Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 374 artikelen

x
Artikel

Huurprijsbescherming in strijd met art. 1 EP?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 9 2014
Trefwoorden huurprijsverhoging, art. 1 EP, bescherming van eigendom, ongestoord genot van eigendom
Auteurs Mr. M.L. Tuil
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt aan de hand van het arrest Nobel/Brommert besproken of het Nederlandse stelsel van huurprijsbescherming art. 1 EP schendt, en zo ja, op welke wijze een dergelijke schending kan worden geredresseerd.


Mr. M.L. Tuil
Mr. M.L. Tuil is universitair docent aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

    Overwegingen ten aanzien van de omvang van het normaal maatschappelijk risico.

Artikel

Huurprijsbescherming in strijd met art. 1 EP?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 9 2014
Trefwoorden huurprijsverhoging, art. 1 EP, bescherming van eigendom, ongestoord genot van eigendom
Auteurs Mr. M.L. Tuil
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt aan de hand van het arrest Nobel/Brommert besproken of het Nederlandse stelsel van huurprijsbescherming art. 1 EP schendt, en zo ja, op welke wijze een dergelijke schending kan worden geredresseerd.


Mr. M.L. Tuil
Mr. M.L. Tuil is universitair docent aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.
Artikel

Herziening Tabaksrichtlijn

Over de nieuwe Tabaksrichtlijn en de implicaties voor de Nederlandse rechtsorde

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2014
Trefwoorden interne markt, volksgezondheid, harmonisatie, Richtlijn 2014/40/EU, intellectueel eigendom
Auteurs Mr. R.A. Fröger en Mr. K. de Weers
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 14 maart 2014 is de nieuwe Tabaksrichtlijn 2014/40/EU (hierna: de Richtlijn) vastgesteld. De nieuwe Tabaksrichtlijn brengt een ingrijpende wijziging op het gebied van de productie en distributie van tabaksproducten met zich mee. Op 20 mei 2016 moet de Richtlijn in de Nederlandse wetgeving zijn geïmplementeerd. In deze bijdrage worden de belangrijkste kenmerken van de Richtlijn besproken en wordt kort ingegaan op de gevolgen voor de Nederlandse rechtsorde.
    Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG, Pb. EU 2014, L 127/1.


Mr. R.A. Fröger
Mr. R.A. (Robert) Fröger is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.

Mr. K. de Weers
Mr. K. (Koen) de Weers is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.
Artikel

Grenzen voor de EU-wetgever bij het machtigen van Europese agentschappen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2014
Trefwoorden EU agentschappen, ESMA, Meroni, Romano, institutioneel evenwicht, delegatie
Auteurs Drs. M. Chamon
SamenvattingAuteursinformatie

    Welke bevoegdheden kan de Uniewetgever overdragen aan EU-agentschappen (Europese ZBO's) en welke grenzen dienen hierbij gerespecteerd te worden? Sinds de bestuurlijke verzelfstandigingstendens zich ook op EU-niveau doorzette, vormden deze vragen het voorwerp van debat. Aangezien de Verdragen hier stilzwijgend over zijn, zochten rechtsgeleerden en ook de instellingen houvast in (verouderde) rechtspraak van het Hof van Justitie uit de tijd van de EGKS. In de short selling-zaak heeft het Hof nu voor het eerst zelf antwoord gegeven op deze vragen en dit met betrekking tot een bevoegdheidstoekenning aan de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten.


Drs. M. Chamon
Drs. M. Chamon is assistent en doctoraalonderzoeker aan het Europees Instituut van de Universiteit Gent (Jean Monnet Centre of Excellence).

    Geen aanleiding om vanwege volksgezondheidsrisico’s door geurhinder af te wijken van de afstandsnormen die zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Artikel

Een voorstel voor een effectief rechtsmiddel voor overschrijdingen van het redelijketermijnvereiste

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2014
Trefwoorden artikel 47 Handvest, redelijketermijnvereiste, effectief rechtsmiddel
Auteurs Mr. A.E. Beumer LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 26 november 2013 gaf de Grote Kamer van het Hof van Justitie een belangrijk oordeel in drie mededingingszaken, Kendrion, Groupe Gascogne, en Gascogne Deutschland. De drie uitspraken zullen de boeken ingaan als de uitspraken waarin het Hof van Justitie duidelijkheid verschafte over het rechtsmiddel dat particulieren kunnen instellen wanneer zij op EU-niveau worden geconfronteerd met een schending van het redelijketermijnvereiste. In lijn met eerdere jurisprudentie moest het Hof van Justitie kiezen tussen twee rechtsmiddelen. Ten eerste kon het Hof van Justitie, conform de zaak Baustahlgewebe, een schending vaststellen en vervolgens zelf (als een vorm van genoegdoening) de boete verlagen die de Commissie had opgelegd. Ten tweede kon het Hof van Justitie, in overeenstemming met de zaak Grüne Punkt, opteren voor een aparte schadevergoedingsactie. Het Hof van Justitie maakt een principiële keuze voor het tweede rechtsmiddel.HvJ EU 26 november 2013, zaak C-58/12 P, Groupe Gascogne/Commissie, zaak C-40/12 P, Gascogne Sack Deutschland/Commissie, en zaak C-50/12 P, Kendrion/Commissie, n.n.g.


Mr. A.E. Beumer LLM
Mr. A.E. (Elsbeth) Beumer LLM is als PhD-onderzoeker verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.

    Deskundigenrapportage; marginale toetsing conclusies; aanscherpen criteria

    In judicial review of decisions of administrative authorities courts generally aim towards grounding a judgment on substantively true facts. Such a substantive truth is usually understood as meaning ’that which happened’. But how can true facts be established if the facts have not yet occurred and what implications does this have for judicial review in administrative procedures? In this article this question will be analysed by taking the Dutch Administrative Court’s review of merger decisions of the Dutch Competition Authority - using a substantively close copy of the European merger control assessment framework - as subject of analysis. Judicial review of the substantive assessment in merger control, including the prospective analysis involved and taking into account complexities of economic evidence, will be analyzed and set against the general aim of establishing substantive truth of facts.


Anna Dr. Gerbrandy Ph.D.
Dr. Anna Gerbrandy is associate professor in Public Economic Law at the Europa Institute, Utrecht University.
Artikel

‘Staring at the felony forest’

De complexiteit van risicoprofilering nader in kaart gebracht

Tijdschrift PROCES, Aflevering 1 2014
Trefwoorden profileren, discretionaire bevoegdheden, etniciteit, selectie
Auteurs Tim Dekkers MSc en Mr. dr. Maartje van der Woude
SamenvattingAuteursinformatie

    In the Netherlands, the debate around police profiling has been rather low key – until recently. Now it has turned into a heated discussion with a clear focus on ethnic profiling. This extensive international literature review aims to show that there is more to profiling than just ethnicity. Factors such as behavior and the vehicle someone is driving can be just as important as a person’s looks. The results of this study put profiling in perspective and level the playing field of the debate, in which the side of the organizations using profiling has not gotten enough attention until now.


Tim Dekkers MSc
Tim Dekkers MSc is junior onderzoeker bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden.

Mr. dr. Maartje van der Woude
Mr. dr. Maartje van der Woude ishoofddocent Straf- en strafprocesrecht aan het Instituut voor Strafrecht & Criminologie te Leiden. Zij is tevens redactielid van PROCES.
Jurisprudentie

Lufthansa

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2014
Trefwoorden Lufthansa, staatssteun, openingsbesluit, formele onderzoeksprocedure
Auteurs Berend Jan Drijber en George Dictus
SamenvattingAuteursinformatie

    Is de nationale rechter gebonden aan het besluit van de Europese Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden? Dat vraagt het Oberlandesgericht Koblenz aan het Hof van Justitie in een geschil tussen Deutsche Lufthansa en Flughafen Frankfurt-Hahn GmbH.
    Het Hof van Justitie beantwoordt deze vraag bevestigend: nationale rechters zijn gebonden aan een dergelijk besluit. In deze annotatie gaan de auteurs in op de belangrijkste overwegingen van het Hof van Justitie en de (mogelijke) consequenties van het arrest.
    HvJ EU 21 november 2013, zaak C-284/12, Deutsche Lufthansa AG/Flughafen Frankfurt-Hahn GmbH, n.n.g.


Berend Jan Drijber
Mr. B.J. Drijber is advocaat en partner bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn en tevens redactielid van M&M.

George Dictus
Mr. G.A. Dictus is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.

    In deze bijdrage wordt nader ingegaan op het erfrechtelijke ‘willekeur’-begrip. Volgens de minister is het niet toegestaan dat een erflater een legaat maakt dat afhankelijk is van de willekeur van een ander. Wanneer is hiervan sprake en hoe zwaar dient aan dit, door de minister uitgesproken, ’willekeurverbod’ getild te worden? Aan de hand van een korte beschouwing van het bepaaldheidsvereiste, de corrigerende rol die de redelijkheid en billijkheid in ons vermogensrecht kan spelen, een analyse van het Duitse § 2065 I BGB, de al dan niet toelaatbaarheid van de potestatieve voorwaarde en een vergelijking met de schenking, kan naar het oordeel van de auteur worden gesteld dat voor erfrechtelijke willekeur niet gauw gevreesd hoeft te worden.
    ---
    This contribution examines the definition of arbitrariness in Dutch succession law. According to the Ministry of Justice of the Netherlands, a testator is not permitted to make a bequest subject to the arbitrariness of a third party. What does arbitrariness mean, and how important is this ’prohibition of arbitrariness’? Based on a review of the determinable terms, the role of equity and fairness in Dutch property law, the German provision § 2065 I BGB, the principle of ’potestatieve voorwaarde’, and through comparison with benefactions, the author suggests that there is hardly any risk of arbitrariness in Dutch succession law.


Dr. Nathalie Bauduin
Nathalie Bauduin is a PhD student at the Centre for Notary Law of Radboud University Nijmegen.

    This article examines the subsidy rules as they have developed since the introduction of the subsidy title into the General Administrative Law Act (GALA) fifteen years ago. What did experts at that time consider to be the most important parts of the subsidy title and what were their expectations in that regard? We will consider, for certain selected topics, which main developments have taken place in legal practice over the past fifteen years, based mainly on an analysis of the case law. The most important features and trends will be outlined in this article. Finally, we will consider whether these features and trends can teach us anything about (the development of) the GALA that may still be relevant for the legislator today, when designing general rules of administrative law.


Rianne Jacobs
Rianne Jacobs is raadadviseur bij de Directie Wetgeving van het Ministerie van V&J

Willemien den Ouden
Willemien den Ouden is hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Leiden
Artikel

Aansprakelijkheid lidstaat voor niet-uitvoering milieueffectbeoordeling

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1 2014
Trefwoorden Milieueffectbeoordeling (MER), aansprakelijkheid, relativiteit,, causaliteit, zuivere vermogensschade
Auteurs Mr. E.H.P. Brans
SamenvattingAuteursinformatie

    In het kader van de uitbreiding van een vliegveld is nagelaten een milieueffectbeoordeling (MER) uit te voeren, waardoor de milieueffecten van deze uitbreiding niet zijn onderzocht en ook niet is nagegaan of er alternatieven voorhanden zijn die tot minder geluidsoverlast leiden. Een eigenares/bewoonster van een huis dat in de zone ligt die extra geluidsoverlast ondervindt door de uitbreiding, vordert schadevergoeding stellende dat onrechtmatig is gehandeld doordat is nagelaten een MER uit te voeren. Het Hof van Justitie oordeelt dat de voorkoming van vermogensschade onder het beschermingsbereik van de MER-Richtlijn valt indien dergelijke schade het rechtstreekse economische gevolg is van de milieueffecten van een openbaar of particulier project is. Dat lijkt een stap in de goede richting te zijn voor klaagster, maar aannemelijk gemaakt zal moeten worden dat indien wel een MER was uitgevoerd, niet toch dezelfde schade zou zijn gelden. Kortom, het causaliteitscriterium kan in de weg staan aan een succesvolle claim.
    HvJ EU 14 maart 2013, zaak C-420/11, Leth/Oostenrijk, n.n.g.


Mr. E.H.P. Brans
Mr. E.H.P. (Edward) Brans is senioradvocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn
Jurisprudentie

Verplichte vervroegde pensionering van piloten: leeftijdsdiscriminatie?

HR 13 juli 2012, JAR 2012/209, NJ 2012, 396 (werknemers/KLM en VNV)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden vervroegd pensioenontslag, leeftijdsdiscriminatie, objectieve rechtvaardigingsgronden, legitiem doel, proportionaliteit, motivering
Auteurs T. Jaspers
SamenvattingAuteursinformatie

    Verplicht vervroegd pensioen is een fenomeen dat weliswaar steeds minder voorkomt, maar voor sommige beroepen nog vrij normaal is. Bij luchtvaartmaatschappijen zoals de KLM, maar daar niet alleen, geldt nog steeds een regeling dat piloten ruim voor de AOW-leeftijd, variërend van 56 tot 60 jaar, met pensioen (moeten) gaan. Er geldt een automatisch pensioenontslag. In 2012 heeft de Hoge Raad zich opnieuw moeten buigen over wat door piloten als leeftijdsdiscriminatie wordt aangemerkt. In 2006 had de Hoge Raad dat ook al eens gedaan in soortgelijke zaken. In de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vindt men inmiddels een uitgebreide jurisprudentie op verplicht pensioenontslag. In zijn recente arrest van 2012 volgt de Hoge Raad de lijn van de rechtspraak van het Europese Hof en komt tot de conclusie dat er weliswaar sprake is van ‘onderscheid naar leeftijd’, maar dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat zoals door KLM en de vakbond van piloten was aangegeven. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor deze KLM-piloten, maar gaat verder, omdat het verplichte of automatische pensioenontslag, niet alleen ‘vervroegd’ maar ook op latere leeftijd, zoals dat tegenwoordig vaker voorkomt, hier aan de orde is. In deze annotatie wordt de motivering van de Hoge Raad – en van het hof van Amsterdam in appèl – tegen het licht gehouden en geconfronteerd met de wijze waarop het Europese Hof en de hoogste gerechten in Duitsland en Frankrijk te werk gaan. Er kan gerede twijfel rijzen of de redeneringen in de Nederlandse rechtspraak wel even sound en houdbaar zijn als we in de rechtspraak van het Europese Hof en het Duitse Bundesarbeitsgericht aantreffen. De materie is weerbarstig, dat is wel duidelijk. Zij heeft vele facetten, niet in het minst uit een oogpunt van werkgelegenheidsbeleid, landelijk én lokaal of zelfs op het niveau van de onderneming. In deze annotatie worden de verschillende invalshoeken belicht om tot een oordeel te komen óf en zo ja onder welke voorwaarden een dergelijk onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd zou kunnen zijn en welke eisen gesteld zouden moeten worden aan de motivering ervan.


T. Jaspers
Prof. mr. A.P.C.M. Jaspers is emeritus hoogleraar Sociaal Recht aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Verzamelwetgeving: meer dan een opeenhoping van wijzigingsvoorstellen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2013
Trefwoorden verzamelwetgeving, voorstel van wet
Auteurs mr. W.A.E. Brüheim
SamenvattingAuteursinformatie

    Verzamelwetgeving lijkt met name in de Eerste Kamer een imagoprobleem te hebben. De bezwaren tegen dit type wetgeving hebben echter veelal slechts betrekking op een klein deel van de wetten die in de praktijk met dit begrip worden aangeduid. In deze bijdrage wordt daarom een scherpere definitie van het begrip verzamelwetgeving voorgesteld. Ook wordt ingegaan op een betrekkelijk recente nota waarin criteria worden gegeven om de opportuniteit te beoordelen van het opnemen van een onderwerp in een verzamelwetsvoorstel.


mr. W.A.E. Brüheim
mr. W.A.E. Brüheim is werkzaam als senior juridisch adviseur en coördinator internationale zaken bij de Kiesraad.
Artikel

Europees bankentoezicht (SSM). Juridische en praktische perspectieven

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2013
Trefwoorden Europese toezichthouder, bankenunie, interne markt, bankenregelgeving, Europese Centrale Bank (ECB)
Auteurs Mr. W.H. Bovenschen LL.M, Mr. K. Holtring, Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Voor het vormgeven van het Europese bankentoezicht stond de EU-wetgever voor juridische en praktische uitdagingen. In dit artikel worden enkele hiervan belicht: verdragsgrondslag, bevoegdheidsverdeling tussen de Europese en nationale toezichthouders, rechtsbescherming, governance, toezichttaken ECB, vergunningverlening en -intrekking, relevant Unierecht, home/host-toezicht en de verhouding tot EBA. De praktijk moet uitwijzen of de gekozen oplossingen effectief zijn.Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, Pb. EU 2013, L 287/63-89 (SSM-Verordening);Richtlijn 2013/36/EU betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRD IV);Verordening (EU) nr. 2013/575 over prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRR).


Mr. W.H. Bovenschen LL.M
Mr. W.H. Bovenschen LL.M werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Mr. K. Holtring
Mr. K. Holtring werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M
Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Mr. L. Wissink
Mr. L. Wissink werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.
Artikel

Bank, zorgplicht en derden: enkele lessen voor de bancaire praktijk

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2013
Trefwoorden bank, zorgplicht, derden, beleggersbescherming, onderzoeksplicht
Auteurs Mr. A.J.C.M. Meijs
SamenvattingAuteursinformatie

    Een bank heeft een zorgplicht jegens derden wanneer zij zich realiseert dat mogelijk door een cliënt zonder een vereiste Wft-vergunning wordt gehandeld, waardoor derden schade kunnen ondervinden. De bank moet dan onderzoek doen naar de cliënt. Nadat de bank onderzoek heeft gedaan en ervan overtuigd is dat er niet overeenkomstig de vergunningsplicht wordt gehandeld, moet de bank aan dat gevaar voor beleggers adequaat een einde maken. In de jurisprudentie zijn verschillende mogelijkheden aan de orde geweest, maar zij zijn niet allemaal even adequaat.


Mr. A.J.C.M. Meijs
Mr. A.J.C.M. Meijs is in april 2013 afgestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen op de bancaire zorgplicht jegens derden.
Artikel

Ambtshalve toepassing van consumentenbeschermend EU-recht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2013
Trefwoorden ambtshalve, rechtsstrijd, matiging, onderzoeksplicht, consumenten
Auteurs Mr. dr. A.G.F. Ancery
SamenvattingAuteursinformatie

    Hoe ver reikt de plicht tot ambtshalve toepassing van consumentenrecht? Uit recente jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad volgt dat deze ook rust op de appèlrechter. In deze bijdrage wordt besproken welke gevolgen deze jurisprudentie heeft voor de feitenrechters en hoe zij daar invulling aan kunnen geven.


Mr. dr. A.G.F. Ancery
Mr. dr. A.G.F. Ancery is werkzaam bij het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad der Nederlanden.

    De laatste jaren staat in Nederland definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter sterk in de aandacht. Het in de jurisprudentie van de hoogste Nederlandse bestuursrechtelijke colleges ontwikkelde uitgangspunt dat de bestuursrechter een besluit niet slechts op rechtmatigheid behoort te beoordelen maar ook zo veel mogelijk dient te bezien of het geven van een definitieve oplossing van het geschil mogelijk is, heeft daar geleid tot wetgeving met dezelfde strekking. De landsverordeningen administratieve rechtspraak van Aruba en de voormalige Nederlandse Antillen voorzien nog niet in die wettelijke verplichting en evenmin in een verruiming van de wettelijke bevoegdheden ter uitvoering van die taak. Uit recente jurisprudentie blijkt echter dat het Hof ook met gebruik van de bestaande bevoegdheden zeer wel in staat is geschillen definitief te beslechten. In het artikel worden die bevoegdheden aan de hand van de daarop betrekking hebbende jurisprudentie besproken. Voorts wordt stilgestaan bij de eisen die definitieve geschilbeslechting stelt aan procedure en opstelling van partijen.


Mr. J.Th. Drop
Mr. J.Th. Drop is lid van het Gemeenschappelijk Hof. Hij hoopt in mei 2014 te promoveren aan de UoC op een onderzoek naar de invloed van Nederlandse jurisprudentie op het Caribisch bestuursprocesrecht. Promotor is Prof. L.J.J. Rogier. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel en is een bewerking en uitbreiding van een lezing gehouden op het Symposium ‘Rollen van de overheidsjurist’, gehouden op Curaçao op 25 en 26 april 2013.
Toont 121 - 140 van 374 gevonden teksten
1 2 3 4 5 7 9 10 11 18 19
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.