Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 347 artikelen

x

Rob van der Hoeven
Rob van der Hoeven is advocaat te Amsterdam en voorzitter van de Adviescommissie Strafrecht. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.
Artikel

De rol van de fairness opinion in de uitkoopprocedure

Noot bij Hof Amsterdam (OK) 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:300 (Fortuna)

Tijdschrift Maandblad voor Ondernemingsrecht, Aflevering 1-2 2021
Trefwoorden waardering, valuation, ondernemingskamer, informatieverschaffing
Auteurs Mr. L.H.J. Baijer
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij een op 14 januari 2020 gewezen arrest hebben minderheidsaandeelhouders in de uitkoopprocedure van Fortuna succesvol verzet ingesteld tegen het arrest van 30 oktober 2018 en hebben zij tevens de subsidiair gevorderde uitkoopprijs aangevochten. In deze noot bespreekt de auteur de rol van de fairness opinion in deze uitkoopprocedure.


Mr. L.H.J. Baijer
Mr. L.H.J. Baijer is advocaat bij Eversheds Sutherland te Rotterdam.
Artikel

Access_open The ECHR and Private Intercountry Adoptions in Germany and the Netherlands: Lessons Learned from Campanelli and Paradiso v. Italy

Tijdschrift Family & Law, januari 2021
Trefwoorden Private intercountry adoptions, surrogacy, ECHR, UNCRC, the best interests of the child
Auteurs dr. E.C. Loibl
SamenvattingAuteursinformatie

    Within the past half century, a market in adoptable children has emerged. The imbalance between the demand for and the supply of adoptable children, combined with the large sums of Western money, incite greedy actors in poor countries to illegally obtain children for adoption. This renders intercountry adoption conducive to abuses. Private adoptions are particularly prone to abusive and commercial practices. Yet, although they violate both international and national law, German and Dutch family courts commonly recognize them. They argue that removing the child from the illegal adopters would not be compatible with the rights and best interests of the individual child concerned. In 2017, the ECtHR rendered a ground-breaking judgement in Campanelli and Paradiso v. Italy. In this case, the Court dealt with the question as to whether removing a child from the care of an Italian couple that entered into a surrogacy agreement with a Russian clinic, given that surrogacy is illegal in Italy, violated Article 8 ECHR. Contrary to previous case law, in which the ECtHR placed a strong emphasis on the best interests of the individual child concerned, the Court attached more weight to the need to prevent disorder and crime by putting an end to the illegal situation created by the Italian couple and by discouraging others from bypassing national laws. The article argues that considering the shifting focus of the ECtHR on the prevention of unlawful conduct and, thus, on the best interests of children in general, the German and Dutch courts’ failure to properly balance the different interests at stake in a private international adoption by mainly focusing on the individual rights and interests of the children is difficult to maintain.

    ---

    In de afgelopen halve eeuw is er een markt voor adoptiekinderen ontstaan. De disbalans tussen de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen, in combinatie met grote sommen westers geld, zet hebzuchtige actoren in arme landen ertoe aan illegaal kinderen te verkrijgen voor adoptie. Dit maakt interlandelijke adoptie bevorderlijk voor misbruik. Particuliere adoptie is bijzonder vatbaar voor misbruik en commerciële praktijken. Ondanks het feit dat deze privé-adopties in strijd zijn met zowel internationaal als nationaal recht, worden ze door Duitse en Nederlandse familierechtbanken doorgaans wel erkend. Daartoe wordt aangevoerd dat het verwijderen van het kind van de illegale adoptanten niet verenigbaar is met de rechten en belangen van het individuele kind in kwestie. In 2017 heeft het EHRM een baanbrekende uitspraak gedaan in de zaak Campanelli en Paradiso t. Italië. In deze zaak behandelde het Hof de vraag of het verwijderen van een kind uit de zorg van een Italiaans echtpaar dat een draagmoederschapsovereenkomst met een Russische kliniek is aangegaan, in strijd is met artikel 8 EVRM, daarbij in ogenschouw genomen dat draagmoederschap in Italië illegaal is. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie, waarin het EHRM sterk de nadruk legde op de belangen van het individuele kind, hechtte het Hof meer gewicht aan de noodzaak om de openbare orde te bewaken en criminaliteit te voorkomen door een einde te maken aan de illegale situatie die door het Italiaanse echtpaar was gecreëerd door onder andere het omzeilen van nationale wetten. Het artikel stelt dat, gezien de verschuiving in de focus van het EHRM op het voorkomen van onwettig gedrag en dus op het belang van kinderen in het algemeen, de Duitse en Nederlandse rechtbanken, door met name te focussen op de individuele rechten en belangen van de kinderen, er niet in slagen om de verschillende belangen die op het spel staan ​​bij een particuliere internationale adoptie goed af te wegen.


dr. E.C. Loibl
Elvira Loibl is Assistant Professor Criminal Law and Criminology, Universiteit Maastricht.
Vrij verkeer

De Europese Toegankelijkheidsrichtlijn voor mensen met een handicap: grondrechtenbevordering binnen de Europese interne markt

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5-6 2020
Trefwoorden toegankelijkheid, interne markt, personen met een beperking, grondrechten, VN-verdrag handicap
Auteurs Prof. mr. dr. S. de Vries en Mr. T. de Sterke
SamenvattingAuteursinformatie

    Met de in april 2019 aangenomen Europese Toegankelijkheidsrichtlijn wordt gepoogd de toegankelijkheid van producten en diensten voor personen met een beperking te verbeteren. De richtlijn geeft hiermee uitvoering aan het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Dit artikel beschrijft de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn, de belangrijkste kenmerken ervan en wat de te verwachten toegevoegde waarde van de richtlijn zal zijn.
    Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten, PbEU 2019, L 151/70.


Prof. mr. dr. S. de Vries
Prof. mr. dr. S.A. (Sybe) de Vries is hoogleraar EU internemarktrecht en grondrechten aan de Universiteit Utrecht en Jean Monnet leerstoelhouder.

Mr. T. de Sterke
Mr. T. (Thijs) de Sterke is recent afgestudeerd van de masteropleiding Europees Recht aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Concurrentie en duurzaamheid gaan hand in hand

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4-5 2020
Trefwoorden duurzaamheid, artikel 101 VWEU, concurrentie, artikel 6 Mw, Mededingingsrecht
Auteurs Eric van Damme
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage belicht de auteur de onderwerpen mededinging, duurzaamheid en klimaatverandering vanuit economisch perspectief en probeer hij te duiden wat de bijdrage van de economische wetenschap aan de discussie over mededinging en duurzaamheid zou kunnen zijn. Zijn belangrijkste stelling is dat mededinging niet slechts een instrument is, maar een publiek belang dat bescherming verdient, dat onze Mededingingswet dit belang onvoldoende beschermt en dat de ACM zich sterker als hoeder van dit belang zou moeten opstellen.


Eric van Damme
Prof. dr. E. van Damme is werkzaam bij het Departement Economie en TILEC van de Universiteit Tilburg.

    In dit artikel trachten de auteurs de vraag te beantwoorden in hoeverre de groene koers van mededingingsautoriteiten ook de concentratiecontrole zal of zou kunnen/moeten beïnvloeden. Tegen de achtergrond van de groene ambitie van de EU en de ACM lijkt dit waarschijnlijk en zullen marktpartijen bij het beoordelen van de mededingingsrisico’s van een transactie ook rekening moeten gaan houden met de (mogelijke oplossingen voor) effecten van een transactie op duurzaamheid.


Elske Raedts
Mr. E.N.M. Raedts is werkzaam als advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer LLP te Amsterdam.

Inès Lulof
Mr. I.I. Lulof is werkzaam als advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer LLP te Amsterdam.
Annotatie

One train! (but different working conditions)

CJEU 19 December 2019, C-16/18, ECLI:EU:C:2019:1110 (Michael Dobersberger v Magistrat der Stadt Wien)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Posting of workers, International train, Transport sector, Subcontracting, Short-term posting
Auteurs Marco Rocca
SamenvattingAuteursinformatie

    The Dobersberger decision of the Court of Justice of the European Union deals with the legal situation of posted workers on an international train. These workers, employed by a Hungarian company and based in Hungary, operate on a train connecting Budapest with Salzburg and Munich. The Court concludes against their inclusion under the Posting of Workers Directive, considering their connection to the Austrian territory as too limited. This decision is based on a selective representation of the facts and sits difficultly with the letter of the law and the intention of the legislator.


Marco Rocca
Dr. M. Rocca is werkzaam als CNRS Researcher aan de University of Strasbourg, UMR 7354 DRES, France, https://marcorocca.wordpress.com, mrocca@unistra.fr.

    In a summary proceeding, the Court of Rotterdam has held that it is not clear whether the Non-Seafarers Work Clause, prohibiting lashing work on board of container ships being carried out by the crew, does indeed contribute to better employment and/or working conditions of seafarers. As a result of which the Clause – at this time – cannot be held to be outside the scope of competition law and the claim for compliance with the provision has been rejected. In the media, unions have stated that they will continue to enforce compliance with the Non-Seafarers Work Clause. It remains to be seen whether a court in main proceedings will reach a similar verdict.


Erick Hagendoorn
Erick Hagendoorn is an attorney-at-law at HerikVerhulst N.V., Rotterdam.

    This article focuses on the posting of workers in the aviation industry. The main problem is that it is not clear in which situations the Posting of Workers Directive should be applied to aircrew (i.e. cabin crew and pilots). The aviation sector is characterised by a very mobile workforce in which it is possible for employees to provide services from different countries in a very short timeframe. This makes it, to a certain extent, easier for employers to choose the applicable social legislation, which can lead to detrimental working conditions for their aircrew. This article looks into how the Posting of Workers Directive can prevent some air carriers from unilaterally determining the applicable social legislation and makes some suggestions to end unfair social competition in the sector. This article is based on a research report which the authors drafted in 2019 with funding from the European Commission (hereafter the ‘Report’)


Gautier Busschaert
Gautier Busschaert (PhD) is senior associate at the Brussels law firm Van Olmen & Wynant.

Pieter Pecinovsky
Pieter Pecinovsky (PhD) is counsel at the Brussels law firm Van Olmen & Wynant.
Asiel en migratie

Access_open Het nieuwe migratie- en asielpact: flexibele solidariteit, verplichte grensprocedures en nog meer dataverzameling

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2020
Trefwoorden migratie, asielrecht, Europese Unie, grensprocedures, solidariteit
Auteurs Prof. dr. H. Battjes, Mr. dr. E.R. Brouwer en Mr. dr. M. den Heijer
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 23 september 2020 presenteerde de Europese Commissie het migratie- en asielpact. Dit pact beslaat 509 pagina’s aanbevelingen en wetgevende voorstellen op het gebied van migratie- en asielrecht, het Schengenacquis en grenscontrole. In deze bijdrage bespreken we onder meer de vraag in hoeverre de voorstellen een basis bieden voor solidaire, menswaardige, maar ook effectievere migratie- en asiel afspraken in de Europese Unie. De bijdrage gaat met name in op de voorgestelde grensprocedures en de hervorming van het Dublinsysteem. Ook bespreken we de plannen ter versterking van Schengen en de maatregelen op het gebied van persoonsgegevens en EU- datasystemen.
    Mededeling van de Commissie over een nieuw migratie- en asielpact COM(2020)609 def., 23 september 2020.


Prof. dr. H. Battjes
Prof. dr. H. (Hemme) Battjes is hoogleraar Europees asielrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Mr. dr. E.R. Brouwer
Mr. dr. E.R. (Evelien) Brouwer is universitair docent migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Mr. dr. M. den Heijer
Mr. dr. M. (Maarten) den Heijer is universitair docent internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam.
Telecommunicatie

Kroniek Telecommunicatie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2020
Trefwoorden elektronische communicatie, Telecomcode, connectiviteit, aanleg netwerken, netneutraliteit
Auteurs Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
SamenvattingAuteursinformatie

    De beschikbaarheid van vaste en mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit, zoals glasvezelnetwerken en 5G-netwerken, is cruciaal in de digitale economie. De Richtlijn van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (‘de Telecomcode’) heeft als doelstelling om bij te dragen aan de ontwikkeling van hoogwaardige netwerken. Deze connectiviteitsdoelstelling staat naast de reeds bestaande doelstellingen op het gebied van mededinging, interne markt en de bescherming van eindgebruikers. Deze bijdrage beschrijft allereerst de maatregelen, veelal soft law, die ter invulling van de connectiviteitsdoelstelling in de twee jaar na de vaststelling van de Telecomcode op Europees niveau zijn genomen, zoals Berec-richtsnoeren met een verduidelijking van nieuwe begrippen en instrumenten in de Telecomcode en een Aanbeveling van de Commissie voor een toolbox om de kosten van aanleg van nieuwe netwerken te verlagen. Daarna komt de gedeeltelijke implementatie in de Nederlandse Telecommunicatiewet aan de orde. Vervolgens passeert de jurisprudentie de revue, waarin een uitleg van de reikwijdte en de inhoud van het kader voorafgaand aan de Telecomcode, en van de Netneutraliteitsrverordening wordt gegeven. Daarbij wordt, waar relevant, ook benoemd hoe de uitleg zicht verhoudt tot de Telecomcode en de Nederlandse implementatie.


Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
Prof. mr. G.P. (Gera) van Duijvenvoorde is als bijzonder hoogleraar Telecommunicatierecht verbonden aan eLaw van de Universiteit Leiden en is advocaat-in-dienstbetrekking bij KPN.
Article

Access_open Can Non-discrimination Law Change Hearts and Minds?

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2020
Trefwoorden law and society, social change, discrimination, non-discrimination law, positive action
Auteurs Anita Böcker
SamenvattingAuteursinformatie

    A question that has preoccupied sociolegal scholars for ages is whether law can change ‘hearts and minds’. This article explores whether non-discrimination law can create social change, and, more particularly, whether it can change attitudes and beliefs as well as external behaviour. The first part examines how sociolegal scholars have theorised about the possibility and desirability of using law as an instrument of social change. The second part discusses the findings of empirical research on the social working of various types of non-discrimination law. What conclusions can be drawn about the ability of non-discrimination law to create social change? What factors influence this ability? And can non-discrimination law change people’s hearts and minds as well as their behaviour? The research literature does not provide an unequivocal answer to the latter question. However, the overall picture emerging from the sociolegal literature is that law is generally more likely to bring about changes in external behaviour and that it can influence attitudes and beliefs only indirectly, by altering the situations in which attitudes and opinions are formed.


Anita Böcker
Anita Böcker is associate professor of Sociology of Law at Radboud University, Nijmegen.
Article

Access_open How Far Should the State Go to Counter Prejudice?

A Positive State Obligation to Counter Dehumanisation

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2020
Trefwoorden prejudice, soft paternalism, empathy, liberalism, employment discrimination, access to goods and services
Auteurs Ioanna Tourkochoriti
SamenvattingAuteursinformatie

    This article argues that it is legitimate for the state to practice soft paternalism towards changing hearts and minds in order to prevent behaviour that is discriminatory. Liberals accept that it is not legitimate for the state to intervene in order to change how people think because ideas and beliefs are wrong in themselves. It is legitimate for the state to intervene with the actions of a person only when there is a risk of harm to others and when there is a threat to social coexistence. Preventive action of the state is legitimate if we consider the immaterial and material harm that discrimination causes. It causes harm to the social standing of the person, psychological harm, economic and existential harm. All these harms threaten peaceful social coexistence. This article traces a theory of permissible government action. Research in the areas of behavioural psychology, neuroscience and social psychology indicates that it is possible to bring about a change in hearts and minds. Encouraging a person to adopt the perspective of the person who has experienced discrimination can lead to empathetic understanding. This, can lead a person to critically evaluate her prejudice. The paper argues that soft paternalism towards changing hearts and minds is legitimate in order to prevent harm to others. It attempts to legitimise state coercion in order to eliminate prejudice and broader social patterns of inequality and marginalisation. And it distinguishes between appropriate and non-appropriate avenues the state could pursue in order to eliminate prejudice. Policies towards eliminating prejudice should address the rational and the emotional faculties of a person. They should aim at using methods and techniques that focus on persuasion and reduce coercion. They should raise awareness of what prejudice is and how it works in order to facilitate well-informed voluntary decisions. The version of soft paternalism towards changing minds and attitudes defended in this article makes it consistent with liberalism.


Ioanna Tourkochoriti
Ioanna Tourkochoriti is Lecturer Above the Bar, NUI Galway School of Law.

    The entry into force of the United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities (CRPD) pushed state obligations to counter prejudice and stereotypes concerning people with disabilities to the forefront of international human rights law. The CRPD is underpinned by a model of inclusive equality, which views disability as a social construct that results from the interaction between persons with impairments and barriers, including attitudinal barriers, that hinder their participation in society. The recognition dimension of inclusive equality, together with the CRPD’s provisions on awareness raising, mandates that states parties target prejudice and stereotypes about the capabilities and contributions of persons with disabilities to society. Certain human rights treaty bodies, including the Committee on the Rights of Persons with Disabilities and, to a much lesser extent, the Committee on the Elimination of Discrimination against Women, require states to eradicate harmful stereotypes and prejudice about people with disabilities in various forms of interpersonal relationships. This trend is also reflected, to a certain extent, in the jurisprudence of the European Court of Human Rights. This article assesses the extent to which the aforementioned human rights bodies have elaborated positive obligations requiring states to endeavour to change ‘hearts and minds’ about the inherent capabilities and contributions of people with disabilities. It analyses whether these bodies have struck the right balance in elaborating positive obligations to eliminate prejudice and stereotypes in interpersonal relationships. Furthermore, it highlights the convergences or divergences that are evident in the bodies’ approaches to those obligations.


Andrea Broderick
Andrea Broderick is Assistant Professor at the Universiteit Maastricht, the Netherlands.
Artikel

EU-gezondheidsrecht en -beleid na COVID-19

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 5 2020
Trefwoorden EU recht, infectieziekten, competenties, publieke gezondheid
Auteurs Dr. A. de Ruijter
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is de te verwachten impact van de coronavirusuitbraak op de ontwikkeling van het EU-gezondheidsrecht en -beleid? Wat kunnen we verwachten in de toekomst van de rol van de EU in de bestrijding van grensoverschrijdende ziekten?


Dr. A. de Ruijter
Anniek de Ruijter is universitair hoofddocent Europees en Gezondheidsrecht, Amsterdam Centre for European Law and Governance, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Amsterdam.
Article

2020/28 The posting of workers: An EU and Slovak Republic perspective

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Posting of Workers
Auteurs Benita Korosiová en Gabriel Havrilla
SamenvattingAuteursinformatie

    This article discusses some of the problems with the Slovak implementation of the Posting of Workers Directive.


Benita Korosiová
Benita Korosiová is a senior lawyer at HAVRILLA&Co. Law Firm, Bratislava.

Gabriel Havrilla
Gabriel Havrilla is a managing partner at HAVRILLA&Co. Law Firm, Bratislava.
Article

Access_open 2020/27 Freedom of religion: a tale of two cities

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Religious discrimination
Auteurs Filip Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    Are the outcomes of the CJEU judgments on religious discrimination essentially different from the outcome of similar cases dealing with restrictions on the freedom of religion ruled by the ECtHR?


Filip Dorssemont
Filip Dorssemont is a Professor of Labour Law at Université catholique de Louvain and Guest Professor at Free University of Brussels.

    The recent spread of the Covid-19 pandemic has shown how economic vulnerability varies considerably across European Member States (MSs), and so does social protection in the European Union (EU). The social and economic consequences of the pandemic have impacted asymmetrically national labour markets and exacerbated existing disparities and contradictions. A measure that most governments have introduced in the immediate aftermath has been that of making financial support available to those self-employed workers who lost fully or in part their income. Most MSs have employed quantitative thresholds to identify those self-employed more in need of public subsidies and have proportioned them according to the pre-pandemic levels of income, on the condition that they have been officially recorded as taxable revenues.
    Despite their heterogeneity, we can reasonably affirm that the self-employed have been one of the most exposed clusters of the labour market to in-work poverty and economic uncertainty, which proved to be particularly problematic in periods of unforeseeable crisis, such as that of 2008 and even more so that of 2020. This article explores the range of EU-level measures designed for the self-employed and questions their potential impact on MSs’ legislation.


Luca Ratti
Luca Ratti is a professor at the University of Luxembourg.

    The UK Employment Tribunals and England and Wales Court of Appeal (case [2018] EWCA Civ 2748) have ruled that any Uber driver who has the Uber App switched on, is in the territory where he/she is authorised to work, and is able and willing to accept assignments, is working for Uber under a worker contract. The UK courts disregarded some of the provisions of Uber’s driver agreement. They had been entitled to do so because the relevant provisions of the driver agreement did not reflect the reality of the bargain made between the parties. The fact that Uber interviews and recruits drivers, controls the key information, requires drivers to accept trips, sets the route, fixes the fare, imposes numerous conditions on drivers, determines remuneration, amends the driver’s terms unilaterally, and handles complaints by passengers, makes it a transportation or passenger carrier, not an information and electronic technology provider. Therefore the UK courts resolved the central issue of for whom (Uber) and under a contract with whom (Uber), drivers perform their services. Uber is a modern business phenomenon. Regardless of its special position in business, Uber is obliged to follow the rules according to which work is neither a commodity nor an online technology.


Andrzej Świątkowski
Andrzej Marian Świątkowski is a professor at Jesuit University Ignatianum in Krakow. ((ORCID: 0000-0003-1753-7810))
Pending Cases

Case C-261/20, Other Forms of Free Movement

Thelen Technopark Berlin GmbH – v – MN, reference lodged by the Bundesgerichtshof (Germany) on 15 June 2020

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Other Forms of Free Movement
Toont 1 - 20 van 347 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 17 18
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.