Zoekresultaat: 162 artikelen

x
Artikel

De beëindigde rechtspersoon en zijn opstalrecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 3 2020
Trefwoorden ontbinding, rechtspersonen, vermogen, vereffening, beperkte rechten
Auteurs Mr. B. van der Wal
SamenvattingAuteursinformatie

    Ingeval de rechthebbende van een opstalrecht een rechtspersoon is en deze rechtspersoon na ontbinding is opgehouden te bestaan, hoe kan de grondeigenaar dan van het opstalrecht op zijn grond af komen? Uit dit artikel volgt dat beëindiging mogelijk is, maar dat daarvoor meestal een uitspraak van de rechter is vereist.


Mr. B. van der Wal
Mr. B. van der Wal is docent Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

Het fideicommis, (meer) temporele problemen bij de benoeming van verwachters en de toepassing van de vruchtgebruikbepalingen

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 2 2020
Trefwoorden voorwaardelijke making, tweetrapsmaking, bezwaarde, erfgenaam onder opschortende voorwaarde, erfgenaam onder ontbindende voorwaarde
Auteurs Mr. dr. R.E. Brinkman
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt ingegaan op temporele problemen die kunnen ontstaan bij (de formulering van) plaatsvervullingsclausules voor verwachters, naar aanleiding van een recent vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De vraag rijst namelijk ‘wie’ verwachters zijn als de benoeming tot verwachters ‘temporeel’ is geformuleerd. Anders dan de rechtbank betoogt, wordt hier beargumenteerd dat er bij een fideicommis (op één uitzondering na) hangende de voorwaarde altijd (primaire en soms subsidiaire) verwachters aanwezig zijn, die bevoegdheden moeten kunnen uitoefenen en jegens wie de bezwaarde zijn verplichtingen moet kunnen vervullen.


Mr. dr. R.E. Brinkman
Mr. dr. R.E. Brinkman is notaris te Hardenberg, docent aan de Rijksuniversiteit Groningen en raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

    De grote toestroom van migranten en asielzoekers in de EU houdt vandaag nog steeds verschillende regelgevers wakker. Niet alleen de nationale overheden, maar ook de EU-regelgevers zoeken naarstig naar oplossingen voor de problematiek. Daartoe trachten de EU-regelgevers het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) bij te werken.
    Binnen de groep migranten en asielzoekers bestaat een specifiek kwetsbaar individu: de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV). Hij is zowel vreemdeling als kind en kreeg reeds ruime aandacht binnen de rechtsleer. Nochtans werd deze aandacht niet altijd weerspiegeld in de EU-wetgeving. Het lijkt alsof hij door de regelgevers af en toe uit het oog verloren werd.
    Uit het onderzoek blijkt dat de EU-regelgevers nog een zekere weg te gaan hebben. In de eerste plaats bestaat er wat betreft het geheel aan regels met betrekking tot de NBMV weinig coherentie. De EU-regelgevers zouden bijvoorbeeld meer duidelijkheid kunnen scheppen door een uniforme methode vast te leggen voor de bepaling van de leeftijd van de NBMV. Hetzelfde geldt voor een verduidelijking van de notie ‘het belang van het kind’ binnen asiel en migratie. Verder blijken de Dublinoverdrachten en de vrijheidsontneming van de NBMV nog steeds gevoelige pijnpunten. Hier en daar moet aan de hervorming van het asielstelsel nog wat gesleuteld worden, zodat de rechten van de NBMV optimaal beschermd kunnen worden.
    ---
    Today, the large influx of migrants and asylum seekers into the European Union (EU) keeps several regulators awake. Not only national authorities, but EU regulators too are diligently searching for solutions to the problems. To this end, EU regulators are seeking to update the Common European Asylum System (CEAS).
    There is however a particularly vulnerable individual within the group of migrants and asylum seekers: the unaccompanied alien minor (UAM). These minors already received a great deal of attention within legal doctrine. However, this attention was not always reflected in EU legislation. It seems as if UAM are occasionally lost from sight by the regulators.
    This article shows that the EU regulators still have a certain way to go. First, there is little coherence in the set of rules relating to the UAM. The EU regulators could, for example, create more clarity by laying down a uniform method for determining the age of the UAM. The same applies to a clarification of the notion of 'best interests of the child' within the context of asylum and migration. Second, the proposal for a new Dublin Regulation and the proposal for a new Reception Conditions Directive still appear to be sensitive. Here and there, the reform of the asylum system still needs adjustments, so that the rights of UAM can be optimally protected."


Caranina Colpaert LLM
Caranina Colpaert is PhD researcher
Artikel

Access_open Herziening ten voordele van de gewezen verdachte als buitengewoon rechtsmiddel

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 1 2020
Trefwoorden herziening ten voordele, novumcriterium, ACAS, nader onderzoek, rechtsvergelijking, Strafrecht
Auteurs Mr. dr. J.S. (Joost) Nan
SamenvattingAuteursinformatie

    Herziening ten voordele van de gewezen verdachte is een bijzonder rechtsmiddel in het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Onder meer op grond van een novum kan, bij hoge uitzondering, een onherroepelijke veroordeling alsnog ongedaan worden gemaakt. De regeling heeft in 2012 diverse wijzigingen ondergaan. Daarbij is het novumcriterium verruimd en is de mogelijkheid ingevoerd dat de procureur-generaal een nader onderzoek verricht naar het mogelijke bestaan van een novum. De Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) adviseert hem veelal over de wenselijkheid van dergelijk onderzoek. Het wettelijke novumcriterium en de taakopvatting van de ACAS zijn echter geen rustig bezit gebleken. Er wordt doorlopend voorgesteld om het novumcriterium verder te verruimen en om de ACAS breder naar afgesloten zaken te laten kijken. Het is de vraag of de wetgever aan die oproep gehoor moet geven.


Mr. dr. J.S. (Joost) Nan
Mr. dr. J.S. Nan is universitair hoofddocent straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en (cassatie)advocaat bij Wladimiroff Advocaten te Den Haag.
Artikel

Nietigverklaring van een testament bij leven van de testateur: kan dat?

Procesrechtelijke aspecten

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 1 2020
Trefwoorden nietigverklaring testament voor overlijden testateur, nietig, testament, wilsonbekwaamheid, belang
Auteurs Mr. drs. J.H. Lieber
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur onderzoekt in deze bijdrage of ook tijdens leven van een testateur procedures over de geldigheid van een testament al mogelijk zijn. In de situatie dat sprake is van financieel misbruik van een kwetsbare, wilsonbekwame persoon kan dat zeer wenselijk zijn. De uitkomst van het onderzoek is dat die mogelijkheid bestaat, mits aan de strenge eisen van artikel 3:302 en 3:303 BW is voldaan.


Mr. drs. J.H. Lieber
Mr. drs. J.H. Lieber is senior raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het gerechtshof Amsterdam.
Institutioneel recht

Anomalie of de aankondiging van een omwenteling?

Het EU-stelsel van rechtsbescherming na Rimšēvičs

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2019
Trefwoorden EMU, onafhankelijkheid, rechterlijke bevoegdheden, rechtsstaat, direct beroep
Auteurs Mr. dr. A. van den Brink
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Rimšēvičs vernietigde het Hof van Justitie voor het eerst een besluit van een nationaal overheidsorgaan. Het ging om het ontslag van de president van de Letse centrale bank. De vernietiging doorbreekt de klassieke bevoegdheidsverdeling tussen het Hof van Justitie en nationale rechters, maar is gebaseerd op een bijzondere bepaling uit het EMU-recht. Betreft het om die reden een geïsoleerd geval, of kan de uitspraak bredere implicaties krijgen?
    HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-202/18 (Rimšēvičs/Letland) en C-238/18 (ECB/Letland), ECLI:EU:C:2019:139.


Mr. dr. A. van den Brink
Mr. dr. A. (Ton) van den Brink is Jean Monnet professor EU-wetgevingsleer en is als universitair hoofddocent Europees recht verbonden aan het Utrecht Centre for Shared Regulation and Enforcement in Europe – RENFORCE van de Universiteit Utrecht.

Berto Winters
Mr. B. Winters is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.
Impressies

De ‘prognose-torpedo’: een effectief verweermiddel tegen vorderingen in kort geding

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2019
Trefwoorden [ontbreken] Franchise, Exploitatie prognose, Dwaling, Kort Geding, Wilsgebrek
Auteurs Mr. J.H. Kolenbrander
SamenvattingAuteursinformatie

    Een beroep op dwaling vanwege een ondeugdelijke prognose kan in kort geding een effectief verweermiddel zijn van een franchisenemer om de vordering van een franchisegever af te laten wijzen door de rechter.


Mr. J.H. Kolenbrander
Mr. Jan-Willem Kolenbrander is advocaat bij De Clercq Advocaten Notariaat te Leiden en gespecialiseerd in franchising.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

Mr. Th. Veling
Mr. Th. Veling is lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel

Verkooponbevoegdheid van de hypotheekhouder

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2019
Trefwoorden misbruik van bevoegdheid, hypotheekrecht, executieverkoop, vertegenwoordiging, gerechtvaardigd vertrouwen
Auteurs Mr. S.J.L.M. van Bergen
SamenvattingAuteursinformatie

    In de bijdrage wordt besproken waartoe een geslaagd beroep op misbruik van bevoegdheid leidt bij verkoop van het hypotheekobject door de hypotheekhouder. Ook wordt onderzocht of het verschil maakt of de hypotheekhouder het hypotheekobject executeert of verkoopt krachtens een volmacht.


Mr. S.J.L.M. van Bergen
Mr. S.J.L.M. van Bergen is universitair docent burgerlijk recht en verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Pieter Frans Lock
Mr. F.J.P. Lock is senior-raadsheer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hij is tevens als onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en redactielid van dit tijdschrift.
Artikel

Access_open Waarheidsplicht en bewijslastverdeling

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2019
Trefwoorden burgerlijk procesrecht, waarheidsplicht, bewijslastverdeling, bewijsrecht, artikel 21 Rv
Auteurs Redouan El Gamali en Eric Tjong Tjin Tai
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de verhouding tussen de waarheidsplicht en de bewijslastverdeling aan een nader onderzoek onderworpen. Besproken zal worden de praktische uitwerking van de interactie tussen de twee leerstukken. Het wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht wordt daarbij betrokken. Geconcludeerd zal worden dat de waarheidsplicht in zeker opzicht breder is dan de bewijslastverdeling, maar zij is niet los te denken van de vraag wie het bewijsrisico draagt. Een verbeterd sanctiestelsel zou de waarheidsplicht beter doen aansluiten bij de praktijk van het civiele proces.


Redouan El Gamali
Mr. R. El Gamali is advocaat bij Pels Rijcken te Den Haag en afgestudeerd aan Tilburg Law School.

Eric Tjong Tjin Tai
Prof. mr. ir. T.F.E. Tjong Tjin Tai is hoogleraar privaatrecht aan Tilburg University en onderzoeker bij het Tilburg Instituut voor Privaatrecht (TIP).
Artikel

Ernstig verwijtbaar gedrag van bestuurders als reden voor ontslag en aansprakelijkheid

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Bestuurders, Ernstig verwijt, artikel 7:673 lid 7 sub c BW, artikel 2:9 BW, Samenloop
Auteurs Mr. Huib Schrama en Mr. Klaas Wiersma
SamenvattingAuteursinformatie

    De wetgever heeft bij de e-grond en bij de toets van ernstige verwijtbaarheid van artikel 7:673 lid 7 sub c BW (waardoor de aanspraak op een transitievergoeding vervalt) geen concreet onderscheid gemaakt tussen een bestuurder en een ‘gewone’ werknemer. Die toets vergt een aparte beoordeling van het handelen van de bestuurder en lijkt los te staan van de toets of sprake is van ernstig verwijt dat is vereist voor interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW. Niettemin zijn rechters geneigd een link te leggen tussen beide maatstaven, waarbij zij veelal de norm voor (on)behoorlijk bestuur vooropstellen. Dit kan een aandachtspunt zijn bij het ontslag van een bestuurder.


Mr. Huib Schrama
Advocaat/senior associate

Mr. Klaas Wiersma
Advocaat/partner
Wetenschap

Access_open De processuele positie van de aansprakelijk gestelde bestuurder

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2019
Trefwoorden bestuurdersaansprakelijkheid, bewijspositie, gezag van gewijsde
Auteurs Mr. H.J. Vetter
SamenvattingAuteursinformatie

    Recente rechtspraak roept de vraag op welke verweermogelijkheden een op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk gestelde bestuurder heeft als de rechtspersoon-bestuurder onherroepelijk is veroordeeld. En hoe is de positie van een op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gestelde bestuurder die zich wil verweren tegen de omvang van de schade van een crediteur van de rechtspersoon, als de rechtspersoon zelf is veroordeeld bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis? In deze bijdrage wordt met een beroep op het leerstuk van het gezag van gewijsde bepleit dat de bestuurder meer ruimte voor verweer heeft dan wel wordt aangenomen.


Mr. H.J. Vetter
Mr. H.J. (Hans) Vetter is rechter in de Rechtbank Den Haag.

    Deze bijdrage beziet of de wetgever effectief toezicht door de rechter tijdens de vereffening mogelijk maakt, en gaat verder in op de vraag hoe de rechter uitvoering aan dit toezicht geeft en in hoeverre daarbij voor de verdelingsrechter een rol is weggelegd.


Mr. drs. J.H. Lieber
Mr. drs. J.H. Lieber is senior raadsheer bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Gerechtshof Amsterdam.
Artikel

Vernietiging door de Hoge Raad: gevolgen van de vernietiging bij verwijzing

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2019
Trefwoorden vernietiging uitspraak, Hoge Raad, verwijzing na cassatie
Auteurs Ida Lintel
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel behandelt de gevolgen van de vernietiging van een rechterlijke uitspraak door de Hoge Raad in het geval dat de Hoge Raad de zaak niet zelf afdoet, maar verwijst. In het artikel is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten beslissingen die door een vernietiging van de Hoge Raad kunnen worden geraakt.


Ida Lintel
Mr. I.M.A. Lintel is cassatieadvocaat bij Wijn & Stael Advocaten in Utrecht.
Artikel

Access_open Drie jaar nieuwe arbitragewet: tien suggesties voor verbetering

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2018
Trefwoorden Arbitrage, Internationale arbitrage, Handelsarbitrage
Auteurs Niek Peters
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel worden tien suggesties gedaan ter verbetering van de nieuwe arbitragewet.


Niek Peters
Mr. N. Peters is advocaat te Amsterdam bij Cleber en docent aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

Inspraak in de rechtspraak; de rol van derden in de procedure

Verslag van de voorjaarsvergadering 2018 van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2018
Auteurs Jacobus Dammingh en Marijn van den Berg
Auteursinformatie

Jacobus Dammingh
Mr. J.J. Dammingh is universitair hoofddocent burgerlijk (proces)recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Marijn van den Berg
Mr. L.M. van den Berg is stafjurist in de Rechtbank Gelderland.
Artikel

Access_open Procederen ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2018
Trefwoorden procederen, erfrecht, gemeenschap van nalatenschap, ontbonden huwelijksgemeenschap, beheersregeling
Auteurs Prof. dr. S. Perrick
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage besteedt de schrijver aandacht aan de vraag wie bevoegd is ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap te procederen. Daarbij constateert hij dat het in de praktijk regelmatig voorkomt dat (de advocaat van) een erfgenaam zich niet realiseert dat het gaat om een (rechts)vordering van de gemeenschap en er ten onrechte van uitgaat dat hij namens de erfgenaam privé dient te procederen. Bij de beantwoording van de vraag dient een aantal onderscheidingen te worden gemaakt. Allereerst of het gaat om een vordering op een derde of op een erfgenaam/deelgenoot. En ook of er eventueel een met het beheer van de vordering belaste erfrechtelijke functionaris in functie is.


Prof. dr. S. Perrick
Prof. dr. S. Perrick is advocaat te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 162 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.