Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 515 artikelen

x
Artikel

De zaakafbakening: ratio en werking

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 6 2021
Trefwoorden rechtseconomie, waardemotief, modulariteit, complementariteit
Auteurs Mr. R. Bloemink
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel zoekt naar een rechtseconomische verklaring voor het gegeven dat sommige (samenstellingen van) objecten dwingend als ‘zaak’ worden aangemerkt. Die verklaring wordt niet gevonden in het streven om bepaalde waardevolle samenstellingen te conserveren, maar in het streven naar inzichtelijkheid van de rechtstoestanden, en de verhandelbaarheid, van objecten.


Mr. R. Bloemink
Mr. R. Bloemink is wetenschappelijk medewerker bij de sectie civiel van het Wetenschappelijk Bureau bij de Hoge Raad en als buitenpromovendus verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    Het Hof van Justitie oordeelde in het arrest over het Programma Aanpak Stikstof dat een programmatische aanpak op grond van artikel 6 Habitatrichtlijn niet is uitgesloten. Tegelijk oordeelde het Hof van Justitie dat het voorzorgsbeginsel als bedoeld in artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn onverkort in acht moet worden genomen voor alle projecten binnen het programma. Belangrijke vragen zijn hoe dit met elkaar te verenigen is en onder welke voorwaarden een programmatische aanpak dan mogelijk is. Vragen die relevant blijven nu zowel in de Wet natuurbescherming en het recente wetsvoorstel stikstofreductie en natuurherstel als in de komende Omgevingswet is voorzien in een programmatische aanpak.
    HvJ 7 november 2018, gevoegde zaken C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882 (Coöperatie Mobilisation for the Environment UA en Vereniging Leefmilieu/College van gedeputeerde staten van Limburg en College van gedeputeerde staten van Gelderland en Stichting Werkgroep Behoud de Peel/College van gedeputeerde staten van Noord-Brabant).


Mr. dr. R. Kegge
Mr. dr. R. (Rogier) Kegge is universitair docent bestuursrecht en omgevingsrecht bij de afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Leiden.
Annotatie

HeidelbergCement: Gerecht giet fundament van ‘betrokken ondernemingen’ in beton

Gerecht 5 oktober 2020, zaak T-380/17, ECLI:EU:T:2020:471 (HeidelbergCement en Schwenk Zement/Commissie)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2021
Auteurs Felix Roscam Abbing en Tim van Helfteren
Auteursinformatie

Felix Roscam Abbing
Mr. F.A. Roscam Abbing is werkzaam als advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer.

Tim van Helfteren
Mr. T.C. van Helfteren is werkzaam als advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer.
Annotatie

Wanneer wordt een prijs op billijke wijze vastgesteld?

HvJ EU 25 november 2020, zaak C-372/19, ECLI:EU:C:2020:959 (SABAM/Weareone.World en Wecandance)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2021
Auteurs Jotte Mulder en Wolf Sauter
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze noot bespreken wij de uitspraak van het Hof van Justitie in SABAM/Weareone.World en Wecandance. De uitspraak draagt bij aan een verder gedifferentieerd jurisprudentieel kader voor onbillijke prijzen en voorwaarden. De uitspraak verrijkt de bestaande rechtspraak waarin de onderliggende berekeningsmethode van vergoedingenmodellen van collectieve beheersorganisaties op billijkheid worden getoetst. In navolging van de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in deze zaak reflecteren wij tevens op de toepasbaarheid van het oordeel van het Hof van Justitie in farmaceutische en platformmarkten.


Jotte Mulder
Mr. dr. J. Mulder is werkzaam bij de Universiteit Utrecht en de ACM.

Wolf Sauter
Prof. mr. dr. drs. W. Sauter werkt bij de VU Amsterdam en eveneens bij de ACM.

Mr. M.F. Murray
Mr. M.F. Murray is advocaat en vennoot bij Murray Attorneys at Law te Curaçao en lid van de redactie van het Caribisch Juristenblad.
Praktijk

Zo moet het niet

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 5 2021
Auteurs Floris Bakels
Auteursinformatie

Floris Bakels
Rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Amsterdam.
Van de NOvA

Van de tuchtrechter

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 5 2021
Auteurs Kees Pijnappels

Kees Pijnappels
Artikel

‘Laat je niet misleiden door afwijkende prijzen’

Een exploratieve studie naar de ambiguïteit van betrouwbaarheid van cocaïnedealers op Telegram Messenger

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2021
Trefwoorden drug dealing, trust, signaling theory, social media, netnography
Auteurs Robby Roks en Joëlle Hendriksen
SamenvattingAuteursinformatie

    In order to advance our understanding of digital drug markets on social media, this article examines the trustworthiness of cocaine dealers on Telegram Messenger. Based on an exploratory netnography, we illustrate that digital dealers on Telegram Messenger use a number of sales tactics to attract potential customers, emphasizing the quality of the goods and service and (competitive) pricing strategies. These sales tactics include various signals that seem intended to appear as trustworthy as possible to potential customers. Seen from the perspective of signaling theory, our study highlights the ambiguity of these signals that, depending on the online observer, could both signal trustworthiness and untrustworthiness.


Robby Roks
Dr. R.A. Roks is universitair docent Criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Joëlle Hendriksen
J.M.C. Hendriksen MSc is projectassistent bij RIEC Midden-Nederland districtelijk team Ondermijning Flevoland. Haar scriptie ‘“Dankjewel gozer, nooit meer een andere dealer”: een netnografische studie naar risico en vertrouwen in het online vraag en aanbod van verdovende middelen via Telegram Messenger’ (2020), geschreven als masterscriptie Criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, vormde de basis van het onderhavige artikel.
Artikel

Access_open Commerciële DNA-databanken: een mixed blessing of een bedreiging voor de foren‍si‍sche praktijk?

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 1 2021
Trefwoorden commercial DNA databases, Dutch jurisdiction, legislation, forensic practice, Marianne Vaatstra case
Auteurs Amade M’charek en Peter de Knijff
SamenvattingAuteursinformatie

    In April 2018, serial killer Joseph DeAngelo, also known as the Golden State Killer, was spectacularly tracked down. After 13 years of groping in the dark, uploading his DNA profile to a commercial genetic genealogical DNA database helped to identify him within a few months. The use of such commercial DNA databases elicited both hope and dismay. In this contribution the authors address concerns about the use of this technology in the Dutch jurisdiction by situating it in the more than 25 years of careful legislation and forensic practice. They show that much care and attention has been given to the legal and societal aspects of forensic genetic technology and argue that the use of commercial DNA databases warrants a careful and thorough debate before it can be introduced in any sound way.


Amade M’charek
Prof. dr. A.A. M’charek is als hoogleraar Antropologie van de wetenschap verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Peter de Knijff
Prof. dr. P. de Knijff is als hoogleraar Populatie- en Evolutiegenetica verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum.
Artikel

Een goudmijn vol tips

Het gebruik van genealogische DNA-‍databanken bij opsporing en identificatie

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 1 2021
Trefwoorden genealogical DNA databases, criminal investigation, Sweden, the Lisa project, Golden State Killer
Auteurs Lex Meulenbroek en Diederik Aben
SamenvattingAuteursinformatie

    The success of investigative genetic genealogy (IGG) in the US hasn’t gone unnoticed in Europe. After US police announced worldwide that the Golden State Killer had been identified with the application of IGG, the Swedish police and judiciary applied the same method to solve a double murder that had remained unsolved for sixteen years. How did this method come about? A young woman unfamiliar with her real name, age, parents, and origins came up with the idea that private genealogical DNA databases that allow customers to trace their distant relatives could also be used to discover her identity. Since then, in the US many cold cases have been solved with the help of these databases and also the identity of many unidentified human remains has been traced. Questions concerning this new method of investigation arise, to which the beginning of an answer is given here. What does the method entail? Is it allowed to use this method in the Netherlands as well?


Lex Meulenbroek
Drs. A.J. Meulenbroek is als forensisch deskundige humane biologische sporen en DNA-onderzoek verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Diederik Aben
Mr. D.J.C. Aben is advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

Genealogische DNA-databanken: consequenties van het delen van ons DNA

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 1 2021
Trefwoorden direct-to-consumer (DTC) genetic testing, spreading of DNA data, risks, function creep, ownership of DNA
Auteurs Nico Kaptein
SamenvattingAuteursinformatie

    This article aims to contribute to the public debate on the consequences and risks of the spreading of DNA data related to direct-to-consumer (DTC) genetic testing. Market developments drive DTC companies to find new business models. As a result of mergers and acquisitions and of the developments of new products and services, DNA data are often used differently than what they were originally collected for. Since DTC DNA data are not protected as well as health-related data generally are, it is hard to keep track of these data. This is partly due to legal and ethical issues such as unclarity of who owns DNA and problems with informed consent. Risks are identified with regards to privacy, information security, the right not to know, (un)equal opportunities, and national security. The author calls for an investment in knowledge and awareness in order to allow for a fair balance between opportunity and risk of DTC DNA products and services.


Nico Kaptein
Drs. N. Kaptein is directeur van advies- en onderzoeksbureau Maruda.
Artikel

Het gebruik van DNA in het opsporingsproces

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 1 2021
Trefwoorden criminal investigation, DNA, DNA analysis, crime scene, evidence
Auteurs Christianne de Poot
SamenvattingAuteursinformatie

    This article describes why forensic DNA research is so interesting for criminal investigation processes, and why DNA does not yet play the role in these processes that could be expected given its unique properties. To this end, the bottlenecks that arise in the forensic investigation process are discussed as well as the opportunities to solve these bottlenecks in the coming years with new technologies and new scientific insights. The article focuses on (1) finding biological traces, (2) determining the relevance and the success rate of these traces, (3) the learning process of criminal investigators, (4) the importance of integrating processes that are currently performed in different places by different professionals, and (5) the promises of rapid mobile DNA technologies in this development.


Christianne de Poot
Prof. dr. C.J. de Poot is als bijzonder hoogleraar Criminalistiek verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarnaast is zij lector Forensisch Onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam. Tot voor kort was zij tevens werkzaam als senior onderzoeker bij het WODC in Den Haag.

    Criminological research has emphasized the importance of procedural justice of authorities during encounters with citizens. Theory and prior research propose that the procedurally just treatment by the police influences, possibly via legitimacy, citizens’ willingness to cooperate with authorities in the criminal justice chain. This article tests the hypotheses of procedural justice theory using Dutch data of the European Social Survey (N=1,616). The results show an association between the procedurally just treatment of citizens by the police and cooperation with criminal justice authorities. However, this association has not been explained by the legitimacy of the police.


Matthias van Hall
M. van Hall MSc is promovendus bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
Digitale markten

Access_open Het voorstel voor de Digital Services Act

Op zoek naar nieuw evenwicht in regulering van onlinediensten met betrekking tot informatie van gebruikers

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1-2 2021
Trefwoorden Digital Services Act, Wet inzake digitale diensten, Richtlijn elektronische handel, onlinediensten, illegale inhoud
Auteurs Mr. dr. F. Wilman
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt het recente voorstel voor de Digital Services Act besproken. De voorgestelde verordening is bedoeld om de digitale interne markt te versterken en, meer specifiek, de activiteiten van aanbieders van onlinediensten die draaien om de doorgifte, opslag en publieke verspreiding van informatie van hun gebruikers – zoals videoplatforms, onlinemarktplaatsen, sociale media en internetaanbieders – beter te reguleren. Het gaat onder meer om hun activiteiten ter bestrijding van illegale inhoud en desinformatie, hun aansprakelijkheid en hun verantwoordelijkheden jegens de gebruikers. We zullen zien dat het DSA-voorstel in verschillende opzichten ambitieus en vernieuwend is, terwijl het op andere punten eerder nuttig-maar-voorspelbaar en behoudend kan worden genoemd. Na een inleiding worden de voorgestelde verplichtingen voor de verschillende onlinedienstverleners achtereenvolgens besproken, gevolgd door enkele algemene opmerkingen.
    Europese Commissie, Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (Wet inzake digitale diensten) en tot wijzing van Richtlijn 2000/31/EG, COM(2020)825, 15 december 2020


Mr. dr. F. Wilman
Mr. dr. F. (Folkert) Wilman is lid van de Juridische Dienst van de Europese Commissie. De zienswijzen opgenomen in deze bijdrage zijn uitsluitend die van de auteur en kunnen niet worden toegeschreven aan de Europese Commissie.
Artikel

Access_open Vergoeding van shockschade sinds de invoering van de Wet vergoeding affectieschade

Een greep uit en op de rechtspraktijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2021
Trefwoorden geestelijk letsel, cumulatie, hoogte, niet-ontvankelijkheid, confrontatievereiste
Auteurs Mr. A.M. Overheul
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt middels een eerste, verkennende jurisprudentieanalyse inzichtelijk gemaakt wat speelt op het gebied van vergoeding van immateriële schade in de context van shockschade na inwerkingtreding van de Wet vergoeding affectieschade. De uitspraken zijn geanalyseerd op basis van de cumulatie van de shock- en affectieschadevordering, de hoogte van de vergoeding van immateriële schade in geval van een shockschadevordering, de niet-ontvankelijkheid van de shockschadevordering, het confrontatievereiste en het vereiste van geestelijk letsel. Aan dit laatste vereiste komt in deze bijdrage bijzondere aandacht toe bij bespreking van het juridisch kader.


Mr. A.M. Overheul
Mr. A.M. Overheul is als promovenda verbonden aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL) en Empirical Research into Institutions for Conflict Resolution (ERI) van de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek gaat over compensatiesystemen voor beroepsziekten als alternatief voor de klassieke route van het aansprakelijkheidsrecht.

    Het ontgrendelen van elektronische gegevensdragers met een biometrisch kenmerk staat nog steeds in de schijnwerpers van de rechtswetenschap en de rechtspraktijk. Uit de literatuur is een duidelijke meerderheidsopvatting te distilleren, namelijk dat de verdachte verplicht kan worden elektronische gegevensdragers met een biometrisch kenmerk te ontgrendelen, maar dat van een verplichting zijn wachtwoord af te staan geen sprake kan zijn. Verschillende nationale gerechten hebben dezelfde conclusie getrokken. Ondanks de duidelijke meerderheidsopvatting werd tegen een van de eerste uitspraken, een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, cassatie in het belang van de wet ingesteld waarin advocaat-generaal Bleichrodt onlangs concludeerde. In deze bijdrage wordt de zojuist genoemde conclusie besproken, in het licht van de afwezigheid van een fundamentele bezinning op de normering van opsporingsbevoegdheden in de digitale wereld.


D.A.G. van Toor PhD LLM BSc
D.A.G. van Toor PhD LLM BSc is verbonden als universitair docent aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen en het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging van de Universiteit Utrecht.
Artikel

De digitale algemene vergadering binnen Nederlandse beursvennootschappen: een volwaardig alternatief?

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 1-2 2021
Trefwoorden digitalisering, empirie, statutenonderzoek, aandeelhoudersrechten, Tijdelijke wet Covid-19
Auteurs Mr. I. Öncü
SamenvattingAuteursinformatie

    Zowel in de praktijk als in de literatuur leeft de vraag of de digitale aandeelhoudersvergadering als volwaardig alternatief kan dienen voor de klassieke (fysieke) algemene vergadering. In dit artikel concludeert de auteur dat dit slechts bij een kleine groep beursvennootschappen het geval is. Deze vennootschappen waarborgen namelijk dat ieder aandeelhoudersrecht behouden blijft wanneer digitaal wordt vergaderd.


Mr. I. Öncü
Mr. I. Öncü is als promovendus en docent verbonden aan het Van der Heijden Instituut (OO&R, Radboud Universiteit Nijmegen).
Uit het veld

Fiscaal toezicht in tijden van crisis

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 1 2021
Trefwoorden COVID-19, Belastingdienst, fiscaal toezicht, toezichtstrategie, crisis
Auteurs Lisette van der Hel-van Dijk en Sjoerd Goslinga
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage verkent de consequenties van de COVID-19-crisis voor het fiscale toezicht door de Belastingdienst. De crisis en de lockdownmaatregelen hebben korte- en langetermijngevolgen voor burgers en bedrijven en consequenties voor het werk van de Belastingdienst als uitvoerder en toezichthouder. De psychologische en economische impact van de crisis en de gewijzigde werkwijze van de Belastingdienst kunnen van invloed zijn op de mogelijkheden en motivatie om belastingverplichtingen na te komen. Dit zal verschillen in de opeenvolgende fasen van de crisis. Onze belangrijkste conclusie is dat de Belastingdienst in de verschillende fasen sterk rekening zal moeten houden met de veranderingen in de context van burgers en bedrijven en meer dan voor de crisis zal moeten handelen vanuit zijn maatschappelijke rol.


Lisette van der Hel-van Dijk
Prof. dr. mr. E.C.J.M. van der Hel-van Dijk RA is als hoogleraar effectiviteit van overheidstoezicht verbonden aan Nyenrode Business University (Toezicht Academie).

Sjoerd Goslinga
Dr. S. Goslinga is werkzaam bij de Belastingdienst en is als senior onderzoeker verbonden aan de Universiteit Leiden.
Peer-reviewed artikel

Regelnaleving in de Nederlandse veehouderij

Misstanden, verklaringen en implicaties voor toezicht

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 1 2021
Trefwoorden compliance, veehouderij, neutralisaties, normen, responsive regulation
Auteurs Fiore Geelhoed, Sophie Benerink en Martine Ceton
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nederlandse veehouderij staat volop in de aandacht door kwesties als mestfraude, dierenwelzijnskwesties en stikstofnormen. Dit roept vragen op omtrent regelnaleving onder Nederlandse veehouders, zoals welke regels zij al dan niet naleven en welke verklaringen hiervoor te geven zijn. Om deze vraag te beantwoorden is gebruikgemaakt van de data die zijn verzameld in het kader van drie casestudies naar regelnaleving onder varkenshouders, pluimveehouders en de betrokkenheid daarbij van dierenartsen. Deze studies laten zien dat de betrokken veehouders over het geheel genomen allemaal wel eens regels overtreden. Neutralisaties, strain en persoonlijke en sociale normen spelen daarbij een rol. De inzichten die deze studies opleveren, bieden diverse aanknopingspunten voor het versterken van toezicht.


Fiore Geelhoed
Dr. mr. F. Geelhoed werkt als universitair docent bij de Sectie Criminologie, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Sophie Benerink
S.A.M. Benerink, MSc, is medewerker integriteitsbeoordeling bij de Kansspelautoriteit.

Martine Ceton
M.N. Ceton, MSc, is werkzaam als promovendus aan de VU, faculteit Klinische, neuro- en ontwikkelingspsychologie.
Artikel

De bedreigde getuige en artikel 226a Sv: knelpunten uit de praktijk

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 1 2021
Trefwoorden getuige, bedreigde getuige, anonieme getuige, artikel 226a Sv
Auteurs Mr. R. (Robin) Cozijnsen en Mr. dr. W.N. (Ward) Ferdinandusse
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt de wettelijke regeling omtrent de bedreigde getuige nader bezien. Na een korte omschrijving van de totstandkoming en de inhoud van de wettelijke regeling (art. 226a-226f Sv), wordt uitgebreid ingegaan op verschillende vragen en knelpunten die in de praktijk naar voren komen. Achtereenvolgens worden de volgende onderwerpen besproken: de wettelijke plicht om verdachte vooraf op de vordering te horen, de bedreigde getuige in een zaak van een NN-verdachte en in zaken met meerdere verdachten, de praktische (on)uitvoerbaarheid van het waarborgen van anonimiteit en ten slotte het toetsingskader dat wordt gehanteerd bij een appel tegen een statusverlening.


Mr. R. (Robin) Cozijnsen
Mr. R. Cozijnsen is wetenschappelijk medewerker bij het landelijk parket van het openbaar ministerie.

Mr. dr. W.N. (Ward) Ferdinandusse
Mr. dr. W.N. Ferdinandusse is officier van justitie bij het landelijk parket van het openbaar ministerie.
Toont 1 - 20 van 515 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 25 26
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.