijn de uitkeringen aan aandeelhouders. De aanpassing van artikel 216 wordt door de regering beschouwd als basis voor een evenwichtig systeem van crediteurenbescherming. Toch bleek het vinden van draagvlak voor de regeling omtrent uitkeringen een hele dobber. Sinds 1 oktober 2012 hebben we te maken met het nieuwe artikel 2:216 BW bij uitkeringen aan aandeelhouders. De regels veranderen, maar naar inschatting van de auteur verandert voor de meeste vennootschappen het speelveld niet ingrijpend. Een kritiekpunt van de auteur is dat hoewel de striktere formulering van de verhouding tussen aandeelhoudersvergadering en bestuur aansluit bij de gangbare opvattingen over corporate governance, de vastlegging in een dwingendrechtelijke regeling niet zo wenselijk is. Een ruimer kader voor afwijking van de gekozen wettelijke systematiek was wenselijk geweest voor de praktijk.


Mr. I.C.P. Groenland
Mr I.C.P. Groenland is kandidaat-notaris bij Loyens & Loeff N.V. te Rotterdam.
Praktijk

Kartels en concernverhoudingen: extra zorgplicht voor moeders?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2012
Trefwoorden kartelinbreuk, toerekening, boete, concernverhoudingen, mededingingsrecht
Auteurs Mr. S.G.J. Smallegange en mr. L.L. Bremmer
SamenvattingAuteursinformatie

    Een boete voor een kartelinbreuk van een dochteronderneming kan aan een moedermaatschappij worden toegerekend als zij een economische eenheid vormen en de moeder een beslissende invloed uitoefent. De Europese Commissie gaat hierbij uit van een weerlegbaar vermoeden als de moeder 100% van het kapitaal bezit, waarbij de moeder het bewijs moet aandragen dat zij geen beslissende invloed heeft gehad op de dochter. Hoe zit dat bij andere posities van moedermaatschappijen? Bij de beoordeling kijkt de Commissie naar de feiten en omstandigheden van het geval. Overlap in besturen, management en zelfs negatieve zeggenschap kunnen beslissende invloed creëren. De moeder doet er daarom goed aan – voordat zij wordt geconfronteerd met een overtreding – inzichtelijk te hebben of zij als een economische eenheid gezien wil worden.


Mr. S.G.J. Smallegange
Mr. S.G.J. Smallegange is als advocaat werkzaam bij de vakgroep Europees en Mededingingsrecht AKD te Brussel.

mr. L.L. Bremmer
Mr. L.L. Bremmer is als advocaat werkzaam bij de vakgroep Europees en Mededingingsrecht AKD te Brussel.
Casus

Ongewenste paulianadreiging voor redders in nood

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2012
Trefwoorden pauliana, faillissementspauliana, wetenschap, benadeling, herfinanciering
Auteurs Mr. T. Hekman en mr. J. de Koning Gans
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij de herfinanciering van een noodlijdende onderneming zal een bank (aanvullende) zekerheden verlangen. Komt de onderneming ondanks het nieuw verkregen krediet alsnog te failleren, dan kan een curator de verstrekte zekerheden trachten te vernietigen met een beroep op de faillissementspauliana. De Hoge Raad heeft zich laatstelijk over deze problematiek uitgesproken in ABN AMRO/Van Dooren q.q. III. In deze bijdrage komen de auteurs tot de conclusie dat de door de Hoge Raad ingeslagen weg onwenselijk is. Ook wordt door hen betoogd dat de in ABN AMRO/Van Dooren q.q. III geformuleerde maatstaf geen toepassing zou moeten vinden bij bonafide reddingsoperaties door de bank.


Mr. T. Hekman
Mr. T. Hekman is advocaat bij AKD te Amsterdam.

mr. J. de Koning Gans
Mr. J. de Koning Gans is advocaat bij Post Advocaten te Barneveld.
Praktijk

De verbeterde geschillenregeling: meer potentieel dan wellicht wordt gedacht

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2012
Trefwoorden geschillenregeling, vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, art. 2:335-2:343c BW, flex-bv
Auteurs Mr. drs. H.T. Verhaar
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel behandelt de wijzigingen in de geschillenregeling die op 1 oktober 2012 in werking treden als onderdeel van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. De auteur gaat dieper in op een vijftal wijzigingen die de snelheid en aantrekkelijkheid van de geschillenregeling bevorderen. De conclusie is dat hoewel verdere aanpassingen in de geschillenregeling reeds zijn aangekondigd, de huidige wijzigingen de geschillenregeling al veel populairder kunnen maken. De verbeterde geschillenregeling heeft meer potentieel dan wellicht wordt gedacht.


Mr. drs. H.T. Verhaar
Mr. drs. H.T. Verhaar is advocaat bij NautaDutilh NV in Rotterdam.
Casus

Verbintenissen en verplichtingen in het vennootschapsrecht

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2012
Trefwoorden vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard, art. 2:192 BW, verplichtingen aandeelhouders
Auteurs Prof. mr. J.B. Huizink
SamenvattingAuteursinformatie

    In het nieuwe art. 2:192 BW uit de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht staat onder meer dat de statuten met betrekking tot alle aandelen of aandelen van een bepaalde soort of aanduiding kunnen bepalen dat verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard, jegens de vennootschap of een derde of tussen aandeelhouders, aan het aandeelhouderschap zijn verbonden. De woorden ‘verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard’ behoeven een nadere toelichting en worden in deze bijdrage geanalyseerd. De conclusie is dat art. 2:192 BW zich niet uitstrekt tot verplichtingen van niet-vermogensrechtelijke aard.


Prof. mr. J.B. Huizink
Prof. mr. J.B. Huizink is hoogleraar Ondernemingsrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en verbonden aan het Zuidas Instituut voor Financieel recht en Ondernemingsrecht (ZIFO).
Casus

Enkele AFM-boetebesluiten ter zake van overkreditering langs de lat van het bepaalbaarheidsgebod

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2012
Trefwoorden AFM, bepaalbaarheidsgebod, bestuurlijke boete, boetebesluit, overkreditering
Auteurs Mr. C.F.J. van Tuyll
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage staat de vraag centraal of de AFM, als deze tot beboeting overgaat, de door haar voorgestane invulling van het financiële voorschrift vooraf voldoende kenbaar maakt aan de markt. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalbaarheidsgebod dat via de band van art. 7 EVRM van toepassing is op bestuurlijke boetes. De auteur onderzoekt aan de hand van diverse boetebesluiten die de AFM in 2010-2011 wegens overkreditering aan kredietverstrekkers als Rabobank, ING, DSB en ELQ Hypotheken N.V. heeft opgelegd of de AFM de door haar voorgestane invulling van bepaling ter zake van overkreditering vooraf voldoende helder kenbaar heeft gemaakt aan de markt. Na het wettelijk kader van het overkrediteringsvoorschrift te hebben geschetst, gaat de auteur in op de algemene gedachte achter de open norm. Voorts worden de diverse boetebesluiten van de AFM die aan de geselecteerde kredietverstrekkers zijn opgelegd, besproken en beoordeeld. Bij de beoordeling of de AFM zich wel voldoende rekenschap heeft gegeven van het bepaalbaarheidsgebod staat centraal of de boeteoplegging voor ondertoezichtstaanden in voldoende mate te voorzien was, in het licht van eerder door de AFM gegeven interpretaties ten aanzien van het voorschrift.


Mr. C.F.J. van Tuyll
Mr. C.F.J. van Tuyll is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Casus

De verpanding van absoluut toekomstige vorderingen

HR 3 februari 2012, LJN BT6947 (Dix q.q./ING)

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2012
Trefwoorden stil pandrecht, verzamelpandakte, Selbsteintritt, rangregeling, Registratiewet
Auteurs Mr. F. van Buchem en Mr. B. de Man
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad heeft op 3 februari 2012 in het arrest Dix q.q./ING geoordeeld dat banken, voor zover zij beschikken over een geldige volmacht, vorderingen van kredietnemers op derden via een verzamelpandakte rechtsgeldig aan zichzelf kunnen verpanden. Bevestigd is aldus dat via de verzamelpandakteconstructie ook absoluut toekomstige vorderingen binnen het systeem van art. 3:239 BW stil kunnen worden verpand. In deze bijdrage onderzoeken de auteurs de wenselijkheid van een wetswijziging, inhoudende dat ook absoluut toekomstige vorderingen stil kunnen worden verpand.


Mr. F. van Buchem
Mw. mr. F. van Buchem is advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.

Mr. B. de Man
Mr. B. de Man is advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.
Toont 101 - 120 van 455 gevonden teksten
1 2 3 4 6 8 9 10 22 23
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.