Zoekresultaat: 103 artikelen

x
Artikel

Kwantificering van de voor- en nadelen van duurzaamheidsafspraken onder artikel 6 lid 3 Mededingingswet

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4-5 2020
Trefwoorden duurzaamheid, afspraken, KBA, WZA, capaciteitenbenadering
Auteurs Eva van der Zee
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage richt zich op de mogelijkheden en beperkingen om voor- en nadelen van een duurzaamheidsafspraak te kwantificeren onder artikel 6 lid 3 Mededingingswet gebaseerd op de kosten-batenanalyse, de welzijnsanalyse en de capaciteitenbenadering.


Eva van der Zee
Dr. E. van der Zee LL.M. is universitair docent aan het Instituut Recht en Economie van de Universiteit van Hamburg.

    The entry into force of the United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities (CRPD) pushed state obligations to counter prejudice and stereotypes concerning people with disabilities to the forefront of international human rights law. The CRPD is underpinned by a model of inclusive equality, which views disability as a social construct that results from the interaction between persons with impairments and barriers, including attitudinal barriers, that hinder their participation in society. The recognition dimension of inclusive equality, together with the CRPD’s provisions on awareness raising, mandates that states parties target prejudice and stereotypes about the capabilities and contributions of persons with disabilities to society. Certain human rights treaty bodies, including the Committee on the Rights of Persons with Disabilities and, to a much lesser extent, the Committee on the Elimination of Discrimination against Women, require states to eradicate harmful stereotypes and prejudice about people with disabilities in various forms of interpersonal relationships. This trend is also reflected, to a certain extent, in the jurisprudence of the European Court of Human Rights. This article assesses the extent to which the aforementioned human rights bodies have elaborated positive obligations requiring states to endeavour to change ‘hearts and minds’ about the inherent capabilities and contributions of people with disabilities. It analyses whether these bodies have struck the right balance in elaborating positive obligations to eliminate prejudice and stereotypes in interpersonal relationships. Furthermore, it highlights the convergences or divergences that are evident in the bodies’ approaches to those obligations.


Andrea Broderick
Andrea Broderick is Assistant Professor at the Universiteit Maastricht, the Netherlands.
Article

Access_open State Obligations to Counter Islamophobia: Comparing Fault Lines in the International Supervisory Practice of the HRC/ICCPR, the ECtHR and the AC/FCNM

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Human rights, positive state obligations, islamophobia, international supervisory mechanisms
Auteurs Kristin Henrard
SamenvattingAuteursinformatie

    Islamophobia, like xenophobia, points to deep-seated, ingrained discrimination against a particular group, whose effective enjoyment of fundamental rights is impaired. This in turn triggers the human rights obligations of liberal democratic states, more particularly states’ positive obligations (informed by reasonability considerations) to ensure that fundamental rights are effectively enjoyed, and thus also respected in interpersonal relationships. This article identifies and compares the fault lines in the practice of three international human rights supervisory mechanisms in relation to Islamophobia, namely the Human Rights Committee (International Covenant on Civil and Political Rights), the European Court of Human Rights (European Convention on Human Rights) and the Advisory Committee of the Framework Convention for the Protection of National Minorities. The supervisory practice is analysed in two steps: The analysis of each international supervisory mechanism’s jurisprudence, in itself, is followed by the comparison of the fault lines. The latter comparison is structured around the two main strands of strategies that states could adopt in order to counter intolerance: On the one hand, the active promotion of tolerance, inter alia through education, awareness-raising campaigns and the stimulation of intercultural dialogue; on the other, countering acts informed by intolerance, in terms of the prohibition of discrimination (and/or the effective enjoyment of substantive fundamental rights). Having regard to the respective strengths and weaknesses of the supervisory practice of these three international supervisory mechanisms, the article concludes with some overarching recommendations.


Kristin Henrard
Kristin Henrard is Professor International Human Rights and Minorities, Erasmus School of Law, Rotterdam, the Netherlands.
Artikel

Conflictbeslechting na misdaad bij de Marrons in Suriname

Mogelijke bruggen tussen de traditionele en moderne misdaadaanpak

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 2 2020
Trefwoorden Marrons, Suriname, traditionele misdaadaanpak, Twinningproject, krutu
Auteurs Jacques Claessen en Rinette Djokarto
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article, we report on our initial findings (from the field) regarding conflict resolution among the Maroons in Suriname. After first providing some background information about the Maroons (section 2), we describe their manner of conflict resolution after a crime has taken place and we explain what justice within this context entails for them (section 3). Subsequently, we try to distil ‘the useful elements’ from the Maroons’ approach to crime, that is to say elements with which modern restorative justice, i.e. restorative justice that meets, inter alia, human rights and constitutional requirements, can be nourished and strengthened. We also discuss some of the challenges we have encountered, where the traditional legal system and the modern criminal justice system come together (section 4). Then we try to build some possible bridges between the two legal systems (section 5). The contribution concludes with providing a window on the future of the development of restorative justice in Suriname and the Netherlands.


Jacques Claessen
Jacques Claessen is bijzonder hoogleraar herstelrecht en universitair hoofddocent strafrecht aan de Universiteit Maastricht en rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Limburg.

Rinette Djokarto
Rinette Djokarto is docent strafrecht en rechtssociologie aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, buitenpromovenda aan de Universiteit Leiden en lid van het Constitutioneel Hof van Suriname.
Covid-19

Access_open De covid-19-maatregelen van de EU: buigen of barsten?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2020
Trefwoorden corona, covid-19, interne markt, volksgezondheid, mededinging
Auteurs Mr. drs. H.A.G. Temmink
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds het uitbreken van de covid-19-crisis heeft de Europese Unie zich schrap gezet om de gevolgen van de pandemie te beteugelen. Deze bijdrage geeft een overzicht van de initiatieven die tot dusverre zijn genomen. In eerste instantie betreft het maatregelen om de directe gevolgen voor de volksgezondheid te bestrijden en de integriteit van de interne markt te waarborgen. Ondertussen wordt ook aan herstelmaatregelen gewerkt voor het weer aan de gang krijgen van de economie. Wat zijn de gevolgen van corona voor de interne markt en de toekomst van de Unie?


Mr. drs. H.A.G. Temmink
Mr. drs. H.A.G. (Harrie) Temmink is plv. afdelingshoofd van de unit ‘Intellectuele Eigendom’, DG GROW, Europese Commissie. Deze bijdrage is op strikt persoonlijke titel geschreven.
Case Law

2020/1 EELC’s review of the year 2019

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 1 2020
Auteurs Ruben Houweling, Daiva Petrylaitė, Peter Schöffmann e.a.
Samenvatting

    Various of our academic board analysed employment law cases from last year. However, first, we start with some general remarks.


Ruben Houweling

Daiva Petrylaitė

Peter Schöffmann

Attila Kun

Francesca Maffei

Jean-Philippe Lhernould

Niklas Bruun

Jan-Pieter Vos

Luca Ratti

Anthony Kerr

Petr Hůrka

Michal Vrajík
Vrij verkeer

Grondrechtenbescherming in het Nederlandse en Europese auteursrecht na Spiegel Online, Funke Medien en Pelham

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2020
Trefwoorden auteursrecht, grondrechten, Auteursrechtrichtlijn, excepties, informatievrijheid
Auteurs T. Snijders en S. van Deursen
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze uitspraken spreekt het Hof van Justitie zich uit over de mogelijkheid van excepties op de exclusieve rechten van auteurs buiten de uitputtende lijst met excepties die is opgenomen in de Auteursrechtrichtlijn. Ook laat het Hof van Justitie zich opnieuw uit over de rol van grondrechten bij de interpretatie van de bestaande excepties. Deze uitspraken worden in breder perspectief geplaatst door daarnaast de benadering van het EHRM te bespreken. Tot slot worden de implicaties van deze dynamische Europese rechtsorde voor de Nederlandse praktijk besproken.
    HvJ 29 juli 2019, zaak C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625 (Spiegel Online); HvJ 29 juli 2019, zaak C-469/17, ECLI:EU:C:2019:623 (Funke Medien NRW); HvJ 29 juli 2019, zaak C-467/17, ECLI:EU:C:2019:624 (Pelham)


T. Snijders
T. (Thom) Snijders volgt de master Legal Research aan de Universiteit Utrecht

S. van Deursen
Mr. S. (Stijn) van Deursen is als promovendus verbonden aan de Universiteit Utrecht.
Article

Access_open Access and Reuse of Machine-Generated Data for Scientific Research

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2019
Trefwoorden machine-generated data, Internet of Things, scientific research, personal data, GDPR
Auteurs Alexandra Giannopoulou
SamenvattingAuteursinformatie

    Data driven innovation holds the potential in transforming current business and knowledge discovery models. For this reason, data sharing has become one of the central points of interest for the European Commission towards the creation of a Digital Single Market. The value of automatically generated data, which are collected by Internet-connected objects (IoT), is increasing: from smart houses to wearables, machine-generated data hold significant potential for growth, learning, and problem solving. Facilitating researchers in order to provide access to these types of data implies not only the articulation of existing legal obstacles and of proposed legal solutions but also the understanding of the incentives that motivate the sharing of the data in question. What are the legal tools that researchers can use to gain access and reuse rights in the context of their research?


Alexandra Giannopoulou
Institute for Information Law (IViR) – University of Amsterdam.
Artikel

Top-down and out?

Reassessing the labelling approach in the light of corporate deviance

Tijdschrift Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, Aflevering 2 2019
Trefwoorden labelling, corporate crime, moral entrepreneurs, peer group, late modernity
Auteurs Anna Merz M.A.
SamenvattingAuteursinformatie

    Multi-national corporations are increasingly facing attention and disapproval by different actors, including authorities, public and (non-) commercial organizations. Digital globalization and especially social media as a low-cost, highly interactive and multidirectional platform shape a unique context for this rising attention. In the literature, much attention has been devoted to top-down approaches and strategies that corporations use to avoid stigmatization and sanctioning of their behaviour. Reactions to corporate harm are, however, seldom researched from a labelling perspective. As a result, corporations are not considered as objects towards whom labelling is targeted but rather as actors who hamper such processes and who, as moral entrepreneurs, influence which behaviour is labelled deviant. Based on theoretical analysis of literature and case studies, this article will discuss how the process of labelling has changed in light of the digitalized, late-modern society and consequently, how the process should be revisited to be applicable for corporate deviance. Given a diversification of moral entrepreneurs and increasingly dependency of labelling and meaning-making on the online sphere, two new forms of labelling are introduced that specifically target institutions; that is bottom-up and horizontal labelling.


Anna Merz M.A.
Anna Merz is promovendus aan de Sectie Criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Artikel

Past een vaccinatieplicht binnen het EVRM-regime?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 4 2019
Trefwoorden vaccinatieplicht, kinderopvang, EVRM, AWGB, Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Auteurs Dr. R.H.M. (Roland) Pierik
SamenvattingAuteursinformatie

    Al jaren daalt in Nederland de vaccinatiegraad, waardoor ziekten als mazelen en de bof opnieuw dreigen de kop op te steken. Om dit tegen te gaan zijn recent in de Nederlandse politiek twee meer verplichtende maatregelen voorgesteld. Dit artikel analyseert de juridische mogelijkheden en onmogelijkheden van deze voorstellen, met name in de context de van de grondrechten waarmee ze zouden kunnen botsen: artikel 2 EVRM (recht op leven), artikel 8 EVRM (onaantastbaarheid van het lichaam) en/of artikel 9 EVRM: (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) en het daaruit volgende Nederlandse gelijkebehandelingsrecht.


Dr. R.H.M. (Roland) Pierik
Roland Pierik is universitair hoofddocent rechtsfilosofie aan de afdeling Algemene Rechtsleer van de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

A Look Back at Courage and a Look Forward to the Future of Non-Contractual Liability of Individuals for Breaches of EU Law

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2019
Trefwoorden non-contractual liability, compensation, direct horizontal effect, effectiveness, effective judicial protection
Auteurs F. Bassi LL.M.
SamenvattingAuteursinformatie

    The Courage ruling establishes that private parties are liable to compensate other private parties for the harm caused by a breach of Art. 101(1) TFEU. This article discusses whether a breach by private parties of other provisions of the TFEU with ‘direct horizontal effect’ also gives rise to non-contractual liability and what are the conditions for such liability to arise.


F. Bassi LL.M.
F. Bassi LL.M. is a PhD Candidate at Radboud University Nijmegen and at KU Leuven.
Artikel

Grondrechten, gamechangers

Over recente ontwikkelingen op het gebied van de doorwerking van de Europese grondrechten in het vermogensrecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2019
Trefwoorden EVRM, EU-handvest, onrechtmatige daad, schadevergoeding
Auteurs Mr. dr. J.M. Emaus
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur gaat in op de doorwerking van Europese grondrechten in het verbintenissenrecht, en bespreekt hierbij zowel het EVRM als EU-handvest. Zij concludeert dat Europese grondrechten gamechangers kunnen zijn, onder meer omdat zij aanleiding kunnen geven tot een vorm van genoegdoening, óók of juist als de nationale rechter oordeelt dat op grond van het nationale recht geen recht op schadevergoeding bestaat


Mr. dr. J.M. Emaus
Mr. J.M. Emaus is als universitair docent werkzaam bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en is als onderzoeker verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (Ucall) en het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM).
Artikel

Wo viel Licht ist, ist starker Schatten?

Het recht op een effectieve (civiele) remedie naar Unierecht

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7-8 2019
Trefwoorden effectiviteitsbeginsel, effectieve rechtsbescherming, doorwerking, Unierecht, civiele remedie
Auteurs Mr. I.V. Aronstein
SamenvattingAuteursinformatie

    Het effectiviteitsbeginsel en het beginsel van effectieve rechtsbescherming vormen het fundament van de doorwerkingsvormen van Unierecht in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen. Deze bijdrage geeft globaal inzicht in hoe private partijen Unierecht kunnen inroepen tegen een andere private partij, welke voorwaarden gesteld worden aan civiele remedies en hoe in die context de bovengenoemde beginselen andere beginselen beperken.


Mr. I.V. Aronstein
Mr. I.V. Aronstein is onderzoeker aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, Radboud Universiteit en daarnaast verzorgt zij postacademisch onderwijs op het gebied van de invloed van het Unierecht op de civiele rechtspraktijk.
Artikel

De kerk als werkgever

De spanningsvolle relatie tussen kerkelijk recht en het arbeidsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Kerkgenootschap, Grondrechten, Gelijke behandeling, Tendenswerkgever, Ontslagrecht
Auteurs Wijnand Zondag
SamenvattingAuteursinformatie

    As a special employer, the church has an interest in shaping its own personnel policy in order to achieve the mission and objective. In part, the legislator has met this need. After all, various laws in the field of appointment, terms of employment and dismissal take account of the specific interests of the church as described before. The external border consists of fundamental human rights that are included in the ECHR and the European Directive on equal treatment. It is not always clear where the external border is exactly. The Dutch legislation regarding the battle of ‘church law’ and fundamental rights is not consistent. Moreover, there we notice a tension between national law and the European directive.


Wijnand Zondag
Dr. W. Zondag was van 2003 tot 2015 hoogleraar Arbeidsecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2015 is hij voorganger in een kerkelijke gemeente. Daarnaast publiceert hij op het terrein van het snijvlak religie en recht en verricht hij onder andere promotieonderzoek aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.
Artikel

Het grondrecht op collectief onderhandelen van zelfstandigen versus het Europese mededingingsrecht

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Mededingingsrecht, Zelfstandige, Cao-exceptie, Vrijheid van vakvereniging, Recht op collectief onderhandelen
Auteurs Mr. R.F. Hoekstra
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel staat centraal dat de beperking van de door het Hof van Justitie geformuleerde ‘cao-exceptie’ op het Europese mededingingsrecht tot ‘werknemers’ en ‘schijnzelfstandigen’ zich moeilijk tot een grondrechtenbenadering lijkt te verhouden. Zelfstandigen met een zwakke arbeidsmarktpositie hebben namelijk evenzeer behoefte aan collectieve middelen om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren en vallen ook onder grondrechtenverdragen. Door een uitgebreide beschouwing van de relevante rechtsinstrumenten van de VN, de IAO en de Raad van Europa en de uitleg die de toezichtorganen hieraan geven blijkt dat het grondrecht op vrijheid van (vak)vereniging, collectief onderhandelen en collectieve actie evenzeer aan deze groep lijkt toe te komen, en een te rigoureuze inperking vanwege het mededingingsrecht niet gerechtvaardigd wordt geacht. De conclusie bevat enkele gedachten over hoe het Europese mededingingsrecht met een grondrechtenbenadering overeenstemming te brengen. Daarbij passeren zowel de recente ontwikkelingen rondom het zelfstandigenvraagstuk in Nederland als initiatieven op Europees niveau de revue.


Mr. R.F. Hoekstra
Mr. R.F. (Robert) Hoekstra is werkzaam als onderzoeker bij de Wiardi Beckman Stichting Den Haag. Daarnaast is hij als promovendus verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn promotieonderzoek ziet op het snijvlak van cao’s en grondrechten.
Article

Access_open The Conduit between Technological Change and Regulation

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2018
Trefwoorden technology, socio-technological change, money, windmill, data
Auteurs Marta Katarzyna Kołacz en Alberto Quintavalla
SamenvattingAuteursinformatie

    This article discusses how the law has approached disparate socio-technological innovations over the centuries. Precisely, the primary concern of this paper is to investigate the timing of regulatory intervention. To do so, the article makes a selection of particular innovations connected with money, windmills and data storage devices, and analyses them from a historical perspective. The individual insights from the selected innovations should yield a more systematic view on regulation and technological innovations. The result is that technological changes may be less momentous, from a regulatory standpoint, than social changes.


Marta Katarzyna Kołacz
Marta Katarzyna Kołacz, Ph.D. Candidate in the Department of Private Law, Erasmus School of Law, Erasmus University Rotterdam, The Netherlands.

Alberto Quintavalla
Alberto Quintavalla, LL.M., Ph.D. Candidate in the Rotterdam Institute of Law and Economics, Erasmus School of Law, Erasmus University Rotterdam, The Netherlands.
Article

Access_open Right to Access Information as a Collective-Based Approach to the GDPR’s Right to Explanation in European Law

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2018
Trefwoorden automated decision-making, right to access information, right to explanation, prohibition on discrimination, public information
Auteurs Joanna Mazur
SamenvattingAuteursinformatie

    This article presents a perspective which focuses on the right to access information as a mean to ensure a non-discriminatory character of algorithms by providing an alternative to the right to explanation implemented in the General Data Protection Regulation (GDPR). I adopt the evidence-based assumption that automated decision-making technologies have an inherent discriminatory potential. The example of a regulatory means which to a certain extent addresses this problem is the approach based on privacy protection in regard to the right to explanation. The Articles 13-15 and 22 of the GDPR provide individual users with certain rights referring to the automated decision-making technologies. However, the right to explanation not only may have a very limited impact, but it also focuses on individuals thus overlooking potentially discriminated groups. Because of this, the article offers an alternative approach on the basis of the right to access information. It explores the possibility of using this right as a tool to receive information on the algorithms determining automated decision-making solutions. Tracking an evolution of the interpretation of Article 10 of the Convention for the Protection of Human Right and Fundamental Freedoms in the relevant case law aims to illustrate how the right to access information may become a collective-based approach towards the right to explanation. I consider both, the potential of this approach, such as its more collective character e.g. due to the unique role played by the media and NGOs in enforcing the right to access information, as well as its limitations.


Joanna Mazur
Joanna Mazur, M.A., PhD student, Faculty of Law and Administration, Uniwersytet Warszawski.

    This article introduces the concepts of play and playfulness within the context of legal-philosophical education. I argue that integrating play and playfulness in legal education engages students and prepares them for dealing with the perpetual uncertainty of late modernity that they will face as future legal professionals. This article therefore aims to outline the first contours of a useful concept of play and playfulness in legal education. Drawing on the work of leading play-theorists Huizinga, Caillois, Lieberman and Csikszentmihalyi, play within legal education can be described as a (1) partly voluntary activity that (2) enables achievement of learning goals, (3) is consciously separate from everyday life by rules and/or make believe, (4) has its own boundaries in time and space, (5) entails possibility, tension and uncertainty and (6) promotes the formation of social grouping. Playfulness is a lighthearted state of mind associated with curiosity, creativity, spontaneity and humor. Being playful also entails being able to cope with uncertainty. The integration of these concepts of play and playfulness in courses on jurisprudence will be illustrated by the detailed description of three play and playful activities integrated in the course ‘Introduction to Legal Philosophy’ at the Vrije Universiteit Amsterdam.


Hedwig van Rossum
Mr. H.E van Rossum, LL.M., is a lecturer-researcher in the Department of Legal Theory at the Vrije Universiteit Amsterdam and has been teaching the freshman course ‘Introduction to Legal Philosophy’ since 2011.
Artikel

De Europese kreukelzone van de wetgever

Goede wetgeving vanuit het EU- en EVRM-perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2018
Trefwoorden EU, EVRM, wetgever, toetsing, Verenigbaarheid
Auteurs Mr. dr. A. Cuyvers en Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is een ‘goede wet’ voor de Nederlandse rechter vanuit het EU-recht en het EVRM bezien? Een ‘goede wet’ – daaronder mede begrepen de toelichting bij de wet – stelt de rechter afdoende in staat om (1) de verenigbaarheid van een wet met het EU-recht of het EVRM te beoordelen en (2) potentiële conflicten met het EU-recht of het EVRM constructief op te lossen zonder te hoeven grijpen naar ‘zware’ opties. Maar hoe, en tot op welke hoogte, kan of moet de wetgever rekening houden met de Europese taak en habitat van de Nederlandse rechter, zowel qua inhoud als qua motivering van wetgeving? En welke wetgevende kreukelzone mag de rechter onder Europees recht en het EVRM aan de wetgever laten alvorens in te grijpen? Ter beantwoording van deze vragen gaat deze bijdrage in op de verschillende vereisten die het EU-recht en het EVRM stellen aan goede wetgeving, waarbij mede wordt ingegaan op de structuur van de stapsgewijze toetsing door de Europese Hoven van nationale wetgeving.


Mr. dr. A. Cuyvers
Mr. dr. A. (Armin) Cuyvers is universitair hoofddocent Europees recht aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.

Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr.dr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is plaatsvervangend hoofd afdeling Constitutionele Zaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam en verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Toont 1 - 20 van 103 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.