Zoekresultaat: 24 artikelen

x
Article

Access_open Religious Freedom of Members of Old and New Minorities: A Double Comparison

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2017
Trefwoorden ECtHR, UNHRC, religious manifestations, religious minorities, empirical analysis
Auteurs Fabienne Bretscher
SamenvattingAuteursinformatie

    Confronted with cases of restrictions of the right to manifest religious beliefs of new religious minorities formed by recent migration movements, the ECtHR and the UNHRC seem to opt for different interpretations and applications of this right, as recent conflicting decisions show. Based on an empirical legal analysis of the two bodies’ decisions on individual complaints, this article finds that these conflicting decisions are part of a broader divergence: While the UNHRC functions as a protector of new minorities against States’ undue interference in their right to manifest their religion, the ECtHR leaves it up to States how to deal with religious diversity brought by new minorities. In addition, a quantitative analysis of the relevant case law showed that the ECtHR is much less likely to find a violation of the right to freedom of religion in cases brought by new religious minorities as opposed to old religious minorities. Although this could be a hint towards double standards, a closer look at the examined case law reveals that the numerical differences can be explained by the ECtHR’s weaker protection of religious manifestations in the public as opposed to the private sphere. Yet, this rule has an important exception: Conscientious objection to military service. By examining the development of the relevant case law, this article shows that this exception bases on a recent alteration of jurisprudence by the ECtHR and that there are similar prospects for change regarding other religious manifestations in the public sphere.


Fabienne Bretscher
PhD candidate at the University of Zurich.
Artikel

Een investeringstoets voor vitale vennootschappen

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 8-9 2017
Trefwoorden vitale vennootschappen, investeringstoets, nationale veiligheid
Auteurs Mr. E. Breukink
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage gaat over het onlangs verschenen WODC-rapport ‘Vitale vennootschappen in veilige handen’. Thans staat centraal de aanbeveling aan de wetgever om een publiekrechtelijk, sectorspecifiek instrumentarium te ontwikkelen waarmee ongewenst aandeelhouderschap in vitale vennootschappen kan worden tegengegaan.


Mr. E. Breukink
Mr. E. Breukink is als promovendus verbonden aan het Van der Heijden Instituut, onderdeel van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R), van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij bereidt een proefschrift voor over de agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen.
Artikel

Effecten van informatieverstrekking op agressie van UWV-cliënten

Een experimentele scenariostudie

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 1-2 2017
Trefwoorden experimental scenario study, frustration aggression, informational justice, workplace violence, negative affect
Auteurs Natascha Sprado MSc, Dr. Tamar Fischer en Lisa van Reemst MSc
SamenvattingAuteursinformatie

    This study investigates the effect of providing information about decision making on aggression of clients of the Dutch Employee Insurance Agency (UWV). The expectation is that providing adequate information leads to a decrease in aggression, because it influences feelings of informational justice and frustration. UWV-clients (N=1.415) participated in an experimental scenario study (adequate vs. limited information providing). Next to aggression, psychological, UWV and social demographic characteristics were measured. Compared to limited information, receiving adequate information results in lower aggression. Clients with more negative affect show more aggression, but receiving adequate information especially reduces aggression in these clients.


Natascha Sprado MSc
N.N. Sprado, MSc is junior onderzoeker bij de sectie Criminologie van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam. Ten tijde van de dataverzameling van de beschreven studie was zij masterstudent.

Dr. Tamar Fischer
dr. T.F.C. Fischer is universitair docent bij de sectie Criminologie van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Lisa van Reemst MSc
L. van Reemst, MSc is promovenda bij de sectie Criminologie van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

De kosten van de deelgeschilprocedure: enkele suggesties tot normering

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2017
Trefwoorden deelgeschilprocedure, normering, kosten, kostenbegroting, letsel- en overlijdensschade
Auteurs Mr. L. Boersma
SamenvattingAuteursinformatie

    De praktijk worstelt met de begroting van de omvang van de kosten van deelgeschilprocedures. Dit wordt veroorzaakt door het telkens invulling moeten geven aan de open norm van artikel 1019aa Rv jo. artikel 6:96 lid 2 BW: alleen kosten die ‘redelijk’ zijn, komen voor vergoeding in aanmerking. Een oplossing zou gelegen kunnen zijn in het normeren van deze kosten. In deze bijdrage wordt daartoe een drietal suggesties gedaan. Deze zijn ingegeven door een analyse van alle op www.rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken in deelgeschil sinds de invoering van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in 2010 tot 1 januari 2017.


Mr. L. Boersma
Mr. L. Boersma is werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij PUNT Letselschade Advocaten. Per 1 april 2017 is zij als advocaat-stagiaire verbonden aan De Haan Advocaten & Notarissen.
Article

Access_open Keck in Capital? Redefining ‘Restrictions’ in the ‘Golden Shares’ Case Law

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 4 2016
Trefwoorden Keck, selling arrangements, market access, golden shares, capital
Auteurs Ilektra Antonaki
SamenvattingAuteursinformatie

    The evolution of the case law in the field of free movement of goods has been marked by consecutive changes in the legal tests applied by the Court of Justice of the European Union for the determination of the existence of a trade restriction. Starting with the broad Dassonville and Cassis de Dijon definition of MEEQR (measures having equivalent effect to a quantitative restriction), the Court subsequently introduced the Keck-concept of ‘selling arrangements’, which allowed for more regulatory autonomy of the Member States, but proved insufficient to capture disguised trade restrictions. Ultimately, a refined ‘market access’ test was adopted, qualified by the requirement of a ‘substantial’ hindrance on inter-State trade. Contrary to the free movement of goods, the free movement of capital has not undergone the same evolutionary process. Focusing on the ‘golden shares’ case law, this article questions the broad interpretation of ‘capital restrictions’ and seeks to investigate whether the underlying rationale of striking down any special right that could have a potential deterrent effect on inter-State investment is compatible with the constitutional foundations of negative integration. So far the Court seems to promote a company law regime that endorses shareholders’ primacy, lacking, however, the constitutional and institutional legitimacy to decide on such a highly political question. It is thus suggested that a refined test should be adopted that would capture measures departing from ordinary company law and hindering market access of foreign investors, while at the same time allowing Member States to determine their corporate governance systems.


Ilektra Antonaki
Ilektra Antonaki, LL.M., is a PhD candidate at Leiden University, The Netherlands.
Artikel

Loyaliteitsdividend, bijzondere stemrechtaandelen en de positie van minderheidsaandeelhouders

Midstream or IPO introduction, that’s the question

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 7 2016
Trefwoorden bijzondere stemrechtaandelen, loyaliteitsaandelen, corporate governance, enquêterecht, minderheidsaandeelhouders
Auteurs Mr. drs. A.A. Bootsma
SamenvattingAuteursinformatie

    De recentelijke invoering van bijzondere stemrechtaandelen wordt vergeleken met het bij DSM voorgestelde loyaliteitsdividend. Het loyaliteitsdividend werd midstream – door statutenwijziging bij een bestaande beurs-NV met zittende publieke aandeelhouders – voorgesteld. De bijzondere stemrechtaandelen zijn voorafgaand aan een beursgang (IPO) van een nieuwe (holding)vennootschap ingevoerd. Dit verschil werkt door in de positie van minderheidsaandeelhouders. Tegen deze achtergrond wordt ingegaan op de Eumedion-voorstellen voor regulering van bijzondere stemrechtaandelen.


Mr. drs. A.A. Bootsma
Mr. drs. A.A. Bootsma is werkzaam als promovendus bij Erasmus School of Law en verbonden aan het Instituut voor Ondernemingsrecht (IvO) en het IvO Center for Financial Law & Governance (ICFG).

    Dit artikel ontleedt het vaderschap, zowel op Belgisch als Europees niveau. Wie juridisch als vader wordt aangeduid, is niet altijd biologisch of sociaal vader voor een kind. Hoe dient de afweging van rechten en plichten voor deze verschillende vaders dan te gebeuren?
    Deel één bespreekt de vaderlijke afstamming naar Belgisch recht aan de hand van recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In vier centrale thema’s wordt het standpunt van het Hof geplaatst tegenover dat van de wetgever en het EHRM. Aan bod komen: bezit van staat, vervaltermijnen, het belang van het kind en verboden afstamming. De doelstelling lijkt het bewerkstelligen van een grotere individualisering van het afstammingsrecht. Dit leidt tot een patstelling voor de wetgever, die zal moeten bepalen hoe het afstammingsrecht naar de toekomst toe wordt geconstrueerd. Verdedigd wordt dat een belangenafweging zich voornamelijk dient te situeren bij de betwistingsprocedure, daar waar bij gebrek aan een reeds gevestigd juridisch vaderschap de biologische band mag primeren.
    Vervolgens wordt het vaderschap naast het moederschap geplaatst. Waar voor moeders een zekere vanzelfsprekendheid geldt, is dit allesbehalve zo voor vaders. Bovendien heeft de moeder een bepaalde zeggenschap over wie de vader van het kind wordt.
    Na een toelichting van het begrip ouderlijk gezag wordt de kneedbaarheid ervan aangegrepen om nieuwe voorstellen te formuleren. Ingrepen op het ouderlijk gezag, waaronder de ontzetting, kunnen ervoor zorgen dat een sociaal onwenselijke biologische afstammingsband alsnog kan worden gevestigd. Wanneer meerdere vaderfiguren zich aandienen, kan een uitbreiding van (bepaalde) gezagsrechten naar andere personen soelaas bieden.
    Tot slot verkennen we de verdeling van verschillende vaderfuncties over meerdere personen, zoals die reeds bestaat voor het omgangsrecht en de alimentatieverplichting. De lege ferenda wordt gepleit voor een “attest van verwekkerschap”, een verklaring naar recht van het biologisch verwekkerschap, waaraan bepaalde rechtsgevolgen worden gekoppeld.
    This article analyses fatherhood from a Belgian and European context. The legal father is not necessarily the biological or social father. How should we balance the rights and obligations of these different kinds of fatherhood?
    Part one reviews paternity in Belgian law through recent jurisprudence of the Supreme Court. In four central themes the Supreme Court’s position is weighed against that of the legislator and the ECHR. The four central themes are discussed in the following order: “possession of state”, statutes of limitations, the best interests of the child, and illegal filiation. The aim of the Supreme Court seems to be a case by case appreciation of filiation. It is then up to the legislator to decide how legal parentage is to be construed in the future. A balancing of interests should be the primary - and maybe even exclusive - consideration when the paternity is disputed. Where legal paternity has yet to be established, biological ties should be decisive.
    Next, legal paternity will be compared to legal maternity. Whereas establishing legal parentage seems to be quite evident in the case of mothers, this is not so straightforward for fathers. Moreover the mother has a say in who is to be the legal father.
    After a clarification ofthe concept ‘parental authority’, its flexible nature is taken as a starting point to suggest new solutions. Intervening in parental authority allows us to establish the socially undesirable biological paternity.In the case of multiple father figures, an expansion of specific authority rights to others may offer an alternative solution.
    Lastly, we explore the possibility of sharing paternal rights and obligations among multiple candidates, as is the case for visitation rights and child support obligations. We argue in favour of a “certificate of procreation” - a declaration of biological relationship that generates specific legal consequences.


Eline Smeuninx MA
Eline Smeuninx graduated from the law faculty of the University of Antwerp in 2014. She now specialises in medical law. As of September 2015 she will work as an associate in a law firm in Antwerp.
Artikel

Grote diversiteit en enige rechtsgelijkheid

Juridische samenlevingsvormen voor paren van gelijk geslacht in Europa

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 4 2015
Trefwoorden family life, same-sex partners, registered partnership, cohabitation, non-discrimination
Auteurs Prof. mr. K. Waaldijk
SamenvattingAuteursinformatie

    This article gives a compact overview of developments in national and European law regarding same-sex partners. Over the last decades, new legal family formats (such as registered partnership and de facto union) have been made available in a growing number of countries. The number of countries that have opened up marriage to same-sex couples is also growing. Authors of comparative family law have proposed various classifications of the new legal family formats. Meanwhile, an increasing number of EU laws now acknowledge non-marital partners. The European Courts have been asked several times to rule on controversial differentiations between different legal family formats or between same-sex and different-sex partners. In the case law of the European Court of Human Rights one can find examples of affirmative eloquence which suggest that more steps towards full legal recognition of same-sex families could be expected.


Prof. mr. K. Waaldijk
Prof. mr. Kees Waaldijk is als hoogleraar comparative sexual orientation law verbonden aan het Grotius Centre for International Legal Studies van Universiteit Leiden, www.law.leidenuniv.nl/waaldijk. Eerdere versies van dit artikel verschenen in het Engels (Waaldijk 2015; Waaldijk 2014). Momenteel leidt hij een onderzoek naar de rechtsgevolgen van huwelijk, partnerschap en samenwonen in een groot aantal Europese landen. Vandaar de volgende acknowledgement: The research leading to these results has received funding from the European Union’s Seventh Framework Programme (FP7/2007-2013) under grant agreement no. 320116 for the research project FamiliesAnd Societies (www.familiesandsocieties.eu). De auteur dankt José Maria Lorenzo Villaverde, onderzoeker in dit project, voor zijn nuttige opmerkingen en Jingshu Zhu voor haar hulp bij het vinden van de EU-regelingen.
Praktijk

Verzekeringssecuritisatie; wie wekt de entiteit voor risicoacceptatie tot leven?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2014
Trefwoorden securitisatie, special purpose vehicle, spv, special purpose reinsurance vehicle, sprv, herverzekering, verzekeringssecuritisatie, entiteit voor risico-acceptatie
Auteurs Mr. R.P.L.M. Koopman en Mr. J.C. Lussenburg
SamenvattingAuteursinformatie

    Ongeveer zes jaar na de introductie van de entiteit voor risicoacceptatie in de Nederlandse toezichtwetgeving is er in de praktijk nog geen gebruik gemaakt van deze bijzondere entiteit. Bovendien lijkt de populariteit van verzekeringssecuritisatie in Nederland achter te blijven bij sommige andere landen in Europa en daarbuiten. In deze bijdrage wordt uitgebreid stilgestaan bij twee vormen van verzekeringssecuritisatie: securitisatie van verzekeringspremies en securitisatie van verzekeringsrisico's. Vanuit een praktisch oogpunt wordt bekeken hoe verzekeringssecuritisatie naar Nederlands recht kan worden vormgegeven. Daarbij wordt onder andere aandacht besteed aan de rol die een entiteit voor risicoacceptatie in een securitisatietransactie kan spelen.


Mr. R.P.L.M. Koopman
Mr. R.P.L.M. Koopman is advocaat bij Baker & McKenzie te Singapore.

Mr. J.C. Lussenburg
Mr. J.C. Lussenburg is advocaat bij Baker & McKenzie te Amsterdam.
Artikel

Negatieve reacties en sociale contacten van partners van gedetineerden in Nederland: een empirisch onderzoek

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2014
Trefwoorden partners of detainees, prison, negative reactions, social contacts, stigma
Auteurs Susanne van 't Hoff-de Goede MSc, Prof. dr. ir. Tanja van der Lippe, Dr. Joni Reef e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Not only detainees, but also their spouses can experience negative consequences of imprisonment. Even though these negative consequences can be far-reaching, research in this area is scarce. This paper researches if detention causes female partners of male detainees in the Netherlands to experience negative reactions from family, friends and neighbours and if this causes changes in their social contacts. This study used longitudinal data from the Prison Project on 119 partners of detainees. Results show that many partners of detainees receive negative reactions from their network members. When partners of detainees experience negative reactions from their family in law, friends or neighbours, their contacts with those groups decrease. When partners of detainees experience negative reactions from their friends, their contact with their family increases.


Susanne van 't Hoff-de Goede MSc
M.S. van 't Hoff-de Goede, MSc is promovendus bij de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Prof. dr. ir. Tanja van der Lippe
Prof. dr. ir. A.G. van der Lippe is hoogleraar bij de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Dr. Joni Reef
Dr. J. Reef is universitair docent bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden.

Prof. dr. Paul Nieuwbeerta
Prof. dr. P. Nieuwbeerta is hoogleraar bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden.

Dr. Anja Dirkzwager
Dr. A.J.E. Dirkzwager is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
Article

Access_open An Eclectic Approach to Loyalty-Promoting Instruments in Corporate Law: Revisiting Hirschman's Model of Exit, Voice, and Loyalty

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Eclecticism, corporate law & economics, corporate constitutionalism, loyalty-promoting instruments
Auteurs Bart Bootsma MSc LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    This essay analyses the shareholder role in corporate governance in terms of Albert Hirschman's Exit, Voice, and Loyalty. The term 'exit' is embedded in a law & economics framework, while 'voice' relates to a corporate constitutional framework. The essay takes an eclectic approach and argues that, in order to understand the shareholder role in its full breadth and depth, the corporate law & economics framework can 'share the analytical stage' with a corporate constitutional framework. It is argued that Hirschman's concept of 'loyalty' is the connecting link between the corporate law & economics and corporate constitutional framework. Corporate law is perceived as a Janus head, as it is influenced by corporate law & economics as well as by corporate constitutional considerations. In the discussion on the shareholder role in public corporations, it is debated whether corporate law should facilitate loyalty-promoting instruments, such as loyalty dividend and loyalty warrants. In this essay, these instruments are analysed based on the eclectic approach. It is argued that loyalty dividend and warrants are law & economics instruments (i.e. financial incentives) based on corporate constitutional motives (i.e. promoting loyalty in order to change the exit/voice mix in favour of voice).


Bart Bootsma MSc LLM
PhD candidate in the corporate law department at Erasmus School of Law, Erasmus University Rotterdam. Email: bootsma@law.eur.nl. The research for this article has been supported by a grant from the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) in the Open Competition in the Social Sciences 2010. The author is grateful to Ellen Hey, Klaus Heine, Michael Faure, Matthijs de Jongh and two anonymous reviewers for their constructive comments and suggestions. The usual disclaimer applies.

    In the case of Byankov the Court of Justice ruled as follows: EU law must be interpreted as precluding legislation under which an administrative procedure that has resulted in the adoption of a prohibition on leaving the territory, which has become final and has not been contested before the courts, may be reopened - in the event of the prohibition being clearly contrary to EU law - only in circumstances such as those exhaustively listed in Article 99 of the Code of Administrative Procedure, despite the fact that such a prohibition continues to produce legal effects with regard to its addressee. This study discusses how the ruling can be placed in the case law of the Court that in accordance with the principle of legal certainty, EU law does not require that administrative authorities be placed under an obligation to re-examine a national final administrative decision.


Rolf Ortlep
Rolf Ortlep is verbonden aan het Instituut voor Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Åkerberg Fransson: ruim toepassingsgebied van Handvest op handelingen van lidstaten

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2013
Trefwoorden Toepassingsgebied recht van de Europese Unie, Handvest, beginselen van het recht van de Europese Unie, ne bis in idem-beginsel, volle werking van het recht van de Europese Unie, prejudiciële procedure
Auteurs Mr. drs. M.A. Fierstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 26 februari 2013 heeft het Hof van Justitie het lang verwachte arrest Åkerberg Fransson gewezen. Gespannen werd naar dit arrest uitgekeken omdat de beantwoording van de prejudiciële vragen van de Zweedse verwijzende rechter duidelijkheid moesten brengen over de vraag wanneer lidstaten aan de verplichtingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zijn gebonden. Het arrest Åkerberg Fransson is daarmee van betekenis voor de rechtsgevolgen van het Handvest in de rechtsordes van de lidstaten. Deze bijdrage duidt de betekenis van dit arrest door het te plaatsen tegen de achtergrond van eerdere rechtspraak en de ontwikkelingen die hebben geleid tot een juridisch bindend Handvest en de analyse van het hoofdgeding op grond waarvan de verwijzende rechter heeft besloten het Hof van Justitie te adiëren.
    HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10, Åklagaren/Hans Åkerberg Fransson


Mr. drs. M.A. Fierstra
Mr. drs. M.A. Fierstra is raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden en redactielid van NTER.
Artikel

Naar een compensatoir regime voor levenslang- en zeer langgestraften

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 2 2013
Trefwoorden life imprisonment the Netherlands, prison regime, prison living conditions, prison policies, human rights
Auteurs G. de Jonge
SamenvattingAuteursinformatie

    Though small in numbers life and long-term prisoners pose special problems for the Dutch prison administration in terms of their treatment. A new approach is to concentrate these prisoners in three units specially designated for them. It is still unclear however what the regime in those facilities will look like. The author argues for introducing there a ‘compensatory regime’ that can counteract to some degree the harmful effects of life and long-term imprisonment.


G. de Jonge
Prof. mr. dr. Gerard de Jonge is emeritus bijzonder hoogleraar detentierecht aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Hetzelfde maar toch (heel) anders

Jongeren met een licht verstandelijke beperking en een PIJ-maatregel vergeleken met normaal begaafde PIJ’ers

Tijdschrift PROCES, Aflevering 5 2011
Trefwoorden youth offenders, intellectual disability, non-intellectual disability
Auteurs Dr. Hendrien Kaal, Eddy Brand en Maroesjka van Nieuwenhuijzen
SamenvattingAuteursinformatie

    Casefile analysis concerning serious youth offenders under a mandatory treatment order in The Netherlands showed that, amongst youth offenders of various IQ-levels (IQ < 70, IQ 70-85, and IQ > 85), behavioural and mental health problems and social background characteristics are in many respects very similar. However, differences found in for example social skills and relationships and the needs inherent with having an intellectual disability (ID) have important implications for the way treatment is offered. As a large proportion of the serious youth offenders has an ID, this is important to consider. Furthermore, as intelligence has a dynamic aspect, the authors advise to occasionally reassess these youths.


Dr. Hendrien Kaal
Dr. H.L. Kaal is als onderzoeker en docent verbonden aan de afdeling Toegepaste Psychologie van de Hogeschool Leiden.

Eddy Brand
Dr. E.F.J.M. Brand is als onderzoeker werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in Den Haag.

Maroesjka van Nieuwenhuijzen
Dr. M. van Nieuwenhuijzen is als senior onderzoeker verbonden aan de vakgroep Ontwikkelingspedagogiek van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Criminaliteit en etniciteit

Criminele carrières van autochtone en allochtone jongeren uit het geboortecohort 1984

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2010
Trefwoorden criminele carrière, meisjescriminaliteit, cohortonderzoek, allochtonencriminaliteit
Auteurs Dr. mr. Arjan Blokland, Kim Grimbergen, Dr. Wim Bernasco e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    This article describes the officially recorded criminal careers from age twelve to 22 for all boys and girls who were born in the Netherlands in 1984. Using data on police contacts (HKS) we ask: (1) What proportion of the 1984 birth cohort has a police contact between ages twelve and 22?, (2) What are the criminal career characteristics of those registered?, (3) What is the nature of the crimes these youths are registered for?, and (4) How do chronic offenders and recidivists differ from one-time offenders? We answer these questions separately for boys and girls and for youths of different ethnic origin. Ethnicity was based on the country of birth of (one of) the parents. Our results show that 23 percent of men and 5 percent of women born in 1984 had at least one police contact prior to age 23. Youths of non-Dutch origin were overrepresented in police registrations. Overrepresentation was strongest for boys of Moroccan origin: 54 percent was registered at least once, and of those registered one third were registered five times or more. Moroccan girls were also overrepresented.


Dr. mr. Arjan Blokland
Dr. mr. A. Blokland is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), ABlokland@nscr.nl.

Kim Grimbergen
K. Grimbergen is adviseur voor Reclassering Nederland regio Rotterdam-Dordrecht, kim_grimbergen@msn.com.

Dr. Wim Bernasco
Dr. W. Bernasco is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), WBernasco@nscr.nl.

Prof. dr. Paul Nieuwbeerta
Prof. dr. P. Nieuwbeerta is hoogleraar criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden, p.nieuwbeerta@ law.leidenuniv.nl.
Artikel

De werkgever en het kelderluik

Over toepassing van de Kelderluik-criteria bij artikel 7:162 en artikel 7:658 BW

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2010
Trefwoorden gezichtspunten, Kelderluik-factoren, Bayar/Wijnen, werkgeversaansprakelijkheid, onrechtmatige daad, context
Auteurs Mr. J.P. Quist
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Kelderluik-arrest uit 1965 heeft de Hoge Raad een viertal gezichtspunten geformuleerd die van belang (kunnen) zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting. Veertig jaar later, in het arrest Bayar/Wijnen, heeft de Hoge Raad deze factoren herhaald en daaraan een gezichtspunt toegevoegd in een geval waarin het ging om een werknemer die bij het werken met een gevaarlijke machine letsel had opgelopen. In dit artikel wordt ingegaan op de manier waarop invulling aan de verschillende gezichtspunten (en enkele andere relevante omstandigheden) wordt gegeven. De toepassing van de gezichtspunten bij op artikel 6:162 BW en artikel 7:658 BW gebaseerde vorderingen lijkt veel op elkaar. Een opvallend verschil is echter dat het enkele feit dat het bij artikel 7:658 BW om aansprakelijkheid van de werkgever gaat, van groot belang is voor de strengheid waarmee toepassing aan de Kelderluik-factoren en andere (mogelijk) relevante omstandigheden wordt gegeven. Daar waar de Kelderluik-factoren bij artikel 6:162 BW (in beginsel) een neutraal karakter hebben, wijzen zij bij artikel 7:658 BW veel meer in de richting van een bevestigende beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. De context waarbinnen een bepaalde schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, is dan ook van grote invloed op de wijze waarop de verschillende factoren worden ingekleurd. In deze bijdrage komen ook andere overeenkomsten en verschillen tussen toepassing van artikel 6:162 BW en artikel 7:658 BW aan bod.


Mr. J.P. Quist
Mr. J.P. Quist is verbonden aan de sectie Arbeidsrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam en tevens advocaat bij Adriaanse van der Weel Advocaten te Middelburg (www.avdw.nl).
Artikel

Mediation bij reddingsoperaties van bedrijven in financiële moeilijkheden?

Tijdschrift Nederlands-Vlaams tijdschrift voor mediation en conflictmanagement, Aflevering 03 2006
Trefwoorden Schuldeiser, Mediation, Faillissement, Reorganisatie, Bank, Mediator, Betaling, Surséance van betaling, Akkoord, Kwijtschelding
Auteurs Adriaanse, J.A.A.

Adriaanse, J.A.A.
Titel

Een dubieuze gedragskundige rapportage bij een ontkennende verdachte. De casus van de Anjummer pensionmoorden

Tijdschrift PROCES, Aflevering 04 2007
Trefwoorden Stoornis, Bewijslast, Strafbaar feit, Terbeschikkingstelling, Observatie, Aanwijzing, Herziening, Politie, Moord, Tenlastelegging
Auteurs Ruiter, C. de

Ruiter, C. de
Artikel

Aansprakelijkheid van DNB: immuniteit in crisistijd?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 9 2009
Trefwoorden aansprakelijkheid, toezichthouder, immuniteit, overheidsaansprakelijkheid, DNB
Auteurs Mr. V.H. Affourtit en Mr. A.C. Beck
SamenvattingAuteursinformatie

    Moet voor De Nederlandsche Bank aansprakelijkheidsrechtelijke immuniteit of semi-immuniteit in het leven worden geroepen? Aan de hand van recente jurisprudentie, waaronder het arrest van het Hof Amsterdam in de zaak BeFra, en de onderzoeken naar de overname van ABN Amro en het faillissement van Icesave wordt beoordeeld of het noodzakelijk en wenselijk is om De Nederlandsche Bank immuun te maken voor potentiële claims.


Mr. V.H. Affourtit
Mr. V.H. Affourtit is advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam.

Mr. A.C. Beck
Mr. A.C. Beck is advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 24 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.