Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 1413 artikelen

x
Artikel

Access_open Naar een Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims?

Een verkorte weergave van de bevindingen van de eerste fase van het project Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims

Tijdschrift Afwikkeling Personenschade, Aflevering 1 2019
Trefwoorden project Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims, eerste fase, ervaren knelpunten, kansen voor een gedragscode als oplossingsrichting
Auteurs Mr. M. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Om de afhandeling van beroepsziekteclaims te verbeteren is in januari 2018 het project Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims (project GAB) gestart. In het kader van de eerste fase van dit project is een inventariserend onderzoek verricht naar de ervaren knelpunten bij de afhandeling van beroepsziekteclaims en de kansen voor een gedragscode als oplossingsrichting. Het doel van dit onderzoek was om te bezien of voldoende aanknopingspunten bestaan om te gaan werken aan de totstandkoming van een gedragscode. In deze bijdrage worden de bevindingen van de eerste fase van het project GAB op hoofdlijnen weergegeven.


Mr. M. de Groot
Mr. M. de Groot is als wetenschappelijk docent verbonden aan de sectie Burgerlijk recht van de Erasmus School of Law en was secretaris-onderzoeker van de eerste fase het project Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims.

    Vanwege maatschappelijke onrust is de positie van de OR ten aanzien van beloning, benoeming en ontslag van bestuurders sinds 2000 aanzienlijk uitgebreid. De OR heeft informatierechten, standpuntbepalingsrechten en een adviesrecht zonder beroep. Recent is daar een overlegrecht over de beloningsverhoudingen bij gekomen. In deze bijdrage bespreekt de auteur deze bevoegdheden en vergelijkt ze deze met elkaar. Leiden al die bevoegdheden daadwerkelijk tot meer invloed van de OR op de beloning, benoeming en het ontslag van bestuurders?


Dr. I. Zaal
Dr. I. Zaal is universitair hoofddocent Arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam.
Casus

Access_open Ontwikkelingen in de regelgeving omtrent beloningen

Streng, strenger, strengst?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2019
Trefwoorden beloning, beloningsbeleid, bonuscap, Wbfo, Wet beheerst beloningsbeleid financiële ondernemingen
Auteurs Mr. E.S. Sijmons
SamenvattingAuteursinformatie

    Ruim vier jaar geleden trad de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo) in werking, waarmee een breed pakket aan beloningsregels is geïntroduceerd voor alle financiële ondernemingen. In 2018 is de Wbfo geëvalueerd met voorgenomen wijzigingen tot gevolg. Daarnaast is vanuit politieke hoek een aantal voorstellen tot aanscherpingen gedaan als reactie op maatschappelijke ontwikkelingen. Dit artikel biedt een overzicht van deze ontwikkelingen. De uitkomsten van de evaluatie bieden geen concrete aanknopingspunten voor de recente voorstellen over vaste beloning en ook schort het vaak aan deugdelijke onderbouwing van de noodzaak van de voorgestelde regels. De nieuwe regels met betrekking tot de niet-cao-uitzondering op de bonuscap en met betrekking tot proportionaliteit brengen daarentegen duidelijkheid voor marktpartijen en zijn daarom vanuit juridisch perspectief toe te juichen.


Mr. E.S. Sijmons
Mr. E.S. (Eleonore) Sijmons is advocaat bij Finnius te Amsterdam. Hiervoor was zij werkzaam bij De Nederlandsche Bank N.V.
Artikel

Verzekeren in gezinsverband

Over polisdekking en regres in ‘nieuwe’ gezinsverhoudingen

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 2 2019
Trefwoorden verzekeren, gezinsverband, polisdekking, nieuwe gezinsverhoudingen
Auteurs Mr. J.H.G. Verweij-Hoogendijk
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de wijze waarop verzekeraars in hun polissen omgaan met ‘nieuwe’ gezinsverhoudingen. De polissen van opstalverzekeringen, inboedelverzekeringen en aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren van zestien verzekeringsmaatschappijen zijn hiervoor onderzocht. Ook wordt aandacht besteed aan regresuitsluitingen ten aanzien van gezinsleden.


Mr. J.H.G. Verweij-Hoogendijk
Mr. J.H.G. Verweij-Hoogendijk is als wetenschappelijk docent en onderzoeker verbonden aan de sectie Burgerlijk recht van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij doet promotieonderzoek naar het thema ‘Aansprakelijkheid en verzekering in gezinsverband’.
Artikel

De verhaals(on)mogelijkheden van de WAM-verzekeraar bij (joy)rijden zonder rijbewijs

Bijdrage naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden 23 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9273 en Hof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3129

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 2 2019
Trefwoorden joyriding, artikel 185 lid 2 WVW 1994, verhaalsrecht WAM-verzekeraar, familieverweer, artikel 7:962 lid 3 BW
Auteurs Mr. F.M. Ruitenbeek-Bart
SamenvattingAuteursinformatie

    In krap een halfjaar tijd deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak in twee vergelijkbare zaken, waarin sprake was van joyriding door een jeugdig familielid van de verzekeringnemer en waarbij de betrokkene reed zonder (geldig) rijbewijs. In beide zaken trachtte de WAM-verzekeraar van het betrokken voertuig de aan derde-benadeelden gedane uitkeringen te verhalen. Een belangrijk verschil: de ene verzekeraar richtte zich tot zijn eigen verzekerde, de andere verzekeraar richtte zich tot de joyrider. Aan de hand van de beide arresten belicht deze bijdrage de verhaalsmogelijkheden van een WAM-verzekeraar in geval van joyriden zonder (geldig) rijbewijs.


Mr. F.M. Ruitenbeek-Bart
Mr. F.M. Ruitenbeek-Bart is promovenda bij de sectie Burgerlijk recht van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

    In deze bijdrage wordt de betekenis van de duur van het lijden bij begroting van immateriële schade in verband met blijvend letsel en wegens dodelijk letsel geanalyseerd. Volgens de Hoge Raad is de duur van het lijden een omstandigheid die de rechter bij de begroting van het smartengeld in het bijzonder dient mee te wegen, maar in de literatuur wordt opgemerkt dat de betekenis van deze factor niet steeds duidelijk is. Deze bijdrage geeft de stand van zaken in de rechtspraak en in de Nederlandstalige literatuur weer en biedt een nadere analyse van de betekenis van de duur van het lijden.


Mr. dr. M.R. Hebly
Mr. dr. M.R. Hebly is als universitair docent verbonden aan de sectie Burgerlijk recht van de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Schadeveroorzakende toestanden

Wanneer begint de lange verjaringstermijn van twintig jaar te lopen bij een vordering op grond van art. 6:174 BW?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 6 2019
Trefwoorden verjaring, rechtsvordering, aansprakelijkheid, schade, art. 3:310 BW
Auteurs Mr. B.T. Berends en Mr. P.W. den Hollander
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest Zandvoortse muur oordeelt de Hoge Raad dat de objectieve verjaringstermijn in het geval van een schadeveroorzakende gebeurtenis met een voortdurend karakter begint te lopen zodra deze gebeurtenis is opgehouden te bestaan. Dat is een nuancering van zijn rechtspraak, waarvan de reikwijdte volgens de auteurs echter beperkt lijkt.


Mr. B.T. Berends
Mr. B.T. Berends is advocaat bij Stibbe in Amsterdam.

Mr. P.W. den Hollander
Mr. P.W. den Hollander is advocaat bij Stibbe in Amsterdam en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Het onderliggende conflict: afblijven of uitdiepen?

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2019
Trefwoorden schikking, civiele rechter, conflictoplossing, comparitie
Auteurs Rick Verschoof
SamenvattingAuteursinformatie

    Op de comparitie na antwoord besteden de civiele rechter en de kantonrechter tegenwoordig vaker aandacht aan het conflict. Het ‘conflict’ als tegenhanger van het ‘geschil’. Hoe maken rechters hun keuze om dat al dan niet te doen? Hoe diep gaat hun aandacht? Beheersen zij de grondbeginselen van het conflictgesprek? Wat vinden partijen van het optreden van de rechters op dit gebied? De antwoorden staan in dit artikel en uitgebreider in het boek Geschikt of niet geschikt van Rick Verschoof en Wibo van Rossum.


Rick Verschoof
Prof. mr. R.J. Verschoof is senior rechter in de Rechtbank Midden-Nederland en hoogleraar rechtspraak aan de Universiteit Utrecht
Artikel

Het slapend dienstverband: van onfatsoenlijk tot slecht werkgeverschap

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Slapend dienstverband, compensatieregeling, goed werkgeverschap, onfatsoenlijk, Scheidsgerecht
Auteurs Mr. dr. Niels Jansen
SamenvattingAuteursinformatie

    In navolging van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg oordeelde Rechtbank Den Haag onlangs dat een werkgever, mede met het oog op de Regeling compensatie transitievergoeding, op grond van goed werkgeverschap onder omstandigheden verplicht kan zijn tot beëindiging van de slapende arbeidsovereenkomst over te gaan. Beide uitspraken zijn overwegend kritisch ontvangen, maar de vraag is hoe vreemd de gedachte eigenlijk is dat een werkgever in strijd met het goed werkgeverschap kan handelen door een dienstverband niet te beëindigen. Hoewel ik moeite heb met de compensatieregeling, vind ik voornoemde uitspraken goed verdedigbaar. Een werkgever die geen enkel belang heeft niet te handelen in strijd met het belang van een werknemer handelt meer dan alleen onfatsoenlijk. Onlangs stelde Kantonrechter Roermond prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over deze kwestie. Aan de Hoge Raad is onder meer voorgelegd of – kort gezegd – de omgekeerde Stoof/Mammoet-toets werknemers met een slapend dienstverband kan helpen aan een transitievergoeding. Mij lijkt dat geen begaanbaar pad, tenzij het gaat om de aanpassing van een arbeidsovereenkomst van werknemers die na 104 weken ziekte structureel passend werk verrichten. Voor deze werknemers kan de omgekeerde Stoof/Mammoet wellicht behulpzaam zij bij het verkrijgen van een gedeeltelijke transitievergoeding.


Mr. dr. Niels Jansen
Universitair docent
Artikel

De bijzondere arbeidsovereenkomst van de handelsvertegenwoordiger

Over het onderscheid met de agentuurovereenkomst, het Zako-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en over het bestaansrecht van deze bijzondere arbeidsovereenkomst

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden handelsvertegenwoordiger, handelsagent, gezagscriterium, (schijn)zelfstandigheid, provisie
Auteurs Mr. dr. Johan Zwemmer
SamenvattingAuteursinformatie

    Over het onderscheid met de agentuurovereenkomst, het Zako-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en over het bestaansrecht van deze bijzondere arbeidsovereenkomst.


Mr. dr. Johan Zwemmer
Advocaat en docent arbeidsrecht UvA
Artikel

De vertrekvergoeding en de Hoge Raad: geen guidance, wel vragen

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden WNT, Wbfo, Hoge Raad, Vertrekvergoeding, Ambtshalve toetsing
Auteurs Mr. Merel Goldschmidt
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad heeft in juni 2018 een van de weinige uitspraken inzake de Wbfo gewezen. Van belang bij deze uitspraak was de vraag of de het hof gehouden was het verweer van Rabobank inzake artikel 1:125 lid 2 Wft ambtshalve te toetsen. Daarnaast is interessant aan dit arrest dat de Hoge Raad zich niet uitspreekt over de vraag of een deel van de vergoedingen waarover wordt geprocedeerd in materiële zin wel valt onder het begrip van ‘vertrekvergoeding’ als bedoeld in artikel 1:125 lid 2 Wft. De Hoge Raad had kunnen bijdragen aan de rechtszekerheid door zich hier (meer concreet) over uit te spreken.


Mr. Merel Goldschmidt
Advocaat
Artikel

Ernstig verwijtbaar gedrag van bestuurders als reden voor ontslag en aansprakelijkheid

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden Bestuurders, Ernstig verwijt, artikel 7:673 lid 7 sub c BW, artikel 2:9 BW, Samenloop
Auteurs Mr. Huib Schrama en Mr. Klaas Wiersma
SamenvattingAuteursinformatie

    De wetgever heeft bij de e-grond en bij de toets van ernstige verwijtbaarheid van artikel 7:673 lid 7 sub c BW (waardoor de aanspraak op een transitievergoeding vervalt) geen concreet onderscheid gemaakt tussen een bestuurder en een ‘gewone’ werknemer. Die toets vergt een aparte beoordeling van het handelen van de bestuurder en lijkt los te staan van de toets of sprake is van ernstig verwijt dat is vereist voor interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW. Niettemin zijn rechters geneigd een link te leggen tussen beide maatstaven, waarbij zij veelal de norm voor (on)behoorlijk bestuur vooropstellen. Dit kan een aandachtspunt zijn bij het ontslag van een bestuurder.


Mr. Huib Schrama
Advocaat/senior associate

Mr. Klaas Wiersma
Advocaat/partner
Actualia contractspraktijk

Vertrouwen is goed, controle is beter

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 2 2019
Trefwoorden wil, Gerechtvaardigd vertrouwen, Kribbebijter, Totstandkomingsvertrouwen
Auteurs Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
SamenvattingAuteursinformatie

    De wilsvertrouwensleer zorgt in de praktijk voor hoofdbrekens. Het is een leer die breed in het contractenrecht wordt toegepast. In deze bijdrage wordt het onderwerp toegelicht vanuit enkele thema’s, zoals de demotie van een werknemer, de vraag wie als contractspartij optreedt, de deelname aan een spelprogramma en consumenten die op een te lage prijs willen vertrouwen. Oplettendheid blijkt geboden, aldus de moraal van het verhaal.


Mr. drs. J.H.M. Spanjaard
Mr. drs. J.H.M. Spanjaard is advocaat bij La Gro Geelkerken Advocaten in Alphen aan den Rijn.
Rechtsbescherming

Rechtstreekse horizontale werking van grondrechten van de Europese Unie

De lessen uit Egenberger, Bauer en Cresco Investigation

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden EU-grondrechten, Handvest van de Grondrechten, algemene beginselen van EU-recht, non-discriminatie, recht op jaarlijkse betaalde vakantie
Auteurs Mr. dr. A. Eleveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie heeft in de arresten Egenberger, IR, Bauer, Max-Planck en Cresco Investigation) expliciet horizontale werking toegekend aan het in het Handvest neergelegde verbod van discriminatie op grond van godsdienst en het grondrecht op een jaarlijkse betaalde vakantie. Deze bijdrage concludeert dat het Hof van Justitie de deur heeft opengezet voor rechtstreekse werking van ‘dwingende’ en ‘onvoorwaardelijke’ Handvestbepalingen in relaties tussen particulieren, waarbij het niet is uitgesloten dat deze Handvestbepalingen als zelfstandige toetsingsmaatstaf dienen voor zuiver particulier handelen.

    • HvJ 17 april 2018, zaak C-414/16, Egenberger, ECLI:EU:C:2018:257.

    • HvJ 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en C-570/16, Bauer, ECLI:EU:C:2018:871.

    • HvJ 22 januari 2019, zaak C-193/17, Cresco Investigation, ECLI:EU:C:2019:43.


Mr. dr. A. Eleveld
Mr. dr. A. (Anja) Eleveld is als universitair docent Sociaal Recht verbonden aan de Vrije Universiteit
Asiel en migratie

Integratie in het EU-migratierecht; uniformiteit of maatwerk?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden inburgering, verblijfsrechten, objectieve rechtvaardigingsgrond, evenredigheidsbeginsel
Auteurs Mr. H. Oosterom-Staples
SamenvattingAuteursinformatie

    Het arrest C en A is het derde arrest waarin het Hof van Justitie oordeelt over de bevoegdheid van lidstaten om integratievoorwaarden te stellen. Het uitgangspunt, dat kennis van de taal en de samenleving bijdraagt aan de integratie van vreemdelingen in hun gastlidstaat, wordt bevestigd. Dit is ook het geval voor de invulling van de beoordelingsruimte die lidstaten genieten in de uitvoering van deze bevoegdheid; integratievoorwaarden mogen geen selectiemiddel zijn. Integratie komen we ook tegen in de rechtspraak van het Hof van Justitie als doel van een wetgevingsmaatregel dat bepalend is voor de uitleg van rechten in die wetgevingsmaatregel en als objectieve rechtvaardigingsgrond in de context van de stand still-bepalingen in het Associatierecht EEG-Turkije. Zijn de rechtsregels in deze ‘integratierechtspraak’ onderling inwisselbaar, of is de invulling van het begrip integratie afhankelijk van de juridische context waarin het wordt gebruikt? De aanleiding voor deze bijdrage zijn de recente uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken C en A en Yön. Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden worden deze arresten ingebed in de eerdere arresten van het Hof van Justitie over integratie.
    HvJ 7 augustus 2018, zaak C-123/17, Nefiye Yön/Landeshauptstadt Stuttgart, ECLI:EU:C:2018:632 en HvJ 7 november 2018, zaak C-257/17, C en A/Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, ECLI:EU:C:2018:876


Mr. H. Oosterom-Staples
Mr. H. (Helen) Oosterom-Staples is verbonden aan Tilburg University en is vaste medewerker van dit tijdschrift.
Vrij verkeer

De PEPP-verordening. Pensioenfondsen: Quo vadis?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden PEPP-verordening, pensioeninstellingen, verplichtstelling, meeneembaarheid van pensioenen, Europees pensioenrecht
Auteurs Prof. dr. H. van Meerten en A.K.R. Wouters LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Het voorstel van 29 juni 2017 betreffende een Verordening van het Europees Parlement en de Raad voor een Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (hierna: PEPP) werd in Nederland met argusogen ontvangen. Met dit voorstel wilde de Europese Commissie een impuls geven om de fragmentatie van nationale markten op het gebied van persoonlijke pensioenen aan te pakken. Via het PEPP wil de EU-wetgever een vrijwillig, aanvullend, eenvoudig en kostenbesparend pensioenproduct in het leven roepen dat grotendeels op EU-niveau wordt gereguleerd. Vanwege de meeneembaarheid voor consumenten is PEPP een welkome aanvulling voor de pensioenen van EU-burgers. Nederland echter heeft te allen tijde kritisch tegenover de komst van een PEPP gestaan vanwege onder andere een vermeende inbreuk op de ‘verplichtstelling’ en de rol voor de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA). In dit artikel wordt het PEPP besproken: wat is de meerwaarde van het PEPP? Is de vrees van Nederland wel terecht?
    Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP).


Prof. dr. H. van Meerten
Prof. dr. H. (Hans) van Meerten is hoogleraar Europees Pensioenrecht aan de Universiteit Utrecht.

A.K.R. Wouters LLM
A.K.R. (An) Wouters LLM is Fellow aan de Universiteit Utrecht.
Strafrecht

Access_open Het Europees Openbaar Ministerie komt eraan: waakhond of papieren tijger?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 3-4 2019
Trefwoorden Europees Openbaar Ministerie, EOM, Rechtsbescherming, OLAF, Onderneming
Auteurs Mr. Y. de Vries en Mr. S.J. Lopik
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 augustus 2018 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) bevestigd dat Nederland gaat deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM). Het EOM is een onafhankelijk vervolgingsorgaan dat, in het kort, bevoegd is om strafbare feiten die ten koste gaan van de EU-begroting te onderzoeken, vervolgen en voor de nationale strafrechter te brengen, een taak die tot dusver was voorbehouden aan de nationale vervolgingsautoriteiten (in Nederland het Openbaar Ministerie). Dit past in een trend waarbij de Unie, die historisch gezien indirect handhaaft, steeds vaker aan directe handhaving doet. Ook past het bij een Unie die steeds meer strafrechtelijke taken naar zich toetrekt: waar strafrechtelijke samenwerking tot het Verdrag van Lissabon nog behoorde tot de derde pijler, bestaan inmiddels meerdere Europeesrechtelijke strafrechtelijke agentschappen, waaronder Eurojust, Europol en OLAF. Er wordt ook wel gesproken van een europeanisering van het Nederlands strafrecht. De ambities van de Commissie voor het EOM strekken echter verder dan alleen het bestrijden van fraude. In deze bijdrage gaan wij in op de achtergrond van het EOM, de inrichting en taken van het EOM en de betekenis daarvan voor personen en ondernemingen die verdacht worden van strafbare feiten die binnen de bevoegdheid van het EOM vallen.
    Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie(‘EOM’), PbEU 2017, L 283/1-71
    Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, PbEU 2017, L 198/29-41


Mr. Y. de Vries
Mr. Y. (Yvo) de Vries is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.

Mr. S.J. Lopik
Mr. S.J. (Sjoerd) Lopik is advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

Kroniek Aansprakelijkheidsrecht

Tijdschrift Advocatenblad, Aflevering 6 2019
Auteurs Petra Chao, Caspar Janssens en Mirjam Louws
Auteursinformatie

Petra Chao
Petra Chao is advocaat bij Ploum in Rotterdam.

Caspar Janssens
Caspar Janssens is advocaat bij Ploum in Rotterdam.

Mirjam Louws
Mirjam Louws is advocaat bij Ploum in Rotterdam.
Toont 1 - 20 van 1413 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7 8 9 49 50
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.