Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 217 artikelen

x

Prof. mr. R.P.J.L. Tjittes
Prof. mr. R.P.J.L. Tjittes is advocaat en partner bij BarentsKrans.

J. Kampman LL.B.
J. Kampman LL.B. is masterstudent privaatrecht en strafrecht aan de UvA; diens masterscriptie heeft als basis gediend voor dit artikel.
Artikel

Het voorstel voor een Omgevingswet – goed voor natuur en milieu?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2013
Trefwoorden Omgevingswet, toetsversie, natuur en milieu
Auteurs Prof. dr. Ch.W. Backes
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van de in februari 2013 gepubliceerde toetsversie van de Omgevingswet gaat de auteur in op de gevolgen van het wetsvoorstel voor natuur en milieu. Er worden ook aandachtspunten benoemd die in het belang van natuur en milieu in acht moeten worden genomen bij de uitwerking van de onderliggende regelgeving. Daarbij wordt aandacht besteed aan de algemene systematiek van de wet, de normstelling door de formele wetgever, de projectprocedure, de programmatische aanpak, de rechtsbescherming, de handhaving, de m.e.r. en de zorgplichten in het wetsvoorstel.


Prof. dr. Ch.W. Backes
Prof. dr. Ch.W. (Chris) Backes is hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Maastricht.

Prof. mr. G.A. van der Veen
Mr. G.A. van der Veen is advocaat te Rotterdam.
Hoofdartikel

Uniform of gedifferentieerd arbeidsrecht

Een nationaal en rechtsvergelijkend onderzoek naar de rechtvaardiging en toekomst van bijzondere arbeidsverhoudingen

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2013
Trefwoorden bijzondere arbeidsverhoudingen, uniform, differentiatie, rechtsvergelijking, gelijkheidsbeginsel, kwalificatievraag
Auteurs Prof. mr. dr. A.R. Houweling en Mr. dr. G.W. van der Voet
SamenvattingAuteursinformatie

    In 1907 heeft de wetgever bewust gekozen voor een uniforme wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst. Een gedifferentieerd stelsel van afzonderlijke arbeidsrechtelijke regelingen voor bijzondere beroepsgroepen werd uitdrukkelijk van de hand gewezen. Zo’n stelsel zou namelijk slechts aanleiding geven tot afbakeningsproblemen en rechtsonzekerheid. Inmiddels heeft zich evenwel – niettegenstaande dit uitgangspunt − een ‘waaier’ aan bijzondere arbeidsverhoudingen ontwikkeld. Gezien de parlementaire geschiedenis van de huidige wettelijke regeling in titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek, zou men verwachten dat het creëren (of handhaven) van afwijkende regelingen voor bepaalde arbeidsverhoudingen uitdrukkelijk door de wetgever is/wordt gemotiveerd en dat aan de vormgeving van dergelijke bijzondere arbeidsverhoudingen bewuste keuzes en/of principes ten grondslag liggen. In dit artikel onderzoeken de auteurs welke bijzondere arbeidsverhoudingen er zijn en in hoeverre daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het tweede deel van dit onderzoek analyseren de auteurs de trends en ontwikkelingen van bijzondere arbeidsverhoudingen in de Europese Unie. De auteurs concluderen dat voor een groot aantal bijzondere arbeidsverhoudingen geen rechtvaardigingsgronden (meer) bestaan. Voorts concluderen de auteurs dat ook in het buitenland geen rechtvaardigingsgronden zijn aangetroffen voor onderscheidingen in arbeidsrechtelijke regelingen. Zij wijzen erop dat bepaalde ontwikkelingen in het buitenland – met name ingegeven vanuit het gelijkheidsbeginsel en EU-recht – laten zien dat eerder een verregaande uniformering in plaats van verdergaande differentiatie valt te verwachten. Het gebruik van open normen – zoals in Nederland het geval is – zal in deze ontwikkeling een belangrijke rol spelen.


Prof. mr. dr. A.R. Houweling
Prof. mr. dr. A.R. Houweling is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law.

Mr. dr. G.W. van der Voet
Mw. mr. dr. G.W. van der Voet is universitair docent aan de Erasmus School of Law en arbeidsrechtadvocaat bij AKD.
Artikel

Het omgevingsplan en de omgevingsvergunning: de voor de praktijk belangrijkste ruimtelijke instrumenten van de Omgevingswet

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Omgevingswet, ruimtelijke ordening, omgevingsplan, omgevingsvergunning, projectbesluit
Auteurs Mr. W.J. Bosma
SamenvattingAuteursinformatie

    Aan de hand van de toetsversie van de Omgevingswet van februari 2013 beoordeelt de auteur de ruimtelijke-ordeningsinstrumenten in het wetsvoorstel. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Daarnaast komen ook het projectbesluit, de algemene regels en de provinciale omgevingsverordening aan bod.


Mr. W.J. Bosma
Mr. W.J. (Willem) Bosma is advocaat bij Van der Feltz advocaten te Den Haag.

Prof. mr. G.A. Biezeveld
Prof. mr. G.A. (Gustaaf) Biezeveld is emeritus hoogleraar milieurecht en tevens redactielid van TO.
Artikel

Kroniek Nederlands mededingingsrecht 2012

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2013
Trefwoorden kroniek, regelgeving, mededingingsafspraken, machtspositie, procedurele aangelegenheden
Auteurs Mr. A.R. Bosman, mr. E. Oude Elferink, mr. R.N.A. Nieuwmeyer e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2012 viel op het gebied van het nationaal mededingingsrecht het nodige te beleven. In deze kroniek passeren de interessantste zaken en ontwikkelingen de revue. Zoals gebruikelijk beperken de auteurs zich tot de bespreking van besluiten van de NMa en zaken die hun oorsprong vinden in een besluit van de NMa of daarmee verband houden.


Mr. A.R. Bosman
Mr. A.R. Bosman is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

mr. E. Oude Elferink
Mr. E. Oude Elferink is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

mr. R.N.A. Nieuwmeyer
Mr. R.N.A. Nieuwmeyer LL.M (Brugge) is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. A.P.C. Hazelhoff
Mr. A.P.C. Hazelhoff is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.
Artikel

Het ex-Monti II-voorstel: ‘Paard van Troje’ of zege voor sociale grondrechten?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2013
Trefwoorden grondrechten, vrij verkeer, stakingsrecht, proportionaliteitstoets, sociaal beleid, Monti II
Auteurs Mr. dr. S.A. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    Nu de poging van de EU-wetgever om met het zogenoemde Monti II-voorstel economische en sociale rechten te verzoenen voorlopig gestrand lijkt, wordt het juridisch kader voor de uitoefening van het recht op collectieve actie in grensoverschrijdende situaties in de EU nog steeds bepaald door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder door de Viking-, Laval- en Rüffert-zaken.
    Centraal in deze bijdrage staat de vraag: in hoeverre was de Monti II-verordening in staat om een bijdrage te leveren aan een beter evenwicht tussen sociale grondrechten en economische Verdragsvrijheden? En wat zijn, nu het voorstel is ingetrokken, mede in het licht van het Verdrag van Lissabon, alternatieven om tot een meer harmonische relatie tussen de botsende sociale en economische rechten te komen?
    Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting van 21 maart 2012, COM(2012) 130.


Mr. dr. S.A. de Vries
Mr. dr. S.A. de Vries is universitair hoofddocent Europees recht en Jean Monnet-leerstoelhouder EU-internemarktrecht en grondrechten.
Artikel

Beroepenwetgeving: in de pas met de praktijk?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 3 2013
Trefwoorden beroepenwetgeving, indeling beroepen, titelbescherming, bescherming patiënt
Auteurs Mr. D.Y.A. van Meersbergen
SamenvattingAuteursinformatie

    In de afgelopen jaren zijn bestaande beroepen in de individuele gezondheidszorg verder gedifferentieerd en zijn binnen beroepen en specialismen expertisegebieden, aandachtgebieden, subspecialisaties en specialistische aandachtsgebieden ontstaan. Hierdoor biedt de Wet BIG geen eenduidige regeling meer voor beroepen in de individuele gezondheidszorg. Door de veelheid aan beroepstitels is het de vraag of de burger nog wel in staat is om aan de hand daarvan de juiste deskundige te onderscheiden. Het gevaar bestaat dat het publiek in verwarring raakt. Als gekeken wordt naar het doel van de wet en het middel dat daarvoor gebruikt wordt, kan worden geconcludeerd dat deze niet meer in verhouding zijn en dat het systeem een update nodig heeft.


Mr. D.Y.A. van Meersbergen
Mr. D.Y.A. (Diederik) van Meersbergen werkt als jurist bij de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.
Artikel

Hudzinski: Verdere inbreuk op de exclusieve werking van de aanwijsregels van Verordening 2004/883/EG inzake de coördinatie van sociale zekerheid

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1/2 2013
Trefwoorden Sociale zekerheid migrerende werknemers, Aanwijsregels, Exclusieve werking, Aansluiting verzekering, Samenloop van uitkeringen
Auteurs Mr. A.P van der Mei en H. van der Most
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest Hudzinski bevestigt het Hof van Justitie de in het arrest Bosmann getrokken conclusie dat de zogenoemde exclusieve werking van de aanwijsregels van het coördinatieregime voor de sociale zekerheid niet impliceert dat een andere dan de bevoegde staat geen uitkeringen mag toekennen. Het Hof van Justitie gaat in Hudzinski echter een stap verder door uit te maken dat de verdragsregels inzake vrij verkeer een niet-bevoegde lidstaat mogelijk zelfs kunnen gebieden uitkeringen toe te kennen.


Mr. A.P van der Mei
A.P. van der Mei is universitair hoofddocent, Maastricht Center for European Law (MCEL), Universiteit Maastricht.

H. van der Most
H. van der Most is senior juridisch beleidsadviseur, Directie Juridische Zaken, Sociale verzekeringsbank.
Jurisprudentie

Grenzeloze problemen bij grensoverschrijdende arbeid

De IPR-systematiek van het EVO-Verdrag en de Rome I-Verordening nader beschouwd, HR 3 februari 2012, LJN BS8791, JAR 2012/69 (Schlecker/Boedeker)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2012
Trefwoorden EVO-Verdrag, Rome I-Verordening, toepasselijk recht, vrij werknemersverkeer, VWEU
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien een werknemer in een ander land werkzaamheden verricht dan waar hij zijn dienstverband heeft, bevindt de (reikwijdte van zijn) arbeidsovereenkomst zich niet langer onder de glazen stolp van één nationaal rechtsstelsel. De stap over de grens maakt dat de arbeidsovereenkomst raakvlakken vertoont met meer landen, die elk hun eigen normen, waarden en regels kennen inzake het arbeidsrecht. Die eigenheid van het nationale arbeidsrecht maakt de vraag naar het toepasselijke recht relevant. Dat het antwoord hierop niet altijd eenduidig is te geven, blijkt uit de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012. De Hoge Raad stelt in dit arrest twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het EVO-Verdrag indien sprake is van een permanente tewerkstelling in het ene land terwijl alle overige omstandigheden op een nauwe verbondenheid met een ander land wijzen. In deze bijdrage bespreekt de auteur de discussie tussen partijen over het toepasselijke recht in het licht van het EVO-Verdrag (en de Rome I-Verordening). Speciale aandacht gaat uit naar de betekenis van de fundamentele verdragsvrijheid inzake het vrije werknemersverkeer.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens als redactiesecretaris verbonden aan dit blad.
Artikel

Nog geen horizontale rechtstreekse werking van het vrije verkeer van goederen?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2012
Trefwoorden artikel 34 VWEU, vrij verkeer van goederen, horizontale werking, normerings- en certificeringsactiviteiten, bijzondere redenen van particulier belang
Auteurs Mr. dr. H.J. van Harten en mr. T. Nauta
SamenvattingAuteursinformatie

    In brede kring wordt aangenomen dat het vrij verkeer van diensten, werknemers en vestiging onder omstandigheden rechtstreeks doorwerken in horizontale relaties. In de zaak Fra.bo past het Hof van Justitie het leerstuk van de horizontale rechtstreekse werking niet expliciet toe op het vrije goederenverkeer. Zaakspecifiek maakt het Hof van Justitie echter duidelijk dat onder omstandigheden ook een particuliere organisatie als gedaante van ‘publieke macht’ kan worden aangemerkt waarmee haar activiteiten en voorschriften binnen de reikwijdte van het recht betreffende het vrije goederenverkeer vallen. Het Hof van Justitie lijkt hiermee impliciet aan te sluiten bij zijn collectiviteitsredenering inzake het vrij verkeer van diensten, werknemers en de vestigingsvrijheid.


Mr. dr. H.J. van Harten
Herman van Harten is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.

mr. T. Nauta
Thomas Nauta is werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse zaken en schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.

    Bezwaren inzake schending normen van de NB-wet 1998 blijven in casu op grond van het relativiteitsbeginsel buiten beschouwing


Tycho Lam
Column

De voorgenomen wijziging van artikel 13 Zvw – een kleine ingreep aan het hart van de zorgverzekering

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 6 2012
Trefwoorden concentratie, hinderpaalcriterium, vergoeding, zorginkoop, Zvw
Auteurs Mr. drs. J.J. Rijken
SamenvattingAuteursinformatie

    De Minister van VWS heeft een wijziging van artikel 13 Zorgverzekeringswet (Zvw) aangekondigd. Zorgverzekeraars zullen vrij zijn te bepalen of zij een vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bieden en zo ja, wat de hoogte is. Deze bijdrage plaatst enkele kanttekeningen. Het ‘hinderpaalcriterium’, dat in de brief een belangrijke rol speelt, bestaat naar huidig recht niet. Daardoor heeft de voorgenomen wetswijziging slechts een beperkte betekenis. De Europese Richtlijn patiëntenrechten is niet duidelijk over de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg. Daardoor is onzeker of de Zvw zorgverzekeraars vrij mag laten deze vergoeding te bepalen. Ook rijst de vraag hoe ver zorgverzekeraars mogen gaan bij het selectief inkopen van zorg.


Mr. drs. J.J. Rijken
Joris Rijken is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn in Den Haag. Hij dankt mr. A.M. Franse voor haar ondersteunende werkzaamheden. De tekst is afgesloten op 2 juli 2012.
Artikel

Access_open Burgerschap en islam sluiten elkaar niet uit

Indonesische moslims in Nederland

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Indonesian Muslims, migrants, citizenship, integration
Auteurs Jennifer Vos en Sandra van Groningen
SamenvattingAuteursinformatie

    The policy document Integration, commitment and citizenship concludes that the Islam ‘worries parts of the Dutch society’ because of beliefs that according to them are incompatible with the democratic constitutional state. In this article we look at the relationship between Islam en citizenship from within the Indonesian Muslim community in the Netherlands. This article is based on research on positioning and self-definition of Indonesian Muslims in the Netherlands. Indonesian Muslims are in general well integrated in Dutch society. They work or study in the Netherlands and they are active in social life. Newcomers respect the pluriform and democratic legal order they already know from Indonesia. At the same time Indonesian Muslims are remarkably silent in the public debate on Islam. On the one hand this derives from their individualistic and inward interpretation of Islam, on the other hand it derives from their Indonesian national character and it partially comes from the changed political climate in the Netherlands.


Jennifer Vos
J.C.A. Vos MA is master of arts in International Business Communication en master of arts in Religious Studies. Zij is junior onderzoeker bij het Centre for World Christianity and Interreligious Studies, Radboud Universiteit Nijmegen. Zij doet onderzoek naar relaties tussen christen- en moslimmigranten in Nederland. j.vos@ftr.ru.nl

Sandra van Groningen
A.J.B. van Groningen BA is bachelor of arts in Religious Studies en masterstudent Religiewetenschappen en Bestuurskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Voor haar masterstage Religiewetenschappen werkte zij mee aan het onderzoek naar relaties tussen christen- en moslimmigranten in Nederland van het Centre for World Christianity and Interreligious Studies. svangroningen@student.ru.nl

    Een bekende uitzondering op het uitgangspunt van toezicht in twee feitelijke instanties is het appelverbod bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Krachtens art. 7:685 lid 11 BW kan tegen een ontbindingsbeschikking hoger beroep noch cassatie worden ingesteld. Dit roept vragen op met betrekking tot de rechtsbescherming van werknemers en werkgevers, mede gegeven de eisen die daaraan vanuit art. 6 EVRM gesteld kunnen worden. De auteur onderzoekt of het appelverbod in overeenstemming is met de voornoemde hogere norm en of eventuele misslagen in de ontbindingsbeschikking, ondanks het wettelijk appelverbod, hersteld kunnen worden. Aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden van doorbreking van het appelverbod, herstel, herroeping en het leerstuk van de onrechtmatige rechtspraak. Onderzocht wordt of, en zo ja, voor welke gebreken in de ontbindingsbeschikking en de ontbindingsprocedure deze acties uitkomst kunnen bieden.


mr. Vivian Bij de Vaate
Mw. mr. D.M.A. (Vivian) Bij de Vaate is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Prof. dr. E.E.C. van Damme
Prof. dr. E.E.C. van Damme is hoogleraar Economie aan de Universiteit van Tilburg, CentER for Economic Research en co-directeur van TILEC. Tevens is hij redactielid van M&M.
Praktijk

Kroniek Nederlands mededingingsrecht 2011

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2012
Trefwoorden regelgeving, mededingingsafspraken, machtspositie, procedurele aangelegenheden
Auteurs Mr. A.R. Bosman, Mr. E. Oude Elferink, Mr. R.N.A. Nieuwmeyer e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Het verslagjaar 2011 bracht een aardige oogst aan zaken en ontwikkelingen voort. De NMa rondde zes kartelzaken af met een boetebesluit en legde daarmee aan vierendertig ondernemingen een boete op van in totaal 39,7 miljoen euro. Dat bedrag is beduidend lager dan in 2010, maar aanmerkelijk hoger dan in 2009. Twee natuurlijke personen hebben boetes opgelegd gekregen van in totaal 75.000 euro. Aan geen van de kartelzaken die tot boetes hebben geleid is een clementiemelding voorafgegaan. Daar staat tegenover dat in drie zaken gebruik is gemaakt van informatie afkomstig van andere overheidsinstanties. In zes zaken is het onderzoek stopgezet vanwege onvoldoende bewijs.


Mr. A.R. Bosman
Mr. A.R. Bosman is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. E. Oude Elferink
Mr. E. Oude Elferink is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. R.N.A. Nieuwmeyer
Mr. R.N.A. Nieuwmeyer is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.

Mr. A.P.C. Hazelhoff
Mr. A.P.C. Hazelhoff is als advocaat werkzaam bij CMS Derks Star Busmann.
Artikel

De veranderde positie van de verpleegkundige in de Wet BIG

De positie van de verpleegkundige en de verpleegkundig specialist in de Wet BIG na invoering van de Wet taakherschikking

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 3 2012
Trefwoorden experimenteerartikel, taakherschikking, verantwoordelijkheidsverdeling, verpleegkundig specialist, voorschrijfverpleegkundige, Wet BIG
Auteurs Mr. D.Y.A. van Meersbergen
SamenvattingAuteursinformatie

    Recent is aan de Wet BIG een zogenaamd experimenteerartikel toegevoegd. Op grond daarvan mogen onder meer verpleegkundig specialisten tijdelijk bepaalde voorbehouden handelingen indiceren en verrichten. Een regeling via het experimenteerartikel lijkt echter niet goed toe te passen bij beroepen die reeds bestaan, zoals de verpleegkundig specialist. Dit roept verschillende vragen op waar de auteur in dit artikel nader op ingaat. Daarnaast behandelt dit artikel de uitwerking van het experimenteerartikel op de veranderde positie van de verpleegkundige in het beroepenspectrum en de nieuwe verantwoordelijkheden die daarbij horen.


Mr. D.Y.A. van Meersbergen
Diederik van Meersbergen is als jurist werkzaam bij de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.

    Since in the Netherlands only about a quarter of the employees is a member of a trade union, collective labour agreements are, in the majority of cases, legally binding not by law (i.e.: trade union members are automatically bound), but only by way of incorporation clauses in the labour contracts of employees. In this way, about 85% of employees is bound by the provisions of a collective labour agreement. The interpretation and application of such clauses have, in legal practise, at least partially a non-contractual character in order to accommodate other interests than the employee's freedom of contract. The author analyses legal practise regarding this matter and concludes that the non-contractual approach of incorporation clauses is under pressure, which threatens the system of collective labour law.


Ronald Mr. Beltzer
Toont 121 - 140 van 217 gevonden teksten
1 2 3 4 5 7 9 10 11
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.