Zoekresultaat: 127 artikelen

x
Artikel

Het mededingingsrechtelijke speelveld bij bestuursakkoorden

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 2 2019
Trefwoorden bestuursakkoorden, mededingingsrecht, Unietrouw, nuttig effect, wetsvoorstel duurzaamheidsinitiatieven
Auteurs Mr. G.J. van Midden
SamenvattingAuteursinformatie

    Afspraken die overheden en ondernemingen in bestuursakkoorden maken kunnen in strijd komen met de (Europese) mededingingsregels. Daarbij lopen niet alleen de ondernemingen een risico, ook overheden riskeren het verwijt tot mededingingsbeperkende gedragingen ‘aan te zetten’ en daarmee de nuttige werking van de mededingingsregels in gevaar te brengen. In een recent wetsvoorstel heeft de regering een wettelijk systeem voorgesteld, waarmee duurzaamheidsinitiatieven van de mededingingsregels kunnen worden uitgezonderd. Dit wetsvoorstel lijkt ook interessant voor bestuursakkoorden. Het is echter onzeker of deze wet in lijn is met het Europese recht. Alternatieven, waaronder de leer van de inherente beperkingen, zijn denkbaar. Zekerheid hierover zal echter van de Commissie of het Hof van Justitie moeten komen.


Mr. G.J. van Midden
Mr. G.J. (Gijs) van Midden is EU-jurist bij de Afdeling advisering van de Raad van State.

Cees Dekker
Mr. C.T. Dekker is advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen N.V. en redacteur van dit tijdschrift.

Ekram Belhadj
Mr. E. Belhadj is advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen N.V.
Staatssteun

Naar een nieuwe selectiviteitstoets in het staatssteunrecht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden Staatssteun, Selectiviteit, Artikel 107 lid 1 VWEU, Effects based approach, Referentieregeling
Auteurs Mr. dr. A.D.L. Knook
SamenvattingAuteursinformatie

    Op grond van artikel 10 lid 1 VWEU is slechts sprake van staatssteun indien bepaalde ondernemingen of bepaalde producties worden begunstigd. In de praktijk wordt al snel aangenomen dat aan dit selectiviteitscriterium wordt voldaan. Uit twee ontwikkelingen sinds eind 2016 in de jurisprudentie over dit criterium volgt echter dat deze aanname relativering behoeft. In dit artikel wordt stilgestaan bij de vraag welke gevolgen deze twee ontwikkelingen in de praktijk (kunnen) hebben.

    • HvJ 14 januari 2015, zaak C-518/13, Eventech, ECLI:EU:C:2015:9.

    • HvJ 21 december 2016, zaak C-524/14 P, Lübeck, ECLI:EU:C:2016:971.

    • HvJ 20 december 2017, zaak C-70/16 P, Comunidad Autónoma de Galicia en Retegal/Commissie, ECLI:EU:C:2017:1002.


Mr. dr. A.D.L. Knook
Mr. dr. A.D.L. (Allard) Knook is Partner Staatssteun/EU bij PwC.
Rechtsbescherming

Access_open PPU, PPA en behandeling met voorrang. Drie mechanismen voor een snellere behandeling van prejudiciële verwijzingen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden Hof van Justitie, prejudiciële verwijzing, PPU, PPA, behandeling met voorrang
Auteurs Mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie behandelt een prejudiciële verwijzing in beginsel volgens de standaardprocedure. Als de zaak noopt tot een snellere afdoening, dan kan echter van deze procedure worden afgeweken. Zo kan de president van het Hof van Justitie op verzoek van de nationale rechter of ambtshalve beslissen de spoed- of de versnelde procedure toe te passen of een prejudiciële verwijzing met voorrang te behandelen. Dit artikel biedt een overzicht van deze afwijkingen van de standaardprocedure.


Mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
Mr. J.R.K.A.M. (Jim) Waasdorp is werkzaam als jurist bij de Onderzoeksdirectie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en is daarnaast buitenpromovendus bij de Universiteit Utrecht.
Objets trouvés

Recht is niet alleen recht als er recht op staat

Over het (h)erkennen van de rechtskracht van private normen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2018
Trefwoorden normalisatie, meetinstructie, prejudiciële vragen, status en rechtsgevolgen
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    Met het Achmea/Rijnberg-arrest van de Hoge Raad leek een doorbraak te zijn bereikt inzake de doorwerking van private regelgeving in het recht. Wanneer partijen het onderling eens zijn over de toepasselijkheid van bijvoorbeeld gedragscodes, toetst de Hoge Raad er ook aan zonder de juridische status ervan te beoordelen. De vraag wat te doen wanneer de relevantie van private regelgeving tussen partijen wordt betwist, blijkt echter een veel lastiger te nemen hobbel. Recente jurisprudentie over normalisatienormen toont aan dat het in zo’n geval buitengewoon complex is om te bepalen welke rechtsgevolgen aan private regels moeten worden verbonden. Wettelijke (h)erkenningsregels die de rechter behulpzaam kunnen zijn bij het kwalificeren en waarderen van private regels worden in die situatie node gemist. Hier ligt ook een taak voor wetgevingsjuristen. De vraag is alleen of één algemeen wettelijk kader voor uiteenlopende vormen van private regelgeving momenteel al haalbaar is. Werken met experimenteerbepalingen zou wel eens vruchtbaarder kunnen blijken te zijn. Dergelijke bepalingen zullen alleen werken wanneer wetgevingsjuristen, die ze moeten opstellen, zich eerst verdiepen in de schaduwwereld van private normen waarop deze bijdrage enig licht probeert te werpen.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. (Rob) van Gestel is hoogleraar Regulering en Juridische methoden en technieken aan de Tilburg Law School.
Annotatie

Over marktdefinitie en bewijslast in de moderne economie: het Amerikaanse Hooggerechtshof in Amex

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2018
Trefwoorden Amerikaans Hooggerechtshof, netwerkeffecten, tweezijdige markt, bewijslast, digitale economie
Auteurs Jotte Mulder
SamenvattingAuteursinformatie

    Onder leiding van de Amerikaanse Staat Ohio heeft een groep van staten American Express aangeklaagd voor een overtreding van de Amerikaanse antitrustregels. De zaak draait om de mededingingsrechtelijke beoordeling van verticale restricties die worden opgelegd aan een groep afnemers van Amex. Amex hanteert zogenoemde ‘anti-steering’ voorwaarden die winkeliers verbiedt op enigerlei wijze concurrerende creditcards aan te prijzen of te bevoordelen in de winkel. De uitspraak van het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten geeft aanleiding tot een reflectie op de wijze waarop binnen een mededingingsrechtelijke analyse moet worden omgegaan met indirecte netwerkeffecten op tweezijdige platformmarkten, met name vanuit het perspectief van de rol van marktdefinitie en bewijslast.


Jotte Mulder
Mr. dr. J. Mulder is werkzaam bij de ACM en tevens universitair docent op de Universiteit van Utrecht. Deze annotatie is geschreven op persoonlijke titel. Dank gaat uit naar de redactie voor enkele zeer nuttige opmerkingen op een eerdere versie van dit stuk.
Jurisprudentie

Annotatie bij beschikking Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3104

Tijdschrift Caribisch Juristenblad, Aflevering 2 2018
Trefwoorden internationaal executierecht, artikel 429n Rv, artikel 989 lid 2 Rv, arbitraal vonnis, Curaçao
Auteurs Mr. J.P. de Haan
SamenvattingAuteursinformatie

    Tenuitvoerlegging van Zwitsers arbitraal vonnis op Curaçao. Welke appeltermijn geldt voor beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging: artikel 429n lid 2 Rv (zes weken) dan wel artikel 989 lid 2 Rv van Curaçao (een maand)? Geldt een in Nederland op grond van het Verdrag van New York gegeven verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke of arbitrale beslissing ook in de andere landen van het Koninkrijk? Reikwijdte artikel 40 Statuut voor het Koninkrijk.


Mr. J.P. de Haan
Mr. J.P. de Haan is raadsheer bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

    With a Belgian law of June, 18 2018, the principle of the voluntary nature of mediation was affected. A lot of critical comments can be made at this point. The scope of the obligation is not clear. Mandatory mediation raises the threshold to the court and has as effect that many cases are not handled in the most appropriate way. The bar doesn’t support the measure. Research is needed to find out if the new measure is justified.


Tom Wijnant
Tom Wijnant is assistent en doctoraatsonderzoeker aan de UGent. Zijn onderzoek legt de nadruk op de optimalisering van bemiddeling in België, met een focus op de faciliterende rol van de advocatuur.

    Recently, a new law with articles concerning mandatory mediation was approved in Belgium. From January 1st, 2019, the judge will be able to refer parties to mediation on a mandatory basis. This article considers if mandatory mediation is a realistic and feasible track in Belgium, focusing on the evolution of alternative dispute resolution in Belgium and in the European Union. The first part will define mediation in Belgium, followed by an analysis of the articles concerning mandatory mediation of the newly passed law. The article will also have a gander at Belgian legal developments to see which initiatives have already been taken towards mandatory dispute resolution. To conclude, an assessment is made if mandatory mediation is a realistic and feasible track in light of the existing evolutions of ADR in Belgium.


Céline Jaspers
Céline Jaspers is doctoraatsbursaal aan de UHasselt. Voordien was zij advocaat-stagiair. Zij behaalde een LLM ‘Dispute Resolution’ aan Pepperdine University. Momenteel bereidt zij een proefschrift voor over ‘De verplichte ADR-poging in scheidingssituaties’.

Dr. G.C.C. Lewin
Dr. G.C.C. Lewin is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Diversen

Representations en warranties

Naar Nederlands en Anglo-Amerikaans recht

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Anglo-Amerikaans recht, Representations en warranties, Boilerplate-beding, Garanties, Uitleg
Auteurs Mr. J.W.A. Dousi
Auteursinformatie

Mr. J.W.A. Dousi
Promovendus bij de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

World Duty Free Group: de complexe selectiviteitseis bij fiscale steunmaatregelen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2017
Trefwoorden staatssteun, belastingmaatregelen, fiscale steunmaatregelen, selectiviteit, begunstigde onderneming
Auteurs Mr. G.J. van Midden
SamenvattingAuteursinformatie

    De zaak World Duty Free Group gaat over het selectiviteitsvereiste bij fiscale staatssteun en draait specifiek om de vraag of het voor de vaststelling van de selectiviteit noodzakelijk is dat specifieke kenmerken die de groep begunstigde ondernemingen gemeen hebben, kunnen worden geïdentificeerd. Het Hof van Justitie oordeelt in zijn arrest van niet, omdat een maatregel reeds selectief is indien begunstigde ondernemingen in een gunstiger positie komen te verkeren dan andere ondernemingen, die zich feitelijk en juridisch in een vergelijkbare situatie bevinden, ongeacht de specifieke kenmerken die de begunstigde ondernemingen gemeen hebben. In het artikel wordt deze zeer ruime uitleg van het selectiviteitsvereiste geduid in het licht van eerdere rechtspraak en worden de gevolgen belicht.
    HvJ 21 december 2016, gevoegde zaken C-20/15 P en C-21/15 P, Commissie/World Duty Free Group SA e.a., ECLI:EU:C:2016:981.


Mr. G.J. van Midden
Mr. G.J. (Gijs) van Midden is als advocaat werkzaam bij BarentsKrans N.V. te Den Haag.
Artikel

Weg met het slachtoffer

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 7 2017
Auteurs Peter Plasman

Peter Plasman
Artikel

De jurisdictie van het Hof van Justitie op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2017
Trefwoorden Hof van Justitie, Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid, Politieke en niet-Politieke Besluiten, Beperkende Maatregelen, Prejudiciële Procedure
Auteurs Mr. A.P. van der Mei
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaken H en Rosneft werd het Hof van Justitie in de gelegenheid gesteld de eigen rechtsmacht op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) te verduidelijken. Meer specifiek, het Hof van Justitie werd gevraagd vast te stellen (1) of het bepaalde ‘niet-politieke’ GBVB-besluiten ongeldig kan verklaren (art. 263 VWEU) en (2) of het zich ook in prejudiciële procedures (art. 267 VWEU) kan uitspreken over de geldigheid van GBVB-besluiten die strekken tot het opleggen van sancties aan natuurlijke of rechtspersonen. De arresten maken duidelijk dat de rechtsmacht van het Hof van Justitie ruimer is dan de tekst van de relevante Verdragsbepalingen suggereert.
    HvJ 19 juli 2016, zaak C-455/14 P, H/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie en Politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië-Herzegovina, ECLI:EU:C:2016:569 en HvJ 28 maart 2017, zaak C-72/15, PJSC Rosneft Oil Company, voorheen Rosneft Oil Company OJSC/Her Majesty’s Treasury, Secretary of State for Business, Innovation and Skills, The Financial Conduct Authority, ECLI:EU:C:2017:236


Mr. A.P. van der Mei
Mr. A.P. (Anne Pieter) van der Mei is als universitair hoofddocent verbonden aan het Maastricht Center for European law (MCEL), Universiteit Maastricht.
Artikel

Uitleg in commerciële verhoudingen naar Nederlands en Engels recht: de betekenis van ‘business common sense’ als gezichtspunt

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden uitleg, Haviltex, commerciële verhoudingen, rechtsvergelijking, Engels recht
Auteurs Mr. drs. M. van Kogelenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreekt de auteur de Nederlandse uitspraak Parkking Ontwikkeling B.V. c.s./Alberts q.q. en de Engelse uitspraak Wood v Capita Insurance Services, respectievelijk gewezen door de Hoge Raad en het Supreme Court. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de vraag of, en zo ja in welke mate, in uitlegkwesties in professionele, commerciële verhoudingen rekening gehouden wordt met ‘zakelijke logica’, ofwel ‘business common sense’. Met andere woorden: kent de rechter gewicht toe aan het argument dat het vanuit commercieel oogpunt onwaarschijnlijk is dat een van beide partijen een bepaalde uitleg heeft voorgestaan?


Mr. drs. M. van Kogelenberg
Mr. drs. M. van Kogelenberg is werkzaam als universitair docent privaatrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het Hof van Justitie spreekt zich uit over de bindende werking van een aanbeveling van de Europese Commissie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Bindende werking aanbeveling Europese Commissie, Tariefmaatregelen, Pure BULRIC-kostenberekeningsmodel, Grimaldi rechtspraak, Soft law
Auteurs Mr. J.C.A. van Dam, MA
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest van 15 september 2016 verduidelijkt het Hof van Justitie in hoeverre een aanbeveling van de Europese Commissie een bindende werking heeft voor de nationale regelgevende instanties en de nationale rechter. In deze bijdrage wordt onderzocht of de bindende werking die door het Hof van Justitie aan deze aanbeveling wordt toegekend ook geldt voor andere aanbevelingen van de Europese Commissie dan wel of deze bindende wering beperkt is tot deze specifieke aanbeveling. Voorts wordt onderzocht welke consequenties dit arrest mogelijk kan hebben voor de nationale rechts- en bestuurspraktijk.
    HvJ 15 september 2016, zaak C-28/15, KPN e.a./ACM, ECLI:EU:C:2016:692


Mr. J.C.A. van Dam, MA
Mr. J.C.A. (Claartje) van Dam, MA is Promovendus aan de Afdeling Staats- en Bestuursrecht in Leiden.
Artikel

Geen behandeling gehad en toch resocialisatie

Tijdschrift PROCES, Aflevering 6 2016
Trefwoorden Geen behandeling, Resocialisatie, Gevaarlijkheid, Verantwoordelijkheid nemen
Auteurs drs. mr. Dick W. Oppedijk
SamenvattingAuteursinformatie

    A mentally ill patient who commits a violent crime may undergo forced forensic psychiatric admission. Without treatment, he remains dangerous. Sometimes still takes place rehabilitation even though he is not treated.
    The guidance should then be firmly focused on the continuing dangerousness, in order to prevent a recidivism.
    Taking the responsibility for the offense by the inmate, the adherence of him to surveillance and the risk of recidivism must be weighed and confronted together when taking the decision on continuation of the forced admission.


drs. mr. Dick W. Oppedijk
Drs. mr. D.W. Oppedijk is forensisch rapporteur strafrecht, psychiater psychotherapeut, voormalig geneesheer-directeur en algemeen directeur in de tbs.
Artikel

Aanbestedingsrechtelijke uitsluitingsgronden en het mededingingsrecht: wat moet een mededingingsjurist weten van de mogelijkheden tot uitsluiting in het aanbestedingsrecht?

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2016
Trefwoorden aanbesteding, uitsluitingsgronden, ernstige fout, valse verklaring, proportionaliteit
Auteurs Maurice Esssers en Robert Fröger
SamenvattingAuteursinformatie

    Met de per 1 juli 2016 geïntroduceerde wijzigingen van de Aanbestedingswet 2012 is het kader voor aanbestedingsrechtelijke uitsluitingsgronden gewijzigd. In dit artikel staan de uitsluitingsgronden centraal die voor beoefenaars van het mededingingsrecht relevant zijn. Met name wanneer ACM boetes oplegt wegens overtreding van (sectorspecifieke) regelgeving, gaan deze uitsluitingsgronden in latere aanbestedingen een rol spelen. Aspecten van een besluit die een impact hebben op de aanbestedingsrechtelijke kansen van ondernemingen zijn onder meer: de duur van de overtreding, de aard van de overtreding, de wijze van afdoening, de rechtspersonen waaraan de overtreding wordt toegerekend, de publicatiedatum en de mate van verwijtbaarheid.


Maurice Esssers
Mr. M.J.J.M. Essers is werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff N.V.

Robert Fröger
Mr. R.A. Fröger is werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff N.V.

Dr. G.C.C. Lewin
Dr. G.C.C. Lewin is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Article

Access_open Keck in Capital? Redefining ‘Restrictions’ in the ‘Golden Shares’ Case Law

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 4 2016
Trefwoorden Keck, selling arrangements, market access, golden shares, capital
Auteurs Ilektra Antonaki
SamenvattingAuteursinformatie

    The evolution of the case law in the field of free movement of goods has been marked by consecutive changes in the legal tests applied by the Court of Justice of the European Union for the determination of the existence of a trade restriction. Starting with the broad Dassonville and Cassis de Dijon definition of MEEQR (measures having equivalent effect to a quantitative restriction), the Court subsequently introduced the Keck-concept of ‘selling arrangements’, which allowed for more regulatory autonomy of the Member States, but proved insufficient to capture disguised trade restrictions. Ultimately, a refined ‘market access’ test was adopted, qualified by the requirement of a ‘substantial’ hindrance on inter-State trade. Contrary to the free movement of goods, the free movement of capital has not undergone the same evolutionary process. Focusing on the ‘golden shares’ case law, this article questions the broad interpretation of ‘capital restrictions’ and seeks to investigate whether the underlying rationale of striking down any special right that could have a potential deterrent effect on inter-State investment is compatible with the constitutional foundations of negative integration. So far the Court seems to promote a company law regime that endorses shareholders’ primacy, lacking, however, the constitutional and institutional legitimacy to decide on such a highly political question. It is thus suggested that a refined test should be adopted that would capture measures departing from ordinary company law and hindering market access of foreign investors, while at the same time allowing Member States to determine their corporate governance systems.


Ilektra Antonaki
Ilektra Antonaki, LL.M., is a PhD candidate at Leiden University, The Netherlands.
Toont 1 - 20 van 127 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.