Zoekresultaat: 319 artikelen

x
Artikel

Het Wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (Wcz): een versterking van medezeggenschapsrechten van de cliënt(enraad)?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 5 2012
Trefwoorden cliënt, cliëntenraad, medezeggenschap, Wcz, WMCZ
Auteurs Mr. X.R. Ras en mr. dr. G.W. van der Voet
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de nieuwe medezeggenschapsregeling in het Wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (Wcz) en wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ). Deze wijzigingen blijken – overeenkomstig het doel van de Wcz – op veel punten te leiden tot een versterking van de rechtspositie van de cliënt(enraad). Anderzijds kunnen kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de inperking van het toepassingsgebied van de nieuwe medezeggenschapsregeling ten opzichte van het toepassingsgebied van de huidige WMCZ. Tot slot wordt geconstateerd dat een aantal mogelijkheden tot (verdere) verbetering van de medezeggenschapsregeling onbenut is gebleven.


Mr. X.R. Ras
Xandra Ras is werkzaam als cliëntenraad ondersteuner bij Stichting Onder Een Dak.

mr. dr. G.W. van der Voet
Gerdien van der Voet is als arbeidsrechtadvocaat verbonden aan de Branchegroep Zorg van AKD en daarnaast als universitair docent verbonden aan de Erasmus School of Law (ESL).
Jurisprudentie

Het beding van artikel 7:613 BW: toepassingsgebied, de relatieve zwaarte van de ‘613’-maatstaf en het vereiste van schriftelijkheid

HR 18 maart 2011, JAR 2011/108 m.nt. Zondag en JIN 2011/320 m.nt. Van der Voet (Monsieurs c.s./Wegener)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2012
Trefwoorden Wijzigingsbeding, artikel 7:613 BW, ‘613’-maatstaf en schriftelijkheid, Monsieurs/Wegener
Auteurs Prof. mr. L.G. Verburg
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad markeert in het Monsieurs/Wegener-arrest het collectieve karakter van het ‘613’-beding en laat ruimte voor een (klankbord)functie van deze wetsbepaling in individuele situaties. De auteur gaat in op het doel en de strekking van artikel 7:613 BW en behandelt de relatieve zwaarte van de maatstaf van het ‘613’-beding ten opzichte van artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 7:611 BW. De auteur slaat in zijn annotatie een brug naar het leerstuk van Stoof/Mammoet. Ten aanzien van het vereiste van schriftelijkheid verdedigt de annotator dat het oordeel van de Hoge Raad in overeenstemming is met de aard van het ‘613’-beding. Gezien de ontwikkelingen in de manier van communiceren en gelet op het uitgangspunt dat aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag ligt dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt, lijkt de tijd rijp voor vernieuwende gezichtspunten over het vereiste van schriftelijkheid.


Prof. mr. L.G. Verburg
Prof. mr. L.G. Verburg is hoogleraar arbeidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Mr. E.J. Daalder
Mr. E.J. Daalder is advocaat bij Pels Rijcken te Den Haag en lid van de redactie van Tijdschrift voor Toezicht.
Diversen

De rol van de ondernemingsraad bij het bevorderen van de kwaliteit van intern toezicht

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 1 2012
Trefwoorden governance, ondernemingsraad, aanbevelingsrecht, zelfevaluatie
Auteurs Prof. dr. B.E. Baarsma
SamenvattingAuteursinformatie

    Ondernemingsraden maken op dit moment nog te weinig gebruik van wettelijke rechten, zoals het aanbevelingsrecht. Het heeft volgens mij daarom geen zin om nieuwe wettelijke regelingen in het leven te roepen, zoals een verplichting om de ondernemingsraad bij de zelfevaluatie van de raad van commissarissen te betrekken. Bovendien werken wettelijke regelingen niet per se de gewenste cultuurverandering in de hand, maar verworden de regels tot papieren tijgers die leiden tot schijntransparantie.


Prof. dr. B.E. Baarsma
Prof. dr. B.E. Baarsma is algemeen directeur van SEO Economisch Onderzoek en bijzonder hoogleraar Marktwerking- en mededingingseconomie aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam. Tevens is zij lid van de redactie van Tijdschrift voor Toezicht.

    Since in the Netherlands only about a quarter of the employees is a member of a trade union, collective labour agreements are, in the majority of cases, legally binding not by law (i.e.: trade union members are automatically bound), but only by way of incorporation clauses in the labour contracts of employees. In this way, about 85% of employees is bound by the provisions of a collective labour agreement. The interpretation and application of such clauses have, in legal practise, at least partially a non-contractual character in order to accommodate other interests than the employee's freedom of contract. The author analyses legal practise regarding this matter and concludes that the non-contractual approach of incorporation clauses is under pressure, which threatens the system of collective labour law.


Ronald Mr. Beltzer
Artikel

Winstuitkeringen aan private investeerders in de zorg

De omzetting van een ‘zorgstichting’ in een ‘zorg-bv’

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2012
Trefwoorden zorginstelling, zorgstichting, winstuitkering, Wet toelating zorginstellingen
Auteurs Mr. Q. Keukens en Mr. L.B. Vissers
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nederlandse gezondheidszorg is van oudsher een sterk van overheidswege gereguleerde sector. Ook heden ten dage is dat nog steeds in grote mate het geval. De afgelopen jaren zien we echter dat steeds meer private investeerders hun intrede doen in de zorg. Met de komst van private investeerders verandert vaak ook de rechtsvorm van de zorginstelling: de aloude stichting wordt omgezet in (onder meer) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv) of coöperatie. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij enkele juridische aspecten die verbonden zijn aan de participatie van private investeerders in de zorgsector en de stappen die dienen te worden gezet bij omzetting van een ‘zorgstichting’ in een ‘zorg-bv’.


Mr. Q. Keukens
Mr. Q. Keukens is advocaat bij BANNING Advocaten N.V. te Den Bosch.

Mr. L.B. Vissers
Mr. L.B. Vissers is advocaat bij BANNING Advocaten N.V. te Den Bosch.

Prof. mr. C.J. Loonstra
Jurisprudentie

2012/2 Governancecommissie Gezondheidszorg 1 november 2011 (m.nt. prof. mr. J.G. Sijmons)

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 1 2012
Trefwoorden Governancecommissie gezondheidszorg, Zorgbrede Governancecode
Samenvatting

    Governancecommissie gezondheidszorg; benoeming bestuurder in strijd met Zorgbrede Governancecode: klacht tegen schending gegrond.

Jurisprudentie

Vrijheid van meningsuiting op de werkplek in twee maten en gewichten: de werknemer mag blaffen, de ‘watchdog’ wordt gemuilkorfd

EHRM 21 juli 2011, Application nr. 28274/08 (Heinisch/Duitsland) en EHRM 12 september 2011, Application nr. 28955/06, 28957/06, 28959/06 en 28964/06 (Palomo Sanchez e.a./Spanje)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden klokkenluiders, vrijheid van meningsuiting op de werkplek, private en publieke sector, vakverenigingsvrijheid, EVRM
Auteurs Prof. dr. F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens de zomermaanden oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over twee verzoekschriften waarin de vrijheid van meningsuiting van werknemers centraal stond. De eerste zaak (Heinisch/ Duitsland) betrof naar de woorden van het Hof een zaak van whistle-blowing (klokkenluiders). Een werkneemster maakte van haar vrijheid van meningsuiting gebruik om extern wantoestanden in de onderneming aan te klagen die een kwestie van algemeen belang raken. In de tweede zaak (Sanchez e.a./Spanje) onderzocht een Grote Kamer het ontslag op staande voet van enkele vakbondsleden wegens een naar de mening van de werkgever diffamerende cartoon in een interne vakbondspublicatie. Deze cartoon hield verband met een juridisch geschil tussen de vakbond en de werkgever dat in de Spaanse rechtbanken werd uitgevochten. In deze zaak wordt ook aan de vakverenigingsvrijheid getoetst. Een onderliggende vergelijking van beide zaken laat toe te appreciëren of werknemers in de uitoefening van een vertegenwoordigend mandaat dat zij van aangesloten vakbondsleden hebben gekregen, over een grotere dan wel een kleinere expressievrijheid beschikken dan geïsoleerde werknemers die ‘onrecht’ aanklagen. De relevantie van de aard van de ondernemingsactiviteit (publieke of private sector) en de arbeidsverhouding (ambtenaar/contractueel) wordt bekeken. Na een afzonderlijke analyse van beide zaken, een beschouwing over de tussenkomst van de vakbond in de zaak Heinisch en een beschouwing over de formele methodologie van het Hof worden beide arresten vanuit enkele kernvragen rond expressievrijheid op de werkplek op een meer vergelijkende wijze beschouwd.


Prof. dr. F. Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is als hoogleraar verbonden aan onderzoekscentrum Crides Jean Renauld van de Université catholique de Louvain.
Jurisprudentie

De Hoge Raad en het wijzigingsontslag

HR 24 december 2010, JAR 2011/20 (Woonzorg) en HR 24 december 2010, LJN BO2420

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden ontslagrecht, gesloten stelsel, sociaal rechtvaardig ontslag, wijzigingsontslag, Änderungskündigung
Auteurs mr. N. Gundt
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van twee uitspraken van de Hoge Raad van 24 december 2010 wordt in deze bijdrage het wijzigingsontslag nader onderzocht. In de eerste plaats wordt geconstateerd dat het wijzigingsontslag in Nederland op basis van de huidige regelgeving slechts in de vorm van het deeltijdontslag mogelijk is. Nu de Hoge Raad desondanks het wijzigingsontslag lijkt te hebben aanvaard, is de voornaamste vraag hoe deze ontslagvorm in goede banen kan worden geleid. Onderzocht wordt in hoeverre het Duitse recht hierbij van nut kan zijn, aangezien daar het wijzigingsontslag niet alleen gecodificeerd is, maar ook in rechtspraak en literatuur veelvuldig wordt verfijnd. Ten slotte worden eisen en voorwaarden geïdentificeerd die in de toekomst aan een wijzigingsontslag zouden moeten worden gesteld.


mr. N. Gundt
Mw. mr. N. Gundt is universitair docent Arbeidsrecht aan de Universiteit Maastricht.
Hoofdartikel

Grensoverschrijdende overgang van onderneming

Een analyse van de bevoegde rechter en het toepasselijke recht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden grensoverschrijdend, overgang, onderneming, IPR, werknemersbescherming, rechtsmacht, toepasselijk recht
Auteurs mr. F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Nederlandse ondernemers besteden steeds vaker de ondernemingsactiviteiten uit aan ondernemers in het buitenland. Dergelijke grensoverschrijdende transacties kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de werknemers. Zij krijgen niet alleen te maken met een buitenlandse werkgever, maar eventueel ook met een verplaatsing van de ondernemingsactiviteit naar het buitenland. In deze bijdrage wordt nagegaan of Richtlijn 2001/23 EG inzake overgang van onderneming eveneens de rechten van deze werknemers beschermt. Aandacht komt toe aan de vraag welke nationale rechter rechtsmacht heeft en aan de hand van welk (implementatie)recht de claims inzake de toepassing van de Richtlijn worden beoordeeld. De auteur komt tot de conclusie dat de Richtlijn op het punt van het toepasselijke recht aanpassing behoeft.


mr. F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is als docent/onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

Financiële dienstverlening binnen groepsverband bezien vanuit fiscaal perspectief

Met de nadruk op de onzakelijke lening

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2011
Trefwoorden onzakelijke lening, afwaarderingsverlies, groepsgarantie
Auteurs Drs. S. den Boer
SamenvattingAuteursinformatie

    Met het certificaathouders-uitkoop-arrest van 9 mei 2008 heeft de Hoge Raad een nieuw begrip in het fiscaal recht geïntroduceerd: de onzakelijke lening. Onder de onzakelijke lening wordt in dit verband verstaan een geldverstrekking aan een gelieerde partij die onder zodanige voorwaarden en omstandigheden heeft plaatsgevonden dat daarbij door die geldverstrekking een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Daar een dergelijke lening niet geacht wordt te zijn verstrekt uit zakelijke motieven, maar uit aandeelhoudersmotieven is een afwaarderingsverlies – als liggende in de aandeelhouderssfeer – fiscaal niet aftrekbaar. In deze bijdrage wordt allereerst aangegeven welke plaats de onzakelijke lening in het fiscaal recht inneemt te midden van de zakelijke lening en de lening die fiscaal volledig wordt geherkwalificeerd in eigen vermogen. Vervolgens wordt ingegaan op een viertal vragen die het certificaathouders-uitkoop-arrest heeft opgeroepen en de gevolgen van het arrest voor andere vormen van financiële dienstverlening binnen groepsverband. Afgesloten wordt met een aantal aandachtspunten voor de praktijk.


Drs. S. den Boer
Drs. S. den Boer is werkzaam als fiscalist bij Simmons & Simmons te Amsterdam.

    In Agenda worden lezingen, conferenties en andere evenementen aangekondigd.

    The Dutch Labour Inspectorate, that is allotted with the task of supervising the Dutch Working Conditions Legislation, is one of the public bodies currently envisaged by the Dutch government for a reduction in staff. Also, the Inspectorate is being amalgamated with two other supervising bodies under the responsibility of the minister of Social Affairs. This article analyses whether these developments are in line with international labour law (notably ILO convention 81, the Labour Inspection Convention 1947). It is asserted that both the reduction in staff and the reorganisation constitute a breach of ILO Convention 81. Instead of reducing the number of inspectors, the number should in fact be doubled to meet the ILO Standard in this respect. Also, the Inspectorate should be given the means to further build its expertise (notably in the field of occupational diseases and emerging risks). Furthermore, the independence from politically motivated policies should be strenghtened.


Dr. Jan Popma
Artikel

De rechtspersoon als enquêtegerechtigde

Tijdschrift Vennootschap & Onderneming, Aflevering 11 2011
Trefwoorden wetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht, toegang tot enquêteprocedure, rechtspersoon, vennootschap, enquêtegerechtigden
Auteurs Mr. S.C. van Gendt
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur het wetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht dat op 8 september 2011 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Er wordt met name ingegaan op de uitbreiding van de kring van enquêtegerechtigden met de rechtspersoon zelf. De auteur plaatst enkele kanttekeningen bij het wetsvoorstel.


Mr. S.C. van Gendt
Mr. S.C. van Gendt is werkzaam als advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.

    In the Netherlands, the legal consequences of a transfer of undertaking are especially unclear - or even: unreasonable - in the case of collective labour agreements. At the current state of affairs, employers will be bound by rights and obligations contained in those agreements even after the agreement itself has expired. Moreover, employees may, under certain circumstances, pick their labour conditions from different collective agreements and pick the most favourable ones (cherry picking). The author seeks to find a solution to these and other problems relating to the transfer of collective labour agreements.


Ronald Mr. Beltzer
R.M. Beltzer is UHD arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht aan de UvA.

    Boekbespreking van I. Asscher Vonk, Rechtvaardigheid in de arbeidsrelatie


Prof. dr. F. Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is als hoogleraar verbonden aan onderzoekscentrum Crides Jean Renauld van de Université catholique de Louvain.
Jurisprudentie

Arbeidsovereenkomst en privaatrechtelijke dienstbetrekking: dezelfde betekenis en uitlegcriteria?

Hoge Raad 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN BP3887, JAR 2011/109, m.nt. C.J. Loonstra, NJ 2007, 449

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2011
Trefwoorden privaatrechtelijke dienstbetrekking, arbeidsovereenkomst, gezagsverhouding, partijbedoeling, feitelijke uitvoering
Auteurs Prof. mr. C.J. Loonstra
SamenvattingAuteursinformatie

    De civiele rechter neemt sinds het arrest Groen/Schoevers (JAR 1997/263) bij de beantwoording van de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW hebben gesloten, zowel in ogenschouw hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan, als de wijze waarop zij feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. Of de fiscale rechter en de socialeverzekeringsrechter deze twee aspecten eveneens in hun beoordelingen of van een (privaatrechtelijke) dienstbetrekking kan worden gesproken, moeten betrekken, is lange tijd niet duidelijk geweest. Uit de rechtspraak van deze twee rechters kan in ieder geval worden afgeleid dat zij de partijbedoeling een uiterst bescheiden rol hebben toebedeeld. In het arrest De Gouden Kooi van de (fiscale kamer van de) Hoge Raad is (voor het eerst) expliciet overwogen dat ook de socialeverzekeringsrechter zowel partijbedoeling als feitelijke uitvoering in zijn beschouwing moet betrekken (de fiscale rechter heeft dit gedaan). Betoogd wordt dat dit desondanks geen (ingrijpende) gevolgen zal hebben voor de eigen accenten die de CRvB en de Hoge Raad (fiscale kamer) tot nu toe altijd hebben gelegd bij hun uitleg van de (privaatrechtelijke) dienstbetrekking.


Prof. mr. C.J. Loonstra
Prof. mr. C.J. Loonstra is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Collectief ontslag niet meer omzeild

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2011
Trefwoorden collectief ontslag, WMCO, gelijkgesteld ontslag
Auteurs Dr. mr. J.H. Even en Mr. B. Filippo
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage brengt het voorstel van wet ‘Wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van deze wet’ in kaart. Dit wetsvoorstel wordt getoetst aan de Richtlijn collectief ontslag. In het bijzonder onderzoeken de auteurs van deze bijdrage (1) of de Richtlijn deze wetswijziging voorschrijft en, zo neen, (2) of de Richtlijn deze wetswijziging toestaat. Om deze vragen te kunnen beantwoorden analyseren de auteurs onder andere (1) de definitie van ontslag, (2) de definitie van gelijkgesteld ontslag, (3) het verschil in rechtsgevolgen tussen beide vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, (4) het ontslag tijdens faillissement, en (5) de timing inclusief de verplichting tot het in acht nemen van de wachttijd. Deze analyse richt zich op zowel de Richtlijn als de WMCO. Zij concluderen dat de WMCO na de wetswijziging een stuk beter aansluit bij de Richtlijn dan dat deze wet nu doet. Sommige voorgestelde wetswijzigingen gaan verder dan de Richtlijn voorschrijft, andere aspecten van de (nieuwe) WMCO zullen (nog steeds) niet richtlijnconform zijn.


Dr. mr. J.H. Even
Dr. mr. J.H. Even is advocaat bij SteensmaEven te Rotterdam.

Mr. B. Filippo
Mr. B. Filippo is advocaat bij SteensmaEven te Rotterdam.
Toont 121 - 140 van 319 gevonden teksten
1 2 3 4 5 7 9 10 11 15 16
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.