Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 833 artikelen

x

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Artikel

De inzet van privaat gewapend maritiem beveiligingspersoneel of Privately Contracted Armed Security Personnel (PCASP) aan boord van Belgische en Nederlandse koopvaardijschepen

Een rechtsvergelijkende analyse van de wetgeving van Europese vlaggenstaten

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Maritime piracy, private maritime security company, PMSC, vessel protection detachment, privately contracted armed security personnel
Auteurs Ilja Van Hespen
SamenvattingAuteursinformatie

    Until recently, Dutch merchant ships could not rely on privately contracted maritime security staff to protect themselves against pirates. On the one hand, the argument prevailed that the State had to retain the monopoly on the use of force and, on the other hand, one also feared for the escalation of violence or international incidents. Nowadays, however, more and more European countries allow for the use of privately contracted armed security personnel on board merchant ships. As a result, the Dutch Parliament has adopted a bill containing rules for the use of armed private security guards on board Dutch maritime merchant ships (Law to Protect Merchant Shipping 2019 (published in the Dutch official Gazette on June 7th, 2019)).
    The author addresses the question whether because of the new law a level playing field will emerge with the Merchant Navies from the neighboring Flag States of Belgium, the United Kingdom, Spain and Denmark, presenting a comparative analysis of their domestic legislation.
    The Dutch law clearly regulates the use of force and the master has the final responsibility for everything that happens under his authority. In principle, the security guards may only apply violence as the master has determined that it is necessary. Innovative is that there is a reporting obligation whereby every incident should be reported with images and sound recordings. It seems, however, that the law is especially made to protect and secure and not necessarily to provide a solution for situations in which pirates come on board.
    It is clear that the intention of the legislator is to leave the monopoly on the use of force in the hands of the State. However, the adoption of this law to protect merchant shipping could constitute a first step in enabling the use of force by other actors than the State, which in itself is groundbreaking. Before being able to go on this road, there are still countless political (mainly related to the sovereignty of a State) and legal challenges (mainly concerning the use of force and respect for human rights) to be addressed.


Ilja Van Hespen
Ilja Van Hespen is luitenant-ter-zee eerste klasse bij de Belgische Marinecomponent, hoofd van de Sectie Governance van de Naval Policy Staff van het Operationeel Commando van de Marine, doctorandus in de Sociale en Militaire Wetenschappen aan de Koninklijke Militaire School, doctorandus in de Rechten aan de Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent, master Handelsingenieur en doctoral researcher aan het Rolin-Jaequemyns International Law Institute Ghent.
Artikel

Tijd en rust wettelijk toegevoegd aan de gereedschapskist van het bestuur

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 5-6 2019
Trefwoorden naamloze vennootschap, beursvennootschap, wettelijke bedenktijd, bestuurstaak, corporate governance
Auteurs Mr. drs. R.H. Kleipool en Mr. R.L. Pouwer
SamenvattingAuteursinformatie

    De wetgever heeft een voorontwerp ter invoering van een bedenktijd voor bestuurders van de naamloze vennootschap gepubliceerd. Een bedenktijd geeft bestuurders gelegenheid in rust een goede belangenafweging te maken. De auteurs beschrijven hun positieve visie op het voorontwerp. Tevens komt een aantal knelpunten van de voorgestelde regeling aan bod.


Mr. drs. R.H. Kleipool
Mr. drs. R.H. Kleipool is kandidaat-notaris bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

Mr. R.L. Pouwer
Mr. R.L. Pouwer werkt als Corporate Governance Analyst bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.
Artikel

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 1 2019
Auteurs Thomas Jacobus de Jong
Samenvatting

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong
Casus

Wettelijke streefcijfers over man-vrouwdiversiteit vanuit het perspectief van de selectie- en benoemingscommissies van grote vennootschappen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2019
Trefwoorden wettelijke streefcijfers, de selectie- en benoemingscommissie, man vrouwdiversiteit, Genderstereotypering, Similar attraction paradigm
Auteurs Mr. B. Klinger, Mr. dr. H.M. Vletter-van Dort en Mr. dr. H. Koster
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel onderzoeken de auteurs de streefcijfers over man-/vrouw diversiteit specifiek vanuit het perspectief van de selectie- en benoemingscommissie. Zij gaan daarbij onder meer in op de uitkomsten van onderzoek naar de samenstelling van de RvB, de RvC en de selectie- en benoemingscommissies van beursgenoteerde Nederlandse ondernemingen. Ook wordt ingegaan op enkele sociologische factoren. De auteurs sluiten af met enkele conclusies.


Mr. B. Klinger
Mr. B. (Basya) Klinger is bezig met de afronding van de Togamaster aan de Erasmus School of Law en heeft de master Ondernemingsrecht in 2018 succesvol afgerond.

Mr. dr. H.M. Vletter-van Dort
Mr. dr. H.M. (Hélène) Vletter-van Dort is hoogleraar Financieel recht en Governance aan de Erasmus School of Law en commissaris.

Mr. dr. H. Koster
Mr. dr. H. (Harold) Koster is verbonden aan de Erasmus School of Law en aan de Universiteit van Dubai.
Artikel

De digitale civiele procedure als onderdeel van een behoorlijke rechtspleging

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2019
Trefwoorden digitalisering, KEI, digitale procedure, digitaal systeem, toegankelijkheid, procesinleiding, oproepingsbericht, openbaarheid
Auteurs Dineke de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Digitaal procederen in civiele procedures is in ontwikkeling. In dit artikel wordt ingegaan op de digitaliseringsdoelstelling van de wetgever en op ervaringen die zijn opgedaan rondom de ontwikkeling van digitaal procederen in civiele vorderingszaken (dagvaardingszaken) over rechtsgevolgen ter vrije bepaling van partijen.


Dineke de Groot
Prof. mr. G. de Groot is werkzaam als vicepresident bij de Hoge Raad en bijzonder hoogleraar Rechtspraak en conflictoplossing aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Verkooponbevoegdheid van de hypotheekhouder

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2019
Trefwoorden misbruik van bevoegdheid, hypotheekrecht, executieverkoop, vertegenwoordiging, gerechtvaardigd vertrouwen
Auteurs Mr. S.J.L.M. van Bergen
SamenvattingAuteursinformatie

    In de bijdrage wordt besproken waartoe een geslaagd beroep op misbruik van bevoegdheid leidt bij verkoop van het hypotheekobject door de hypotheekhouder. Ook wordt onderzocht of het verschil maakt of de hypotheekhouder het hypotheekobject executeert of verkoopt krachtens een volmacht.


Mr. S.J.L.M. van Bergen
Mr. S.J.L.M. van Bergen is universitair docent burgerlijk recht en verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Jurisprudentie

De predispositie van de verdachte bij het stelen van een lokfiets: creëert de gelegenheid de dief?

Noot bij HR 12 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:149

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Tallon-criterium, Lokmiddelen, Lokfiets, Uitlokverbod, 6 EVRM
Auteurs Mr. W. Albers
SamenvattingAuteursinformatie

    Uit de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat opsporingsambtenaren op basis van de algemene taakstellende bevoegdheden in beginsel bevoegd zijn tot het inzetten van bepaalde lokmiddelen, mits deze inzet binnen de grenzen van het Tallon-criterium blijft. De verdachte mag zodoende niet door het optreden van de opsporingsambtenaar worden gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds van tevoren was gericht. De vraag die naar aanleiding van de onderhavige uitspraak echter kan worden gesteld, is of de verdachte nog wel een voldoende toereikend beroep kan doen op de rechtsbeschermende waarde die het Tallon-criterium – in het kader van de inzet van niet-menselijke lokmiddelen – beoogt te bieden.


Mr. W. Albers
Mr. W. (Willemijn) Albers is docent Straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Het notarisbegrip in artikel 4:109 lid 2 BW

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 3 2019
Trefwoorden artikel 4:109 BW, waarneming, Wna, vormvoorschriften, nietigheid en vernietigbaarheid
Auteurs Mr. dr. N.V.C.E. Bauduin
SamenvattingAuteursinformatie

    Artikel 4:109 lid 2 BW verlangt dat een notaris de uiterste wil ondertekent op straffe van nietigheid. Deze bepaling gaat uit van een materieel notarisbegrip: een uiterste wil ondertekend door een onbevoegde notaris wordt niet met nietigheid bestraft. In het verlengde hiervan is het verdedigbaar dat een uiterste wil ondertekend door een kandidaat-notaris – die onbevoegd als waarnemer optreedt vanwege een te late melding van zijn waarneming (Rb. Zeeland-West-Brabant 9 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3209) – niet nietig is op grond van artikel 4:109 lid 2 BW. De akte is immers verleden met notariële tussenkomst en de daarbij behorende waarborgen.


Mr. dr. N.V.C.E. Bauduin
Mw. mr. dr. N.V.C.E. Bauduin is notarieel jurist/wetenschappelijk medewerker bij FBN Juristen te Amsterdam en als Fellow verbonden aan het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Impressies

Nederlandse Wet op de reisovereenkomst: (on)werkbaarheid in de praktijk

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Reisovereenkomst, Gekoppeld reisarrangement, Richtlijn pakketreizen, Reiziger, Handelaar
Auteurs Mr. N.A. de Leeuw en Mr. drs. J.A. Tersteeg
SamenvattingAuteursinformatie

    De nieuwe wet op de reisovereenkomst (titel 7A van Boek 7 BW) welke wet op 1 juli 2018 in werking is getreden, is eigenlijk een vrijwel letterlijke vertaling van de Richtlijn Pakketreizen en Gekoppelde Reisarrangementen van 25 november 2015. Hoewel de doelstelling van de Richtlijn, te weten meer bescherming voor de reiziger en maximum harmonisatie tussen de lidstaten een mooi streven was, blinkt de Richtlijn niet uit in duidelijkheid en zijn er voorafgaand aan de totstandkoming ervan vele ontwerpen de revue gepasseerd die de eindstreep van het wetgevingsproces niet hebben gehaald. Desondanks heeft de Nederlandse wetgever deze moeilijke wetgeving uit Brussel redelijk leesbaar geïmplementeerd in de Nederlandse wet. Onzes inziens is de Richtlijn, en daarmee dus ook de Nederlandse wet, op een aantal vlakken niet duidelijk en lastig uit te leggen aan zowel de ondernemers in de reisbranche als aan de reiziger. Ook zijn er enkele onvolkomenheden in de wet geslopen, mede veroorzaakt door een slordige vertaling van de Richtlijn in het Nederlands, waar de Nederlandse wetgever overigens geen invloed op had. In dit artikel willen we met name stilstaan bij een aantal van deze onduidelijkheden en moeilijkheden. Zo zijn de definitiebepalingen bijvoorbeeld vrij ingewikkeld en roept de afbakening tussen een pakketreis en het nieuwe fenomeen van het gekoppeld reisarrangement vragen op. Ook zetten wij vraagtekens bij de vergaande informatieverplichtingen, de positie van de zakenreiziger en de wijze waarop de garantieverplichtingen in Nederland zijn geïmplementeerd. Hoe werkzaam de wet zal zijn in de praktijk van alle dag, zal de komende jaren dus nog moeten blijken.


Mr. N.A. de Leeuw
Mr. N.A. de Leeuw is advocaat bij La Gro Geelkerken Advocaten.

Mr. drs. J.A. Tersteeg
Mr. drs. J.A. Tersteeg is avocaat bij EMR Advocaten.
Kroniek rechtspraak

Kroniek rechtspraak Wet Bopz

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 3 2019
Trefwoorden psychiatrie, verstandelijkgehandicaptenzorg, psychogeriatrie, dwangbehandeling, gedwongen zorg
Auteurs Mr. dr. V.E.T. Dörenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze kroniek bevat een selectie van rechtspraak uit de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2018. Er is aandacht voor uitspraken met betrekking tot de criteria voor opneming, procedurele vereisten, eisen rondom ‘bijzondere’ machtigingen en aspecten van onvrijwillig verblijf. Speciale aandacht is er voor de forensische setting.


Mr. dr. V.E.T. Dörenberg
Vivianne Dörenberg is universitair docent gezondheidsrecht bij het Amsterdam UMC, locatie VUmc, en redacteur van dit tijdschrift.

    This report about mediation in Germany in order of the German government reports about the effects of the German Mediation Law on the development of mediation and about the education of mediators.


Luc Demeyere
Luc Demeyere is advocaat aan de Balie te Antwerpen, werkzaam bij Contrast, erkend bemiddelaar en redacteur van TMD.

    This research aims to contribute to the development of an adequate handling of the complex, conflictual family situation that occurs during a parental abduction. The following research question is answered: to what extent can the methods of conflict resolution – in the Belgian context – be optimized so that the interests of the child are guaranteed, in the light of the theoretical insights provided by Glasl’s conflict theory? Attention is paid to the limited effectiveness of legal procedures on the one hand and the mediation on the other. The method of de-escalation, developed by Glasl, offers a useful diagnostic tool for the conflict counsellor. In addition, the metaphor of the ladder he uses is extremely valuable as a tool for gaining insight into the mechanisms of conflict-escalation. A clear theoretical framework for the judiciary in the interpretation of an escalated conflict can lead to a better understanding of the possibilities and limits of cooperation between ex-partners, which benefits the best interests of the child.


Elise Blondeel
Elise Blondeel is doctoraatsstudent aan de Universiteit Gent in het domein van Strafrecht en Kinderrechten. Master in de Criminologie en gestart aan een doctoraat in de Rechten op 1 oktober 2018. Het doctoraat handelt over de wisselwerking tussen burgerlijk recht en strafrecht in zaken van internationale parentale ontvoering. Het doctoraat vindt plaats onder de supervisie van Prof. Dr. Wendy De Bondt.
Artikel

Een mogelijke inpassing van de G1000 op nationaal niveau

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2019
Trefwoorden G1000, burgerparticipatie, deliberatie, representatieve democratie, wetgevingsproces
Auteurs Mr. M. van Zanten, G.J.P. Penders, L.S.R. Frietman e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    De G1000 is als vorm van burgerparticipatie herhaaldelijk ingezet op lokaal niveau als aanvulling op de representatieve democratie. Daarmee voorziet de G1000 in potentie in de behoefte van veel burgers aan (meer) politieke betrokkenheid. In dit artikel gaan de auteurs daarom in op de vraag of en hoe de G1000 ook op nationaal niveau, in het wetgevingsproces, kan worden ingepast. Daarbij wordt eerst ingegaan op de behaalde resultaten van de G1000 op lokaal niveau en de toegevoegde waarde van het instrument ten opzichte van andere vormen van burgerparticipatie. Vervolgens wordt gekeken welke constitutionele grenzen het grondwettelijk stelsel stelt aan de inpassing van een G1000 op nationaal niveau. De auteurs komen tot de conclusie dat een G1000 binnen deze grenzen kan worden ingepast, waarbij tegelijkertijd de basisprincipes van de G1000 zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Zij dragen in dat kader enkele ideeën aan voor de daadwerkelijke implementatie van de G1000 in het nationale wetgevingsproces.


Mr. M. van Zanten
Mr. M. (Melanie) van Zanten is als promovenda verbonden aan de afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie van het departement Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht.

G.J.P. Penders
G.J.P. (George) Penders is masterstudent Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht en is werkzaam als student medewerker bij de sectie bestuursrecht van Pels Rijcken.

L.S.R. Frietman
L.S.R. (Lars) Frietman heeft in Utrecht zijn bachelor Rechtsgeleerdheid afgerond en is oud-voorzitter van Studievereniging Politeia voor staats-, bestuursrecht en rechtstheorie.

P.A. Oudijn
P.A. (Nellieke) Oudijn heeft haar master Staats- en Bestuursrecht afgerond aan de Universiteit Utrecht en is werkzaam als advocaat bij BVD advocaten.

L.J.C.M. van der Ven
L.J.C.M. (Lorenz) van der Ven heeft zijn bachelor Rechtsgeleerdheid afgerond aan de Universiteit Utrecht en is werkzaam als buitengriffier op de Rechtbank Midden-Nederland.

Alexandra Barendsen
Alexandra Barendsen is advocaat bij Wybenga advocaten

Jill van den Heuvel
Jill van den Heuvel is advocaat in dienstbetrekking bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam.
Artikel

Een nieuwe Aanbeveling van de Raad van Europa: naar een duurzame verankering van het herstelrecht?

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Aanbeveling van de Raad van Europa, Recommendation No. R(99)19, Herstelrecht in strafzaken, strafproces
Auteurs Ivo Aertsen
SamenvattingAuteursinformatie

    This article presents and critically discusses a new Recommendation on restorative justice (CM/Rec(2018)8) that was adopted on 3 October 2018 by the Committee of Ministers of the Council of Europe. This new regulation builds on the previous Recommendation No. R(99)19 on mediation in penal matters and recommends the governments of the 47 member States of the Council of Europe the adopt and implement the principles of restorative justice as described in the Appendix of the new Recommendation. These guidelines apply to national authorities and national agencies in general, and to judges, public prosecutors, police, prisons, probation, juvenile justice agencies, victim support services and restorative justice services in particular. The article presents the origins of the Recommendation, its contents and its meaning for restorative justice developments in Europe and beyond.


Ivo Aertsen
Ivo Aertsen is professor herstelrecht en victimologie aan de KU Leuven en redactielid van dit tijdschrift.

Hedy Jak
Artikel

Noodtestamenten en artikel 4:61 BW

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden noodtestamenten, buitengewone testamentsvormen, verboden beschikkingen, ongeoorloofde beïnvloeding, artikel 4:61 BW
Auteurs Mr. H.J. de Jonge
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt ingegaan op de regeling van de noodtestamenten onder het huidige en oud BW. De auteur heeft onderzocht hoeveel noodtestamenten er (de laatste jaren) zijn opgesteld. Daarnaast heeft hij een (korte) rechtsvergelijking gemaakt tussen de Nederlandse regeling omtrent noodtestamenten en die van België en Duitsland. In het verlengde daarvan is de auteur specifiek ingegaan op degene die het noodtestament verlijdt. Deze persoon wordt in artikel 4:61 BW aangeduid als de ‘andere persoon’. Ten opzichte van deze andere persoon geldt een bevoordelingsverbod. In de praktijk blijkt dit bevoordelingsverbod geen rol van betekenis te spelen.


Mr. H.J. de Jonge
Mr. H.J. de Jonge is kandidaat-notaris in De Wijk en buitenpromovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Artikel

Access_open Verslag MvO-symposium 27 september 2018

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 1-2 2019
Trefwoorden MvO, symposium, Maandblad voor Ondernemingsrecht, MvO Talent van het Jaar-prijs
Auteurs Mr. E.A. van Dooren
SamenvattingAuteursinformatie

    Verslag van het MvO-symposium van 27 september 2018 met lezingen over de blockchain-AVA en de variabele beloningen voor bestuurders.


Mr. E.A. van Dooren
Mr. E.A. van Dooren is promovendus en docent bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht (Universiteit Utrecht).
Artikel

Als de computer beslist

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 2 2019
Auteurs Nathalie Gloudemans-Voogd

Nathalie Gloudemans-Voogd
Toont 1 - 20 van 833 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 41 42
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.