Zoekresultaat: 20 artikelen

x
Asiel en migratie

Integratie in het EU-migratierecht; uniformiteit of maatwerk?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden inburgering, verblijfsrechten, objectieve rechtvaardigingsgrond, evenredigheidsbeginsel
Auteurs Mr. H. Oosterom-Staples
SamenvattingAuteursinformatie

    Het arrest C en A is het derde arrest waarin het Hof van Justitie oordeelt over de bevoegdheid van lidstaten om integratievoorwaarden te stellen. Het uitgangspunt, dat kennis van de taal en de samenleving bijdraagt aan de integratie van vreemdelingen in hun gastlidstaat, wordt bevestigd. Dit is ook het geval voor de invulling van de beoordelingsruimte die lidstaten genieten in de uitvoering van deze bevoegdheid; integratievoorwaarden mogen geen selectiemiddel zijn. Integratie komen we ook tegen in de rechtspraak van het Hof van Justitie als doel van een wetgevingsmaatregel dat bepalend is voor de uitleg van rechten in die wetgevingsmaatregel en als objectieve rechtvaardigingsgrond in de context van de stand still-bepalingen in het Associatierecht EEG-Turkije. Zijn de rechtsregels in deze ‘integratierechtspraak’ onderling inwisselbaar, of is de invulling van het begrip integratie afhankelijk van de juridische context waarin het wordt gebruikt? De aanleiding voor deze bijdrage zijn de recente uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken C en A en Yön. Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden worden deze arresten ingebed in de eerdere arresten van het Hof van Justitie over integratie.
    HvJ 7 augustus 2018, zaak C-123/17, Nefiye Yön/Landeshauptstadt Stuttgart, ECLI:EU:C:2018:632 en HvJ 7 november 2018, zaak C-257/17, C en A/Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, ECLI:EU:C:2018:876


Mr. H. Oosterom-Staples
Mr. H. (Helen) Oosterom-Staples is verbonden aan Tilburg University en is vaste medewerker van dit tijdschrift.
Rechtsbescherming

Bescherming van het dierenwelzijn, de volksgezondheid of de godsdienstvrijheid?

Het arrest Liga van Moskeeën over het ritueel slachten van dieren

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2018
Trefwoorden godsdienstvrijheid, onverdoofd ritueel slachten van dieren, grondrechtenbelemmering, dierenwelzijn, uniformiteit van het Unierecht
Auteurs Mr. dr. M. Beijer
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest Liga van Moskeeën buigt het Hof van Justitie zich voor het eerst over de Unierechtelijke eisen aan de (onverdoofde) rituele slacht van dieren. Een Belgische rechter had een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van deze eisen gelet op de bescherming van de godsdienstvrijheid. Het Hof van Justitie concludeert in het arrest dat de godsdienstvrijheid niet wordt beperkt, en laat veel aandacht uitgaan naar de legitieme doelen die door de Unierechtelijke eisen worden nagestreefd, waaronder de bescherming van het dierenwelzijn en de volksgezondheid. Dit artikel bespreekt de bijzonderheden aan deze grondrechtelijke toetsing van het Hof van Justitie.
    HvJ 29 mei 2018, zaak C-426/16, Liga van Moskeeën en Islamitische Organisaties Provincie Antwerpen VZW e.a./Vlaamse Gewest, ECLI:EU:C:2018:335


Mr. dr. M. Beijer
Mr. dr. M. (Malu) Beijer is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen als Research fellow.

    Recentelijk heeft het Hof van Justitie in de zaak Pisciotti opnieuw een oordeel gegeven over uitlevering van een EU-onderdaan naar een derde staat.1xHvJ (Grote Kamer) 10 april 2018, zaak C-191/16, Romano Pisciotti/Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2018:222. Het arrest bouwt voort op eerdere revolutionaire rechtspraak en verduidelijkt de ingezette lijn van het Hof van Justitie. Om die reden is de uitspraak bijzonder interessant. In deze bijdrage bespreek ik het oordeel van het Hof van Justitie in Pisciotti. Vervolgens plaats ik het arrest in de context van eerdere Europese jurisprudentie over uitlevering. Ik bekijk ook welke implicaties de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft voor de rechtspraktijk hier te lande.
    HvJ (Grote Kamer) 10 april 2018, zaak C-191/16, Romano Pisciotti/Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2018:222.

Noten

  • 1 HvJ (Grote Kamer) 10 april 2018, zaak C-191/16, Romano Pisciotti/Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2018:222.


Mr. A.J. de Vries
Mr. A.J. (Aart) de Vries is promovendus aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Access_open Het Awb-landschap door een AVG-filter

Klachtbehandeling op grond van de AVG in Nederland

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2018
Trefwoorden AVG, Awb, handhavingsverzoek, belanghebbende, betrokkene
Auteurs Olga Nijveld en Wouter van Steenbergen
Auteursinformatie

Olga Nijveld
Mr. O.S. Nijveld is senior adviseur bij de Autoriteit persoonsgegevens. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

Wouter van Steenbergen
Mr. W. van Steenbergen is senior adviseur bij de Autoriteit persoonsgegevens. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.
Artikel

De Europese kreukelzone van de wetgever

Goede wetgeving vanuit het EU- en EVRM-perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2018
Trefwoorden EU, EVRM, wetgever, toetsing, Verenigbaarheid
Auteurs Mr. dr. A. Cuyvers en Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is een ‘goede wet’ voor de Nederlandse rechter vanuit het EU-recht en het EVRM bezien? Een ‘goede wet’ – daaronder mede begrepen de toelichting bij de wet – stelt de rechter afdoende in staat om (1) de verenigbaarheid van een wet met het EU-recht of het EVRM te beoordelen en (2) potentiële conflicten met het EU-recht of het EVRM constructief op te lossen zonder te hoeven grijpen naar ‘zware’ opties. Maar hoe, en tot op welke hoogte, kan of moet de wetgever rekening houden met de Europese taak en habitat van de Nederlandse rechter, zowel qua inhoud als qua motivering van wetgeving? En welke wetgevende kreukelzone mag de rechter onder Europees recht en het EVRM aan de wetgever laten alvorens in te grijpen? Ter beantwoording van deze vragen gaat deze bijdrage in op de verschillende vereisten die het EU-recht en het EVRM stellen aan goede wetgeving, waarbij mede wordt ingegaan op de structuur van de stapsgewijze toetsing door de Europese Hoven van nationale wetgeving.


Mr. dr. A. Cuyvers
Mr. dr. A. (Armin) Cuyvers is universitair hoofddocent Europees recht aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.

Mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
Mr.dr. P.B.C.D.F. (Paul) van Sasse van Ysselt is plaatsvervangend hoofd afdeling Constitutionele Zaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam en verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Over openbare veiligheid in het migratierecht; het prijskaartje voor onze vrijheid?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7 2017
Trefwoorden openbare orde, openbare veiligheid, Studentenrichtlijn, visumaanvraag, beoordelingsmarge lidstaten
Auteurs Mr. H. Oosterom-Staples
SamenvattingAuteursinformatie

    Inzet van het geschil in de zaak Sahar Fahimian is de afwijzing van haar visumaanvraag om aan de Technische Universität Darmstadt promotieonderzoek te kunnen verrichten. Volgens de Duitse autoriteiten vormt haar aanwezigheid in Duitsland een potentiële dreiging van de openbare veiligheid in de zin van artikel 6 lid 1 sub d gelezen in samenhang met considerans 14 van de Studentenrichtlijn. Het Hof van Justitie preciseert de beoordelingsmarge die lidstaten genieten in hun afweging of in het individuele geval de nationale veiligheid in het geding is dat van hen vraagt om een prognose te maken van het dreigende gevaar op basis van het voorzienbare gedrag en de situatie in het land van herkomst van de betrokkene.
    HvJ (Grote kamer) 4 april 2017, zaak C-544/15, Sahar Fahimian/Bundesrepublik Deutschland, in tegenwoordigheid van: Stadt Darmstadt, ECLI:EU:C:2017:255


Mr. H. Oosterom-Staples
Mr. H. (Helen) Oosterom-Staples is verbonden aan het Departement Europees en Internationaal Publiekrecht van Tilburg Law School.
Artikel

Het Hof van Justitie spreekt zich uit over de bindende werking van een aanbeveling van de Europese Commissie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Bindende werking aanbeveling Europese Commissie, Tariefmaatregelen, Pure BULRIC-kostenberekeningsmodel, Grimaldi rechtspraak, Soft law
Auteurs Mr. J.C.A. van Dam, MA
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest van 15 september 2016 verduidelijkt het Hof van Justitie in hoeverre een aanbeveling van de Europese Commissie een bindende werking heeft voor de nationale regelgevende instanties en de nationale rechter. In deze bijdrage wordt onderzocht of de bindende werking die door het Hof van Justitie aan deze aanbeveling wordt toegekend ook geldt voor andere aanbevelingen van de Europese Commissie dan wel of deze bindende wering beperkt is tot deze specifieke aanbeveling. Voorts wordt onderzocht welke consequenties dit arrest mogelijk kan hebben voor de nationale rechts- en bestuurspraktijk.
    HvJ 15 september 2016, zaak C-28/15, KPN e.a./ACM, ECLI:EU:C:2016:692


Mr. J.C.A. van Dam, MA
Mr. J.C.A. (Claartje) van Dam, MA is Promovendus aan de Afdeling Staats- en Bestuursrecht in Leiden.
Artikel

Integratie kan woonplaatsplicht bij personen met subsidiaire bescherming rechtvaardigen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2016
Trefwoorden Kwalificatierichtlijn asiel, Vluchtelingenverdrag, subsidiaire bescherming, onderscheid, huisvesting
Auteurs Mr. A. Pahladsingh
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie spreekt zich in het arrest Alo en Osso uit over de verhouding tussen het vrije verkeer van personen met de subsidiaire beschermingsstatus en de maatregelen ter bevordering van hun integratie. Een woonplaatsverplichting mag hun worden opgelegd wanneer zij meer met integratieproblemen worden geconfronteerd dan andere personen die geen burger van de Unie zijn en legaal verblijven op het grondgebied van de lidstaat die deze bescherming heeft verleend.
    HvJ 1 maart 2016, gevoegde zaken C-443/14 en C-444/14, Alo en Osso, ECLI:EU:C:2016:127


Mr. A. Pahladsingh
Mr. A. (Aniel) Pahladsingh is jurist bij de Raad van State en rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Rotterdam.
Artikel

Stefano Melloni: grenzen aan de nationale grondwettelijke grondrechtenbescherming bij uitvoering van een EAB

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2013
Trefwoorden Europees strafrecht, voorrang recht van de Unie, Hof van Justitie, Melloni, Europees Aanhoudingsbevel
Auteurs Mr. M.I. Veldt-Foglia
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie heeft zich in de zaak Melloni uitgesproken over de door de Spaanse constitutionele rechter opgeworpen vraag of de nationale rechter in het kader van een overleveringsprocedure aan de verzoekende staat – alvorens toestemming te verlenen de betrokken persoon over te leveren –, aanvullende eisen in de sfeer van de grondrechtenbescherming mag stellen die niet in het Kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel staan vermeld. Deze bijdrage bespreekt de antwoorden van het Hof van Justitie op de door het Spaanse Constitutionele Hof gestelde prejudiciële vragen onder meer in het licht van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie over de voorrang van het recht van de Unie en duidt de betekenis van deze uitspraak met name in het licht van het bepaalde in artikel 53 van het Handvest.
    HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11, S. Melloni/Ministerio Fiscal, n.n.g.
    Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) (verder: Kaderbesluit 2002/584) zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ.
    Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584, Kaderbesluit 2005/214/JBZ, Kaderbesluit 2006/783, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces, Pb. EU 2009, L 81/24.


Mr. M.I. Veldt-Foglia
Mr. M.I. (Mappie) Veldt-Foglia is raadsheer in de sector Strafrecht van het Gerechtshof Den Haag.
Artikel

Laten we geen boete opleggen...

Het arrest Schenker: de mogelijkheden voor een beroep op dwaling en afzien van boeteoplegging in het Europese mededingingsrecht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2013
Trefwoorden Mededinging, Verordening 2003/1/EG, Boete-immuniteit, Vertrouwensbeginsel
Auteurs Mr. E.S. Lachnit LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 18 juni 2013 wees het Hof van Justitie arrest in de zaak Schenker. Deze zaak draaide om de mogelijkheid voor nationale mededingingsautoriteiten af te zien van boeteoplegging voor een schending van de Europese mededingingsregels. Enerzijds omdat de betrokken ondernemingen zich beriepen op dwaling, anderzijds omdat er medewerking was verleend in het kader van een nationale clementieprocedure. De uitspraak van het Hof van heeft gevolgen voor de positie van ondernemingen en advocaten, en voor de beschikkingsautonomie van nationale mededingingsautoriteiten.
    HvJ EU 18 juni 2013, zaak C-681/11, Bundeswettbewerbsbehörde, Bundeskartellanwalt/Schenker & Co. AG, e.a., n.n.g.


Mr. E.S. Lachnit LLM
Mr. E.S. (Eva) Lachnit is promovenda economisch publiekrecht aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Europa Instituut aldaar. Haar onderzoek ziet op alternatieve vormen van publieke handhaving binnen het mededingingsrecht.
Hoofdartikel

Uniform of gedifferentieerd arbeidsrecht

Een nationaal en rechtsvergelijkend onderzoek naar de rechtvaardiging en toekomst van bijzondere arbeidsverhoudingen

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2013
Trefwoorden bijzondere arbeidsverhoudingen, uniform, differentiatie, rechtsvergelijking, gelijkheidsbeginsel, kwalificatievraag
Auteurs Prof. mr. dr. A.R. Houweling en Mr. dr. G.W. van der Voet
SamenvattingAuteursinformatie

    In 1907 heeft de wetgever bewust gekozen voor een uniforme wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst. Een gedifferentieerd stelsel van afzonderlijke arbeidsrechtelijke regelingen voor bijzondere beroepsgroepen werd uitdrukkelijk van de hand gewezen. Zo’n stelsel zou namelijk slechts aanleiding geven tot afbakeningsproblemen en rechtsonzekerheid. Inmiddels heeft zich evenwel – niettegenstaande dit uitgangspunt − een ‘waaier’ aan bijzondere arbeidsverhoudingen ontwikkeld. Gezien de parlementaire geschiedenis van de huidige wettelijke regeling in titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek, zou men verwachten dat het creëren (of handhaven) van afwijkende regelingen voor bepaalde arbeidsverhoudingen uitdrukkelijk door de wetgever is/wordt gemotiveerd en dat aan de vormgeving van dergelijke bijzondere arbeidsverhoudingen bewuste keuzes en/of principes ten grondslag liggen. In dit artikel onderzoeken de auteurs welke bijzondere arbeidsverhoudingen er zijn en in hoeverre daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het tweede deel van dit onderzoek analyseren de auteurs de trends en ontwikkelingen van bijzondere arbeidsverhoudingen in de Europese Unie. De auteurs concluderen dat voor een groot aantal bijzondere arbeidsverhoudingen geen rechtvaardigingsgronden (meer) bestaan. Voorts concluderen de auteurs dat ook in het buitenland geen rechtvaardigingsgronden zijn aangetroffen voor onderscheidingen in arbeidsrechtelijke regelingen. Zij wijzen erop dat bepaalde ontwikkelingen in het buitenland – met name ingegeven vanuit het gelijkheidsbeginsel en EU-recht – laten zien dat eerder een verregaande uniformering in plaats van verdergaande differentiatie valt te verwachten. Het gebruik van open normen – zoals in Nederland het geval is – zal in deze ontwikkeling een belangrijke rol spelen.


Prof. mr. dr. A.R. Houweling
Prof. mr. dr. A.R. Houweling is hoogleraar arbeidsrecht aan de Erasmus School of Law.

Mr. dr. G.W. van der Voet
Mw. mr. dr. G.W. van der Voet is universitair docent aan de Erasmus School of Law en arbeidsrechtadvocaat bij AKD.
Artikel

De zaak Pringle en de eurocrisis: juridische paradoxen en constitutionele perspectieven

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden eurocrisis, ESM, democratische legitimatie, rechterlijk activisme
Auteurs Mr. dr. A. van den Brink en Mr. J.W. van Rossem
SamenvattingAuteursinformatie

    De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Pringle biedt een caleidoscopische blik op de constitutionele problematiek van de eurocrisis. Tegen de achtergrond van het ESM-Verdrag wordt in deze bijdrage aandacht besteed aan de dynamische wijze waarop Europa op dit moment zweeft tussen juridisering van de politiek en politisering van het recht. In dat verband staat ook een thema centraal dat niet direct door het Hof van Justitie in Pringle werd aangeroerd maar in de eurocrisis wel een grote rol speelt: het thema democratie.
    HvJ EU 27 november 2012, zaak C-370/12, Pringle, n.n.g.


Mr. dr. A. van den Brink
Mr. dr. A. van den Brink is verbonden aan het Europa Instituut, afdeling Staatsrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma 'RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa' van deze universiteit.

Mr. J.W. van Rossem
Mr. J.W. van Rossem is verbonden aan het Europa Instituut, afdeling Bestuursrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma 'RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa' van deze universiteit.

    This article examines the actual application of European administrative soft law in light of the Dutch principle of legality. European administrative soft law is not legally binding. However, European administrative soft law can generate judicial binding effects for the Member States on the basis of the jurisprudence of the Court of Justice. Moreover, the research on the actual application of administratice soft law in the field of European subsidies shows that it can also have a 'de facto' binding effect for the Member Sates.

    The (legal and actual) binding effects of European administrative soft law are problematic in light of the principle of legality, according to which binding norms must be laid down in hard law. The article argues that with the application of administrative soft law, three functions of the principle of legality (the principle provides legal certainty and legitimacy and serves as a safeguard against public authorities) are not sufficiently met. Several possible solutions that may resolve this tension are proposed.


Claartje van Dam
Claartje van Dam is masterstudent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.
Artikel

Naar een Europese glijdende openbare ordeschaal voor het personenverkeer?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8/9 2012
Trefwoorden openbare orde, openbare veiligheid, duurzaam verblijf, artikel 83 lid 1 VWEU, verwijderingsmaatregel
Auteurs Mr. H. Oosterom-Staples
SamenvattingAuteursinformatie

    Het arrest P.I is de tweede zaak waarin het Hof van Justitie het begrip ‘dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd’ in artikel 28 lid 3 Richtlijn 2004/38/EG verduidelijkt. Dit arrest verduidelijkt de bevoegdheid die lidstaten genieten om het verblijfsrecht te beperken dat begunstigden van Richtlijn 2004/38/EG die gedurende een periode van tien jaar op hun grondgebied hebben verbleven. Het beeld dat opdoemt, laat zich vergelijken met de in het Nederlandse vreemdelingenrecht gebruikte glijdende schaal waarbij de duur van het verblijf, de ernst van het strafbaar feit, de maximumstrafmaat en de opgelegde straf bepalend zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te gaan.


Mr. H. Oosterom-Staples
Mevr. mr. H. Oosterom-Staples, vakgroep Europees en internationaal publiekrecht, Tilburg University.
Artikel

Pas de deux

De wisselwerking tussen Luxemburgse en Straatsburgse jurisprudentie bij de harmonisatie van het asielrecht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3 2012
Auteurs Prof. mr. H. Battjes
SamenvattingAuteursinformatie

    In januari 2011 oordeelde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 3 EVRM overdracht van asielzoekers naar Griekenland verbiedt, in december 2011 concludeert het Hof van Justitie dat hetzelfde geldt voor artikel 4 van het Handvest van Grondrechten voor de EU. Met deze uitspraken leggen beide hoven belangrijke onvolkomenheden in het gemeenschappelijk Europees Asielstelsel bloot. In deze bijdrage wordt het voor beide arresten relevante recht geschetst, en de wisselwerking geanalyseerd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bij de Europese harmonisatie van het asielrecht.


Prof. mr. H. Battjes
Prof. mr. H. Battjes is hoogleraar Europees asielrecht bij de Faculteit rechtsgeleerdheid aan Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

De Dienstenwet en het algemeen bestuursrecht

Een ménage à trois!

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2011
Trefwoorden Dienstenrichtlijn, Dienstenwet, implementatie, elektronische vergunningsprocedure, lex silencio positivo
Auteurs Drs. M.R. Botman
SamenvattingAuteursinformatie

    Dat de Europese richtlijn grote gevolgen heeft voor ons nationale bestuursrecht, staat buiten kijf. In deze bijdrage gaat de auteur in op de driehoeksverhouding die bestaat tussen de richtlijn, de Dienstenwet en de Awb, ten aanzien van de elektronische afwikkeling van vergunningaanvragen en de te volgen besluitvormingsprocedure. Zij wijst op een aantal spanningen die thans bestaan tussen de Awb en de richtlijn en gaat in op de vraag hoe deze kunnen worden opgelost. Daarnaast bepleit zij dat zou moeten worden bekeken in hoeverre bepalingen uit de Dienstenwet, met name aangaande het elektronisch verkeer, zouden kunnen worden geïntegreerd in de Awb, mede gelet op de ontwikkelingen op het gebied van Europees (bestuurs)recht.


Drs. M.R. Botman
Drs. M.R. Botman is promovenda aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en verbonden aan het VU University Amsterdam Centre for Law and Governance. Zij doet onderzoek naar de tenuitvoerlegging van de Dienstenrichtlijn in Nederland.
Jurisprudentie

De ene beslissing is de andere niet: de beperkingen voor nationale autoriteiten

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2011
Trefwoorden negatieve beslissingen, bevoegdheden nationale autoriteiten, procedurele autonomie, rechtstreekse werking Verordening (EG) nr. 1/2003
Auteurs Dr. L. Parret
SamenvattingAuteursinformatie

    De prejudiciële vragen stellen de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale autoriteiten aan de orde. Door te bepalen dat nationale autoriteiten geen negatieve beslissingen mogen nemen (namelijk vaststellen dat er geen inbreuk is op de artikelen 101 of 102 VWEU) worden de krachtverhoudingen binnen het netwerk van handhavers op scherp gesteld. Verrassend is dat niet: dat het ECN-netwerk een samenwerking tussen gelijken zou zijn, is een illusie die nog door weinigen wordt verdedigd.


Dr. L. Parret
Dr. L. Parret is lid van de Belgische Raad voor de Mededinging, ere-advocaat aan de balie van Brussel, docent aan de Tilburg University en lid van TILEC (Tilburg Law and Economics Center).
Jurisprudentie

Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie één jaar juridisch bindend: rechtspraak in kaart

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden EU-Handvest, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, Verdrag van Lissabon
Auteurs Mr. A. Pahladsingh en Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel brengt de Europese en Nederlandse rechtspraak over het EU-Handvest voor het eerste jaar waarin het juridisch bindend was in kaart aan de hand van verschillende thema’s: temporele aspecten, de reikwijdte van het EU-Handvest en toetsing ten gronde, waaronder de relatie tot het EVRM. De auteurs pleiten ervoor dat de verschillende etappes van uitleg van het EU-Handvest zo zichtbaar en helder mogelijk in de rechtspraak van met name het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke colleges voor het voetlicht komen.


Mr. A. Pahladsingh
Mr. A. Pahladsingh is werkzaam als jurist bij de Raad van State in Den Haag.

Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen
Mr. dr. H.J.Th.M. van Roosmalen is werkzaam als jurist bij de Raad van State in Den Haag.
Artikel

Delegeren is een kwestie van vertrouwen

De nieuwe EU-delegatiesystematiek onder het Verdrag van Lissabon

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden comitologie, Europese Unie, delegatie, uitvoeringsregels
Auteurs Prof. dr. W.J.M. Voermans
SamenvattingAuteursinformatie

    Het artikel betreft de betekenis van de nieuwe delegatiesystematiek van het Verdrag van Lissabon (artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, verder: VWEU). Het is goed dat er een structuur is gekomen die het verouderde systeem van artikel 202 EG-Verdrag vervangt, ook al blijven er vragen over de verhouding tussen handelingen onder artikel 290 en 291 VWEU. Zoals de vraag wat een verstandige manier is om de lidstaten te betrekken bij de door de Commissie in delegatie vast te stellen regels (comitologie) of de vraag of de overdracht van bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen met een algemene strekking ook een handeling is die door artikel 290 VWEU wordt bestreken. Het zijn lastige vragen maar ook institutioneel betwiste vraagstukken. Er loert daarmee een groter gevaar op de achtergrond: de verschillen van inzicht tussen het Europees Parlement, de Commissie en de Raad over de wijze waarop controle moet worden uitgeoefend over het vaststellen van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Het dreigt een onder-boven-spel te worden tussen de Raad en het Europees Parlement, waartussen de Commissie (weer eens) vermalen zou kunnen worden. Zeker als de Raad de comitologiereflex niet weet te onderdrukken en het Europees Parlement in alle gedane voorstellen het comitologiespook meent te herkennen, kan dat verlammend gaan werken op de effectiviteit en slagvaardigheid bij het vaststellen van gedelegeerde regels. Misschien is ook hier, net als in andere EU-beleidsdomeinen, eerst een goede crisis nodig voordat we weer verder kunnen komen.


Prof. dr. W.J.M. Voermans
Prof. dr. W.J.M. Voermans is hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden en rector van de Europese academie voor Recht en Wetgeving. w.j.m.voermans@law.leidenuniv.nl
Artikel

Wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: overbodig of onmisbaar in de praktijk?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2010
Trefwoorden toezicht, decentrale overheden, naleving, aanwijzing, verhaalsrecht
Auteurs Mr. M.J.M. Verhoeven
SamenvattingAuteursinformatie

    Wanneer Europese regelgeving in de Nederlandse rechtsorde niet goed nageleefd wordt, spreekt de Europese Commissie de lidstaat Nederland daarop aan. Binnen de nationale rechtsorde is de centrale overheid echter niet als enige verantwoordelijk voor de toepassing van Europees recht. De toepassing van Europese regelgeving in de nationale rechtsorde is veelal ook in handen van andere overheidsorganen, zoals zelfstandige bestuursorganen en decentrale overheden. De centrale overheid heeft vanwege haar Europese verantwoordelijkheid voor de correcte toepassing van Europees recht behoefte aan voldoende bevoegdheden voor toezicht op deze overheidsorganen. Met het wetsvoorstel Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (Kamerstukken II 2009/10, 32 157, nr. 2; hierna afgekort tot wetsvoorstel NErpe) worden aan het toezichtsinstrumentarium enkele nieuwe bevoegdheden toegevoegd, die zijn toegesneden op de handhaving van Europees recht. In deze bijdrage een eerste blik op dit wetsvoorstel.


Mr. M.J.M. Verhoeven
Mr. M.J.M. Verhoeven is als promovenda verbonden aan het Europa Instituut en de Afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.