Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 526 artikelen

x
Annotatie

Google Shopping en het verbod op self-preferencing – een nieuwe norm voor Big Tech?

Gerecht 10 november 2021, T-612/17, ECLI:EU:T:2021:763 (Google en Alphabet/Commissie)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2022
Auteurs Jotte Mulder
SamenvattingAuteursinformatie

    De Google shopping-uitspraak heeft veel te bieden. Self-preferencing kwalificeert onder omstandigheden als misbruik. Die omstandigheden vereisen niet dat Google een onmisbare dienst aanbiedt maar enkel dat het gedrag tot potentiële uitsluiting kan leiden. Daarbij lijkt het Gerecht ook een nieuwe standaard te introduceren, namelijk dat ‘onnatuurlijk gedrag van Google dat in potentie tot uitsluiting kan leiden moet worden gerechtvaardigd’. Het Gerecht heeft er echter zorg voor gedragen veel van de ‘nieuwe normen’ in de uitspraak te verbinden aan de ‘ultradominante’ positie die Google als poortwachter in de markt inneemt. De bredere relevantie en impact van de uitspraak is om die reden reeds beperkt, ook in het licht van de DMA-regulering, op basis waarvan vergelijkbaar gedrag van Google straks ex-ante verboden is.


Jotte Mulder
Mr. dr. J. Mulder is advocaat bij Pels Rijcken en universitair docent bij de Universiteit Utrecht. Deze annotatie is op persoonlijke titel geschreven. Met dank aan Kaj Heesakkers voor waardevol onderzoek bij het schrijven van de annotatie.

    In september 2021 is door het toenmalige demissionaire kabinet het coronatoegangsbewijs geïntroduceerd als maatregel ter bestrijding van het coronavirus. De maatregel stuitte direct op veel weerstand, onder meer omdat deze in strijd zou zijn met verschillende grondrechten. In dit artikel wordt besproken welke grondrechten beperkt worden met het hanteren van het coronatoegangsbewijs en of die grondrechtenbeperking gerechtvaardigd is. Hierbij wordt getoetst aan zowel het nationaalrechtelijke kader op basis van de Grondwet als het EHRM-kader op basis van het EVRM. Ook wordt relevante recente jurisprudentie besproken.


J.K. de Bree
Mr. J.K. (Jasmijn) de Bree is senior parketsecretaris bij het Expertisecentrum Medische Zaken van het Openbaar Ministerie.
Artikel

Heffing in box 3

Wie krijgt rechtsherstel?

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 2 2022
Auteurs Yola Geradts
Auteursinformatie

Yola Geradts
Yola E.J. Geradts is advocaat-belastingkundige.
Artikel

Access_open De zaak Wout Van Aert

Ontslag om dringende reden naar Belgisch arbeidsrecht

Tijdschrift Voetbal- & Sportjuridische Zaken, Aflevering 1 2022
Trefwoorden dringende reden, Van Aert, ontslag, gelijkheidsbeginsel, UCI
Auteurs Niels Verborgh en Sven Demeulemeester
SamenvattingAuteursinformatie

    Sporters die prestaties leveren voor een sportploeg op grond van een arbeidsovereenkomst kunnen zich bedienen van de beschikbare arbeidsrechtelijke instrumenten om hun arbeidsovereenkomst te beëindigen. De zaak Van Aert illustreert waarom de Belgische arbeidsrechtelijke figuur van het ontslag om dringende reden niet zonder risico is voor de partij die zich hierop beroept. De arbeidsgerechten controleren immers a posteriori de gegrondheid van de ingeroepen dringende reden en kunnen de partij die zich onterecht beroept op een dringende reden alsnog de betaling van een belangrijke opzeggingsvergoeding opleggen.


Niels Verborgh
Niels Verborgh is advocaat bij Atfield.

Sven Demeulemeester
Sven Demeulemeester is advocaat bij Atfield.
Sociaal beleid

Gelijke beloning voor mannen en vrouwen: geen woorden meer maar daden

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2022
Trefwoorden handhaving, toezicht, effectieve rechtsbescherming, transparantie
Auteurs Prof. mr. L.A.J. Senden en Drs. R. Hesdahl
SamenvattingAuteursinformatie

    De loonkloof m/v is een hardnekkig probleem ondanks lang bestaande wetgeving. Dat komt onder meer doordat naleving van het recht op gelijke beloning vooral als een individueel probleem is beschouwd van de klaagster. Het richtlijnvoorstel over meer loontransparantie en betere handhaving van gelijkebeloningswetgeving m/v vormt een welkome trendbreuk doordat het niet alleen individuele rechtsbescherming versterkt maar ook toezicht en handhaving. Het voorstel maakt de loonkloof tot een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgevers, sociale partners, gelijke behandelingsorganen, arbeidsinspectie, rechters en een aan te wijzen toezichtsorgaan. Daarmee zet het de lidstaten aan om eindelijk de daad bij het woord te voegen en de loonkloof daadwerkelijk te dichten.
    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen, Brussel, 4 maart 2021, COM(2021)93 final.


Prof. mr. L.A.J. Senden
Prof. mr. L.A.J. (Linda) Senden is hoogleraar Europees recht aan de Universiteit Utrecht, RENFORCE en IOS Gender and Diversity Hub.

Drs. R. Hesdahl
Drs. R. (Rian) Hesdahl, LL.M is onderzoeksassistent aan de Universiteit Utrecht, ­RENFORCE.
Artikel

Access_open Het Europees Openbaar Ministerie in de Nederlandse rechtsorde

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 5 2021
Trefwoorden Europees Openbaar Ministerie, Europees strafrecht, Europese Unie, vervolging, beklag niet (verdere) vervolging
Auteurs Mr. M.J. (Matthias) Borgers
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 juni 2021 is het Europees Openbaar Ministerie (EOM) operationeel geworden. Bij een vervolging door het EOM voor de Nederlandse strafrechter treedt een gedelegeerde Europese aanklager op die tevens aan het Nederlandse openbaar ministerie is verbonden. Deze aanklager heeft in de strafzaak alle bevoegdheden van een lid van het Nederlandse openbaar ministerie. Voor het optreden van het EOM in de deelnemende lidstaten wordt dus gebruikgemaakt van de bestaande juridische infrastructuur. In deze bijdrage wordt ingegaan op de vervolging van strafzaken door het EOM voor de Nederlandse strafrechter. Het gaat daarbij om de vraag of er verschillen of bijzonderheden bestaan in vergelijking met een ‘gewone’ strafzaak waarin het Nederlandse openbaar ministerie het vervolgingsrecht uitoefent en, zo ja, welke die zijn.


Mr. M.J. (Matthias) Borgers
Mr. M.J. (Matthias) Borgers is raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

De oprichterscommissie van beursvennootschap CM.com

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 11 2021
Trefwoorden beschermingsconstructie, inrichtingsvrijheid, vennootschapsorgaan, vennootschapsbelang, oligarchische besluitvormingsclausules
Auteurs J. Oppatja
SamenvattingAuteursinformatie

    Beursvennootschap CM.com koos bij haar beursgang voor een bijzondere structuur. Om de actieve betrokkenheid van haar oprichters te waarborgen, is een oprichterscommissie in het leven geroepen. De oprichterscommissie heeft verschillende statutaire bevoegdheden. De auteur onderzoekt of de structuur binnen de grenzen van de wet blijft.


J. Oppatja
J. Oppatja is onderzoeksmasterstudent Onderneming & Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Annotatie

Rechtstreekse horizontale werking van het EU Handvest in getrapte vorm

HvJ EU 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en C-570/16, ECLI:EU:C:2018:871 (Stadt Wuppertal/Maria Elisabeth Bauer; Volker Willmeroth/Martina Broßonn), ArA 2019/2, m.nt. J.R. Vos

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2021
Trefwoorden Bauer en Willmeroth, TSN en AKT, Artikel 31 lid 2 EU Handvest, Rechtstreekse horizontale werking, Minimumvoorschrift
Auteurs Beryl ter Haar
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2018 en 2019 kwam het Hof van Justitie van de EU met een aantal zaken waarin het Hof rechtstreekse horizontale werking toekent aan grondrechten in het EU Handvest. Een van die arresten betreft de gevoegde zaken Bauer en Willmeroth, waarin artikel 31 lid 2 van het Handvest rechtstreekse horizontale werking toegekend krijgt. Uit het iets later gewezen arrest over de gevoegde zaken TSN en AKT valt echter op te maken dat die rechtstreekse werking wellicht niet zo rechtstreeks is als het Hof doet voorkomen.


Beryl ter Haar
Prof. mr. B.P. ter Haar is hoogleraar en directeur van het Centre for International and European Labour Law Studies (CIELLS) aan de Universiteit van Warschau en bijzonder hoogleraar Europees en Vergelijkend Arbeidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Mr. M.E.B. de Haseth
Mr. M.E.B. de Haseth is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Sociaal beleid

Gelijk loon voor gelijk werk: beginsel heeft ook voor gelijkwaardig werk directe werking

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2021
Trefwoorden gelijk loon voor gelijk werk, gelijkheid, EU-verdrag, Hof van Justitie, arbeidsvoorwaarden
Auteurs D. De Meyst
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Tesco Stores sprak het Hof van Justitie zich op 3 juni 2021 uit over de directe werking van artikel 157 VWEU, dat het beginsel van gelijk loon voor gelijke en gelijkwaardige arbeid bevat. In de praktijk is het voor individuen vaak niet gemakkelijk om het beginsel voor de nationale rechter af te dwingen. In het Tesco-arrest kent het Hof van Justitie expliciet directe werking toe aan het beginsel, zowel voor gelijke als gelijkwaardige arbeid. Hoewel de uitspraak slechts een bevestiging is van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie, is de uitspraak toch van symbolisch belang. Ze schept nieuwe mogelijkheden om de afdwinging van het beginsel van gelijk loon voor gelijk(waardig) werk te vergemakkelijken.
    HvJ 3 juni 2021, zaak C-624/19, Tesco Stores, ECLI:EU:C:2021:429.


D. De Meyst
Mevr. D. (Dominique) De Meyst is doctoraal onderzoekster sociaal recht aan de UHasselt/KULeuven.
Artikel

Hoe maken we de taal van de rechtspleging genderneutraal?

Tijdschrift Boom Strafblad, Aflevering 5 2021
Trefwoorden Genderneutrale taal, Gender en recht, Wetgeving, Gelijkheid, Inclusiviteit
Auteurs Mr. W.H. (Willem) Jebbink en mr. R.E. (Rosa) van Zijl
SamenvattingAuteursinformatie

    Ook nu nog, ver in de 21ste eeuw, is de taal van de rechtspleging niet inclusief. De Hoge Raad verwijst in zijn arresten bijvoorbeeld naar functionarissen en procesdeelnemers met louter mannelijke verwijswoorden, en beoordeelt het optreden van de raadsvrouwe met wat van de raadsman mag worden gevergd. In wetenschappelijke artikelen is eveneens de mannelijke vorm de norm voor het aanduiden van algemeenheden. Dat geldt ook voor wetteksten. Deze mannelijke dominantie in juridische taal is ongetwijfeld een cultureel verschijnsel, maar heeft geen basis meer in de huidige samenleving. Hoe kunnen we bereiken dat taal in de rechtspraktijk ‘inclusiever’ wordt?


Mr. W.H. (Willem) Jebbink
Willem Jebbink is advocaat bij Jebbink Soeteman Advocaten in Amsterdam.

mr. R.E. (Rosa) van Zijl
Rosa van Zijl is advocaat bij Jebbink Soeteman Advocaten in Amsterdam.
Artikel

Het rechtencurriculum als katalysator voor een inclusieve samenleving

Een proeve van ‘systeemkritiek’

Tijdschrift Crimmigratie & Recht, Aflevering 2 2021
Trefwoorden uitsluiting, democratie, rechtencurriculum, perspectieven, twijfel
Auteurs Martine Beijerman
SamenvattingAuteursinformatie

    Students in law school learn to understand the legal system, rulings, and laws. Teachers emphasize the importance of legal principles and democratic values such as freedom and equality. However, at the same time, the society in which the aspiring lawyers will work is often built on structures of inequality, exclusion, and injustice. Law schools have the opportunity and the moral responsibility to make their students aware of the inevitable gap between ideals and the application of laws that facilitate or sustain social injustice. To this end, some reflection on the human tendency to bias and moral overestimation is a necessary first step. This reflection paves the way for the introduction of different theoretical perspectives on justice and injustice within the legal curriculum. Students learn to question and to reconsider dominant assumptions and points of view. These skills are fundamental to develop into lawyers who not only enforce the laws as they exist today but also consider how those laws may or may not be contributing to the preservation of democratic values in our society.


Martine Beijerman
Dr. mr. M. Beijerman (LLM) is onafhankelijk onderzoeker, woonachtig in de Verenigde Staten en auteur van Vreemde eenden. Op zoek naar gelijkheid in een wereld vol anderen (Podium 2021).
Artikel

Gemeentelijke juridische professionals in ­verandering

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2021
Trefwoorden Legal professionals, Professional posture, professional role, Willingness to change
Auteurs Arnt Mein
SamenvattingAuteursinformatie

    Legal professionals working in city and municipal government face changes in expectations about their roles within the organisation. Where in the past they mostly took on the reactive and detached role of guardians of legal quality, these days they are expected to take a more flexible, solution-oriented and cooperative stance. How do these legal professionals handle this shift? How far do they go in adapting and which factors play a role? Based on three different positions within the organisation I describe this process, focusing in particular on their perception of their professional roles, and their willingness to change. I conclude with some critical comments on the changing expectations from legal professionals.


Arnt Mein
Arnt Mein is Lector Legal Management aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar onder meer de juridische functie bij de overheid en de beroepshouding van juristen.
Artikel

Kroegtijgers

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 8 2021
Auteurs Erik Jan Bolsius en Jean-Pierre Jans
Auteursinformatie

Erik Jan Bolsius

Jean-Pierre Jans
Beeld
Artikel

De achterdeur op een gedoogde kier?

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 4 2021
Trefwoorden artikel 13b Opiumwet, Damoclesbeleid, coffeeshop, bedrijfsruimte, evenredigheid
Auteurs Mr. M. van Weeren en Mr. R. Salverda
SamenvattingAuteursinformatie

    Het sluiten van bedrijfsruimte die wordt gebruikt als externe afroepbare voorraadlocatie voor coffeeshops op grond van artikel 13b Opiumwet, kan onder bepaalde omstandigheden onevenredig en niet noodzakelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om het feit dat geen sprake is van verstoring van de openbare orde, dat het pand al jarenlang wordt gebruikt als externe afroepbare voorraadlocatie en geen sprake is van feitelijke handel vanuit het pand. Verder speelt de Wet gesloten coffeeshopketen een rol bij de vraag of een sluiting van 24 maanden is gerechtvaardigd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal zich hier binnenkort over buigen.


Mr. M. van Weeren
Mr. M. van Weeren is werkzaam als advocaat bij Blenheim advocaten.

Mr. R. Salverda
R. Salverda is werkzaam als juridisch medewerker bij Blenheim advocaten.
Artikel

Kroniek Asiel- en vreemdelingenrecht

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 7 2021
Auteurs Eva Bezem, Dora Brouwer, Marieke van Eik e.a.

Eva Bezem

Dora Brouwer

Marieke van Eik

Wil Eikelboom

Isa van Krimpen

Marq Wijngaarden

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Artikel

Access_open Contractuele vaccinatieplichten, coronaclausules en wijziging van overeenkomsten

Contractsvrijheid in tijden van corona

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 6 2021
Trefwoorden COVID-19, testverplichting, privileges, pandemieclausule, onvoorziene omstandigheden
Auteurs Prof. mr. H.N. Schelhaas
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage staat vanuit het perspectief van de contractsvrijheid de invloed van coronamaatregelen op contracten centraal. Ingegaan wordt op de vraag of contractuele vaccinatie- of testverplichtingen kunnen worden afgedwongen, of en in hoeverre contracten kunnen worden aangepast op grond van onvoorziene coronaomstandigheden, en of in coronaclausules de gevolgen van coronamaatregelen kunnen worden vastgesteld.


Prof. mr. H.N. Schelhaas
Prof. mr. H.N. Schelhaas is hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam, en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Access_open Het Cornelius Haga Lyceum in gevecht met de overheid

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 2 2021
Trefwoorden onderwijsrecht, onderwijsvrijheid, islamitische scholen, burgerschapsonderwijs
Auteurs Miek Laemers
SamenvattingAuteursinformatie

    Since – and even before – the start of the Cornelius Haga Lyceum (islamic secondary school in Amsterdam) in 2017, the school board has been involved in legal procedures against the government to fight for their right to exist as an islamic school. The difficult way the school was established, the illustrious history in the last ten years and the director’s retreat are described based on literature, media reports, and jurisprudence. The events are placed in the light of the pursuit from the government to fight radicalisation – may be even islamisation – in Dutch society and specially in Dutch schools. Special attention is paid to relevant themes of education law, like freedom of education in article 23 of the Dutch Constitution and citizeneducation.


Miek Laemers
Prof. mr. dr. M.T.A.B. Laemers is sedert 2019 emeritus hoogleraar Onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit. Zij vervult thans enkele functies op het terrein van onderwijsrecht, zoals die van voorzitter van het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam, lid van de Commissie uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, redactielid van het Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en voorzitter van de landelijke klachtencommissie geschillen medezeggenschap ouders/studenten in het middelbaar beroepsonderwijs.
Jurisprudentie

Centraal Israëlitisch Consistorie van België vs Vlaamse Regering

Is het Hof van Justitie van de EU ‘koosjer’ als het om godsdienstvrijheid gaat?

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 2 2021
Trefwoorden ritual slaughter, religious freedom, Jewish and Islamic religious rules, interpretation of human rights
Auteurs Matthijs de Blois
SamenvattingAuteursinformatie

    The Court of Justice has ruled that the Flemish complete prohibition of the unstunned slaughter of animals according to religious laws is not contrary to EU law, notwithstanding the exception in Regulation1099/2009 and Article 10 of the Charter of Fundamental Rights of the EU (religious freedom). The Court used the concept of the interpretation of human rights in the light of present day conditions, not to extend the scope of the freedom concerned, but to restrict the religious freedom of Jews and Muslims. Religious rules that have existed for millenniums may give way to very recent views on animal welfare. This contribution is a critical appraisal of the judgment.


Matthijs de Blois
Dr. M. de Blois werkte tot 2017 als universitair docent bij de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht. Hij is nu als senior fellow verbonden aan thinc (The Hague initiative for international co-operation).
Toont 1 - 20 van 526 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 26 27
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.