Zoekresultaat: 73 artikelen

x
Artikel

Access_open De impact van de ISU-zaak

Het Europees mededingingsrecht als kader en scheidsrechter in het conflict rond de European Super League?

Tijdschrift Voetbal- & Sportjuridische Zaken, Aflevering 1 2021
Trefwoorden Europees mededingingsrecht, organisatie van de sport, rol federaties, Voetbal, breakaway league
Auteurs An Vermeersch
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage behandelt de impact van de recente uitspraak van het Gerecht van de Europese Unie in de ISU-zaak op de organisatie van de voetbalsport en toont aan dat zowel de plannen voor een Europese Super League als de reactie van UEFA en FIFA de mededingingsrechtelijke toets mogelijk niet doorstaan.


An Vermeersch
Prof. dr. A.P.L. (An) Vermeersch is gastprofessor Sportrecht aan de Universiteit Gent, lector Europees recht aan de Hogeschool Gent, tuchtrechter bij het Vlaams Sport Sporttribunaal en arbiter bij het Belgisch Arbitragehof voor de Sport.
Artikel

Opvolgende arbeidsovereenkomsten en misbruik: van Campina tot en met Taxi Dorenbos

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 4 2020
Trefwoorden misbruik, arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ketenregeling, uitzendovereenkomst, payrolling
Auteurs mr. dr. Steven Palm
SamenvattingAuteursinformatie

    De centrale vraag in dit artikel is: welke gezichtspunten biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad voor de beoordeling of het gebruik van de wettelijke mogelijkheden tot het sluiten van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een concreet geval moet worden aangemerkt als misbruik en hoe verhouden deze gezichtspunten zich tot later ingevoerde wetgeving alsmede de opvattingen van de regering over het gebruik van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd?


mr. dr. Steven Palm
Steven Palm is advocaat te Rotterdam.
Artikel

Het pleitbaar standpunt als bijzondere strafuitsluitingsgrond?

Tijdschrift Boom Strafblad, Aflevering 4 2020
Trefwoorden Pleitbaar standpunt, Strafuitsluitingsgrond, Fiscaal boeterecht
Auteurs Prof. mr. G.J.M.E. (Guido) de Bont
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2017 heeft de strafkamer van de Hoge Raad het zogeheten ‘pleitbaar standpunt’ uit het fiscale boeterecht een plaats gegeven in de strafrechtelijke doctrine, door aan te geven op welke wijze een dergelijk verweer in het kader van de vragen ingevolge artikel 348/350 Sv dient te worden aangemerkt. In deze bijdrage wordt de meest recente jurisprudentie omtrent het pleitbaar standpunt binnen het leerstuk van opzet in het strafrecht toegelicht en wordt bezien in hoeverre het pleitbaar standpunt kan worden aangemerkt als een erkende strafuitsluitingsgrond dan wel of er argumenten bestaan om een bijzondere strafuitsluitingsgrond aanwezig te achten.


Prof. mr. G.J.M.E. (Guido) de Bont
Guido de Bont is advocaat bij De Bont Advocaten en hoogleraar formeel belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Access_open Oordelen handicap en chronische ziekte en de WGBH/CZ, een bouwwerk met uitzicht?

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 1 2020
Trefwoorden College voor de Rechten van de Mens, oordelen h/cz, WGBH/CZ, doeltreffende aanpassing, algemene toegankelijkheid
Auteurs Mr. J.J.T. Homan
SamenvattingAuteursinformatie

    Het College voor de Rechten van de Mens past de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) toe voor de discriminatiegrond h/cz.
    Bij individuele situaties wordt beoordeeld in hoeverre een aanbieder gehouden is een ‘doeltreffende aanpassing’ te realiseren. Sinds 2016, toen de WGBH/CZ werd uitgebreid naar algemene toegankelijkheid, zijn ongeveer 140 oordelen h/cz uitgesproken.
    In het artikel wordt een twintigtal ‘gevalsoverstijgende’ oordelen over handicap of chronische ziekte uit 2018 en 2019 beschreven. Wat heeft dit voor de WGBH/CZ opgeleverd en wat is de rol van het College?
    In individuele situaties is het parool: onderzoek zorgvuldig, overleg en handel actief! Bij algemene toegankelijkheid kijkt het College steeds kritischer naar de inspanningen van de aanbieders.
    Soms koppelt het College een individueel oordeel aan een rapportage of aanbeveling aan de wetgever. Voorbeelden daarvan worden met name gegeven op het terrein van het openbaar vervoer. In die gevallen zijn de oordelen ook een duidelijk signaal voor aanpassing van wetgeving of beleid. De dubbele rol van het College (toetser en toezichthouder) heeft dan een meerwaarde.
    Op deze wijze kunnen oordelen de concrete toepasbaarheid en uitleg van de WGBH/CZ nog verder verstevigen en verduurzamen.


Mr. J.J.T. Homan
Mr. J.J.T. (Jan Jasper) Homan is juridisch adviseur, tot 2020 bij Ieder(in), en redacteur van Handicap & Recht.
Artikel

Een inhoudelijk kompas voor een uit koers geraakte voorlopigehechtenispraktijk

Tijdschrift Tijdschrift Modernisering Strafvordering, Aflevering 1 2020
Trefwoorden voorlopige hechtenis, onschuldpresumptie, ultimum remedium, theoretische grondslagen
Auteurs Mr. N. Hajjari
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel zal een inhoudelijk en operationeel normatief kader worden geformuleerd voor de toepassing van voorlopige hechtenis, waarbij de focus ligt op het zo veel mogelijk reduceren van het percentage onschuldigen dat aan het vrijheidsbenemende dwangmiddel wordt blootgesteld. Doel van de bijdrage is het inspireren van de wetgever om het moderniseringsproject te baat te nemen om de voorlopigehechtenisregeling grondig(er) te hervormen.


Mr. N. Hajjari
Mr. N. (Nordin) Hajjari is recent afgestudeerd in het strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Cessie(verboden), onoverdraagbaarheidsbedingen en de bescherming van betrokken actoren

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 2 2020
Trefwoorden cessie, onoverdraagbaarheidsbeding, cessieverbod, consumentenbescherming, redelijkheid en billijkheid
Auteurs Mr. A.G.F. Ancery
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij cessie staat contractsvrijheid voorop. Partijen kunnen ervoor kiezen om hun vordering overdraagbaar te houden of onoverdraagbaar te maken. Onder omstandigheden kan de aard van de vordering of de aard van de partijrelatie aan deze vrijheid in de weg staan. Deze bijdrage bespreekt wanneer dit het geval is.


Mr. A.G.F. Ancery
Mr. A.G.F. Ancery is als bedrijfsjurist werkzaam bij ING. Daarnaast is hij gastmedewerker bij het Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Leiden en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

De Europese kreukelzone van de wetgever

Goede wetgeving vanuit het EU- en EVRM-perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2018
Trefwoorden EU, EVRM, wetgever, toetsing, Verenigbaarheid
Auteurs Mr. dr. A. Cuyvers en Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is een ‘goede wet’ voor de Nederlandse rechter vanuit het EU-recht en het EVRM bezien? Een ‘goede wet’ – daaronder mede begrepen de toelichting bij de wet – stelt de rechter afdoende in staat om (1) de verenigbaarheid van een wet met het EU-recht of het EVRM te beoordelen en (2) potentiële conflicten met het EU-recht of het EVRM constructief op te lossen zonder te hoeven grijpen naar ‘zware’ opties. Maar hoe, en tot op welke hoogte, kan of moet de wetgever rekening houden met de Europese taak en habitat van de Nederlandse rechter, zowel qua inhoud als qua motivering van wetgeving? En welke wetgevende kreukelzone mag de rechter onder Europees recht en het EVRM aan de wetgever laten alvorens in te grijpen? Ter beantwoording van deze vragen gaat deze bijdrage in op de verschillende vereisten die het EU-recht en het EVRM stellen aan goede wetgeving, waarbij mede wordt ingegaan op de structuur van de stapsgewijze toetsing door de Europese Hoven van nationale wetgeving.


Mr. dr. A. Cuyvers
Mr. dr. A. (Armin) Cuyvers is universitair hoofddocent Europees recht aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.

Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr.dr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is plaatsvervangend hoofd afdeling Constitutionele Zaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam en verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

De Algemene verordening gegevensbescherming: een introductie voor de zorgsector

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 8 2017
Trefwoorden Algemene verordening gegevensbescherming, privacy, bijzondere persoonsgegevens, accountability
Auteurs Mr. C. van Balen en mr. O.S. Nijveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Vanaf 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De AVG brengt ook voor organisaties in de zorgsector nieuwe verplichtingen met zich mee. In dit artikel worden de belangrijkste wijzigingen die de verordening meebrengt ten opzichte van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) besproken, voor zover die van belang zijn voor organisaties in de zorgsector. De auteurs gaan in op de nieuwe rechten van betrokkenen, de verplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken en bewerkers en sancties en rechtsbescherming. Verder wordt de verhouding tussen de AVG en de bestaande sectorale wetgeving binnen de zorg besproken.


Mr. C. van Balen

mr. O.S. Nijveld
Chris van Balen is senior inspecteur (gezondheidszorg) bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Olga Nijveld is senior adviseur juridische zaken bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Zij schrijven dit artikel op persoonlijke titel. De tekst is afgesloten op 2 november 2017.
Artikel

Een eerste balans van het Europees burgerinitiatief, in het licht van de Anagnostakis-uitspraak en het EBI-herzieningsvoorstel

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 9-10 2017
Trefwoorden Europees burgerinitiatief, participerende democratie, aanvraag tot registratie, motiveringsplicht
Auteurs Prof. mr. L.A.J. Senden en Mr. dr. S. Nicolosi
SamenvattingAuteursinformatie

    In Verordening (EU) nr. 211/2011 zijn nadere voorwaarden vastgelegd voor het indienen van een Europees burgerinitiatief (EBI). In de ruim vijf jaar dat deze Verordening nu van kracht is, sinds 1 april 2012, zijn belangrijke knelpunten zichtbaar geworden. In deze bijdrage beogen we een eerste balans op te maken van de inrichting en de werking van het EBI, door een analyse van de recente uitspraak van het Hof van Justitie in de Anagnostakis zaak over de rechtmatigheid van een afwijzend besluit van de Commissie tot registratie van een EBI en het recente voorstel van de Commissie tot wijziging van de Verordening om de werking van het EBI te verbeteren..

    • HvJ 12 september 2017, zaak C-589/15 P, Alexios Anagnostakis/Europese Commissie, ECLI:EU:C:2017:663;

    • Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief, PbEU 2011, L 65/1 (EBI-Verordening);

    • Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees burgerinitiatief COM(2017)482 def.


Prof. mr. L.A.J. Senden
Prof. mr. L.A.J. (Linda) Senden is hoogleraar Europees recht aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het RENFORCE onderzoekscentrum.

Mr. dr. S. Nicolosi
Dr. S. (Salvo) Nicolosi, is universitair docent Europees recht aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het RENFORCE onderzoekscentrum.
Jurisprudentie

Is beleidskeuze in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten een objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling?

Rechtbank Noord-Holland 14 maart 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:4976)

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Artikel 14 EVRM, redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond, beleidsvrijheid wetgever, Artikel 94 Grondwet
Auteurs Mr. M. Chébti
SamenvattingAuteursinformatie

    Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het UWV geen verboden onderscheid heeft gemaakt door een werkzoekende met een auditieve beperking een indicatie banenafspraak te weigeren. De rechtbank stelt dat er een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor dit gemaakte onderscheid. Hij motiveert dit oordeel slechts met een verwijzing naar de door de wetgever gemaakte afweging om alleen de meest kwetsbare groep mensen met een beperking aan te merken als doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.
    In dit artikel wordt de vraag aan de orde gesteld of deze motivering wel voldoet aan de procedurele verplichting die, volgens de rechtspraak van het EHRM, voortvloeit uit artikel 14 EVRM. In het concrete geval moet een rechterlijk onderzoek plaatsvinden naar het bestaan van een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor de inbreuk op het recht op gelijke behandeling. De rechtbank neemt in deze uitspraak tot uitgangspunt dat de ruime beleidsvrijheid van de wetgever in de weg staat aan een rechterlijke belangenafweging in het concrete geval. Betoogd wordt dat vaste rechtspraak van de Hoge Raad bepaalt dat de rechter, bij wijze van uitzondering, wel mag treden in een beleidskeuze van de wetgever. Dit kan hij doen wanneer het resultaat van die beleidskeuze strijd zou opleveren met een rechtstreeks werkende verdragsbepaling zoals artikel 14 EVRM. De besproken uitspraak miskent die rechterlijke bevoegdheid.


Mr. M. Chébti
Mr. M. (Mariam) Chébti is lid van het College voor de Rechten van de Mens.
Jurisprudentie

Vrijheid van religie op de werkplaats en het Hof van Justitie: terug naar cuius regio, illius religio?

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Discriminatie, Vrijheid van religie, Hoofddoek, Richtlijn 2000/78/EU, Religie of overtuiging
Auteurs Prof. dr. Filip Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage worden twee mijlpaalarresten de dato 14 maart 2017 van het Hof van Justitie die betrekking hebben op discriminatie op basis van religie kritisch geanalyseerd. In beide gevallen gaf het dragen van een hoofddoek aanleiding tot het ontslag van een werkneemster. De auteur stelt dat het ontslag van een werkneemster wegens het dragen van een hoofddoek op basis van een algemene regel die uitingen van religieuze, politieke en filosofische overtuigingen verbiedt wel degelijk een directe vorm van discriminatie betreft. Hij betwist dat een beleid van neutraliteit in de onderneming een afdoende legitieme doelstelling vormt die indirecte discriminatie zou rechtvaardigen. De grondslag voor een dergelijke benadering, de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen vrijheid van ondernemerschap, is niet dienstig om een richtlijn die het burgerschap binnen de Europese Unie beschermt, beperkend te interpreteren. Hij bepleit dat rechtvaardigingsgronden voor discriminatie op basis van religie voorzienbaar en kenbaar moeten zijn. Tot slot wordt het gebruik van de redelijke aanpassingen door het Hof van Justitie beschouwd. De auteur meent dat de analyse van het Hof op gespannen voet staat met de rechtspraak van het Hof voor de Rechten van de Mens en een risico in zich draagt van ‘harassment’ van werknemers die naar een plek in ‘backoffice’ worden verbannen.


Prof. dr. Filip Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is hoogleraar Arbeidsrecht aan de Université Catholique de Louvain en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Ontslag vanwege een hoofddoek; de arresten Achbita en Bougnaoui en de Nederlandse rechtspraktijk

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden directe en indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, religieuze symbolen op de werkplek, rechtvaardigingsgronden, Richtlijn 2000/78/EG, College voor de Rechten van de Mens
Auteurs Mr. A. Swarte en Mr. dr. J.P. Loof
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie heeft zich op 14 maart 2017 in twee verschillende zaken uitgesproken over het ontslag van een vrouwelijke werknemer vanwege het dragen van een islamitische hoofddoek. Naar beide arresten werd al enige tijd met spanning uitgekeken, onder meer vanwege de eerder gepubliceerde volkomen uiteenlopende conclusies van advocaten-generaal Kokott en Sharpston. Het Hof van Justitie lijkt veel ruimte te laten aan werkgevers om het dragen van religieuze symbolen op de werkplek te verbieden, mits zo’n verbod op een algemene en neutrale manier geformuleerd wordt. Er blijven echter veel vragen onbeantwoord en daardoor is onduidelijk hoe richtinggevend de arresten nu precies zijn.
    HvJ 14 maart 2017, zaak C-157/15, Samira Achbita/G4S Secure Solutions NV, ECLI:EU:C:2017:203 en zaak C-188/15, Asma Bougnaoui/Micropole SA, ECLI:EU:C:2017:204


Mr. A. Swarte
Mr. A. (Annejet) Swarte is stafjurist bij het College voor de Rechten van de Mens. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

Mr. dr. J.P. Loof
Mr. dr. J.P. (Jan-Peter) Loof is wnd. ondervoorzitter onderzoek & advies van het College voor de Rechten van de Mens en doceert staatsrecht en mensenrechten aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.
Praktijk

Kroniek rechtspraak HvJ EU

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 4-5 2017
Trefwoorden Jurisprudentie, gezondheidsrecht, HvJ EU, beroepen, aanbesteding
Auteurs Mr. M.T. de Gans en mr. H.M. Stergiou
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze kroniek wordt een overzicht gegeven van de jurisprudentie van het HvJ EU op het terrein van het gezondheidsrecht in de periode van 1 januari 2015 tot 1 februari 2017. De behandelde arresten hebben betrekking op de aanbesteding, bloedproducten, genees- en hulpmiddelen, discriminatie op grond van handicap en beroepen.


Mr. M.T. de Gans

mr. H.M. Stergiou
Tom de Gans en Hélène Stergiou zijn werkzaam bij de afdeling Europees recht van de directie Juridische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Met dank aan Veysel Yigit voor zijn ondersteuning.
Artikel

Vaste verkoopprijzen voor medicijnen beoordeeld onder artikel 34 VWEU

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2017
Trefwoorden artikel 34 VWEU, vaste verkoopprijzen, verkoopmodaliteiten, geschiktheidstoets
Auteurs Dr. B.J. van Leeuwen
SamenvattingAuteursinformatie

    In Deutsche Parkinson Vereinigung oordeelt het Hof van Justitie dat het Duitse vaste verkoopprijssysteem voor medicijnen artikel 34 VWEU schendt. Deze bijdrage analyseert op welke manier het Hof van Justitie een beperking van artikel 34 VWEU heeft vastgesteld. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de beoordeling van de rechtvaardigingsgrond en de evenredigheid van de beperking. Hoewel lidstaten op het terrein van volksgezondheid een ruime beoordelingsvrijheid hebben, eist het Hof van Justitie wel dat zij hun beleid onderbouwen met voldoende bewijs. Hier slaagt Duitsland niet in: er is geen enkel bewijs dat vaste verkoopprijzen de beschikbaarheid en kwaliteit van medicijnen verbeteren.
    HvJ 19 oktober 2016, zaak C-148/15, Deutsche Parkinson Vereinigung eV/Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV, ECLI:EU:C:2016:776


Dr. B.J. van Leeuwen
Dr. B.J. (Barend) van Leeuwen is universitair docent Europees Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Praktijk

Update mededingingsrechtelijke aspecten van postcontractuele concurrentieverboden in franchiseovereenkomsten

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 4 2016
Trefwoorden Franchise, Postcontractuele concurrentieverboden, Verticaal mededingingsrecht, Nevenrestrictie
Auteurs Mr. H.E. Urlus
SamenvattingAuteursinformatie

    De bijdrage ziet op mededingingsrechtelijke ontwikkelingen bij postcontractuele concurrentieverboden in franchiseovereenkomsten en de implicaties van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de beschikking La Retoucherie de Manuele. De auteur stelt de vraag of dergelijke bedingen in de context van franchise nog kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke nevenrestricties. Dat is van belang, omdat dergelijke nevenrestricties zijn onttrokken aan mededingingsrechtelijke toetsing, waardoor de merkbaarheid geen rol meer speelt. De auteur wijst erop dat bij een mededingingsrechtelijke toetsing van postcontractuele concurrentieverboden meer factoren van belang zijn dan slechts een belangenafweging tussen partijen.


Mr. H.E. Urlus
Mr. H.E. Urlus is advocaat te Amsterdam, verbonden aan Greenberg Traurig, LLP, en onder meer gespecialiseerd in civielrechtelijke en mededingingsrechtelijke aspecten van agentuur, distributie en franchise. Hij heeft daarover regelmatig gepubliceerd en was ook betrokken bij de totstandkoming van de Nederlandse Franchisecode als voorzitter van de Denktank Franchisegevers. De auteur dankt zijn kantoorgenoten mr. T. Charatjan en mr. J.H. Christ voor hun waardevolle bijdragen aan de totstandkoming van dit artikel.
Artikel

De studenten-OV is niet in strijd met het EU recht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2016
Trefwoorden Burgerschap van de Unie, discriminatie op grond van nationaliteit, steun voor levensonderhoud, Richtlijn 2004/38/EG, artikel 18 VWEU
Auteurs Mr. dr. M. de Mol
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit arrest geeft het Hof van Justitie uitleg over artikel 24 lid 2 van Richtlijn 2004/38/EG. Deze bepaling is een uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit voor studiebeurzen en studieleningen voor levensonderhoud. Uit het eerdere arrest Commissie/Oostenrijk blijkt dat niet alle steun aan studenten kan worden gekwalificeerd als een studiebeurs of een studielening in de zin van deze bepaling. In het onderhavige arrest oordeelt het Hof van Justitie dat de Nederlandse studenten-OV er wel onder valt, omdat die de kenmerken vertoont van en verwant is aan ofwel een studiebeurs ofwel een studielening.
    HvJ 2 juni 2016, zaak C-233/14, Commissie/Nederland (studenten OV), ECLI:EU:C:2016:396.


Mr. dr. M. de Mol
Mr. dr. M. (Mirjam) de Mol is onderzoeker aan het Maastricht Centre of European Law (MCEL), Universiteit Maastricht.

    De laatste tijd is, onder andere in dit tijdschrift, nogal eens de gedachte naar voren gebracht dat mededingingsafspraken met een duurzaamheidsdoel beter op grond van de Wouters-jurisprudentie kunnen worden beoordeeld dan via een toets aan lid 3 van het kartelverbod. Hiermee zou tot een ruimhartiger benadering van deze afspraken kunnen worden gekomen. Dit artikel bespreekt de mogelijkheid en de wenselijkheid van een dergelijke benadering. Het analyseert daartoe de jurisprudentie zoals die zich tot nu toe heeft ontwikkeld en beoordeelt deze mede vanuit een economisch gezichtspunt.


Erik Kloosterhuis
Drs. E.J. Kloosterhuis is werkzaam bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. De auteur bedankt enkele collega’s en oud-collega’s voor hun commentaar op een eerdere versie van het artikel. Over hetzelfde onderwerp zal in ECLR verschijnen: Charlotte Janssen en Erik Kloosterhuis, The Wouters case law, special for a different reason?
Artikel

ACM en ziekenhuisfusies: hoeder van het publiek belang?

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2015
Trefwoorden ziekenhuisfusies, mededingingstoezicht, rechtmatigheid, doeltreffendheid, rechtsgelijkheid
Auteurs Edith Loozen
SamenvattingAuteursinformatie

    Mededingingstoezicht op ziekenhuisfusies moet waarborgen dat ziekenhuizen de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg bevorderen. Dit artikel onderzoekt of ACM die taak waarmaakt. Dat gebeurt vanuit het perspectief van de burger, de consument en de ondernemer.


Edith Loozen
Mr. dr. E.M.H. Loozen is universitair docent bij het instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG) van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Reacties kunnen worden geadresseerd aan loozen@bmg.eur.nl.

Erik Pijnacker Hordijk
Mr. E.H. Pijnacker Hordijk is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V.
Artikel

Objectieve vergelijkbaarheid bij belastingvoordelen voor cultureel erfgoed: bouwt het Hof van Justitie luchtkastelen?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2015
Trefwoorden directe belastingen, vrij verkeer, objectieve vergelijkbaarheid, rechtvaardigingsgronden, cultureel erfgoed
Auteurs Mr. P.S. Phoa
SamenvattingAuteursinformatie

    De centrale vraag in deze twee prejudiciële verwijzingen was of belanghebbenden, eigenaren van respectievelijk een kasteel in België en een landgoed in het Verenigd Koninkrijk, gebruik konden maken van Nederlandse belastingvoordelen voor het behoud van nationaal cultureel en natuurlijk erfgoed. De Nederlandse belastingautoriteiten meenden van niet, waarna in beroep de vraag is of dit een beperking vormt van het vrij verkeer van X en Q (de vrijheid van vestiging, respectievelijk het vrije kapitaalverkeer). Het Hof van Justitie was van oordeel dat geen sprake was van een ongeoorloofde inbreuk op het vrij verkeer, aangezien de situaties van X en Q niet objectief vergelijkbaar zijn met die van een ingezetene die een monument dan wel een landgoed in Nederland bezit.
    HvJ 18 december 2014, zaak C-87/13, Staatssecretaris van Financiën/X, ECLI:EU:C:2014:2459 HvJ 18 december 2014, zaak C-133/13, Staatssecretaris van Economische Zaken en Staatssecretaris van Financiën/Q, ECLI:EU:C:2014:2460


Mr. P.S. Phoa
Mr. P.S. (Pauline) Phoa is promovenda Europees recht bij de Universiteit Utrecht. Met dank aan mw. mr. S.A. van Waert voor haar waardevolle commentaar op een eerdere versie van deze bijdrage.
Toont 1 - 20 van 73 gevonden teksten
« 1 3 4
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.