Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 1997 artikelen

x
Artikel

Het non-concurrentiebeding in de ondernemingsrechtpraktijk: vergeet het mededingingsrecht niet!

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden non-concurrentiebeding, overnames, joint venture, aandeelhoudersovereenkomst, kartelverbod
Auteurs Mr. L.E. Haanraadts en Mr. drs. G. de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt aan de hand van wet- en regelgeving en jurisprudentie het wettelijk kader besproken dat geldt voor non-concurrentiebedingen in overnameovereenkomsten en aandeelhoudersovereenkomsten. Ook worden mogelijke sancties in geval van een inbreuk op het mededingingsrecht behandeld. Afgesloten wordt met enkele aanbevelingen en aandachtspunten bij het opstellen van non-concurrentiebedingen.


Mr. L.E. Haanraadts
Mr. L.E. Haanraadts is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.

Mr. drs. G. de Jong
Mr. drs. G. de Jong is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Artikel

De kerk als werkgever

De spanningsvolle relatie tussen kerkelijk recht en het arbeidsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Kerkgenootschap, Grondrechten, Gelijke behandeling, Tendenswerkgever, Ontslagrecht
Auteurs Wijnand Zondag
SamenvattingAuteursinformatie

    As a special employer, the church has an interest in shaping its own personnel policy in order to achieve the mission and objective. In part, the legislator has met this need. After all, various laws in the field of appointment, terms of employment and dismissal take account of the specific interests of the church as described before. The external border consists of fundamental human rights that are included in the ECHR and the European Directive on equal treatment. It is not always clear where the external border is exactly. The Dutch legislation regarding the battle of ‘church law’ and fundamental rights is not consistent. Moreover, there we notice a tension between national law and the European directive.


Wijnand Zondag
Dr. W. Zondag was van 2003 tot 2015 hoogleraar Arbeidsecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2015 is hij voorganger in een kerkelijke gemeente. Daarnaast publiceert hij op het terrein van het snijvlak religie en recht en verricht hij onder andere promotieonderzoek aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.
Rechtsbescherming

Geheimhouding en openbaarheid in het Europees bankentoezicht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden SSM, beroepsgeheim, openbaarheid bestuur, bankentoezicht, ECB
Auteurs Dr. G. ter Kuile
SamenvattingAuteursinformatie

    Bankentoezichthouders krijgen aardig wat verzoeken om informatie en documenten over banken en bankentoezicht. Maar het beroepsgeheim van bankentoezichthouders verhindert deze openbaarheid van bestuur. In 2018 hebben het Hof van Justitie en het Gerecht de regels over het beroepsgeheim verduidelijkt. Dit artikel bespreekt verschillende aspecten uit vijf arresten van 2018 over geheimhoudingsplichten in het bankentoezicht die op gespannen voet kunnen staan met het ‘transparantiebeginsel’. De aspecten zien op het belang van geheimhouding bij bankentoezicht, op het concept ‘vertrouwelijke informatie’ en dat tijdsverloop de vertrouwelijkheid teniet kan doen, en op de overweging dat het ‘recht op een eerlijk proces’ moet worden afgewogen tegen het belang bij geheimhouding.

    • Gerecht 26 april 2018, zaak T-251/15, Espírito Santo Financial (Portugal)/ECB, ECLI:EU:T:2018:234 (hogere voorziening C-442/18 P.).

    • HvJ 19 juni 2018, zaak C-15/16, BaFin/Baumeister, ECLI:EU:C:2018:464.

    • HvJ 13 september 2018, zaak C-358/16, UBS Europe/CSSF, ECLI:EU:C:2018:715.

    • HvJ 13 september 2018, zaak C-594/16, Buccioni/Banca d’Italia, ECLI:EU:C:2018:717.

    • Gerecht 27 september 2018, zaak T-116/17, Der Spiegel/ECB, ECLI:EU:T:2018:614.

    • Artikel 1, 10 lid 3, 11 VEU.

    • Artikel 15 VWEU.

    • Artikel 37 Statuut ESCB/ECB (Protocol nr. 4).

    • Artikel 41 lid 2 sub b, 42, 47, 48 EU Handvest.

    • Artikel 53 e.v. CRD IV (Richtlijn 2013/36/EU).

    • Artikel 27 SSMR (Verordening (EU) nr. 1024/2013).

    • Artikel 26 en 32 SSM-kaderverordening (Verordening (EU) nr. 468/2014).

    • Besluit ECB/2004/3.


Dr. G. ter Kuile
Dr. G. (Gijsbert) ter Kuile is jurist bij het secretariaat van de raad van toezicht (Supervisory Board) van de Europese Centrale Bank (ECB).
Asiel en migratie

Integratie in het EU-migratierecht; uniformiteit of maatwerk?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden inburgering, verblijfsrechten, objectieve rechtvaardigingsgrond, evenredigheidsbeginsel
Auteurs Mr. H. Oosterom-Staples
SamenvattingAuteursinformatie

    Het arrest C en A is het derde arrest waarin het Hof van Justitie oordeelt over de bevoegdheid van lidstaten om integratievoorwaarden te stellen. Het uitgangspunt, dat kennis van de taal en de samenleving bijdraagt aan de integratie van vreemdelingen in hun gastlidstaat, wordt bevestigd. Dit is ook het geval voor de invulling van de beoordelingsruimte die lidstaten genieten in de uitvoering van deze bevoegdheid; integratievoorwaarden mogen geen selectiemiddel zijn. Integratie komen we ook tegen in de rechtspraak van het Hof van Justitie als doel van een wetgevingsmaatregel dat bepalend is voor de uitleg van rechten in die wetgevingsmaatregel en als objectieve rechtvaardigingsgrond in de context van de stand still-bepalingen in het Associatierecht EEG-Turkije. Zijn de rechtsregels in deze ‘integratierechtspraak’ onderling inwisselbaar, of is de invulling van het begrip integratie afhankelijk van de juridische context waarin het wordt gebruikt? De aanleiding voor deze bijdrage zijn de recente uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken C en A en Yön. Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden worden deze arresten ingebed in de eerdere arresten van het Hof van Justitie over integratie.
    HvJ 7 augustus 2018, zaak C-123/17, Nefiye Yön/Landeshauptstadt Stuttgart, ECLI:EU:C:2018:632 en HvJ 7 november 2018, zaak C-257/17, C en A/Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, ECLI:EU:C:2018:876


Mr. H. Oosterom-Staples
Mr. H. (Helen) Oosterom-Staples is verbonden aan Tilburg University en is vaste medewerker van dit tijdschrift.
Strafrecht

Access_open Het Europees Openbaar Ministerie komt eraan: waakhond of papieren tijger?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden Europees Openbaar Ministerie, EOM, Rechtsbescherming, OLAF, Onderneming
Auteurs Mr. Y. de Vries en Mr. S.J. Lopik
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 augustus 2018 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) bevestigd dat Nederland gaat deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM). Het EOM is een onafhankelijk vervolgingsorgaan dat, in het kort, bevoegd is om strafbare feiten die ten koste gaan van de EU-begroting te onderzoeken, vervolgen en voor de nationale strafrechter te brengen, een taak die tot dusver was voorbehouden aan de nationale vervolgingsautoriteiten (in Nederland het Openbaar Ministerie). Dit past in een trend waarbij de Unie, die historisch gezien indirect handhaaft, steeds vaker aan directe handhaving doet. Ook past het bij een Unie die steeds meer strafrechtelijke taken naar zich toetrekt: waar strafrechtelijke samenwerking tot het Verdrag van Lissabon nog behoorde tot de derde pijler, bestaan inmiddels meerdere Europeesrechtelijke strafrechtelijke agentschappen, waaronder Eurojust, Europol en OLAF. Er wordt ook wel gesproken van een europeanisering van het Nederlands strafrecht. De ambities van de Commissie voor het EOM strekken echter verder dan alleen het bestrijden van fraude. In deze bijdrage gaan wij in op de achtergrond van het EOM, de inrichting en taken van het EOM en de betekenis daarvan voor personen en ondernemingen die verdacht worden van strafbare feiten die binnen de bevoegdheid van het EOM vallen.
    Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie(‘EOM’), PbEU 2017, L 283/1-71
    Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, PbEU 2017, L 198/29-41


Mr. Y. de Vries
Mr. Y. (Yvo) de Vries is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.

Mr. S.J. Lopik
Mr. S.J. (Sjoerd) Lopik is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Het mededingingsrechtelijke speelveld bij bestuursakkoorden

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 2 2019
Trefwoorden bestuursakkoorden, mededingingsrecht, Unietrouw, nuttig effect, wetsvoorstel duurzaamheidsinitiatieven
Auteurs Mr. G.J. van Midden
SamenvattingAuteursinformatie

    Afspraken die overheden en ondernemingen in bestuursakkoorden maken kunnen in strijd komen met de (Europese) mededingingsregels. Daarbij lopen niet alleen de ondernemingen een risico, ook overheden riskeren het verwijt tot mededingingsbeperkende gedragingen ‘aan te zetten’ en daarmee de nuttige werking van de mededingingsregels in gevaar te brengen. In een recent wetsvoorstel heeft de regering een wettelijk systeem voorgesteld, waarmee duurzaamheidsinitiatieven van de mededingingsregels kunnen worden uitgezonderd. Dit wetsvoorstel lijkt ook interessant voor bestuursakkoorden. Het is echter onzeker of deze wet in lijn is met het Europese recht. Alternatieven, waaronder de leer van de inherente beperkingen, zijn denkbaar. Zekerheid hierover zal echter van de Commissie of het Hof van Justitie moeten komen.


Mr. G.J. van Midden
Mr. G.J. (Gijs) van Midden is EU-jurist bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Artikel

Overgang van de prepack naar een bruikbaar(der) instrument

Over de huidige relevantie van de prepack en overgang van onderneming in faillissement

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden prepack, overgang van onderneming, WCO I, Smallsteps, ETO-redenen
Auteurs Mr. H.J. de Kloe
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt onderzocht of de prepack na Smallsteps nog relevant is voor de praktijk. Daarnaast wordt ingegaan op een mogelijke oplossing om de prepack weer relevant te maken: toepassing van de OVO-regeling op alle doorstarts in faillissement. Deze mogelijkheid wordt onderzocht met behulp van een vergelijking met Engels recht.


Mr. H.J. de Kloe
Mr. H.J. de Kloe is wetenschappelijk docent ondernemingsrecht en financieel recht bij de sectie Handels- en Ondernemingsrecht & Financieel Recht van de Erasmus School of Law te Rotterdam.
Annotatie

Servier: een bittere pil voor de Commissie

Uitspraak van het Gerecht van 12 december 2018, zaak T- 691/14, ECLI:EU:T:2018:922 (Servier e.a./Commissie)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2019
Auteurs Pepijn van Ginneken en Gaëlle Béquet
Auteursinformatie

Pepijn van Ginneken
Mr. P.P.J. van Ginneken is advocaat bij Brinkhof N.V. in Amsterdam.

Gaëlle Béquet
Mr. G.D.G.M.G. Béquet is advocaat bij Brinkhof N.V. in Amsterdam.
Artikel

Samenwerking in de landbouw en de mededingingsregels

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2019
Trefwoorden ProducentenOrganisatie, kartelverbod, Verordening inzake de gemeenschappelijke marktordening, uitsluiting toepassing mededingingsregels, Afwijking kartelverbod
Auteurs Maria Litjens en Thomas van Rijn
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nederlandse regering wil de wetgeving aanpassen om samenwerking in de landbouw te stimuleren. De meest recente Europese PO-regels (2018) zouden de basis moeten zijn, maar deze regels zijn niet duidelijk en niet afgestemd op de uitspraak van het Hof van Justitie in de Franse witlofzaak (2017). In dit artikel werken we uit hoe de Europese benadering uitgelegd kan worden. Het Hof van Justitie spreekt over uitsluiting waardoor bij een PO het kartelverbod niet van toepassing is, terwijl de Europese wetgever alleen een afwijking aangeeft. Dit verschil in benadering en ook de complexe regelgeving maakt het invullen van de regels op nationaal niveau lastig maar niet ondoenlijk. De Nederlandse overheid moet aansturen op verheldering van de Europese PO-regels en kan tegelijkertijd naar het voorbeeld van de Duitse regelgeving haar nationale regels verbeteren.


Maria Litjens
Mr. M.E.G. Litjens was werkzaam binnen Wageningen Universiteit en heeft in september 2018 bij de Universiteit van Groningen haar proefschrift over samenwerking binnen PO’s afgerond.

Thomas van Rijn
Mr. T.P.J.N. van Rijn was als juridisch hoofdadviseur verbonden aan de Juridische Dienst van de Europese Commissie.
Kroniek

Kroniek civiele rechtspraak mededingingsrecht 2018

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2019
Auteurs Marieke Bredenoord-Spoek en Stijn de Jong
Auteursinformatie

Marieke Bredenoord-Spoek
Mr. M.G. Bredenoord-Spoek is werkzaam als advocaat bij Stibbe.

Stijn de Jong
Mr. S. de Jong is werkzaam als advocaat bij Stibbe.
Jurisprudentie

De professionele voetballer en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Sporter, Ontslagrecht, Ontslagvergoeding, FIFA
Auteurs Mr. dr. Roberto Branco Martins
SamenvattingAuteursinformatie

    Contractstabiliteit in het internationale voetbal versus de vergoeding bij de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de voetballer. De auteur gaat in op de eigenaardigheden van dit onderwerp en concludeert dat een intro van een objectieve rekenmethode de gelijkheid tussen werkgever en werknemer meer in balans brengt.


Mr. dr. Roberto Branco Martins
Roberto Branco Martins is advocaat bij BMDW Advocaten en als docent verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Vrij verkeer

Een overwinning voor vrijverkeersrechten van regenboogfamilies in Europa: het langverwachte Coman-arrest

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden vrij verkeer van Unieburgers, artikel 21 VWEU, koppels van hetzelfde geslacht, Burgerschapsrichtlijn 2004/38/EG, recht op familieleven (art. 7 Handvest)
Auteurs H.H.C. Kroeze LL.M. en B. Safradin LL.M.
SamenvattingAuteursinformatie

    In Coman heeft het Hof van Justitie voor het eerst uitspraak gedaan over het recht op gezinshereniging van een EU-burger met zijn partner van hetzelfde geslacht op basis van de Burgerschapsrichtlijn (Richtlijn 2004/38/EG). De vraag van de verwijzende Roemeense rechter heeft betrekking op de kwestie of een derdelander die gehuwd is met een EU-burger van hetzelfde geslacht als ‘echtgenoot’ van een Unieburger in de zin van het EU-recht aangemerkt kan en moet worden. Het Hof van Justitie beantwoordt die vraag bevestigend. Het arrest Coman is een overwinning voor de LHBTI-gemeenschap, omdat het Hof van Justitie met dit arrest lidstaten verplicht de burgerlijke staat van getrouwde homoseksuele koppels te erkennen voor wat betreft de uitoefening van de vrijverkeersrechten. Deze annotatie bespreekt zowel de implicaties als de beperkingen van het arrest. Het is bijvoorbeeld nog onduidelijk hoe ver de gelijke behandeling van koppels van hetzelfde geslacht strekt en of zij via het EU-recht ook toegang kunnen krijgen tot andere rechten die aan het huwelijk gekoppeld zijn, zoals socialezekerheidsrechten. Daarnaast legt het arrest de kwestie van omgekeerde discriminatie opnieuw bloot.
    HvJ 5 juni 2018, zaak C-676/16, Relu Adrian Coman e.a./Inspectoratul General pentru Imigrari, Ministerul Afacerilor Interne, ECLI:EU:C:2018:385.


H.H.C. Kroeze LL.M.
H.H.C. (Hester) Kroeze LL.M. is promovenda in het Europees recht aan de Universiteit van Gent.

B. Safradin LL.M.
B. (Barbara) Safradin LL.M. is junior onderzoeker verbonden aan het ETHOS-project en docente Europees recht aan de Universiteit van Utrecht.
Rechtsbescherming

De ‘space to think’ in de Eurowob na De Capitani en ClientEarth

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden Eurowob, toegang tot documenten, transparantie, ‘space to think’, besluitvorming EU
Auteurs Y.C. Bijl LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage worden twee recente uitspraken besproken waarin de EU-rechter zich heeft uitgelaten over de vraag of in het kader van de Eurowob een beroep op een ‘space to think’ kan volstaan om een document niet te openbaren. Het concept van de ‘space to think’ zweeft al enige tijd rond in de rechtspraak inzake de Eurowob maar de precieze contouren van het concept en wanneer er een geslaagd beroep op kan worden gedaan zijn niet duidelijk. Deze bijdrage beoogt meer helderheid daarin te brengen.


Y.C. Bijl LLM
Y.C. (Yannick) Bijl LLM is jurist bij de afdeling Europees Recht van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Rechtsbescherming

Access_open PPU, PPA en behandeling met voorrang. Drie mechanismen voor een snellere behandeling van prejudiciële verwijzingen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden Hof van Justitie, prejudiciële verwijzing, PPU, PPA, behandeling met voorrang
Auteurs Mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie behandelt een prejudiciële verwijzing in beginsel volgens de standaardprocedure. Als de zaak noopt tot een snellere afdoening, dan kan echter van deze procedure worden afgeweken. Zo kan de president van het Hof van Justitie op verzoek van de nationale rechter of ambtshalve beslissen de spoed- of de versnelde procedure toe te passen of een prejudiciële verwijzing met voorrang te behandelen. Dit artikel biedt een overzicht van deze afwijkingen van de standaardprocedure.


Mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
Mr. J.R.K.A.M. (Jim) Waasdorp is werkzaam als jurist bij de Onderzoeksdirectie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en is daarnaast buitenpromovendus bij de Universiteit Utrecht.
Telecommunicatie

Een nieuw telecomkader: het Europees wetboek voor elektronische communicatie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden Elektronische communicatie, Telecommunicatie, Radiospectrum, Ex ante regulering, 5G, ACM, Internationaal bellen
Auteurs Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde en Mr. P.C. Knol
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 17 december 2018 verscheen de nieuwe Richtlijn tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie in het Publicatieblad. Op diezelfde dag werd ook de nieuwe Berec-verordening gepubliceerd, die ook op 20 december 2018 in werking trad en rechtstreeks toepasselijk is, dus geen omzetting behoeft in de nationale rechtsorde. Veel is vertrouwd en is alleen in een ander jasje gestoken, maar daarnaast zijn er veel detailaanpassingen waarvan het afwachten is wat die gaan betekenen. Hoe dan ook zal dit nieuwe Europese telecomkader tot aanpassingen in de Nederlandse Telecommunicatiewet leiden. In deze bijdrage wordt ingegaan op de totstandkomingsgeschiedenis van het Europees wetboek en de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen voor de praktijk. Ingegaan wordt op de connectiviteitsdoelstelling en het realiseren van zeer snelle vaste en mobiele netwerken, marktregulering, toegangsverplichtingen, universele diensten, eindgebruikersbescherming, nieuwe tariefregulering voor internationaal bellen en het institutioneel kader.
    Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, PbEU 2018, L 321/36 (hierna: de richtlijn).


Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
Prof. mr. G.P. (Gera) van Duijvenvoorde is als bijzonder hoogleraar Telecommunicatierecht verbonden aan eLaw van de Universiteit Leiden en is advocaat-in-dienstbetrekking bij KPN.

Mr. P.C. Knol
Mr. P.C. (Paul) Knol is bedrijfsjurist bij KPN en gastdocent bij eLaw.
Wetenschap

Vennootschappelijke medezeggenschap onder druk

Sluit de structuurregeling nog aan op de economische werkelijkheid?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2019
Trefwoorden structuurregeling, medezeggenschap, raad van commissarissen, werknemers
Auteurs Mr. H. van Roosmalen en Mr. H. Koster
SamenvattingAuteursinformatie

    Het adagium van medezeggenschap, dat ‘zij de zeggenschap volgt’, ligt ten grondslag aan de in 1971 ingevoerde structuurregeling. Het doel dat destijds met deze regeling werd nagestreefd, betrof het verschaffen van een stem aan werknemers op het hoogste niveau binnen de onderneming. De structuurregeling moest dus voorzien in de groeiende behoefte aan vennootschappelijke medezeggenschap. In dit artikel analyseren de auteurs de Nederlandse structuurregeling voor naamloze en besloten vennootschapen. Ook is er enige aandacht voor rechtsvergelijking met het Duitse recht. De kernvraag die de auteurs beantwoorden, is in hoeverre het vennootschappelijke medezeggenschapsrecht op basis van de structuurregeling in Nederland nog het beoogde effect heeft.


Mr. H. van Roosmalen
Mr. H. (Hidde) van Roosmalen is momenteel bezig met het afronden van de master Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht en heeft de master Onderneming en recht aan dezelfde universiteit in 2018 succesvol afgerond.

Mr. H. Koster
Mr. H. (Harold) Koster is verbonden aan de Erasmus School of Law en aan de Universiteit van Dubai.
Wetenschap en praktijk

Bevoegde rechter en toepasselijk recht bij de actio pauliana

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2019
Trefwoorden actio pauliana, bevoegde rechter, forum shopping, toepasselijk recht
Auteurs Mr. drs. P. van Asperen
SamenvattingAuteursinformatie

    In oktober 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) duidelijk gemaakt in welke lidstaat partijen een vraagstuk over de actio pauliana aan een rechter kunnen voorleggen. In eerdere arresten gaf het HvJ vooral aan wat niet mogelijk was. Volgens het HvJ volgt de bevoegdheid van een rechter mede uit de contractuele relatie tussen schuldeiser en schuldenaar. Dit betekent dat de schuldeiser veelal in de eigen lidstaat naar de rechter kan stappen. De schuldeiser heeft de mogelijkheid van forum shopping. Het HvJ zegt niets over het toepasselijke recht. Aannemelijk is dat het recht dat de actio pauliana beheerst, wordt bepaald door het recht dat op de benadelende rechtshandeling van toepassing is.


Mr. drs. P. van Asperen
Mr. drs. P. (Peter) van Asperen is senior jurist bij de Autoriteit Consument & Markt en als buitenpromovendus internationale financiering verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Annotatie

Sociale zekerheid en controle op detacheringen binnen de EU. Nieuwe wending in de rol van de detacheringsverklaringen bij fraude

HvJ EU 6 februari 2018, zaak C-359/16 (Altun e.a./Openbaar Ministerie)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Europese Unie, Detachering, Sociale zekerheid, A1-verklaringen, Fraude
Auteurs Prof. mr. H. Verschueren
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage annoteert het arrest Altun (C-359/16) van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de betekenis van de A1-verklaringen bij de toepassing van de Europese socialezekerheidscoördinatie (Verordening 883/2004). Deze zaak ging over de controle die de ontvangstlidstaten kunnen uitoefenen op de correcte toepassing van de regels met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving bij detachering binnen de EU. Dit artikel gaat op de eerste plaats dieper in op de voorwaarden met betrekking tot de toepassing van deze detacheringsregels en op de tot nog toe bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie over de betekenis van de detacheringsverklaringen. Het licht dan verder toe hoe het Hof aan deze rechtspraak een nieuwe wending heeft gegeven door de rechter van de ontvangstlidstaat de mogelijkheid te geven om, indien fraude kan worden aangetoond, deze verklaringen naast zich neer te leggen en zijn eigen socialezekerheidswetgeving toe te passen. Het concludeert dat deze rechtspraak de mogelijkheden om fraude en sociale dumping tegen te gaan slechts in beperkte mate heeft uitgebreid.


Prof. mr. H. Verschueren
Prof. mr. H. Verschueren is gewoon hoogleraar Europees en internationaal sociaal recht aan de Universiteit Antwerpen. Hij doet vooral onderzoek naar de juridische aspecten van grensoverschrijdende tewerkstelling (arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht) en naar de sociale rechten van migrerende Unieburgers. Zie voor meer gegevens: en www.uantwerpen.be/nl/personeel/herwig-verschueren/.
Annotatie

Arbeidstijdregulering en oproeparbeid

HvJ EU 21 februari 2018, C-518/15 (Stad Nijvel/Rudy Matzak)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2019
Auteurs Prof. mr. W.L. Roozendaal
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Matzak-arrest breidt het Hof van Justitie EU het begrip arbeidstijd - onder voorwaarden - uit tot thuis doorgebrachte wachttijd. Het arbeidstijdenrecht biedt tot dusver slechts beperkte bescherming tegen oproeparbeid, terwijl de daaraan verbonden onzekerheid de gezondheid en het welzijn van steeds grotere groepen werknemers bedreigt. In deze bijdrage wordt onderzocht voor welke oproepcontracten het aanmerken van wachttijd als arbeidstijd soelaas biedt, waarbij tevens wordt ingegaan op het verband met de WML en de oproeptermijn in de Wet Arbeidsmarkt in Balans.


Prof. mr. W.L. Roozendaal
Prof. mr. dr. W.L. Roozendaal is bijzonder hoogleraar socialezekerheidsrecht en uhd arbeidsrecht aan de VU.
Annotatie

Wettelijke maximering van de vertrekvergoeding onder de Wbfo: géén verplichting voor de rechter tot ambtshalve toepassing

HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Wbfo, Vertrekvergoeding, ambtshalve toepassing, openbare orde
Auteurs Mr. drs. A.M. Helstone
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:818) heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de procesrechtelijke status van het wettelijk maximum voor de vertrekvergoeding van bestuurders ex artikel 1:125 lid 2 Wft. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling geen regel van openbare orde die ex artikel 25 Rv ambtshalve door de rechter zou moeten worden toegepast. In deze annotatie worden de relevante gezichtspunten voor de verplichting tot ambtshalve toepassing ex artikel 25 Rv geanalyseerd. Tevens wordt stilgestaan bij de oorsprong en de doelstellingen van de beloningsnormen van de Wft en de Europese regels. Hiermee wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de bredere gedachtevorming over de duiding van wettelijke beloningsnormen als onderdeel van publiekrechtelijke regulering in het civiel procesrecht en de hiervoor geldende rechterlijke toetsing.


Mr. drs. A.M. Helstone
Mr. drs. A.M. Helstone is advocaat en partner bij Stibbe te Amsterdam. Zij behaalde naast haar doctoraal Nederlands recht ook een doctoraal Franse taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Thans is zij gespecialiseerd in arbeidsrecht en pensioenrecht. Een bijzonder specialisme binnen haar praktijk richt zich op beloningsgerelateerde onderwerpen op het snijvlak van het arbeidsrecht, de Wft en de WNT. Hierover schrijft en publiceert zij regelmatig.
Toont 1 - 20 van 1997 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 49 50
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.