Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 59 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Recht der Werkelijkheid x Rubriek Article x
Artikel

Access_open De rechtsfilosofische grondslagen van John Griffiths’ rechtssociologie

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2018
Trefwoorden sociology of law, Hart, Dworkin, Legal Realism, Black
Auteurs Jeroen Kiewiet
SamenvattingAuteursinformatie

    The topic of this article is the legal philosophical foundation of John Griffiths’s sociology of law. Griffiths has developed his foundation of sociology of law in discussion with three positions: legal realism, Hart and Dworkin. These three positions give three different answers on the question ‘what is law?’. In the first part Griffiths’s discussion of legal realism is analyzed. From the outset, a legal realistic approach to law has the benefit of its strong focus on the empirical determinants of predicting the outcomes of cases. Problematic, according to Griffiths, is a naïve instrumentalism, often related to legal realism. The second part on Hart’s theory discussed Hart’s notion of rule-following as the core of Griffiths’s sociology of law. Also the different perspectives on law are discussed. According to Griffiths, Black’s extreme external perspective is problematic, but Hart’s moderate external perspective is also not suitable for the external comparative purpose of sociology of law. In the third part, Dworkin’s theory is discussed. Griffiths, in my opinion, unsuccessfully, tried to reconcile Dworkin’s theory with legal positivism. Dworkin’s theory is an interpretive theory from the participant’s point of view, which makes it hard to use it as an adequate foundation of an empirical theory of law. For a sociologist of law, choosing an adequate conception of law is just as important as the choice for an empirical method. The contribution of Griffiths to sociology of law is in this sense unique and of great value for the sociology of law.


Jeroen Kiewiet
Jeroen Kiewiet was student-assistent bij John Griffiths in de collegejaren 2003/2004 en 2004/2005. In 2002 maakte hij met Griffiths en de rechtssociologie kennis tijdens de ‘contractwerkgroep’ van het vak Inleiding rechtssociologie. Het onderwijs tijdens de ‘contractwerkgroep’ ervoer hij als zeer inspirerend; hij zag een échte wetenschapper aan het werk die de inbreng van studenten uiterst serieus nam. Sinds augustus 2015 werkt Jeroen als universitair docent aan de afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie van het departement Rechtsgeleerdheid van de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Heeft John Griffiths de rechtssociologie verder gebracht?

Een evaluatie van zijn werk vanuit het perspectief van het empirisch-theoretische onderzoeksprogramma

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2018
Trefwoorden P-T-O-scheme, sociology of law, concept of law, empirical research, Karl Popper
Auteurs Albert Klijn en Marnix Croes
SamenvattingAuteursinformatie

    A central ambition that Griffiths expressed rather frequently was to realize progress in the sociology of law by formulating informative theoretical propositions and testing them empirically according to the maxim of the critical-rational metatheoretical program of Karl Popper. Our analysis of Griffiths’s contributions suggests, however, that he actually refrained from following Popper’s path: to put a Problem – formulate a Theory – testing that provisional answer by empirical Observation. Instead, Griffiths focussed mostly on the rigorously clear formulation of concepts accordingly to his strong philosophical inclination.


Albert Klijn
Albert Klijn (1946) studeerde theoretische sociologie en rechtssociologie te Utrecht en Nijmegen (1975). Hij begon zijn onderzoeksloopbaan in 1978 bij het WODC. Zijn eerste onderzoekopdracht was de evaluatie van de door Justitie gesubsidieerde Advokatenkollektieven (De Balie geschetst, 1981). John Griffiths maakte deel uit van de begeleidingscommissie. Sindsdien zijn er professionele en vriendschappelijke contacten gebleven. Zo schreef Griffiths op zijn verzoek een bijdrage aan het themanummer van Justitiële verkenningen ter gelegenheid van het veertigjarige bestaan van de NOVA (JV 1992 nr. 6). Klijn promoveerde bij Griffiths en Wippler op een proefschrift over onderzoek naar de ontwikkelingen in de gesubsidieerde rechtsbijstand in Nederland tussen 1978-1988 (Rechtshulp onderzocht en overdacht, 1991). Hij maakte gedurende de periode 2000-2002 deel uit van het onderzoeksteam dat zich onder leiding van Griffiths bezighield met de regulering van het medisch handelen rondom het stervensproces (MBPSL); zijn aandachtsgebied was de meldingsplicht van de arts.

Marnix Croes
Marnix Croes (1968) studeerde historische en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in de sociale wetenschappen aan het Interuniversity Center for Social Science Theory and Methodology (ICS) op een proefschrift over de overlevingskansen van joden in de Nederlandse gemeenten (Gif laten wij niet voortbestaan, 2004). Hij was van 2003-2016 verbonden aan het WODC, waar hij zich in het kader van een onderzoek over de Bruikbare Rechtsorde (2007) intensief met het werk van Griffiths heeft beziggehouden.
Artikel

John Griffiths’ streven naar een theoretisch kader voor de rechtssociologie

Een kritische analyse

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2018
Trefwoorden socio-legal theory, social control, Rules, legal pluralism, Law
Auteurs Roel Pieterman
SamenvattingAuteursinformatie

    This contribution focuses on John Griffiths’ relentless attempt at developing a general theoretical perspective for socio-legal studies. Hence, attention to Griffiths’ important contributions to legal pluralism and the social working of law approach is paid only in passing. Similar to a much earlier assessment, the analysis of Griffiths’ proposal in this contribution is quite critical. Measured against five criteria this author deems important for any socio-legal theoretical framework, the verdict is that Griffiths’ proposal falls short of all of them. The analysis itself focuses primarily on Griffiths’ attempt to redefine the subject for socio-legal studies in terms of social control, the way he uses the concept ‘law’, and his primary focus on rules and rule following. One overall conclusion is that Griffiths remained a legal scholar to a much greater extent than he would have liked.


Roel Pieterman
Roel Pieterman (1953) is hoofddocent rechtssociologie aan Erasmus School of Law. Zijn onderzoeksbelangstelling is vooral gericht op de politiek-juridische omgang met ‘risico’s’. In die lijn schreef hij De voorzorgcultuur (2008) en Gewicht zit niet tussen je oren (2017). Zijn voornaamste onderwijstaak betreft het verzorgen van inleidend onderwijs in de rechtssociologie. In die lijn heeft hij, vooral in de jaren 1990, veel gebruikgemaakt van de door John Griffiths geredigeerde ‘RUG-bundel’. In die periode hield hij zich, evenals John, bezig met onderzoek naar een geschikt theoretisch kader voor de rechtssociologie. Het resultaat daarvan publiceerde hij in 1998 in Recht der Werkelijkheid. In dat tijdschrift discussieerde hij in die periode diverse malen met John over de vraag wat een goede benadering zou zijn.
Artikel

Verdergaan met de sociale-werkingsbenadering

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2018
Trefwoorden Effectiveness of law, social working approach, semi-autonomous social fields, smoking bans, impact assessments
Auteurs Heleen Weyers
SamenvattingAuteursinformatie

    John Griffiths’ social working approach of legislation tries to estimate the direct effects of laws which prescribe certain behavior. The basic idea of the approach is that rule-guided behavior (direct effect) is influenced by the different groups citizens belong to. Griffiths refers to these groups using the concept coined by Sally Moore (1971) ‘semi-autonomous social fields’. Although Griffiths never formulated hypotheses regarding the relation between SASFs and direct effects, the article explores two of them: If the relevant SASFs accept the new norm, direct effects will occur; and if the relevant SASFs are not ‘though’ (and don’t accept the new norm) direct effects will occur. These two hypotheses are related to the results of smoking bans in bars in the Netherlands. The acceptance of the smoking bans in bars is low. The thoughness of the SASFs in bars and their organization differ in time and so did the compliance with the smoking bans. Because this article is not based on research that depart from the hypotheses, further research based on the hypotheses is needed to draw firm conclusions. The article is rounded up with a plea to use Griffiths approach in impact assessments of legislation.


Heleen Weyers
Heleen Weyers studeerde filosofie en geschiedenis en startte in 1995 haar promotietraject bij John Griffiths. Dat resulteerde in het boek Euthanasie: het proces van rechtsverandering (2002) en een aanstelling als universitair docent bij de Vakgroep Rechtstheorie van de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met John (en anderen) schreef/redigeerde ze Euthanasia and Law in the Netherlands (1998) en Euthanasia and Law in Europe (2008) en verzorgde ze de vierde editie van het leerboek De sociale werking van recht. Een kennismaking met de rechtssociologie en rechtsantropologie (2005). Zij heeft zich sedert 2002 niet alleen beziggehouden met de totstandkoming van wetgeving, maar ook met de relatie tussen de totstandkoming en de effectiviteit van rechtsregels.
Artikel

De rol van intermediairs in het Nederlandse prostitutiebeleid

Top-down toepassen of bottom-up aanpassen van regels?

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2018
Trefwoorden regulatory intermediaries, Social Working theory, Regulatory Intermediary Target model, prostitution policy
Auteurs Nicolle Zeegers
SamenvattingAuteursinformatie

    Similar to the more current Regulator Intermediary Target (RIT) model, Griffiths’ Social Working (SW) theory points to the relevance of intermediaries for explaining rule following behavior. In this article, the author applies both theories (RIT and SW) concerning the role of intermediaries in rule following to explain developments in Dutch prostitution policy: the non-implementation of the emancipatory, sex workers’ rights based approach, and its replacement by a more repressive policy of closing down sex facilities. The analysis shows that although both theories contain useful starting point for explaining these developments, the SW theory’s special value is its acknowledgement of how regulatory intermediaries operate in a social field with existing social rules and a specific balance of power. Such rules and power relations have put barriers to the implementation of the Dutch prostitution policy as formulated in 1999. As illustrated in the article, the SW- theory offers more tools than the RIT- model for an analysis of how legal rules work in practice.


Nicolle Zeegers
Nicolle Zeegers is universitair docent politicologie bij de vakgroep Transboundary Legal Studies (TLS), Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen. In haar onderzoek richt zij zich op vraagstukken over invloed en macht in de totstandkoming en werking van wetgeving. In augustus 1998 werd zij lid van de vakgroep Rechtstheorie waarvan John Griffiths de voorzitter was. Zij heeft verschillende malen over de sociale-werkingstheorie gepubliceerd (zie Weyers & Stamhuis 2003 en Zeegers, Witteveen & Van Klink 2005).
Artikel

The effective public enforcement of cartels: perceptions on the functioning of the objection procedure and the reality

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Dispute resolution, Objection procedure, Cartel enforcement, Administrative law, Stakeholder interviews
Auteurs Mr. Annalies Outhuijse LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Companies fined for infringing the cartel prohibition are denied access to the courts until the competition authority has reviewed its fining decision in the objection procedure. Several stakeholders have been negative about the functioning of this objection procedure in case of cartel fines, including because of its limited ability to resolve disputes and the cost and length of the procedure. In light of the discussions on the effectiveness of this objection procedure, this article analyses the ability of the cartel objection procedure to resolve disputes on basis of an analysis of the decisions on objection, as well as interviews with the parties involved in the objection procedure and a study of relevant literature. Previous studies have shown that the success of the objection procedure, regarding dispute resolution, depends on the nature of the dispute, the reason that the objection is made and the organisation of the procedure. Reviewing the data which was gathered through the interviews and case analysis with the knowledge of these factors influencing the success of the objection procedure, the article concludes that these previously carried out studies can explain the limited ability of the cartel objection procedure to resolve disputes.


Mr. Annalies Outhuijse LLM
Annalies Outhuijse is PhD fellow at the Department of Administrative Law at the University of Groningen.
Artikel

Access_open Van Middelburg tot Almelo. Het hoe en waarom van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie door Nederlandse lagere rechters

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Prejudiciële procedure, Hof van Justitie van de Europese Unie, Nationale rechters, Motieven om te verwijzen, rechtspolitiek
Auteurs Dr. Jasper Krommendijk LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft baanbrekende uitspraken gedaan, vooral als gevolg van prejudiciële vragen van nationale rechters op grond van art. 267 VWEU. Het zijn vooral niet-verwijzingsplichtige lagere rechters geweest die voor deze aanvoer hebben gezorgd. Dit artikel onderzoekt hoe dit kan worden verklaard en kijkt naar de motieven van Nederlandse lagere rechters om al dan niet prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. Het doet dit op basis van interviews met 22 rechters en een uitgebreide juridische analyse van uitspraken. Dit artikel toont aan dat met name pragmatische en praktische overwegingen een rol spelen bij het besluit om te verwijzen. Daarnaast laat dit artikel zien dat er meer verschillen zijn binnen een lidstaat dan tussen lidstaten onderling, met name tussen gerechtelijke instanties en individuele rechters.

    The Court of Justice of the European Union has rendered landmark cases, especially following references for a preliminary ruling from national courts on the basis of Art. 267 TFEU. Primarily lower courts that are not obliged to refer have been responsible for such cases. This article examines how these references of lower courts can be explained by focusing on the motives of the Dutch lower court judges to refer, or not to refer. It does so on the basis of interviews with 22 judges and an extensive legal analysis of judgments. This article shows that practical and pragmatic considerations play an important role in the court’s decision to refer. In addition, there are more differences within one Member States than between EU Member States, especially between particular courts and individual judges.


Dr. Jasper Krommendijk LLM
Jasper Krommendijk is universitair docent Europees recht aan de Radboud Universiteit.
Artikel

Empiricism as an ethical enterprise. On the work of Erhard Blankenburg

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Empiricism, Erhard Blankenburg, mobilization of law, legal instruments, problems and disputes
Auteurs Prof. dr. Pieter Ippel
SamenvattingAuteursinformatie

    This article gives an interpretation of the empirical work of the well-known sociologist of law Erhard Blankenburg, who passed away in the Spring of 2018. He conducted interesting and intelligent research on the process of ‘mobilization of law’. The thesis of this article is that Blankenburg’s empirical approach is actually guided and stimulated by normative considerations. A complete and coherent picture of the concrete utilization of legal instruments shows that ‘alternative’ ways of dealing with problems and disputes are often morally preferable as they are inspired by a realistic assessment of persons-in-a-social-context.


Prof. dr. Pieter Ippel
Pieter Ippel is professor of law at University College Roosevelt (Middelburg) and Utrecht University. He studied philosophy, criminology and Dutch Law. From 1981-1987 he worked as an assistant with Erhard Blankenburg and finished his PhD in 1989. From 1989-1995 he worked as a civil servant in The Hague and from 1995-2005 he was professor of jurisprudence in Utrecht.
Artikel

Empirisch-juridisch onderzoek in Nederland

Bespiegelingen over de stand van zaken in de rechtswetenschap, het juridisch onderwijs en de rechtspraktijk

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Empirical methods, Legal research, Legal education, Legal practice, Legislation
Auteurs Dr. Nieke Elbers, Mr. dr. Marijke Malsch, Dr. Peter van der Laan e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Empirical Legal Studies (ELS) is research in which legal questions are answered using empirical research methods. Traditionally, lawyers conduct normative, non-empirical research. Lately the legal discipline is increasingly interested in ELS. It is argued that we need more ELS. This raises the question to what extent Dutch researchers and practitioners conduct and apply ELS. In this article, we investigate the state of affairs of ELS in the Netherlands. We look at three different areas: legal research, legal education and legal practice. The data we use are legal PhD theses, legal course material, legislative proposals, and questionnaire data from legal practitioners. The methods are a systematic review, a quantitative content analysis, and a questionnaire research. Our study on legal research shows that researchers do apply empirical methods, but mainly the researchers with an education in social science. Our study on legal education shows that lawyers receive hardly any training on empirical research methods. Finally, our research on legal practice shows that practitioners and legislators struggle to apply empirical legal research. We plead for investments to enhance the production and usage of ELS, to prevent wrongful judicial decision-making, to generate effective legislation, and to create scientific innovation.


Dr. Nieke Elbers
Nieke Elbers is als postdoc onderzoeker verbonden aan het NSCR als projectleider Empirical Legal Studies (ELS).

Mr. dr. Marijke Malsch
Marijke Malsch werkt als senior onderzoeker bij het NSCR.

Dr. Peter van der Laan
Peter van der Laan werkt als senior onderzoeker bij het NSCR. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar sociaal pedagogische hulpverlening aan de Universiteit van Amsterdam en bijzonder hoogleraar reclassering aan de Vrije Universiteit.

Prof. dr. Arno Akkermans
Arno Akkermans is hoogleraar privaatrecht aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Prof. dr. Catrien Bijleveld
Catrien Bijleveld is hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en directeur van het NSCR.
Artikel

Access_open Vergelijkende rechtscultuur en aansprakelijkheidsrecht – een verkennend experiment

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Legal culture, Civil law, Justice, Experiment, Empirical Legal Research
Auteurs Prof. dr. Willem van Boom, Dr. Chris Reinders Folmer en Dr. Pieter Desmet
SamenvattingAuteursinformatie

    A common conception in the legal literature holds that in a given country, the law in force is to be understood against the background of shared beliefs about justice in that particular country. If that conception holds true, the applicable civil law in a particular country should reflect the shared views on ‘civil justice’ within that country and, as a result, citizens should reveal a preference for domestic civil law over the civil law of another country for a given case. In this research we empirically investigated to what extent the applicable law in particular cases corresponds to actual beliefs about what is seen as just in those situations. Does Dutch liability law in a particular case correspond with what citizens in the Netherlands consider to be just in that case? And does the applicable English liability law correspond to what English people consider fair in that case?
    In an experiment we compared Dutch and English respondents’ views on the fairness of legal solutions in three different, hypothetical cases where Dutch and English legal solutions to the same case would diverge. We find that at the aggregate level, respondents indeed reveal a preference for the legal solution that is applicable in their own country, regardless of whether the different legal solutions are presented as applicable or not: Dutch respondents prefer Dutch civil solutions and English respondents prefer English civil solutions. However, we also observe differences between cases that make strong conclusions about a structural correspondence premature.


Prof. dr. Willem van Boom
Willem van Boom is hoogleraar civiel recht aan de Leiden Law School.

Dr. Chris Reinders Folmer
Chris Reinders Folmer is postdoc rechtspsychologie aan de Erasmus School of Law, Rotterdam.

Dr. Pieter Desmet
Pieter Desmet is hoofddocent rechtspsychologie aan de Erasmus School of Law, Rotterdam.
Artikel

Woonwagenbewoners in Nederland: een strijdbaar volk

Een onderzoek naar het belang van mensenrechten voor woonwagenbewoners

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Travellers/Roma/Sinti, Cultural rights and cultural identity, Legal consciousness, Ewick & Silbey, Empirical research
Auteurs Claire Loven
SamenvattingAuteursinformatie

    Legal institutions as well as European and international organisations have criticised Dutch policy regarding travellers (including Roma and Sinti living in a caravan). Main point of this criticism is that the Dutch government should do more to protect and facilitate the travellers culture.
    In academic literature, the policy has also been criticised from a human rights perspective. In most of these official and academic publications the perspective of travellers was missing. This gave reason for a qualitative research in the form of ten interviews with travellers in the Netherlands. Questions as what does it mean to be a traveller, how should your culture be protected and what do you do to protect your culture (using the law for instance) were, among others, part of these interviews.
    This article not only discusses the results of the interviews, but places them also against the theoretical background of legal consciousness, in particular the research of Ewick and Silbey (1998) in which three categories of attitudes towards the law and legal institutions were distinguished.
    At forehand it was expected that, as being a minority group, travellers would fall in the category ‘against the law’. Yet the findings of this research suggest that travellers, at least the respondents, fall in the category ‘with the law’. They use the law to reach a better position, i.e. to protect their cultural identity.


Claire Loven
Claire Loven is masterstudent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht en ten tijde van het onderzoek bachelorstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Hoger beroep in het bestuursrecht: massaal gebruik, ontevreden gebruikers

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Satisfaction, Appeals procedure, Administrative law
Auteurs Professor Bert Marseille, Dr. Barbara Brink en Mr. dr. Martje Boekema
SamenvattingAuteursinformatie

    In administrative law, a substantial number of citizens who are dissatisfied with government decisions go on to appeal their decision at a higher court. This article discusses how satisfied those appellants are about the procedure and the result.
    The data presented demonstrate a substantial difference in appreciation of the procedure between winners and losers. In addition, many appellants experience a very low degree of distributive justice. In part, people show a fundamental distrust in the administration of justice, but for a greater part, people argue that the higher court judge has not assessed their case in an expert or fair way.
    The most intriguing outcomes of the analysis concern the large majority, including both winners and losers, that claim that the verdict did not end the conflict with the counterparty. Additionally, almost everyone argues that they would file an appeal again, if presented with that possibility. The experienced dissatisfaction, skepticism and frustration regarding the procedure seem to have little or no influence on the willingness to return to the administrative higher court in the future.


Professor Bert Marseille
Bert Marseille is hoogleraar bestuurskunde, in het bijzonder de empirische bestudering van het bestuursrecht, bij de vakgroep Staatsrecht, Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen.

Dr. Barbara Brink
Barbara Brink is docent bij de vakgroep Staatsrecht, Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen en coördineert de master Juridische bestuurskunde.

Mr. dr. Martje Boekema
Martje Boekema is universitair docent Staats- en Bestuursrecht bij de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op de (bestuurs)rechtspraak en geschilbeslechting.
Artikel

Het besluitvormingsproces van civiele rechters in procedures over de gevolgen van een (echt)scheiding met een beschuldiging van seksueel kindermisbruik

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Family law, Child sexual abuse, Divorce, Custody and access
Auteurs Anne Smit MSc., Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld en Prof. dr. mr. Masha Antokolskaia
SamenvattingAuteursinformatie

    This study aims to provide insight into allegations of child sexual abuse in the context of divorce, and related, proceedings by analyzing the decision-making process of civil judges. To this aim, interviews with 13 judges and 11 lawyers were conducted and a focus group was organized with different specialists. It is concluded that in the eyes of the judges, allegations of child sexual abuse in this context are not rare, and some of the professionals signal an increase of allegations in the last decade. The presence of an allegation poses a dual issue: it points out problems within the family, as well as causes problems for the child. This dual nature makes it even more complex for judges to make decisions, especially concerning contact between father and child. The validity of the allegation becomes less important than its presence when judges consider the children’s best interests. The judges’ aim to create conditions for the family within which the child’s safety is best protected, can as an unwanted consequence delay the process, which in itself can be damaging for the child.


Anne Smit MSc.
Anne Smit is promovenda bij het NSCR waar zij werkt aan haar proefschrift ‘Allegations of Sexual Abuse of Children in Divorce Procedures: Towards Evidence-Based Guidelines’.

Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld
Catrien Bijleveld is directeur van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.

Prof. dr. mr. Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia is hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen- en familierecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Artikel

Voorbij procedurele rechtvaardigheid

De betrekkelijkheid van de beleving van respondenten

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Procedural Justice, Administrative law, Access to Justice, Outcomes of legal proceedings
Auteurs Dr. Nienke Doornbos
SamenvattingAuteursinformatie

    To overcome problems of juridification and formalization of administrative law, successful initiatives have been undertaken by professionals in the public administration and judiciary to improve administrative procedures. These initiatives have been inspired by theories of (perceived) procedural justice, as developed by Tyler and Lind (1988). Although the author acknowledges the importance of procedural justice, she argues that the strong focus on procedural aspects, based on subjective opinions of claimants, may unintentionally lead to a situation in which other important issues may be easily overlooked, such as the question why citizens would refrain from starting a lawsuit or the question what explains the low success rates of citizens in administrative law.


Dr. Nienke Doornbos
Nienke Doornbos is universitair docent bij de Afdeling Algemene rechtsleer van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Amsterdam.
Artikel

De civiele rechter als problem solver

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden legal profession, conflict resolution, procedural justice
Auteurs Dr. Wibo van Rossum en Prof. Rick Verschoof
SamenvattingAuteursinformatie

    We investigate a recent development in the practice of the civil courts: judges increasingly devote attention to the underlying conflict of parties instead of only to their legal dispute. In administrative law, this development has already been codified and termed ‘de Nieuwe zaaksbehandeling’, but not so in other areas of law.
    Lawyers know that social conflicts are transformed into legally viable disputes so that the court can decide on them. For a long time, the most important task for lawyers was to resolve those legal disputes. Nowadays, that does not seem to be enough: judges should become problem solvers. Civil judges seem to blend in with these new requirements, but the question is whether the new approach really works. Based on our empirical material of 100 observed cases in civil law, we answer the following questions. 1. What do judges actually do in civil cases when they address underlying conflicts and try to steer parties toward a settlement? 2. What effects do these interventions of judges have on the outcome of cases? 3. How are these interventions perceived by the parties in terms of procedural justice?


Dr. Wibo van Rossum
Wibo van Rossum is Universitair Hoofddocent aan het departement Sociology, Theory & Methodology van de Erasmus School of Law te Rotterdam.

Prof. Rick Verschoof
Rick Verschoof is senior-rechter bij de Rechtbank Midden-Nederland en bijzonder hoogleraar rechtspraak aan de Universiteit Utrecht.
Artikel

Naar een regierecht voor de burger in het sociale domein?

Het recht op een familiegroepsplan als legal transplant

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Family group conference, Legal transplant, Care professionals, Family life, Big Society
Auteurs Dr. Annie de Roo en Dr. Rob Jagtenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    The concept of family group conferences (FGCs) originated in New Zealand in 1989 as a tool and statutory right for extended family networks to arrange for the welfare and safety of a child that is neglected or abused by his/her own parents. Through successful FGCs, state intervention can be avoided while the resourcefulness of the larger community is mobilized. The concept has proliferated to many countries and therefore lends itself for analysis as a ‘legal transplant’. This contribution investigates the FGC as a transplant, focussing on how the concept has been adapted and incorporated in the legal systems of England and the Netherlands. In these two countries the ‘Big Society’ and austerity measures in the social domain are high on the policy agenda. How are such policy priorities blended – if at all – with the emancipatory ideal of granting family networks autonomy next to, or even over, publicly funded professionals? It appears that the FGC concept has been compromised in both England and the Netherlands, but in different ways.


Dr. Annie de Roo
Annie de Roo is associate professor aan de Erasmus Law School te Rotterdam.

Dr. Rob Jagtenberg
Rob Jagtenberg is senior fellow aan de Erasmus Law School te Rotterdam.
Artikel

Werkdruk en organisatieontwikkeling in de rechtspraak

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Occupational stress, Dutch judicial organization, Organizational development and change, Judicial autonomy
Auteurs Ivo van Duijneveldt, Peter Wijga en Kirsten van Reisen
SamenvattingAuteursinformatie

    What causes occupational stress in the Dutch judicial organization? And what can be done to moderate the effects? This article addresses these questions from an organizational perspective. The well-known job demand/job control-model (Karasek) and sociotechnical principles for organizational design are used as a theoretical framework. Increasing job demands (workload, complexity) combined with reduced opportunities for individual judicial professionals to control their work are considered root causes for organizational stress. In addition to these factors, the specific characteristics of the judicial organizational culture should also be acknowledged. This culture is based on a strong emphasis on individual professional performance and responsibility, making it a complex task to mitigate occupational stress from an organizational perspective. A short overview of recent developments to manage occupational stress in the Dutch judicial organization concludes the article.


Ivo van Duijneveldt
Ivo van Duijneveldt is als adviseur en onderzoeker verbonden aan organisatieadviesbureau Andersson Elffers Felix. In opdracht van de Raad voor de rechtspraak heeft hij in de periode oktober 2015 tot juni 2016 verdiepend onderzoek uitgevoerd naar verklarende factoren voor werkdruk in de rechtspraak. Dit onderzoek is verschenen onder de titel ‘Naar een vitale organisatie. Duurzaam omgaan met werkdruk binnen de rechtspraak’, in de reeks Research Memoranda van de Raad voor de rechtspraak.

Peter Wijga
Peter Wijga is als adviseur en onderzoeker verbonden aan organisatieadviesbureau Andersson Elffers Felix. In opdracht van de Raad voor de rechtspraak heeft hij in de periode oktober 2015 tot juni 2016 verdiepend onderzoek uitgevoerd naar verklarende factoren voor werkdruk in de rechtspraak. Dit onderzoek is gepubliceerd onder de titel ‘Naar een vitale organisatie. Duurzaam omgaan met werkdruk binnen de rechtspraak’, in de reeks Research Memoranda van de Raad voor de rechtspraak.

Kirsten van Reisen
Kirsten van Reisen is als adviseur en onderzoeker verbonden aan organisatieadviesbureau Andersson Elffers Felix. In opdracht van de Raad voor de rechtspraak heeft zij in de periode oktober 2015 tot juni 2016 verdiepend onderzoek uitgevoerd naar verklarende factoren voor werkdruk in de rechtspraak. Dit onderzoek is gepubliceerd onder de titel ‘Naar een vitale organisatie. Duurzaam omgaan met werkdruk binnen de rechtspraak’, in de reeks Research Memoranda van de Raad voor de rechtspraak.
Artikel

Waarom schakelen burgers (geen) rechtshulp in?

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Legal advice / assistance, Acces to justice, Income level, Judicial autonomy, Cost-benefit analysis
Auteurs Dr. Marijke ter Voert en Dr. Carolien Klein Haarhuis
SamenvattingAuteursinformatie

    This article serves to gain insight in the use and non-use of various types of legal advice, particularly in relation to income levels and legal costs. Based on (logistic regression) analyses involving survey data on 1,928 Dutch citizens who experienced a non-trivial problem in the period May 2009 to May 2014, main findings are as follows: (1) 37% of citizens facing a (potential) legal problem contacted various types of legal advisers once or repeatedly. (2) In the explanation of use/non-use of advocates, problem characteristics turned out to matter significantly, in contrast with the level of household income. Entitlements to subsidized legal aid (lower income groups) as well as legal expenses insurance have made income a factor of less importance. (3) Looking at the degree in which citizens reported (high) costs being a reason for not using legal advice, again no significant differences were found between income groups. Especially advocates were deemed too expensive, regardless of household income; a reason for non-use in half of the cases in which advocates had been considered.


Dr. Marijke ter Voert
Marijke ter Voert is werkzaam als (senior-)onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), ministerie van Veiligheid en Justitie. Zij is betrokken geweest bij inmiddels drie edities van het Geschilbeslechtingsdelta-onderzoek naar (potentieel) juridische problemen van burgers en de wegen die zij bewandelen om die op te lossen.

Dr. Carolien Klein Haarhuis
Carolien Klein Haarhuis is werkzaam als (senior-)onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), ministerie van Veiligheid en Justitie. Zij is betrokken geweest bij inmiddels drie edities van het Geschilbeslechtingsdelta-onderzoek naar (potentieel) juridische problemen van burgers en de wegen die zij bewandelen om die op te lossen.
Artikel

‘Ik ben slecht in het legen van mijn brievenbus en heb een telefoonfobie’

Het belang van een match in het soort contact tussen uitkeringsgerechtigden en uitkeringsinstanties

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Satisfaction, Digital contact, Matching, Public Assistance
Auteurs Dr. Willem Bantema
SamenvattingAuteursinformatie

    In recent years, contacts between citizens and the government have increasingly become digital. Most people believe that the development toward more digital and thus more impersonal contact could be negative in terms of procedural justice and policy effectiveness. Higher educated and younger citizens embrace contact through the internet more than lower educated and older citizens. This study questions the call for more personal contact. Based on a panel survey, two different kinds of recipients of public assistance are compared: recipients of municipal social services (N=596) and recipients of unemployment benefits (N=709). Because of the social-demographic characteristics mentioned earlier, the recipients of the former are expected to be more negative about digital contact than the latter. This study identifies how these types of recipients of public assistance prefer to have contact with their municipality or agency, and how that works in practice. It shows that neither personal contact preferences, nor the way contact works in practice are decisive for satisfaction with the contact, but the way those two elements are matched. A match of impersonal contact leads to similar satisfaction as a match of personal contact.


Dr. Willem Bantema
Dr. Willem Bantema is senior onderzoeker binnen de interdisciplinaire onderzoeksgroep ‘Handhaving van onderop’ aan de Rijksuniversiteit Groningen en is werkzaam als docent-onderzoeker aan het lectoraat Cybersafety aan de Noorderlijke Hoge School Leeuwarden (NHL). Hij is gespecialiseerd in kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden en geïnteresseerd in de wijze waarop mensen in hun dagelijks leven met wetgeving omgaan.
Artikel

“The production of law”: Law in action in the everyday and the juridical consequences of juridification

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2016
Trefwoorden juridification, production of space, law in action, local bye-laws
Auteurs dr. mr. Danielle Chevalier
SamenvattingAuteursinformatie

    In an increasingly diversifying society, public space is the quintessential social realm1x Lofland 1998. where members of that diverse society meet each other. Thus space is shared, whilst norms regarding that space are not always shared. Of rivalling norms, some are codified into formal law, in a process Habermas called juridification. Early Habermas regarded juridification a negative process, ‘colonizing the lifeworld’. Later Habermas argued juridification a viable pillar for conviviality in diversity. The shift in Habermas’ perspective invites the question how law works in action. In this article a frame is offered to scrutinize the working of law in action in public space, by applying the conceptual triad of spatial thinker Lefebvre to understand how law is “produced”. It argues that how law is perceived in action is pivotal to understanding how law works in action. Moreover, it discusses the possible ramifications of the perception of law in action for how the legal system as a whole is perceived.

Noten

  • 1 Lofland 1998.


dr. mr. Danielle Chevalier
Danielle Chevalier is a lecturer and research fellow at the University of Amsterdam, affiliated to both the Bonger Institute for Criminology and the Amsterdam School for Social Science Research. Her academic works focuses on the intersection of the legal and the spatial, positioned within the frames of urban sociology, criminology and legal sociology. More specifically she researches legal interventions in the urban realm through qualitative methods, and publishes both on law in action and research methods. Her current project centers on the development of the concept 'emotional ownership of public space'.
Toont 1 - 20 van 59 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.