Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 308 artikelen

x

    In deze bijdrage bespreekt de auteur het Sumal-arrest, dat verstrekkende gevolgen kan hebben voor de civielrechtelijke handhaving van het Uniemededingingsrecht. Het Sumal-arrest heeft met name een (te) verstrekkende uitbreiding tot gevolg van de kring van aansprakelijken. Ook vergroot dit arrest de toch al ruime mogelijkheden voor forum shopping. Daarnaast heeft de auteur nog enkele andere bedenkingen bij het arrest.


Mr. Chr.F. Kroes
Mr. Chr.F. Kroes is advocaat in Amsterdam en verbonden aan Baker McKenzie.
Mededinging

Het Sumal-arrest

Doorbraak in aansprakelijkheid van de onderneming voor mededingingsinbreuken

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2022
Trefwoorden economische eenheid, neerwaartse aansprakelijkheid, onderneming, persoonlijke aansprakelijkheid, opwaartse aansprakelijkheid
Auteurs Mr. O.V. Korneeva en Mr. W. VerLoren van Themaat
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel analyseren de auteurs het Sumal-arrest waarin het Hof van Justitie de vraag heeft beantwoord of een dochteronderneming aansprakelijk kan worden gesteld door de benadeelde partijen voor een door haar moedermaatschappij gepleegde mededingingsinbreuk (‘neerwaartse aansprakelijkheid’) en zo ja, onder welke voorwaarden. Dit arrest is geanalyseerd vanuit de doctrine van persoonlijke aansprakelijkheid en de doctrine van economische eenheid. Tot slot wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen van dit arrest voor de privaat- en publiekrechtelijke handhaving van mededingingsrecht.
    HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal, S.L./Mercedes Benz Trucks España, S.L.).


Mr. O.V. Korneeva
Mr. O.V. (Olga) Korneeva is advocaat bij advocatenkantoor Houthoff.

Mr. W. VerLoren van Themaat
Mr. W. (Weijer) VerLoren van Themaat is advocaat bij advocatenkantoor Houthoff.
Artikel

Access_open Oude wijn in nieuwe zakken?

Een studie naar de gepercipieerde effectiviteit van buurtinformatienetwerken in een veranderende context

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 1 2022
Trefwoorden community safety, crime prevention, neighborhood inhabitants, Neighborhood Watch, police
Auteurs Thom Snaphaan, Lieven Pauwels en Wim Hardyns
SamenvattingAuteursinformatie

    The rise of the internet and social media has important consequences for the way we interact, communicate and access information. This has repercussions for the police organization and also for the cooperation between police and citizens. One of these forms of cooperation between police and citizens are neighborhood watch (NW) projects (also known as ‘BINs’ in Belgium and ‘burgerwachten’ in the Netherlands). This study uses semi-structured interviews (n=380) in Belgium to examine how NW members and non-NW members perceive the effectiveness of both formal and informal NW projects and how the two relate to each other. The perceived effectiveness is assessed based on several criteria, including impact on crime, fear of crime, policing, and the relationship between police and citizens.


Thom Snaphaan
T. Snaphaan, MSc is veiligheidswetenschapper en criminoloog. Hij is doctoraatsonderzoeker aan de Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht van de Universiteit Gent en lid van het Institute for International Research on Criminal Policy (IRCP).

Lieven Pauwels
Prof. dr. L.J.R. Pauwels is professor aan de Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht van de Universiteit Gent en directeur van het Institute for International Research on Criminal Policy (IRCP).

Wim Hardyns
Prof. dr. W. Hardyns is professor aan de Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht van de Universiteit Gent en lid van het Institute for International Research on Criminal Policy (IRCP). Daarnaast is hij als gastprofessor verbonden aan de master in de Veiligheidswetenschappen van de Universiteit Antwerpen.
Artikel

Access_open Naar een werkbaar en realistisch model voor stakeholder governance en de rol van aandeelhouders daarin

Oratie van prof. mr. B. Kemp

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 1-2 2022
Trefwoorden bestuur, vennootschappelijk belang, bevoegdheidsverdeling, Rijnlands model, algemene vergadering
Auteurs Prof. mr. B. Kemp
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn oratie gaat Kemp in op de spanning die binnen de vennootschap bestaat tussen de vennootschapsleiding die het belang van de vennootschap moet behartigen en de aandeelhouders die – volgens de heersende leer – hun eigen belang mogen behartigen. Mede op grond van rechtseconomische gedachten doet hij een aanzet tot hoe de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap verder kan worden vormgegeven.


Prof. mr. B. Kemp
Prof. mr. B. Kemp is advocaat te Amsterdam en hoogleraar Corporate Governance and Corporate Regulation aan Maastricht University.
Artikel

De Overleveringswet op de helling: de herimplementatie van Kaderbesluit 2002/584/JBZ

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 5 2021
Trefwoorden Kaderbesluit 2002/584/JBZ, EAB, Overleveringswet, Herimplementatiewet, kaderbesluitconforme uitleg
Auteurs Prof. mr. dr. V.H. (Vincent) Glerum
SamenvattingAuteursinformatie

    De Overleveringswet strekt tot uitvoering van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Deze wet bevatte een groot aantal gebreken. Een deel daarvan was aangetoond in arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De op 1 april 2021 in werking getreden Herimplementatiewet beoogde de Overleveringswet in overeenstemming met die arresten te brengen. Deze bijdrage
    toont aan dat de Herimplementatiewet maar ten dele in die opzet is geslaagd, dat deze wet een aantal gebreken die (nog) niet in arresten van het Hof van Justitie zijn aangetoond ongemoeid heeft gelaten en dat deze wet bovendien een aantal nieuwe gebreken heeft gecreëerd.


Prof. mr. dr. V.H. (Vincent) Glerum
Prof. mr. dr. V.H. (Vincent) Glerum is bijzonder hoogleraar internationaal en Europees strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en stafjurist Europees strafrecht bij de rechtbank Amsterdam.
Annotatie

Rechtstreekse horizontale werking van het EU Handvest in getrapte vorm

HvJ EU 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en C-570/16, ECLI:EU:C:2018:871 (Stadt Wuppertal/Maria Elisabeth Bauer; Volker Willmeroth/Martina Broßonn), ArA 2019/2, m.nt. J.R. Vos

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2021
Trefwoorden Bauer en Willmeroth, TSN en AKT, Artikel 31 lid 2 EU Handvest, Rechtstreekse horizontale werking, Minimumvoorschrift
Auteurs Beryl ter Haar
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2018 en 2019 kwam het Hof van Justitie van de EU met een aantal zaken waarin het Hof rechtstreekse horizontale werking toekent aan grondrechten in het EU Handvest. Een van die arresten betreft de gevoegde zaken Bauer en Willmeroth, waarin artikel 31 lid 2 van het Handvest rechtstreekse horizontale werking toegekend krijgt. Uit het iets later gewezen arrest over de gevoegde zaken TSN en AKT valt echter op te maken dat die rechtstreekse werking wellicht niet zo rechtstreeks is als het Hof doet voorkomen.


Beryl ter Haar
Prof. mr. B.P. ter Haar is hoogleraar en directeur van het Centre for International and European Labour Law Studies (CIELLS) aan de Universiteit van Warschau en bijzonder hoogleraar Europees en Vergelijkend Arbeidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

Access_open De WHOA, pensioen en de rechten van werknemers

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2021
Trefwoorden herstructurering, pensioenfonds, afkoelingsperiode, transitievergoeding
Auteurs Mr. R.J. van Galen, Prof. mr. T.H.D. Struycken en Mr. S.B.A. Heumakers
SamenvattingAuteursinformatie

    De WHOA voorziet in een procedure om de schulden van een onderneming te herstructureren, maar rechten van werknemers zijn uitgezonderd. Onzeker is of die uitzondering ook geldt voor achterstallige pensioenpremies. Verdedigd wordt dat de WHOA en de afkoelingsperiode wel van toepassing zijn, gezien Europese richtlijnen.


Mr. R.J. van Galen
Mr. R.J. van Galen is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.

Prof. mr. T.H.D. Struycken
Prof. mr. T.H.D. Struycken is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam en hoogleraar te Utrecht.

Mr. S.B.A. Heumakers
Mr. S.B.A. Heumakers is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.
Artikel

Verplichte clausules in overeenkomsten met banken: de ‘stay’-clausule uit hoofde van BRRD II

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 12 2021
Trefwoorden bail-in, afwikkeling, resolutie, Richtlijn 2014/59/EU, financiële overeenkomst
Auteurs Mr. S. Uiterwijk en Mr. G. Hasami
SamenvattingAuteursinformatie

    Banken en beleggingsondernemingen zijn sinds 2015 verplicht om in niet-EU-contracten een contractuele afwikkelbaarheidsclausule (bail-in-clausule) op te nemen. Als gevolg van BRRD II zullen zij ook zogenoemde ‘stay-clausules’ moeten toevoegen. Dit artikel bespreekt de achtergrond, inhoud en reikwijdte van de verplichte stay-clausule, met een blik op de praktijk.


Mr. S. Uiterwijk
Mr. S. Uiterwijk is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.

Mr. G. Hasami
Mr. G. Hasami is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.
Artikel

Collectief ontslag in tijden van (economische) crisis

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 4 2021
Trefwoorden collectief ontslag, flexibele arbeid, overheidsinvloed, steunmaatregelen, ondernemersvrijheid
Auteurs mr. dr. Niels Jansen en em. prof. Teun Jaspers
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage onderzoeken auteurs of in de Wmco wel voldoende rekening is gehouden met ontslag in en van de flexibele schil en zo nee, of aanpassing van de Wmco dan gewenst is met het oog op de doelstelling van de Wmco tegen de achtergrond van de huidige flexibele arbeidsmarkt. Daarnaast onderzoeken zij de rol van de overheid bij een collectief ontslag en meer specifiek over de NOW-1 en NOW-2 en de verhouding tot ondernemersvrijheden. De NOW-1 en -2 beperkten namelijk in zekere zin de vrijheid van ondernemingen om beslissingen te nemen over een collectief ontslag en de vraag is hoe die beperkingen ten aanzien van collectief ontslag zich verhouden tot de ondernemersvrijheden.


mr. dr. Niels Jansen
Niels Jansen is werkzaam als universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, AIAS-HSI.

em. prof. Teun Jaspers
Teun Jaspers is emeritus hoogleraar aan de Univerisiteit Utrecht, en Senior Research Fellow AIAS-HSI.
Artikel

Samenloop van de WHOA-procedure en de eerste fase van de enquêteprocedure

Een alternatieve rechtsgang voor aandeelhouders en certificaathouders?

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 9-10 2021
Trefwoorden enquêterecht, Wet homologatie onderhands akkoord, herstructurering, noodzaakfinanciering, Ondernemingskamer
Auteurs Mr. E.S. Nieuwendijk
SamenvattingAuteursinformatie

    Het sluiten van een herstructureringsakkoord in de zin van de WHOA kan vergaande gevolgen hebben voor de vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Tegelijkertijd zijn de rechtsmiddelen van aandeelhouders en certificaathouders binnen de WHOA zeer beperkt. Dit artikel onderzoekt of deze partijen ook naar de Ondernemingskamer kunnen stappen om zo invloed uit te oefenen op de totstandkoming en inhoud van het herstructureringsakkoord.


Mr. E.S. Nieuwendijk
Mr. E.S. Nieuwendijk is recent afgestudeerd aan de Radboud Universiteit.
Rechtsbescherming

Access_open Hof van Justitie sluit zich voor het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel voor natuurlijke personen aan bij het EHRM

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5-6 2021
Trefwoorden zwijgrecht, nemo tenetur, medewerkingsplicht, bestraffend bestuursrecht, Handvest
Auteurs Mr. M.A.A. Traousis
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest DB/Consob oordeelt de Grote kamer van het Hof van Justitie over de reikwijdte van het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel voor natuurlijke personen. Eerder is dit al gedaan voor rechtspersonen in het kader van het mededingingsrecht, maar voor natuurlijke personen breidt het Hof van Justitie dit nu uit door aan te sluiten bij de rechtspraak van het EHRM. Dit leidt ertoe dat iemand geen boete mag krijgen omdat hij weigert te antwoorden, wanneer die antwoorden mogelijk tegen hem zouden kunnen worden gebruikt bij een criminal charge.
    HvJ 2 februari 2021, zaak C-481/19, ECLI:EU:C:2021:84 (DB/Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)).


Mr. M.A.A. Traousis
Mr. M.A.A. (Marko) Traousis is stafjurist bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en redacteur van de ABkort.

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.

Marianne Meijssen
Mr. M.A. Meijssen is advocaat bij Scott+Scott.

Stefan Tuinenga
Mr. S. Tuinenga is advocaat bij Scott+Scott.

    Het Hof van Justitie oordeelde in het arrest over het Programma Aanpak Stikstof dat een programmatische aanpak op grond van artikel 6 Habitatrichtlijn niet is uitgesloten. Tegelijk oordeelde het Hof van Justitie dat het voorzorgsbeginsel als bedoeld in artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn onverkort in acht moet worden genomen voor alle projecten binnen het programma. Belangrijke vragen zijn hoe dit met elkaar te verenigen is en onder welke voorwaarden een programmatische aanpak dan mogelijk is. Vragen die relevant blijven nu zowel in de Wet natuurbescherming en het recente wetsvoorstel stikstofreductie en natuurherstel als in de komende Omgevingswet is voorzien in een programmatische aanpak.
    HvJ 7 november 2018, gevoegde zaken C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882 (Coöperatie Mobilisation for the Environment UA en Vereniging Leefmilieu/College van gedeputeerde staten van Limburg en College van gedeputeerde staten van Gelderland en Stichting Werkgroep Behoud de Peel/College van gedeputeerde staten van Noord-Brabant).


Mr. dr. R. Kegge
Mr. dr. R. (Rogier) Kegge is universitair docent bestuursrecht en omgevingsrecht bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Leiden.
Artikel

Access_open De rechten van de verdediging in de context van omvangrijke datasets en geavanceerde zoekmachines in strafzaken: een suggestie voor uitbreiding

Tijdschrift Boom Strafblad, Aflevering 2 2021
Trefwoorden Equality of arms, strafproces, Digitale datasets, e-discovery, Rechten van de verdediging
Auteurs Mr. dr. M. (Maša) Galič
SamenvattingAuteursinformatie

    Strafzaken draaien steeds meer om omvangrijke datasets die bestaan uit digitaal bewijs en geavanceerde technologische zoekinstrumenten zoals Hansken, een big data forensisch instrument. In deze context hebben advocaten en wetenschappers al aangevoerd dat geavanceerde zoekmachines de positie van het Openbaar Ministerie aanzienlijk versterken ten koste van de verdediging, die over het algemeen geen toegang heeft tot deze instrumenten. Met als gevolg dat de verdediging weinig invloed heeft op wat in een strafzaak als relevante informatie geldt en nauwelijks mogelijkheden geeft om ontlastend bewijs te vinden en de betrouwbaarheid van digitaal bewijs te toetsen. Dit leidt vervolgens tot een aanzienlijke machts- en kennisasymmetrie. Het beginsel van equality of arms in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens biedt een goede basis voor de ontwikkeling van nieuwe of uitgebreidere rechten van de verdediging die nodig zijn in het digitale tijdperk. In dit artikel bespreek ik de bestaande rechten van de verdediging en bied ik suggesties voor een verdere uitbreiding van de rechten ten aanzien van omvangrijke datasets en geavanceerde zoekmachines in strafzaken. Deze suggesties kunnen ook worden gebruikt in het kader van de modernisering van het Nederlandse strafprocesrecht.


Mr. dr. M. (Maša) Galič
Maša Galič is universitair docent straf(proces)recht bij de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Access_open De statutaire procuratiehouder nader beschouwd

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 5-6 2021
Trefwoorden vertegenwoordiging, analoog, statuten, volmacht, functionaris
Auteurs Mr. W.J.M. Jansen en Mr. W.J. Dam
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage gaan de auteurs in op de vraag in hoeverre titel 3.3 BW van toepassing is op de statutaire procuratiehouder, daarbij trachtend een volledig overzicht te creëren. Hiermee wordt voor het eerst een volledig onderzoek gedaan naar de analoge toepasbaarheid van titel 3.3 BW op de statutaire procuratiehouder.


Mr. W.J.M. Jansen
Mr. W.J.M. Jansen is kandidaat-notaris bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

Mr. W.J. Dam
Mr. W.J. Dam is kandidaat-notaris bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.
Artikel

Access_open ILO-Conventie 190: een ‘geïntegreerde aanpak’ van geweld en intimidatie?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2021
Trefwoorden ILO-Conventie 190, Geweld en (seksuele) intimidatie, Gelijke behandeling, Arbeidsomstandigheden
Auteurs Mr. dr. Bas Rombouts
SamenvattingAuteursinformatie

    De twee meest recent aangenomen ILO-instrumenten – Conventie 190 en Aanbeveling 206 – reguleren de aanpak van geweld en intimidatie in de context van werk. Het fundament van deze instrumenten is een ‘inclusive, integrated and gender-reponsive approach’ die middels de routes van preventie en bescherming, handhaving en genoegdoening en advies en scholing dient te worden geïmplementeerd. Conventie 190 hanteert een brede definitie van ‘geweld en intimidatie’ en is van toepassing op formele werknemers, maar ook op andere groepen ‘werkenden’. Maar wat is de inhoud en het belang van deze geïntegreerde aanpak, bezien in nationaal en internationaal perspectief? Hoe verhoudt de bescherming tegen geweld en intimidatie onder gelijkebehandelingswetgeving en arbeidsomstandighedenrecht zich tot elkaar en voldoet het Nederlands juridisch raamwerk aan de voorgestelde ‘integrated approach’? Alhoewel de Conventie als normatieve basis gelijke behandeling en non-discriminatie neemt, geeft zij uitdrukkelijk de opdracht aan ratificerende lidstaten om een geïntegreerde aanpak toe te passen, waarbij geweld en intimidatie niet slechts onder gelijkebehandelingswetgeving, maar tevens onder arbeidsomstandighedenrecht en strafrecht worden ondergebracht om zo lacunes in de juridische bescherming voor slachtoffers te voorkomen. Alhoewel de juridische infrastructuur voor deze ‘integrated approach’ in Nederland aanwezig lijkt, is er nog een aantal aandachtspunten aangaande een effectieve implementatie hiervan, met name in relatie tot criteria voor zorgvuldige klachtbehandeling, risicoanalyse en aanpak en de rol van de vertrouwenspersoon.


Mr. dr. Bas Rombouts
Mr. dr. B. Rombouts is werkzaam als universitair hoofddocent aan het departement Private, Business and Labour Law van Tilburg Law School, Tilburg University. Hij is gespecialiseerd in internationaal arbeidsrecht, fundamentele arbeidsnormen, mensenrechten en duurzame ontwikkeling.

    Atypische arbeidsvormen zijn in opmars. Tijdelijke arbeid, en een arbeidscontract voor bepaalde tijd in het bijzonder, is zo mogelijk de meest gekende vorm. In het onderwijs wordt veelvuldig gebruikgemaakt van dergelijke arbeidscontracten. De Europese sociale partners sloten eind vorige eeuw nochtans een Raamovereenkomst met als doel de kwaliteit van de arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren en het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen. In deze bijdrage wordt zowel de Nederlandse als de Vlaamse regelgeving inzake het gebruik van opeenvolgende tijdelijke contracten aan de universiteiten getoetst aan de Europese regelgeving. Het voordeel van een dergelijke rechtsvergelijkende aanpak is dat het mogelijk nieuwe inzichten biedt, niet alleen voor de rechtswetenschapper, maar ook voor de rechtspractici. Het onderzoek vangt aan met een analyse van de Europese regelgeving aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Vervolgens worden de toepasselijke Nederlandse en Vlaamse reglementeringen besproken en geëvalueerd, waarna een algemene conclusie volgt.


Dr. Evelien Timbermont
Dr. E. Timbermont is postdoctoraal onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel en gastprofessor aan de Universiteit Gent.

    In deze bijdrage analyseert de auteur de gevolgen van het Skanska-arrest in een schadeprocedure voor overtreding van het Europese mededingingsrecht. Op grond van de jurisprudentie en literatuur concludeert de auteur dat de doorwerking van het ondernemingsbegrip, als gevolg van het Skanska-arrest, de benadeelde een significante uitbreiding van aansprakelijkheidsmogelijkheden kan bieden.


S.W. Bothof
S.W. Bothof is juridisch medewerker bij Newground Law te Amsterdam.
Annotatie

Geen like voor Facebook uit Karlsruhe

Bundesgerichtshof 23 juni 2020, ECLI:DE:BGH:2020:230620BKVR69.19.0 (Facebook)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2021
Trefwoorden misbruik, machtspostitie, Facebook, Bundesgerichtshof, Bundeskartellamt
Auteurs Marianne Meijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 23 juni 2020 heeft het Duitse Bundesgerichtshof een uitspraak gewezen in een voorlopige voorzieningenprocedure tegen het Facebook-besluit van het Bundeskartellamt. Het Bundesgerichtshof heeft geen ernstige twijfels dat Facebook het Duitse mededingingsrecht schendt door persoonsgegevens over haar gebruikers te verwerken zonder hier toestemming voor te vragen. Deze noot bespreekt de analyse van het Bundesgerichtshof. Ook wordt er aandacht besteed aan de vraag of het gedrag van Facebook naar Europees of Nederlands mededingingsrecht eveneens verboden is.


Marianne Meijssen
Mr. M.A. Meijssen is werkzaam als advocaat bij Scott+Scott te Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 308 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 15 16
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.