Zoekresultaat: 83 artikelen

x
Wetenschap

Conflicten, mensenrechtenschendingen en illegale mineralenhandel: een onderzoek naar (de doelstelling van) Verordening (EU) 2017/821

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2021
Trefwoorden conflictmineralen, mijnbouw, EU-importeurs, Democratische Republiek Congo, Dodd-Frank Act
Auteurs S.J. Kingdon en Prof. mr. H. Koster
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 januari 2021 is Verordening (EU) 2017/821 in werking getreden. De doelstelling van de Verordening is de handel in conflictmineralen nader te reguleren, opdat het verband tussen gewapende conflicten, mensenrechtenschendingen en de illegale exploitatie van conflictmineralen doorbroken kan worden. In dit artikel onderzoeken de auteurs de effectiviteit van de Verordening met betrekking tot haar doelstelling.


S.J. Kingdon
S.J. (Sebastian) Kingdon is masterstudent Ondernemingsrecht aan de Universiteit Leiden.

Prof. mr. H. Koster
Prof. mr. H. (Harold) Koster is als hoogleraar Ondernemingsrecht verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht (afdeling Ondernemingsrecht) van de Universiteit Leiden. Hij is tevens verbonden aan de Universiteit van Dubai.
Artikel

Access_open De relatieve betekenis van de Grondwet voor de wetgever

Een beschouwing over de Nederlandse juridische grondwetscultuur in de twintigste eeuw

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2020
Trefwoorden grondwetsinterpretatie, grondwetsidee
Auteurs Mr. drs. J.J.J. Sillen
SamenvattingAuteursinformatie

    De vraag naar de betekenis van de Grondwet voor de wetgever wordt meestal beantwoord met verwijzing naar haar bindende kracht, het toetsingsverbod en de veelvuldige delegatie aan de wetgever. De conclusie is vervolgens dat de Grondwet de wetgever veel vrijheid laat. Ik ben het eens met die conclusie, maar betoog dat deze argumentatie niet het hele verhaal vertelt. Wat ontbreekt is de rol van de Nederlandse grondwetscultuur. Drie elementen van die cultuur worden besproken: het bindende karakter van de Grondwet voor de wetgever, grondwetsinterpretatie en het ontbreken van een visie op welke normen in de Grondwet thuishoren.


Mr. drs. J.J.J. Sillen
Mr. drs. J.J.J. (Joost) Sillen is hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Telecommunicatie

Kroniek Telecommunicatie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2020
Trefwoorden elektronische communicatie, Telecomcode, connectiviteit, aanleg netwerken, netneutraliteit
Auteurs Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
SamenvattingAuteursinformatie

    De beschikbaarheid van vaste en mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit, zoals glasvezelnetwerken en 5G-netwerken, is cruciaal in de digitale economie. De Richtlijn van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (‘de Telecomcode’) heeft als doelstelling om bij te dragen aan de ontwikkeling van hoogwaardige netwerken. Deze connectiviteitsdoelstelling staat naast de reeds bestaande doelstellingen op het gebied van mededinging, interne markt en de bescherming van eindgebruikers. Deze bijdrage beschrijft allereerst de maatregelen, veelal soft law, die ter invulling van de connectiviteitsdoelstelling in de twee jaar na de vaststelling van de Telecomcode op Europees niveau zijn genomen, zoals Berec-richtsnoeren met een verduidelijking van nieuwe begrippen en instrumenten in de Telecomcode en een Aanbeveling van de Commissie voor een toolbox om de kosten van aanleg van nieuwe netwerken te verlagen. Daarna komt de gedeeltelijke implementatie in de Nederlandse Telecommunicatiewet aan de orde. Vervolgens passeert de jurisprudentie de revue, waarin een uitleg van de reikwijdte en de inhoud van het kader voorafgaand aan de Telecomcode, en van de Netneutraliteitsrverordening wordt gegeven. Daarbij wordt, waar relevant, ook benoemd hoe de uitleg zicht verhoudt tot de Telecomcode en de Nederlandse implementatie.


Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
Prof. mr. G.P. (Gera) van Duijvenvoorde is als bijzonder hoogleraar Telecommunicatierecht verbonden aan eLaw van de Universiteit Leiden en is advocaat-in-dienstbetrekking bij KPN.
Artikel

Over het oogmerkbestanddeel in artikel 285b Sr, dwang en heimelijke belaging

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 5 2020
Trefwoorden Oogmerk, belaging, dwang, artikel 285b Sr, heimelijke belaging
Auteurs Mr. A.B. (Anne-Berthe) van der Velde
SamenvattingAuteursinformatie

    Voor belaging ex artikel 285b Sr is vereist dat de belager ten tijde van de delictsgedraging beschikte over het oogmerk ‘die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel vrees aan te jagen’. In deze bijdrage wordt de relatie tussen dit oogmerkbestanddeel en het begrip ‘dwingen’ onderzocht. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de door de indieners van het wetsvoorstel beoogde werking van het bestanddeel niet tot uitdrukking is gekomen in de rechtspraak. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor (de toegevoegde waarde van) het oogmerkbestanddeel, van het oordeel van de Hoge Raad dat ook stiekem verrichte gedragingen als belaging kunnen worden aangemerkt.


Mr. A.B. (Anne-Berthe) van der Velde
Mr. A.B. (Anne-Berthe) van der Velde doet onderzoek naar belaging bij de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

De zorgplicht van de assurantietussenpersoon en onderverzekering

HR 6 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1298 (Sauna Peize/Rabobank)

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 3 2020
Trefwoorden verzekerde waarde, onderdekking, accresclausule, brandverzekering, verzekering tegen bedrijfsstagnatie
Auteurs Mr. M.J. Bruins Slot CPL
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Sauna Peize/Rabobank-arrest oordeelt de Hoge Raad over de zorgplicht van de assurantietussenpersoon in relatie tot onderverzekering. Een complexe zaak, waarin niet direct duidelijk is of sprake is van onderverzekering met inachtneming van de accresclausule. Wat mag van een redelijk bekwame en redelijk handelende assurantietussenpersoon worden verwacht?


Mr. M.J. Bruins Slot CPL
Mr. M.J. Bruins Slot CPL is advocaat bij NN Advocaten te Den Haag.

    De grote toestroom van migranten en asielzoekers in de EU houdt vandaag nog steeds verschillende regelgevers wakker. Niet alleen de nationale overheden, maar ook de EU-regelgevers zoeken naarstig naar oplossingen voor de problematiek. Daartoe trachten de EU-regelgevers het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) bij te werken.
    Binnen de groep migranten en asielzoekers bestaat een specifiek kwetsbaar individu: de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV). Hij is zowel vreemdeling als kind en kreeg reeds ruime aandacht binnen de rechtsleer. Nochtans werd deze aandacht niet altijd weerspiegeld in de EU-wetgeving. Het lijkt alsof hij door de regelgevers af en toe uit het oog verloren werd.
    Uit het onderzoek blijkt dat de EU-regelgevers nog een zekere weg te gaan hebben. In de eerste plaats bestaat er wat betreft het geheel aan regels met betrekking tot de NBMV weinig coherentie. De EU-regelgevers zouden bijvoorbeeld meer duidelijkheid kunnen scheppen door een uniforme methode vast te leggen voor de bepaling van de leeftijd van de NBMV. Hetzelfde geldt voor een verduidelijking van de notie ‘het belang van het kind’ binnen asiel en migratie. Verder blijken de Dublinoverdrachten en de vrijheidsontneming van de NBMV nog steeds gevoelige pijnpunten. Hier en daar moet aan de hervorming van het asielstelsel nog wat gesleuteld worden, zodat de rechten van de NBMV optimaal beschermd kunnen worden.
    ---
    Today, the large influx of migrants and asylum seekers into the European Union (EU) keeps several regulators awake. Not only national authorities, but EU regulators too are diligently searching for solutions to the problems. To this end, EU regulators are seeking to update the Common European Asylum System (CEAS).
    There is however a particularly vulnerable individual within the group of migrants and asylum seekers: the unaccompanied alien minor (UAM). These minors already received a great deal of attention within legal doctrine. However, this attention was not always reflected in EU legislation. It seems as if UAM are occasionally lost from sight by the regulators.
    This article shows that the EU regulators still have a certain way to go. First, there is little coherence in the set of rules relating to the UAM. The EU regulators could, for example, create more clarity by laying down a uniform method for determining the age of the UAM. The same applies to a clarification of the notion of 'best interests of the child' within the context of asylum and migration. Second, the proposal for a new Dublin Regulation and the proposal for a new Reception Conditions Directive still appear to be sensitive. Here and there, the reform of the asylum system still needs adjustments, so that the rights of UAM can be optimally protected."


Caranina Colpaert LLM
Caranina Colpaert is PhD researcher
Boekbespreking

Drugssmokkelaars en de deur in de haven

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 5 2019
Trefwoorden book review, cocaine smuggling, harbor, corruption, customs
Auteurs Dr. Barbra van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article, a recently published Dutch book on corruption in the port of Rotterdam is reviewed. De Schiedamse cocaïnemaffia. Een corrupte douanier, doorgewinterde criminelen en duizenden kilo’s coke was written by journalist Jan Meeus from NRC Handelsblad. The book can be seen as a case study of a customs officer – Gerrit – who fell for the big money. It gives a good insight into the connection between the legal and the illegal world and how this is experienced by those involved. The information in the book is based on seven large criminal files and dozens of conversations with people mentioned in those files. Meeus also attended the criminal proceedings intensively. It is now known that the film rights of the book have been sold and that Meeus will be writing the screenplay for the feature film together with director Jean van der Velde.


Dr. Barbra van Gestel
Dr. B. van Gestel is als onderzoeker verbonden aan het WODC.
Artikel

Access_open Het beslechten van dekkingsgeschillen

Een uiteenzetting naar aanleiding van Geschillencommissie Verzekeringen Curaçao 6 november 2015, nr. 2015-001

Tijdschrift Caribisch Juristenblad, Aflevering 1 2019
Trefwoorden dekkingsgeschillen, uitleg polisvoorwaarden, redelijkheid en billijkheid, verzekeringsovereenkomst, Geschillencommissie Verzekeringen Curaçao
Auteurs Mr. dr. M.V.R. Snel
SamenvattingAuteursinformatie

    Naar aanleiding van de uitspraak van de Geschillencommissie Verzekeringen Curaçao van 6 november 2015 verkent dit artikel de stand van zaken met betrekking tot de wijze(n) waarop een dekkingsgeschil tussen verzekeraar en verzekerde (kan) worden beslecht. Aangetoond wordt dat dit met name een kwestie van uitleg van de verzekeringsovereenkomst is, maar dat ook de redelijkheid en billijkheid een – afzonderlijke – rol kan spelen. Voor de toepassing van beide leerstukken is van belang eerst vast te stellen onder welke omstandigheden de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en wat de aard van de polisvoorwaarde(n) die in geding zijn is.


Mr. dr. M.V.R. Snel
Mr. dr. M.V.R. Snel is wetenschappelijk hoofdmedewerker privaatrecht verbonden aan de University of Curaçao, als research fellow aan het Tilburgs Instituut voor Privaatrecht en als visiting lecturer aan de Nyenrode Business University.
Artikel

Het non-concurrentiebeding in de ondernemingsrechtpraktijk: vergeet het mededingingsrecht niet!

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden non-concurrentiebeding, overnames, joint venture, aandeelhoudersovereenkomst, kartelverbod
Auteurs Mr. L.E. Haanraadts en Mr. drs. G. de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt aan de hand van wet- en regelgeving en jurisprudentie het wettelijk kader besproken dat geldt voor non-concurrentiebedingen in overnameovereenkomsten en aandeelhoudersovereenkomsten. Ook worden mogelijke sancties in geval van een inbreuk op het mededingingsrecht behandeld. Afgesloten wordt met enkele aanbevelingen en aandachtspunten bij het opstellen van non-concurrentiebedingen.


Mr. L.E. Haanraadts
Mr. L.E. Haanraadts is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.

Mr. drs. G. de Jong
Mr. drs. G. de Jong is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam.
Jurisprudentie

Welke gevolgen kan deelfraude hebben voor de vordering van de claimant op de aansprakelijke partij en diens verzekeraar?

HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2019
Trefwoorden sanctie, claimant, Deelfraude, fraude, Aansprakelijkheid
Auteurs Mr. J.G. Keizer
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat de regel uit het verzekeringsrecht dat (deel)fraude tot algeheel verval van het recht op uitkering kan leiden (art. 7:941 lid 5 BW), niet analoog toegepast kan worden in de personenschadepraktijk als de claimant tegenover de verzekeraar van de aansprakelijke partij (deel)fraude pleegt. Is een aan artikel 7:491 lid 5 BW verwante wettelijke regel voor de personenschadepraktijk daarom nodig en wenselijk, of bestaan er al voldoende mogelijkheden om (deel)fraude effectief te sanctioneren?


Mr. J.G. Keizer
Mr. J.G. Keizer is advocaat bij SAP Letselschade Advocaten te Amersfoort.
Artikel

Access_open De historie van de operationeel leider

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 4 2018
Trefwoorden Historie, Operationeel leider, Bureaupolitiek, Beethovenfout voor samenwerking
Auteurs Bernard Groot en Ira Helsloot
SamenvattingAuteursinformatie

    The operational leader, the ‘gold commander’, fulfils a crucial function in crisis- and disaster management in the Netherlands. He is held responsible for the total coordination of all collaborating emergency services and supports/advises the Mayor, the Commander in Chief. Unfortunately, this function has never been very effective in practise, as shown by many evaluations. From a scientific point of view, it is easy to understand why the operational leader cannot be effective in the Dutch crisis management organisation. The operational leader has no authorities and has been seated in an emergency operation centre far from the Mayor. This article examines why this issue has not been solved, despite 30 years of studying and adjusting the Dutch crisis management organisation.


Bernard Groot
Bernard Groot is directeur van Crisiscontrol BV te Hardinxveld-Giessendam. Het bedrijf legt zich toe op crisisbeheersing, rampenbestrijding, advies/opleiding/training en interim-management.

Ira Helsloot
Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit.
Artikel

De opzetclausule (2000) uitgelegd door de Hoge Raad

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 11 2018
Trefwoorden opzetclausule, AVP, geestesstoornis, categoriebenadering, maatschappelijke functie AVP
Auteurs Mr. dr. J.C. van Eijk-Graveland
SamenvattingAuteursinformatie

    Annotatie bij HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 (Shaken baby). In dit arrest geeft de Hoge Raad uitleg aan de opzetclausule die sinds 2000 in de AVP gehanteerd wordt. Gekeken wordt naar de invloed van de geestesstoornis op de toepassing van de opzetuitsluiting en er wordt een vergelijking getrokken met het strafrecht.


Mr. dr. J.C. van Eijk-Graveland
Mr. dr. J.C. van Eijk-Graveland is universitair docent bij het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht en rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Midden-Nederland.
Artikel

De Europese kreukelzone van de wetgever

Goede wetgeving vanuit het EU- en EVRM-perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2018
Trefwoorden EU, EVRM, wetgever, toetsing, Verenigbaarheid
Auteurs Mr. dr. A. Cuyvers en Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is een ‘goede wet’ voor de Nederlandse rechter vanuit het EU-recht en het EVRM bezien? Een ‘goede wet’ – daaronder mede begrepen de toelichting bij de wet – stelt de rechter afdoende in staat om (1) de verenigbaarheid van een wet met het EU-recht of het EVRM te beoordelen en (2) potentiële conflicten met het EU-recht of het EVRM constructief op te lossen zonder te hoeven grijpen naar ‘zware’ opties. Maar hoe, en tot op welke hoogte, kan of moet de wetgever rekening houden met de Europese taak en habitat van de Nederlandse rechter, zowel qua inhoud als qua motivering van wetgeving? En welke wetgevende kreukelzone mag de rechter onder Europees recht en het EVRM aan de wetgever laten alvorens in te grijpen? Ter beantwoording van deze vragen gaat deze bijdrage in op de verschillende vereisten die het EU-recht en het EVRM stellen aan goede wetgeving, waarbij mede wordt ingegaan op de structuur van de stapsgewijze toetsing door de Europese Hoven van nationale wetgeving.


Mr. dr. A. Cuyvers
Mr. dr. A. (Armin) Cuyvers is universitair hoofddocent Europees recht aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.

Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr.dr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is plaatsvervangend hoofd afdeling Constitutionele Zaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam en verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Onderzoek naar de mogelijke juridische integratie van de Elektriciteits-, Gas- en Warmtewet en een uniform toezicht op de energiesector

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Integrale energiewet, energietransitie, toezicht, ACM
Auteurs Saskia Lavrijssen, Frits van der Velde, Patrick Köpsel Sanz e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage geeft de belangrijkste bevindingen weer van een onderzoek naar de vraag in hoeverre integratie van de Nederlandse Gas-, Elektriciteits- en Warmtewet en de stroomlijning van het toezicht hierop mogelijk is. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn drie belangrijke conclusies te trekken. Allereerst bestaan grote mogelijkheden tot integratie van de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en de uniformering van het toezicht hierop. Desalniettemin bestaan ook barrières tot integratie. Zo leiden de begripsomschrijvingen van de kernbegrippen tot problemen voor integratie. Dit probleem wordt verergerd door de recente inwerkingtreding van de Europese netwerkcodes door de Europese Commissie, die buiten het bestek van dit onderzoek vallen. Daarnaast bestaan grote verschillen tussen de Warmtewet enerzijds en de Gas- en Elektriciteitswet anderzijds, omdat de bepalingen uit de Warmtewet een gebrek aan vergelijkbare artikelen vertonen. Daarom kan worden geconcludeerd dat de huidige Warmtewet nog niet te integreren is met de huidige Elektriciteitswet 1998 en Gaswet. Ten derde komen de meeste belemmeringen voort uit Nederlands beleid. Dit betekent dat de Nederlandse wetgever de ruimte heeft om de verschillende bepalingen aan te passen en te integreren. Op basis van bovenstaande conclusies en wanneer er speciale aandacht aan het begrippenkader wordt gegeven lijkt het mogelijk om een integrale energiewet met geharmoniseerd toezicht door de Autoriteit Consument en Markt in de elektriciteits- en gasmarkt te creëren, mits de grenzen van het Europees recht en technologische kenmerken van de markten worden gerespecteerd.


Saskia Lavrijssen
Prof. dr. S. Lavrijssen is hoogleraar Economic Regulation and Market Governance aan Tilburg University.

Frits van der Velde
Drs. F. van der Velde is senior beleidsadviseur bij VEMW.

Patrick Köpsel Sanz
Patrick Köpsel Sanz is master student aan Tilburg University.

Glenn Heusschen
Glenn Heusschen is master student aan Tilburg University.
Artikel

Wetgeving door een belastingplan, een goed idee?

Over de btw-problematiek bij uitwinning door de pandhouder ná art. 42d Iw 1990 en Roeffen q.q./Ontvanger en wetgeving als overvalstechniek

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2018
Trefwoorden belastingplan, pandrecht, btw, financieren
Auteurs Mr. R. van den Bosch en Mr. M.L. Tuil
SamenvattingAuteursinformatie

    De afgelopen jaren heeft de wetgever tweemaal in het nadeel van de pandgever ingegrepen in de bestaande rangorde tussen pandgever en fiscus. Dit heeft consequenties voor de financiering van ondernemingen. De auteurs wijzen op de economische implicaties van deze maatregelen en adviseren de wetgever dergelijke ingrepen slechts weloverwogen te doen.


Mr. R. van den Bosch
Mr. R. van den Bosch is juridisch adviseur bij ING te Amsterdam.

Mr. M.L. Tuil
Mr. M.L. Tuil is juridisch adviseur bij ING te Amsterdam.
Artikel

Over frauderende slachtoffers en WAM-verzekeraars

En de vraag of civielrechtelijke sanctionering mogelijk, of zelfs gewenst is

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2018
Trefwoorden WAM-verzekeraar, fraude, verval van uitkering, frauderende claimant
Auteurs Mr. F.M. Ruitenbeek en Mr. M. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij fraude door hun verzekerden kunnen verzekeraars ontkomen aan hun dekkingsplicht. Kan dat ook in de verhouding tussen WAM-verzekeraars en verkeersslachtoffers die ageren op grond van artikel 6 WAM? De kantonrechter te Amsterdam zag geen grond voor (analoge) toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW of voor verval van het recht op uitkering via de band van de redelijkheid en billijkheid. Naar aanleiding van het kantonvonnis bespreken de auteurs in deze bijdrage of het verval van het recht op uitkering het door verzekeraars gewenste effect sorteert en of fraude in de aansprakelijkheidsverhouding kan derogeren aan het recht op schadevergoeding.


Mr. F.M. Ruitenbeek
Mr. F.M. Ruitenbeek is promovenda bij de sectie Burgerlijk Recht van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Mr. M. de Vries
Mr. M. de Vries is promovenda aan de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam, bij het Verzekeringsinstituut.
Artikel

De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief

Bespreking van het proefschrift van mr. K. Engel

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 1 2018
Trefwoorden verzekeringsovereenkomst, mededelingsplicht, waarschuwingsplicht, rechtsvergelijking
Auteurs Mr. dr. W.C.T. Weterings
SamenvattingAuteursinformatie

    Kees Engel behandelt in zijn proefschrift alle belangrijke vragen en discussies met betrekking tot de precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer. Het prettig leesbare boek biedt nuttige inzichten en informatie, mede door het rechtsvergelijkende perspectief.


Mr. dr. W.C.T. Weterings
Mr. dr. W.C.T. Weterings is advocaat bij Dirkzwager Advocaten & Notarissen, sectie Aansprakelijkheid, Schade en Verzekering en universitair docent aan de Universiteit van Tilburg, vakgroep Business Law.
Artikel

Cumulerende procedures en dubbele bestraffing

De invloed van Europa op het ne bis in idem-beginsel in Nederland

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 4 2017
Trefwoorden ne bis in idem-beginsel, EVRM, Europese Unie, dubbele bestraffing, criminal charge
Auteurs Mr. A.C.M. Klaasse en Mr. J.N. de Boer
SamenvattingAuteursinformatie

    Het ne bis in idem-beginsel is geregeld in respectievelijk artikel 68 Sr en artikel 5:43 Awb. Ook in procedures die buiten het strafrecht of bestuurlijke boeterecht vallen, kan het Europese verbod op dubbele bestraffing doorwerken in Nederland. De Hoge Raad heeft erkend dat de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde bescherming bieden in het kader van het ne bis in idem-beginsel. Bovendien is artikel 50 van het Handvest van de EU van toepassing indien EU-recht ten uitvoer wordt gelegd. Op deze wijze is jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en het EHRM ook van belang voor Nederland.


Mr. A.C.M. Klaasse
Mr. A.C.M. Klaasse is juridisch medewerker bij Hertoghs advocaten in Rotterdam.

Mr. J.N. de Boer
Mr. J.N. de Boer is advocaat bij Hertoghs advocaten in Amsterdam.
Artikel

Realisering van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam door middel van wetgeving

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2017
Trefwoorden Onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, Recht op lichamelijke integriteit, Artikel 11 Grondwet
Auteurs Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt het nut en de meerwaarde van het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam onderzocht, alsmede de grondrechtelijke randvoorwaarden die van belang zijn bij de realisering van het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam. Dit wordt onder meer in het licht geplaatst van de rechtspraktijk en huidige en toekomstige dilemma’s en technologische ontwikkelingen. De meerwaarde van artikel 11 Grondwet wordt, met name ten opzichte van artikel 10 Grondwet (bescherming persoonlijke levenssfeer), wel als beperkt ingeschat omdat beide bepalingen ten aanzien van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam juridisch dezelfde bescherming bieden. De vraag is echter of dat terecht is, nu artikel 11 Grondwet het menselijk lichaam expliciet als rechtsobject beschermt. Technologische ontwikkelingen, waarbij enerzijds het menselijk lichaam steeds meer maakbaar wordt en aan veranderingen kan worden onderworpen. Juist in die context heeft het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam betekenis en urgentie. Anderzijds roepen ook de steeds grotere medische mogelijkheden en de hoge kosten waarmee dat gepaard gaat vragen op. Het belang van de bescherming die artikel 11 Grondwet biedt, is daarmee juist in het huidige tijdsgewricht van belang.


Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is waarnemend hoofd van de afdeling Constitutionele Zaken bij de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en verbonden aan de Afdeling staats- en bestuursrecht van de VU Amsterdam.
Artikel

Naar een verzekerd slachtofferrecht: onderzoek naar effectief schadeverhaal van slachtoffers van misdrijven via het private verzekeringsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2017
Trefwoorden vergoeding van misdrijfschade, WA-verzekering dader, vergoedingsmogelijkheden buiten strafproces, gewelds- en zedenmisdrijven, slachtoffers
Auteurs Mr. A.J.J.G. Schijns
SamenvattingAuteursinformatie

    De praktijk laat zien dat de huidige schadevergoedingsmogelijkheden voor slachtoffers van misdrijven tekortschieten. Als gevolg daarvan blijft een deel van de slachtoffers en nabestaanden van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven met niet te verhalen schade zitten. Dit artikel bevat een samenvatting van recent onderzoek dat een kansrijke oplossing aanreikt waarbij slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven en hun nabestaanden de schade vergoed kunnen krijgen via de aansprakelijkheidsverzekeraar van de dader.


Mr. A.J.J.G. Schijns
Mr. A.J.J.G. Schijns is onderzoeker aan de VU en advocaat bij Beer advocaten te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 83 gevonden teksten
« 1 3 4 5
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.