Zoekresultaat: 82 artikelen

x
Article

Access_open 2020/27 Freedom of religion: a tale of two cities

Tijdschrift European Employment Law Cases, Aflevering 3 2020
Trefwoorden Religious discrimination
Auteurs Filip Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    Are the outcomes of the CJEU judgments on religious discrimination essentially different from the outcome of similar cases dealing with restrictions on the freedom of religion ruled by the ECtHR?


Filip Dorssemont
Filip Dorssemont is a Professor of Labour Law at Université catholique de Louvain and Guest Professor at Free University of Brussels.
Article

Access_open Age Barriers in Healthcare

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 1 2020
Trefwoorden age discrimination, age equality, health care
Auteurs Rachel Horton
SamenvattingAuteursinformatie

    Age limits, minimum and maximum, and both explicit and ‘covert’, are still used in the National Health Service to determine access to a range of health interventions, including infertility services and cancer screening and treatment. Evidence suggests that chronological age is used as a proxy for a host of characteristics in determining access to healthcare: as a proxy for the capacity of an individual to benefit from an intervention; for the type of harm that may result from an intervention; for the likelihood of such benefit or harm occurring; and, in some cases, for other indicators used to determine what may be in the patient’s interest. Age is used as a proxy in this way in making decisions about both individual patients and wider populations; it may be used where no better ‘marker’ for the relevant characteristic exists or – for reasons including cost, practicality or fairness – in preference to other available markers. This article reviews the justifications for using age in this way in the context of the existing legal framework on age discrimination in the provision of public services.


Rachel Horton
Lecturer University of Reading.
Article

Access_open Too Immature to Vote?

A Philosophical and Psychological Argument to Lower the Voting Age

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 1 2020
Trefwoorden voting age, children’s rights, youth enfranchisement, democracy, votes at 16
Auteurs Tommy Peto
SamenvattingAuteursinformatie

    This article argues in favour of lowering the voting age to 16. First, it outlines a respect-based account of democracy where the right to vote is grounded in a respect for citizens’ autonomous capacities. It then outlines a normative account of autonomy, modelled on Rawls’s two moral powers, saying what criteria must be met for an individual to possess a (pro tanto) moral right to vote. Second, it engages with empirical psychology to show that by the age of 16 (if not earlier) individuals have developed all of the cognitive components of autonomy. Therefore, since 16- and 17-year-olds (and quite probably those a little younger) possess the natural features required for autonomy, then, to the extent that respect for autonomy requires granting political rights including the right to vote – and barring some special circumstances that apply only to them – 16- and 17-year-olds should be granted the right to vote.


Tommy Peto
University of Oxford.


Mr. dr. M.C. Ploem
Corrette Ploem is wetenschappelijk medewerker en universitair docent gezondheidsrecht bij de afdeling Sociale geneeskunde van het Amsterdam UMC en redacteur van dit blad.

Dr. T. Rigter
Tessel Rigter is wetenschappelijk medewerker en docent bij de sectie Community Genetics, onderdeel van de afdeling Klinische Genetica van het Amsterdam UMC.

Prof. mr. J.K.M. Gevers
Sjef Gevers is emeritus-hoogleraar gezondheidsrecht, Universiteit van Amsterdam. Deze bijdrage is gebaseerd op onderzoek dat werd uitgevoerd in het kader van de project ELSI-Personalised Medicine (ELSI-PM), gefinancierd door ZonMw.

    This article engages in a comparison of the regulation of PR in the Netherlands and the UK (specifically England and Wales). The latter is a good comparator as it operates a similar regulatory approach to the Netherlands, that of conditional acceptance of PR, the condition being (prior) consent. Furthermore, the UK boasts a more detailed and mature legal framework that continues to be tested through caselaw, and thus offers insight into how a regulatory approach conditional upon the (prior) consent of the deceased can fare.
    The article starts with a brief exposition of the new Dutch guidelines and the current legislative position in the Netherlands vis-à-vis posthumous reproduction (part II). Likewise, the relevant UK guidelines and legislative position are summarized (part III). This article draws out the similarities and differences between the two regimes, as well as engaging in a critical analysis of the regulations themselves. It then looks at how the UK regime has been challenged in recent years through caselaw in anticipation of the issues that might confront the Netherlands in future (part IV). The article concludes (part V) that the key lesson to be drawn from the UK experience is that clarity and consistency is crucial in navigating this ethically, emotionally, and time sensitive area. Further, that both the UK and the Netherlands can expect demand for more detailed and precise regulatory guidance as requests for the procedure increase, and within evermore novel circumstances.

    ---

    Dit artikel vergelijkt de regulering van postume reproductie (PR) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk (in het bijzonder Engeland en Wales). Laatstgenoemde is daarvoor zeer geschikt, aangezien het VK een vergelijkbare reguleringsbenadering heeft als Nederland, namelijk de voorwaardelijke acceptatie van PR, waarbij (voorafgaande) toestemming de voorwaarde is. Bovendien beschikt het VK over een gedetailleerder en volwassener juridisch kader dat continu wordt getoetst door middel van rechtspraak. Dit kader biedt daarmee inzicht in hoe een regulerende benadering met als voorwaarde (voorafgaande) toestemming van de overledene kan verlopen.
    Het artikel vangt aan met een korte uiteenzetting van de nieuwe Nederlandse richtlijnen en de huidige positie van de Nederlandse wetgever ten opzichte van postume reproductie (deel II). De relevante Britse richtlijnen en het wetgevende standpunt worden eveneens samengevat (deel III). Vervolgens worden de overeenkomsten en verschillen tussen de twee regimes naar voren gebracht, met daarbij een kritische analyse van de regelgeving. Hierop volgt een beschrijving van hoe het VK de afgelopen jaren is uitgedaagd in de rechtspraak, daarmee anticiperend op vraagstukken waarmee Nederland in de toekomst te maken kan krijgen (deel IV). Tot slot volgt een conclusie (deel V) waarin wordt aangetoond dat de belangrijkste les die uit de Britse ervaring kan worden getrokken, is dat duidelijkheid en consistentie cruciaal zijn bij het navigeren door dit ethische, emotionele en tijdgevoelige gebied. En daarnaast, at zowel het VK als Nederland een vraag naar meer gedetailleerde en precieze regelgeving kunnen verwachten naarmate verzoeken om deze procedure toenemen, met daarbij steeds weer nieuwe omstandigheden.


Dr. N. Hyder-Rahman
Nishat Hyder-Rahman is a Post-doctoral Researcher at the Utrecht Centre for European Research into Family Law, Molengraaff Institute for Private Law, Utrecht University.
Actualiteiten rechtspraak

Access_open NTS 2020/20

HR 1 oktober 2019, 18/01356, ECLI:NL:HR:2019:1456

Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 1 2020
Samenvatting

    Opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2.A Opiumwet gegeven verbod door invoer van ruim 30 kg ayahuasca-thee bestemd voor kerk. Beroep op recht op vrijheid van godsdienst ex art. 9 EVRM.
    Was ’s Hofs oordeel dat veroordeling voor art. 2A Opiumwet (invoer harddrugs) en daarmee beperking van recht op vrijheid van godsdienst van verdachte in het onderhavige geval in een democratische samenleving noodzakelijk ter bescherming van volksgezondheid?

Article

Access_open Changes in the Medical Device’s Regulatory Framework and Its Impact on the Medical Device’s Industry: From the Medical Device Directives to the Medical Device Regulations

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Medical Device Directive, Medical Device Regulation, regulatory, European Union, reform, innovation, SPCs, policy
Auteurs Magali Contardi
SamenvattingAuteursinformatie

    Similar to pharmaceutical products, medical devices play an increasingly important role in healthcare worldwide by contributing substantially to the prevention, diagnosis and treatment of diseases. From the patent law perspective both, pharmaceutical products and a medical apparatus, product or device can be patented if they meet the patentability requirements, which are novelty, inventiveness and entail industrial applicability. However, regulatory issues also impact on the whole cycle of the innovation. At a European level, enhancing competitiveness while ensuring public health and safety is one of the key objectives of the European Commission. This article undertakes literature review of the current and incoming regulatory framework governing medical devices with the aim of highlighting how these major changes would affect the industry at issue. The analysis is made in the framework of an on-going research work aimed to determine whether SPCs are needed for promoting innovation in the medical devices industry. A thorough analysis the aforementioned factors affecting medical device’s industry will allow the policymakers to understand the root cause of any optimal patent term and find appropriate solutions.


Magali Contardi
PhD candidate; Avvocato (Italian Attorney at Law).

    The author discusses the recent ECJ judgments in the cases Egenberger and IR on religious discrimination.


Andrzej Marian Świątkowski
Andrzej Marian Świątkowski, is a Jean Monet Professor of European Labour Law and Social Security, Jesuit University Ignatianum, Krakow, Poland and a member of the EELC Academic Board.
Article

Access_open Autonomy in old age

Tijdschrift Family & Law, mei 2019
Auteurs prof. dr. Tineke Abma en dr. Elena Bendien
SamenvattingAuteursinformatie

    Background: In many European countries caring responsibilities are being reallocated to the older people themselves to keep the welfare state affordable. This policy is often legitimized with reference to the ethical principle of autonomy. Older people are expected to be autonomous, have freedom to make their own decisions, and be self-reliant and self-sufficient as long as possible.
    Aim: The purpose of this article is to explore whether and how older people can remain autonomous in order to continue living their lives in accordance with their own values in the context of declining professional caring facilities and shrinking social networks, and which concepts of autonomy can guide professionals and other involved parties in facilitating the choices of older people.
    Method: An empirical-ethical approach is used to interpret the moral values enacted in the caring practice for older people. Two cases are presented. One is the narrative of a woman who lives by herself; she has been hospitalized after a fall and hip fracture, but does not want to be operatied. The second is the narrative of man living in a residential home; he wants to be actively involved, doing good deeds like he always did as a Scout. The cases are evaluated with the help of two concepts of autonomy: autonomy as self-determination and relational autonomy.
    Results: In both cases the enactment of autonomy remains problematic. In the case of the woman there was not enough care at home to live up to her own values. After she was admitted to a hospital her wish not to be operated was questioned but ultimately honoured due to compassionate interference by close relatives and her oncologist. In the second case there was not enough space for the man to lead his life in the way he always had; his plans for improving the social environment in the care home were torpedoed by management and ultimately the man decided to step back.
    Conclusion: In order to do justice to the complexity of each empirical case that involves autonomy of an older person more than one concept of autonomy needs to be applied. Relying on self-determination or relational autonomy exclusively will give professionals and all involved parties a restricted view on the situation, where the wishes of older people are at stake. In both cases autonomy was overruled by system procedures and stereotypical ideas about old people as being weak and not able to make their own decisions. Both cases show, however, that older people - even if they are physically and mentally frail - long to remain morally responsible for the direction their lives are taking, in accordance with their own values. They communicate their wish to determine their own future and at the same time they are interdependent on others to realize their (relational) autonomy and require support in their attempt to maintain their identity. This conclusion has implications for the normative behaviour of the professionals who are involved in care and treatment of older people.
    ---
    Achtergrond: In veel landen wordt de verantwoordelijkheid voor de zorg voor ouderen naar de ouderen zelf verplaatst, dit teneinde de welvaartstaat betaalbaar te houden. Dit beleid wordt veelal gelegitimeerd met referentie naar het ethische principe van autonomie. Oudere mensen worden geacht autonoom te zijn, vrij te zijn om hun eigen beslissingen te nemen, en om zo lang mogelijk zelfredzaam te blijven.
    Doel: Het doel van dit artikel is om te onderzoeken of en hoe oudere mensen autonoom kunnen blijven teneinde hun leven in overeenstemming met hun eigen waarden te kunnen voortzetten in de context van teruglopende professionele zorgactiviteiten en krimpende sociale netwerken, en welke concepten van autonomie zorgprofessionals en andere betrokken partijen kunnen helpen bij het faciliteren van de keuzes door ouderen.
    Methode: Een empirisch-ethische benadering wordt gebuikt om de morele waarden in de zorgpraktijk voor ouderen te interpreteren. Twee casussen worden gepresenteerd. De eerste is het verhaal van een vrouw die op zichzelf woont. Ze is na een val waarbij haar heup is gebroken, in een ziekenhuis opgenomen, maar ze wil niet geopereerd worden. De tweede is het verhaal van een man die in een verzorgingshuis woont. Hij wil actief betrokken worden en goede dingen doen zoals hij die altijd heeft gedaan toen hij padvinder was. Beide verhalen worden met behulp van twee concepten van autonomie geëvalueerd: autonomie als zelfbeschikking en relationele autonomie.
    Resultaat: In beide casussen blijft de verwezenlijking van autonomie problematisch. In het geval van de vrouw was er thuis onvoldoende zorg om volgens haar waarden te kunnen leven. Toen zij in het ziekenhuis was opgenomen werd haar wens om niet te worden geopereerd tegen gehouden, maar uiteindelijk ingewilligd als gevolg van bemoeienis uit hoofde van barmhartigheid door directe verwanten en haar oncoloog. In het tweede geval was er voor de man onvoldoende ruimte om zijn leven te leiden op de manier zoals hij dat altijd had gedaan. Zijn plannen om de sociale omgeving in het verzorgingshuis te verbeteren werden door het management getorpedeerd en uiteindelijk heeft hij zich ervan teruggetrokken.
    Conclusie: Teneinde recht te doen aan de complexiteit van beide casussen die betrekking hebben op de autonomie van een oudere, dient meer dan één concept voor autonomie te worden ingezet. Het vertrouwen in zelfbeschikking of relationele autonomie alleen zal aan de professionals en alle andere betrokken partijen een beperkt zicht geven van de situatie wanneer het de wensen van ouderen betreft. In beide gevallen werd de autonomie ter zijde geschoven door protocollen en stereotypische ideeën over ouderen als kwetsbare personen die niet in staat zouden zijn om zelf hun beslissingen te nemen. Echter tonen beide voorbeelden aan dat ouderen, zelfs als ze fysiek en mentaal kwetsbaar zijn, de wens hebben om moreel verantwoordelijk te blijven voor de richting die hun leven zal nemen, in overeenstemming met hun eigen waarden. Zij geven de wens aan om hun eigen toekomst te bepalen en tegelijkertijd zijn ze onderling afhankelijk van anderen om hun (relationele) autonomie te verwezenlijken, én hebben ze behoefte aan steun bij hun poging om hun identiteit te behouden. Deze conclusie heeft gevolgen voor het normatieve handelen van professionals die bij de zorg en behandeling van ouderen betrokken zijn.


prof. dr. Tineke Abma
Professor dr. Tineke A. Abma is a full professor of Participation and Diversity at the Department of Medical Humanities of Amsterdam UMC, location VUmc.

dr. Elena Bendien
Dr. Elena Bendien is a social gerontologist and a senior researcher at the Department of Medical Humanities of Amsterdam UMC, location VUmc.
Article

Access_open A changing paradigm of protection of vulnerable adults and its implications for the Netherlands

Tijdschrift Family & Law, februari 2019
Auteurs H.N. Stelma-Roorda LLM MSc, dr. C. Blankman en prof. dr. M.V. Antokolskaia
SamenvattingAuteursinformatie

    The perception of how the interests of vulnerable adults should be protected has been changing over time. Under the influence of human and patient’s rights a profound shift of protection paradigms has taken place in the last decades. In the framework of this shift, in addition to traditional adult guardianship measures, new instruments have been developed allowing adults to play a greater role in the protection of their (future) interests. This has also been the case in the Netherlands, where adults in the course of the last decade have acquired the possibility to make a so-called living will, internationally better known as a continuing, enduring or lasting power of attorney. This article discusses this instrument, in comparison with the traditional adult guardianship measures currently in force in the Netherlands, from the perspective of the new protection paradigm based on a human rights approach.
    ---
    In de afgelopen decennia is de manier waarop naar de bescherming van kwetsbare meerderjarigen wordt gekeken, veranderd. Van een benadering waarbij de focus voornamelijk lag op bescherming is de nadruk steeds meer komen te liggen op het recht op autonomie en zelfbeschikking van de meerderjarige. De opkomst van mensen- en patiëntenrechten heeft geleid tot het ontstaan van een nieuw beschermingsparadigma. In dat kader zijn nieuwe instrumenten ontwikkeld, die meerderjarigen een grotere rol toekennen in de bescherming van hun (toekomstige) belangen. Dit is eveneens het geval in Nederland, waar meerderjarigen een levenstestament kunnen opstellen om voorzieningen te treffen voor een toekomstige periode van wilsonbekwaamheid. Dit artikel bespreekt het levenstestament, in samenhang met de traditionele rechterlijke beschermingsmaatregelen, vanuit het perspectief van het nieuwe beschermingsparadigma.


H.N. Stelma-Roorda LLM MSc
Rieneke Stelma-Roorda is PhD candidate at the Vrije Universiteit Amsterdam.

dr. C. Blankman
Kees Blankman is associate professor at the Vrije Universiteit Amsterdam.

prof. dr. M.V. Antokolskaia
Masha Antokolskaia is professor of family law at the Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Access_open Personhood and legal status: reflections on the democratic rights of corporations

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Corporations, democracy, legal personality, personhood, inclusion
Auteurs Ludvig Beckman
SamenvattingAuteursinformatie

    Corporations can have rights but whether they should also have democratic rights depends among other things on whether they are the kind of entities to which the democratic ideal applies. This paper distinguishes four different conceptions of “the person” that can have democratic rights. According to one view, the only necessary condition is legal personality, whereas according to the other three views, democratic inclusion is conditioned also by personhood in the natural sense of the term. Though it is uncontroversial that corporations can be legal persons, it is plausible to ascribe personhood in the natural sense to corporations only if personhood is conceptualized exclusively in terms of moral agency. The conclusion of the paper is that corporations can meet the necessary conditions for democratic inclusion but that it is not yet clear in democratic theory exactly what these conditions are.


Ludvig Beckman
Ludvig Beckman is professor of political science at Stockholm University.
Casus

Onpartijdige rechtswetenschap?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1-2 2018
Trefwoorden onpartijdigheid, onafhankelijkheid, wetenschappelijke objectiviteit, belangenconflicten
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    Recentelijk is in de media veel aandacht geschonken aan gevallen van beïnvloeding door opdrachtgevers van (rechts)wetenschappelijk onderzoek. Veel nadruk ligt daarbij al snel op pogingen van bestuurders en beleidsmakers om de inhoud van dergelijk onderzoek – vaak op subtiele wijze – een wenselijk geachte richting op te sturen. Veel minder aandacht is er echter voor de andere kant van de zaak, namelijk: wat is de verantwoordelijkheid van die wetenschappers en hoe zijn hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid gewaarborgd? In deze bijdrage zal worden beweerd dat ook daar werk aan de winkel is.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. (Rob) van Gestel is hoogleraar Regulering en Juridische methoden en technieken aan de Tilburg Law School.
Artikel

Access_open Over verplichte excuses en spreekrecht

Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?

Tijdschrift Netherlands Journal of Legal Philosophy, Aflevering 2 2017
Trefwoorden empirical legal studies, apologies, procedural justice, humiliation, victim rights
Auteurs Vincent Geeraets en Wouter Veraart
SamenvattingAuteursinformatie

    The central question in this article is whether an empirical-legal approach of victimhood and victim rights could offer a sufficient basis for proposals of legal reform of the legal system. In this article, we choose a normative-critical approach and raise some objections to the way in which part of such research is currently taking place in the Netherlands, on the basis of two examples of research in this field, one dealing with compelled apologies as a possible remedy within civil procedural law and the other with the victim’s right to be heard within the criminal legal procedure. In both cases, we argue, the strong focus on the measurable needs of victims can lead to a relatively instrumental view of the legal system. The legal system must then increasingly be tailored to the wishes and needs of victims. Within this legal-empirical, victim-oriented approach, there is little regard for the general normative principles of our present legal system, in which an equal and respectful treatment of each human being as a free and responsible legal subject is a central value. We argue that results of empirical-legal research should not too easily or too quickly be translated into proposals for legal reform, but first become part of a hermeneutical discussion about norms and legal principles, specific to the normative quality of legal science itself.


Vincent Geeraets
Vincent Geeraets is universitair docent aan de afdeling Rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    The purpose of this article is to investigate whether the notion of an interest should be taken more seriously than the notion of a right. It will be argued that it should; and not only because it can be just as amenable to the institutional taxonomical structure often said to be at the basis of rights thinking in law but also because the notion of an interest has a more epistemologically convincing explanatory power with respect to reasoning in law and its relation to social facts. The article equally aims to highlight some of the important existing work on the notion of an interest in law.


Geoffrey Samuel
Professor of Law, Kent Law School, The University of Kent, Canterbury, Kent, U.K. This article is a much re-orientated, and updated, adaption of a paper published a decade ago: Samuel 2004, at 263. The author would like to thank the anonymous referees for their very helpful criticisms and observations on an earlier version of the manuscript.
Article

Access_open Legal Constraints on the Indeterminate Control of ‘Dangerous’ Sex Offenders in the Community: The French Perspective

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Preventive detention, mandatory supervision, sex offenders, retrospective penal laws, legality principle
Auteurs Martine Herzog-Evans
SamenvattingAuteursinformatie

    France literally ‘discovered’ sexual abuse following neighbour Belgium’s Dutroux case in the late 1990s. Since then, sex offenders have been the focus of politicians, media and law-makers’ attention. Further law reforms have aimed at imposing mandatory supervision and treatment, and in rare cases, preventive detention. The legal framework for mandatory supervision and detention is rather complex, ranging from a mixed sentence (custodial and mandatory supervision and treatment upon release or as a stand-alone sentence) to so-called ‘safety measures’, which supposedly do not aim at punishing an offence, but at protecting society. The difference between the concepts of sentences and safety measures is nevertheless rather blurry. In practice, however, courts have used safety measures quite sparingly and have preferred mandatory supervision as attached to a sentence, notably because it is compatible with cardinal legal principles. Procedural constraints have also contributed to this limited use. Moreover, the type of supervision and treatment that can thus be imposed is virtually identical to that of ordinary probation. It is, however, noteworthy that a higher number of offenders with mental health issues who are deemed ‘dangerous’ are placed in special psychiatric units, something that has not drawn much attention on the part of human rights lawyers.


Martine Herzog-Evans
Martine H-Evans, PhD, is a Professor at the Department of Law, Universite de Reims Champagne-Ardenne.
Artikel

Culturen van letselschadeafwikkeling

Indrukken uit een vergelijkend onderzoek naar de wijze van afwikkeling van letselschades in Engeland, Noorwegen en Nederland

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2016
Trefwoorden letselschade, schadeafwikkeling, personenschade, cultuurverschillen, rechtsvergelijking
Auteurs Mr. E.S. Engelhard en Prof. mr. S.D. Lindenbergh
SamenvattingAuteursinformatie

    Onderzoek naar de wijze waarop letselschades worden afgewikkeld in Engeland, Noorwegen en Nederland brengt relevante verschillen in afwikkelingsculturen aan het licht. De Engelse wijze van afwikkeling is sterk gericht op afwikkeling in rechte en is vergaand vercommercialiseerd. De Noorse praktijk kenmerkt zich door een op sociale zekerheid gebaseerde afwikkelingscultuur buiten rechte, die in hoge mate is gebaseerd op onderling vertrouwen. De Nederlandse praktijk van schadeafwikkeling heeft met de Engelse gemeen dat zij vorm krijgt in een commerciële setting tegen de achtergrond van het civiele aansprakelijkheidsrecht. Met de Noorse praktijk heeft zij gemeen dat het proces van afwikkeling in hoge mate is gebaseerd op overleg buiten rechte en op onderling vertrouwen.


Mr. E.S. Engelhard
Mw. mr. E.S. Engelhard is als promovenda verbonden aan de Erasmus School of Law.

Prof. mr. S.D. Lindenbergh
Prof. mr. S.D. Lindenbergh is als hoogleraar privaatrecht verbonden aan de Erasmus School of Law.
Artikel

Schade door een ongeschikte medische hulpzaak ex artikel 6:77 BW: een rechtsvergelijking met Frankrijk en Duitsland

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 4 2016
Trefwoorden artikel 6:77 BW, medische hulpzaken, Frans aansprakelijkheidsrecht, Duits aansprakelijkheidsrecht
Auteurs Mr. V.J.P. Ramaekers
SamenvattingAuteursinformatie

    De aansprakelijkheidsregeling voor gebruikers van ongeschikte medische hulpzaken volgens artikel 6:77 BW heeft geleid tot rechtsonzekerheid en discussie. Om nieuwe inzichten te verkrijgen is het interessant om een rechtsvergelijking te maken met twee nabijgelegen landen die voor wat betreft het rechtssysteem en de juridisch-culturele ontwikkeling op Nederland lijken. In deze bijdrage is daarom onderzocht wie in Frankrijk en Duitsland door patiënten kunnen worden aangesproken, wat daar de tendensen in zijn en op welke manier het Nederlandse recht daar inspiratie aan kan ontlenen.


Mr. V.J.P. Ramaekers
Mr. V.J.P. Ramaekers is jurist bij OBV-Logistiek B.V. te Eijsden.
Article

Access_open The Right to Mental Health in the Digital Era

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 3 2016
Trefwoorden E-health, e-mental health, right to health, right to mental health
Auteurs Fatemeh Kokabisaghi, Iris Bakx en Blerta Zenelaj
SamenvattingAuteursinformatie

    People with mental illness usually experience higher rates of disability and mortality. Often, health care systems do not adequately respond to the burden of mental disorders worldwide. The number of health care providers dealing with mental health care is insufficient in many countries. Equal access to necessary health services should be granted to mentally ill people without any discrimination. E-mental health is expected to enhance the quality of care as well as accessibility, availability and affordability of services. This paper examines under what conditions e-mental health can contribute to realising the right to health by using the availability, accessibility, acceptability and quality (AAAQ) framework that is developed by the Committee on Economic, Social and Cultural Rights. Research shows e-mental health facilitates dissemination of information, remote consultation and patient monitoring and might increase access to mental health care. Furthermore, patient participation might increase, and stigma and discrimination might be reduced by the use of e-mental health. However, e-mental health might not increase the access to health care for everyone, such as the digitally illiterate or those who do not have access to the Internet. The affordability of this service, when it is not covered by insurance, can be a barrier to access to this service. In addition, not all e-mental health services are acceptable and of good quality. Policy makers should adopt new legal policies to respond to the present and future developments of modern technologies in health, as well as e-Mental health. To analyse the impact of e-mental health on the right to health, additional research is necessary.


Fatemeh Kokabisaghi
Fatemeh Kokabisaghi, Iris Bakx and Blerta Zenelaj are Ph.D. candidates at the Institute of Health Policy and Management, Erasmus University Rotterdam. All authors contributed equally.

Iris Bakx
Fatemeh Kokabisaghi, Iris Bakx and Blerta Zenelaj are Ph.D. candidates at the Institute of Health Policy and Management, Erasmus University Rotterdam. All authors contributed equally.

Blerta Zenelaj
Fatemeh Kokabisaghi, Iris Bakx and Blerta Zenelaj are Ph.D. candidates at the Institute of Health Policy and Management, Erasmus University Rotterdam. All authors contributed equally.
Artikel

Wilsbekwaam maar te jong? Over euthanasie bij wilsbekwame kinderen jonger dan twaalf jaar

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 7 2016
Trefwoorden Twaalfjaarsgrens euthanasie, leeftijdsgrenzen Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, wilsbekwaamheid onder de twaalf, euthanasie minderjarigen
Auteurs Mr. O.A. Meijer
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt naar aanleiding van de actuele discussie en de hierbij door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en de Minister van VWS ingenomen standpunten, de mogelijkheid tot het schrappen van leeftijdsgrenzen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) besproken en becommentarieerd. Dit artikel spitst zich hierbij toe op de juridische positie van kinderen die jonger dan twaalf én wilsbekwaam zijn. Ingegaan wordt op voor- en nadelen van het schrappen van de leeftijdsgrenzen en de juridische mogelijkheden en moeilijkheden die zich bij een eventuele wijziging van de Wtl zullen voordoen.


Mr. O.A. Meijer
Ottilie Meijer (26 jaar) is advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen en schreef in 2015 de masterscriptie Over()lijden; als het jonge leven slechts lijden rest, waarin zij onderzoek deed naar de juridische, rechtsfilosofische en ethische aspecten bij de vormgeving van euthanasie en actieve levensbeëindiging bij kinderen tussen één en twaalf jaar jong. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

    The Employment Appeal Tribunal (‘EAT’) has upheld an Employment Tribunal’s (‘ET’s’) finding that Article 8 of the European Convention on Human Rights (‘ECHR’) was not engaged when an employer used private material obtained by the police during a criminal investigation as part of an internal disciplinary investigation into one of its employees. This material had been taken from the claimant’s phone by the police, who then provided it to the employer (stating that it could be used for the purposes of their investigation). The facts in this case were unusual. Whether or not an employee has a reasonable expectation of privacy in similar circumstances will depend on all the facts, including the source of the information, whether the employee has expressly objected to its use, and whether the relevant conduct took place in, or was brought into, the workplace.


Anna Bond
Anna Bond is an associate at Lewis Silkin LLP: www.lewissilkin.com.
Toont 1 - 20 van 82 gevonden teksten
« 1 3 4 5
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.