Zoekresultaat: 40 artikelen

x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Artikel

Access_open The ECHR and Private Intercountry Adoptions in Germany and the Netherlands: Lessons Learned from Campanelli and Paradiso v. Italy

Tijdschrift Family & Law, januari 2021
Trefwoorden Private intercountry adoptions, surrogacy, ECHR, UNCRC, the best interests of the child
Auteurs dr. E.C. Loibl
SamenvattingAuteursinformatie

    Within the past half century, a market in adoptable children has emerged. The imbalance between the demand for and the supply of adoptable children, combined with the large sums of Western money, incite greedy actors in poor countries to illegally obtain children for adoption. This renders intercountry adoption conducive to abuses. Private adoptions are particularly prone to abusive and commercial practices. Yet, although they violate both international and national law, German and Dutch family courts commonly recognize them. They argue that removing the child from the illegal adopters would not be compatible with the rights and best interests of the individual child concerned. In 2017, the ECtHR rendered a ground-breaking judgement in Campanelli and Paradiso v. Italy. In this case, the Court dealt with the question as to whether removing a child from the care of an Italian couple that entered into a surrogacy agreement with a Russian clinic, given that surrogacy is illegal in Italy, violated Article 8 ECHR. Contrary to previous case law, in which the ECtHR placed a strong emphasis on the best interests of the individual child concerned, the Court attached more weight to the need to prevent disorder and crime by putting an end to the illegal situation created by the Italian couple and by discouraging others from bypassing national laws. The article argues that considering the shifting focus of the ECtHR on the prevention of unlawful conduct and, thus, on the best interests of children in general, the German and Dutch courts’ failure to properly balance the different interests at stake in a private international adoption by mainly focusing on the individual rights and interests of the children is difficult to maintain.

    ---

    In de afgelopen halve eeuw is er een markt voor adoptiekinderen ontstaan. De disbalans tussen de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen, in combinatie met grote sommen westers geld, zet hebzuchtige actoren in arme landen ertoe aan illegaal kinderen te verkrijgen voor adoptie. Dit maakt interlandelijke adoptie bevorderlijk voor misbruik. Particuliere adoptie is bijzonder vatbaar voor misbruik en commerciële praktijken. Ondanks het feit dat deze privé-adopties in strijd zijn met zowel internationaal als nationaal recht, worden ze door Duitse en Nederlandse familierechtbanken doorgaans wel erkend. Daartoe wordt aangevoerd dat het verwijderen van het kind van de illegale adoptanten niet verenigbaar is met de rechten en belangen van het individuele kind in kwestie. In 2017 heeft het EHRM een baanbrekende uitspraak gedaan in de zaak Campanelli en Paradiso t. Italië. In deze zaak behandelde het Hof de vraag of het verwijderen van een kind uit de zorg van een Italiaans echtpaar dat een draagmoederschapsovereenkomst met een Russische kliniek is aangegaan, in strijd is met artikel 8 EVRM, daarbij in ogenschouw genomen dat draagmoederschap in Italië illegaal is. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie, waarin het EHRM sterk de nadruk legde op de belangen van het individuele kind, hechtte het Hof meer gewicht aan de noodzaak om de openbare orde te bewaken en criminaliteit te voorkomen door een einde te maken aan de illegale situatie die door het Italiaanse echtpaar was gecreëerd door onder andere het omzeilen van nationale wetten. Het artikel stelt dat, gezien de verschuiving in de focus van het EHRM op het voorkomen van onwettig gedrag en dus op het belang van kinderen in het algemeen, de Duitse en Nederlandse rechtbanken, door met name te focussen op de individuele rechten en belangen van de kinderen, er niet in slagen om de verschillende belangen die op het spel staan ​​bij een particuliere internationale adoptie goed af te wegen.


dr. E.C. Loibl
Elvira Loibl is Assistant Professor Criminal Law and Criminology, Universiteit Maastricht.
Article

Access_open The Role of the Vienna Rules in the Interpretation of the ECHR A Normative Basis or a Source of Inspiration?

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2021
Trefwoorden European Convention on Human Rights, European Court of Human Rights, techniques of interpretation, the Vienna Convention on the Law of Treaties
Auteurs Eszter Polgári
SamenvattingAuteursinformatie

    The interpretive techniques applied by the European Court of Human Rights are instrumental in filling the vaguely formulated rights-provisions with progressive content, and their use provoked widespread criticism. The article argues that despite the scarcity of explicit references to the Vienna Convention on the Law of Treaties, all the ECtHR’s methods and doctrines of interpretation have basis in the VCLT, and the ECtHR has not developed a competing framework. The Vienna rules are flexible enough to accommodate the interpretive rules developed in the ECHR jurisprudence, although effectiveness and evolutive interpretation is favoured – due to the unique nature of Convention – over the more traditional means of interpretation, such as textualism. Applying the VCLT as a normative framework offers unique ways of reconceptualising some of the much-contested means of interpretation in order to increase the legitimacy of the ECtHR.


Eszter Polgári
Eszter Polgári, PhD, is assistant professor at the Department of Legal Studies of the Central European University in Austria.
Artikel

Psychomacht: hoe sturen data en algoritmen de veiligheid in smart cities?

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 3 2020
Trefwoorden psychopower, smart cities, Bernard Stiegler, Michel Foucault, security
Auteurs Dr. mr. Marc Schuilenburg
SamenvattingAuteursinformatie

    This article deals with the relationship of smart security technologies to broader modes of exercising power and subjugating individuals. It claims that the notion of psychopower is precisely what is missing from post-Foucaultian accounts of the smart city. In the article psychopower is defined as the manipulation of our consciousness in order to channel our desires toward ‘normal’ social behavior, drawing a line between what is ‘acceptable’ and what is ‘unacceptable’. Psychopower raises a series of concerns related to its democratic legitimacy and accountability as behaviorally informed conditioning of the mind runs the risk of constant surveillance, where human agency is diluted in a techno-utopian vision that promises to improve city-wide efficiency, decision-making, and security.


Dr. mr. Marc Schuilenburg
Dr. mr. M.B. Schuilenburg doceert aan de afdeling Strafrecht en Criminologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Jurisprudentie

Access_open Stoian t. Roemenië: stap terug of status quo? Een EHRM-casus over het recht op inclusief onderwijs

EHRM 25 juni 2019, 289/14 (Stoian/Roemenië)

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 1 2020
Trefwoorden VN-verdrag Handicap, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, (recht op) inclusief onderwijs, toegankelijkheid, redelijke aanpassingen
Auteurs Dra. M. Spinoy (M.Jur.) en Dr. J. Lievens (LL.M.)
SamenvattingAuteursinformatie

    In het recente arrest Stoian t. Roemenië oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de onderwijssituatie van een jongen met een beperking in Roemenië. Het Hof beoordeelt de zaak vanuit de redelijke aanpassingsplicht en besluit dat die niet geschonden is. In deze bijdrage bespreken en analyseren de auteurs dit arrest dat het Hof op veel kritiek kwam staan. Ze houden daarbij in het bijzonder rekening met het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (IVRPH) en relevante voorgaande rechtspraak van het EHRM. In het arrest krijgen de principes van het IVRPH (opnieuw) een centrale plaats. De toepassing van die principes is minder eenduidig. Het arrest doet immers belangrijke vragen rijzen over de manier waarop het EHRM twee belangrijke IVRPH-verplichtingen inzake onderwijs toepast. Het IVRPH omvat onder meer de verplichting tot het voorzien van een toegankelijk onderwijssysteem en de verplichting in redelijke aanpassingen te voorzien. Die verplichtingen zijn er beide op gericht onderwijs toegankelijk te maken voor kinderen met een handicap. Tussen de twee verplichtingen bestaan echter belangrijke verschillen, onder meer inzake afdwingbaarheid. Het EHRM lijkt deze verplichtingen niet correct van elkaar te onderscheiden en aan de twee tegelijk te toetsen. Daarnaast is niet duidelijk hoe streng het Hof de verplichtingen van staten toetst in deze materie. De toetsingsintensiteit lijkt in Stoian lager te liggen dan in eerdere zaken. De auteurs besluiten dan ook dat het arrest geen echte zekerheid brengt over de standaarden die het Hof in volgende zaken zal hanteren.


Dra. M. Spinoy (M.Jur.)
Dra. M. (Marie) Spinoy is doctoraatsonderzoeker aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven). Ze doet onderzoek op het gebied van non-discriminatie.

Dr. J. Lievens (LL.M.)
Dr. J. (Johan) Lievens is universitair docent staatsrecht en onderwijsrecht aan de VU Amsterdam. Hij is tevens verbonden aan de Université de Namur en het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven).
Artikel

Access_open De Vlaamse inbreng in de VWR

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2019
Trefwoorden rechtstheorie, rechtsfilosofie, universitair beleid, Vlaanderen, professionalisering
Auteurs Mark Van Hoecke
SamenvattingAuteursinformatie

    Na een beperkte Vlaamse participatie tussen 1935 en 1970, kwam er een geleidelijke verankering van de VWR in Vlaanderen, met een grote bloei in de jaren tachtig en negentig, met jonge professoren die voltijds actief waren op het gebied van de rechtsfilosofie en/of de rechtstheorie. Na 2000 vermindert de inbreng van Vlaanderen echter in belangrijke mate. Er wordt nog vrij veel gepubliceerd in R&R/NJLP, maar nauwelijks nog door professionele rechtsfilosofen of rechtstheoretici. Institutioneel wordt de internationale (Engelstalige) dimensie van de VWR versterkt (redactieraad, sprekers), maar vermindert de Vlaamse aanwezigheid in redactie, redactieraad en bestuur. De Vlaamse aanwezigheden op VWR-vergaderingen zijn vaak eenmalig en steeds minder van professionele rechtsfilosofen of rechtstheoretici. De afbouw van de leerstoelen en zelfs van het onderwijs in deze domeinen in Vlaanderen is de belangrijkste verklaring hiervoor.


Mark Van Hoecke
Mark Van Hoecke is hoogleraar Rechtsvergelijking aan de Queen Mary University of London.
Artikel

Deskundigenbewijs en equality of arms bij WIA-zaken

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 10 2018
Auteurs Paulien Willemse en Ivo van der Helm
Auteursinformatie

Paulien Willemse
Paulien Willemsen is advocaat bestuursrecht bij LNW advocaten en mediators in Utrecht, universitair docent Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht en advocaatredactielid van dit blad.

Ivo van der Helm
Ivo van der Helm is universitair docent Arbeidsrecht en Sociaal Beleid aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het verontschuldigingsritueel en herstelrecht

Het slachtofferperspectief

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 1 2018
Trefwoorden apology ritual, The victim perspective, Sincerity, Physical aspect of apology, symbolic meaning of apology
Auteurs Inge Vanfraechem, Daniela Bolívar en Ivo Aertsen
SamenvattingAuteursinformatie

    Empirical research on restorative justice shows that offenders can apologise to victims. Because of the ritual component of restorative justice and the possible influence on the justice system, certain questions arise: how do victims perceive these apologies? Is it important for victims that these apologies are sincere? The aim of the article is to discuss these questions through three topics, namely the physical aspect of the ritual, the symbolic meaning for victims and the relation between the offender’s apologies and the victim’s reaction.


Inge Vanfraechem
Inge Vanfraechem is consultant (Libra), senior vrijwillig wetenschappelijk medewerkers KU Leuven en redactielid van dit tijdschrift.

Daniela Bolívar
Daniela Bolívar is assistant professor aan de School of Social Work, Catholic University of Chile. Ze is board member van de International Journal of Restorative Justice en heeft een onderzoeksproject rond bemiddeling en jeugddelinquenten in Chili afgerond.

Ivo Aertsen
Ivo Aertsen is professor herstelrecht en victimologie aan de KU Leuven en redactielid van dit tijdschrift.

    Voor een rechtsgeding tussen contractspartijen afkomstig uit twee of meer EU-lidstaten is in de Brussel I Verordening herschikking bepaald welke rechter in de zaak bevoegd is, en ook dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de door het gerecht van herkomst gegeven ‘beslissing’ automatisch dient te geschieden. Die automatische erkenning en tenuitvoerlegging is gebaseerd op het Unierechtelijke beginsel van ‘wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie’. Het is de balans tussen deze eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging enerzijds en de weigering om dat te doen vanwege dringende redenen anderzijds die in dit artikel naar aanleiding van de recente zaak Avotiņš/Letland centraal staat.


Mr. dr. J.M. Emaus
Mr. dr. J.M. Emaus is universitair docent aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en als onderzoeker verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability (Ucall) en het Utrecht Centre for Regulation and Enforcement in Europe (Renforce).
Artikel

Access_open E pluribus unum? The Manifold Meanings of Sovereignty

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2016
Trefwoorden political sovereignty, power, legislative sovereignty, constitutive power, external sovereignty
Auteurs Raf Geenens
SamenvattingAuteursinformatie

    This article investigates and classifies the different meanings of the term sovereignty. What exactly do we try to convey when using the words “sovereign” or “sovereignty”? I will argue that, when saying that X is sovereign, we can mean five different things: it can mean that X holds the capacity to force everyone into obedience, that X makes the laws, that the legal and political order is created by X, that X holds the competence to alter the basic norms of our legal and political order, or that X is independently active on the international stage. These different usages of the term are of course related, but they are distinct and cannot be fully reduced to one another.


Raf Geenens
Raf Geenens is an assistant professor of Ethics and Legal Philosophy at the Institute of Philosophy, University of Leuven.

    A cassation court traditionally has two tasks: a unifying task and a corrective task. The unifying task consists of verifying the internal legality of a lower court’s decision (the correct application and interpretation of the law by the lower courts). The corrective task refers to verifying the external legality of the lower court’s decision. The cassation court must ensure that the decisions of the courts concerned are in conformity with the requirements of proper administration of justice. This article focuses on the following question: is it necessary that the Belgian Council of State, acting in the capacity of a cassation court, performs both traditional tasks (corrective and unifying)? This is by no means self-evident, given the specific judicial structure in which the Belgian Council of State operates.


Elsbeth Loncke
Ph.D. at Hasselt University, Belgium, and attorney at the bar of Limburg, Belgium.
Praktijk

Het belonen van commissarissen in aandelen: alignment versus onafhankelijkheid?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Corporate Governance Code, beloningsbeleid, Beloning van commissarissen
Auteurs T.C.A. Dijkhuizen Mr. MPhil
SamenvattingAuteursinformatie

    In een tijdsgewricht waarin de aan bestuurders van Nederlandse beursvennootschappen toegekende beloningen steeds breed worden uitgemeten in de landelijke media en publieke ophef tot gevolg hebben, is het evident dat de beloning als onderwerp terug zou komen in het consultatievoorstel tot herziening van de Corporate Governance Code. De auteur bespreekt de voorgestelde principes en best practice bepalingen over de beloning, waarbij hij ingaat op het voorstel om het mogelijk te maken commissarissen in aandelen te belonen. De vraag rijst of met het belonen van commissarissen in de vorm een variabele beloning de onafhankelijkheid van deze commissarissen in het geding komt.


T.C.A. Dijkhuizen Mr. MPhil
Mr. T.C.A. Dijkhuizen MPhil is als promovendus verbonden aan de afdeling Ondernemingsrecht en het Hazelhoff Centre for Financial Law van Universiteit Leiden.
Artikel

Over de vraag naar de kwaliteit van de bemiddelaar

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Bemiddelaar, kwaliteit, Rechtskarakter herstelrecht, Strafrechtspleging
Auteurs Leo Van Garsse
SamenvattingAuteursinformatie

    Some believe that the credibility of restorative justice can be increased if more attention is given to the quality of the mediator, as well as methods to select people with the right profile or by training. At first glance this seems a legitimate aim: mediation services should offer quality. Reflecting on practical experience and research into mediation between offenders and victims in Flanders, the author problematizes these assumptions. The quest for tangible quality to ensure ‘credibility’ refers to a neo-liberal approach aimed at reducing risks and promoting the client’s satisfaction. In this article the author confronts the apolitical approach of client satisfaction with alternative ideas about (restorative) justice. Ideally, the mediator is critical of established (legal) authorities and professional expertise. Mediation is political in nature, even if the mediator relies on neutrality. The mediator must be aware of his – inevitable – political stance and should be ready to be interrogated on this matter.


Leo Van Garsse
Leo Van Garsse is oud-herstelbemiddelaar en momenteel werkzaam bij het vicariaat Mechelen – Vlaams Brabant als stafmedewerker voor territoriale pastoraal.

    This report discusses the interesting remarks and conclusions made by the speakers at the ERA seminar, ‘Recent Case Law of the European Court of Human Rights in Family Law Matters’, which took place in Strasbourg on 11-12 February 2016. The report starts with a brief discussion on the shifting notion of ‘family life’ in the case law of the ECtHR, then turns to best interests of the child in international child abduction cases, the Court’s recognition of LGBT rights and finally the spectrum of challenges regarding reproductive rights in the Court’s case law. The overarching general trend is that the Court is increasingly faced with issues concerning non-traditional forms of family and with issues caused by the internationalisation of families. How this is seen in the Court’s recent case law and how it effects the various areas of family law is discussed in this report.


Charlotte Mol LL.B.
Charlotte Mol is a Legal Research Master student at the University of Utrecht, where she specializes in family law and private international law. She has assisted the Commission on European Family Law with the editing of the comparative study on informal relationships. As a guest student she visited the University of Antwerp for two months, where she researched the best interests of the child in international child abduction cases in collaboration with, and under the supervision of, Prof. Thalia Kruger. She holds a European Law School LL.B. from Maastricht University.

    In this paper, an attempt is made to work out a methodology for comparative legal research, which goes beyond the ‘functional method’ or methodological scepticism.
    The starting point is the idea that we need a ‘toolbox’, not a fixed methodological road map, and that a lot of published, but largely unnoticed, research outside rule and case oriented comparative law offers varying approaches, which could usefully be applied in comparative research. Six methods have been identified: the functional method, the structural one, the analytical one, the law-in-context method, the historical method, and the common core method. Basically, it is the aim of the research and the research question that will determine which methods could be useful. Moreover, different methods may be combined, as they are complementary and not mutually exclusive.This paper focuses on scholarly comparative legal research, not on the use of foreign law by legislators or courts, but, of course, the methodological questions and answers will largely overlap.


Mark Van Hoecke
Professor of Comparative Law at Queen Mary University of London, and Professor of Legal Theory and Comparative Law at Ghent University
Artikel

Access_open ‘Dissenting opinions’ in religiezaken voor het Europees Hof (I)

De Grote Kamer

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 3 2015
Trefwoorden dissenting opinions, freedom of religion, margin of appreciation, ECHR
Auteurs Prof. dr. Sophie van Bijsterveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Religion cases of the European Court of Human Rights are much commented on. A systematic analysis of dissenting opinions in religion cases, however, does not exist. Such analysis can shed light on dividing lines within the ECtHR and deepen our understanding of the methods of reasoning of the ECtHR itself. This article contains analysis of dissenting opinions in the rulings of the Grand Chamber in religion cases. The analysis shows a pattern in the dividing lines. Contrary to the prior expectation, the margin of appreciation as such forms no such dividing line. The article discusses and evaluates the findings.


Prof. dr. Sophie van Bijsterveld
Prof. dr. S.C. van Bijsterveld is hoogleraar Religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

    Some months after the German occupation of the Netherlands, the Reichskommissar inroduced a Germanlike system of collecting finances for the poor people, soon followd by an equal system of social work. These initiatives at the same time aimed at urge the national-socialistic ideology, as such dismissed by the society and the churches. The occupying authorities avoided a clash with the churches.


Dr. Ben Koolen
Dr. G.M.J.M. Koolen heeft een godsdiensthistorische achtergrond en publiceerde in dit tijdschrift een aantal casestudies over de verhouding tussen kerk en staat.
Artikel

Access_open Schuifelen op de rechterstoel

De taak van de rechter in het Belgisch privaatrechtelijk procesrecht: een kwestie van moeten of mogen

Tijdschrift Preadviezen Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht, Aflevering 1 2015
Auteurs Willy van Eeckhoutte
Auteursinformatie

Willy van Eeckhoutte
W. van Eeckhoutte is advocaat bij het Hof van Cassatie en buitengewoon hoogleraar arbeids- en socialezekerheidsrecht aan de Universiteit Gent.
Artikel

De onderzoeksbevoegdheden van de Commissie scherpgesteld

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2015
Trefwoorden mededinging, onderzoeksbevoegdheden Verordening (EG) nr. 1/2003, recht op eerbiediging privé-, familie- en gezinsleven, motivering, rechterlijke toetsing
Auteurs Mr. Y. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt, mede aan de hand van het arrest Deutsche Bahn van het Gerecht en het arrest Delta Pekárny van het EHRM, ingegaan op de vraag of de Commissie een voorafgaande rechterlijke machtiging nodig heeft voor het verrichten van inspecties onder Verordening (EG) nr. 1/2003. Ook worden de arresten Nexans, Prysmian en Schwenk besproken, die inzicht geven in de effectiviteit van de rechterlijke controle die de Unierechter uitoefent over het gebruik van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie. Deze arresten verduidelijken de rechten en plichten van ondernemingen en de Commissie bij inspecties en verzoeken om inlichtingen onder Verordening (EG) nr. 1/2003.
    Gerecht 6 september 2013, gevoegde zaken T-289/11, T-290/11 en T-521/11, Deutsche Bahn, ECLI:EU:T:2013:404, EHRM 2 oktober 2014, nr. 97/11, Delta Pekárny/Tsjechische Republiek, Gerecht 14 november 2012, zaak T-135/09, Nexans, ECLI:EU:T:2012:596, Gerecht 14 maart 2014, zaak T-306/11, Schwenk, ECLI:EU:T:2014:123


Mr. Y. de Vries
Mr. Y. (Yvo) de Vries is Senior Director Antitrust bij Philips International B.V.

    This article studies the significance of insights from non-legal disciplines (such as political science, economics, and sociology) for comparative legal research and the methodology connected with such ‘interdisciplinary contextualisation’. Based on a theoretical analysis concerning the nature and methodology of comparative law, the article demonstrates that contextualisation of the analysis of legal rules and case law is required for a meaningful comparison between legal systems. The challenges relating to this contextualisation are illustrated on the basis of a study of the judicial use of comparative legal analysis as a source of inspiration in the judgment of difficult cases. The insights obtained from the theoretical analysis and the example are combined in a final analysis concerning the role and method of interdisciplinary contextualisation in comparative legal analysis conducted by legal scholars and legal practitioners.


Elaine Mak Ph.D.
Endowed Professor of Empirical Study of Public Law, in particular of Rule-of-Law Institutions, at Erasmus School of Law. Contact: mak@law.eur.nl.
Toont 1 - 20 van 40 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.