Zoekresultaat: 21 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Article x
Telecommunicatie

Kroniek Telecommunicatie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7-8 2020
Trefwoorden elektronische communicatie, Telecomcode, connectiviteit, aanleg netwerken, netneutraliteit
Auteurs Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
SamenvattingAuteursinformatie

    De beschikbaarheid van vaste en mobiele netwerken met zeer hoge capaciteit, zoals glasvezelnetwerken en 5G-netwerken, is cruciaal in de digitale economie. De Richtlijn van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (‘de Telecomcode’) heeft als doelstelling om bij te dragen aan de ontwikkeling van hoogwaardige netwerken. Deze connectiviteitsdoelstelling staat naast de reeds bestaande doelstellingen op het gebied van mededinging, interne markt en de bescherming van eindgebruikers. Deze bijdrage beschrijft allereerst de maatregelen, veelal soft law, die ter invulling van de connectiviteitsdoelstelling in de twee jaar na de vaststelling van de Telecomcode op Europees niveau zijn genomen, zoals Berec-richtsnoeren met een verduidelijking van nieuwe begrippen en instrumenten in de Telecomcode en een Aanbeveling van de Commissie voor een toolbox om de kosten van aanleg van nieuwe netwerken te verlagen. Daarna komt de gedeeltelijke implementatie in de Nederlandse Telecommunicatiewet aan de orde. Vervolgens passeert de jurisprudentie de revue, waarin een uitleg van de reikwijdte en de inhoud van het kader voorafgaand aan de Telecomcode, en van de Netneutraliteitsrverordening wordt gegeven. Daarbij wordt, waar relevant, ook benoemd hoe de uitleg zicht verhoudt tot de Telecomcode en de Nederlandse implementatie.


Prof. mr. G.P. van Duijvenvoorde
Prof. mr. G.P. (Gera) van Duijvenvoorde is als bijzonder hoogleraar Telecommunicatierecht verbonden aan eLaw van de Universiteit Leiden en is advocaat-in-dienstbetrekking bij KPN.
Artikel

Access_open De slimme stad: grote beloften, weerbarstige praktijk

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 3 2020
Trefwoorden smart lamp posts, public values, data principles, digital entanglement, Quadruple Helix
Auteurs Dr. Bart Karstens, Linda Kool MSc MA en Prof. dr. ir. Rinie van Est
SamenvattingAuteursinformatie

    The smart city is the urban ideal of our time. Yet its high expectations often run counter against the performance of smart city projects in practice. The Rathenau Institute has studied a number of such projects in the municipality of Eindhoven, a leading city with respect to digital innovation in the Netherlands. To ensure that data is used in a proper manner with respect for public values Eindhoven has applied several strategies, such as privacy by design and the active involvement of its citizens. It has also set up a number of principles for the digital society which helped to negotiate contracts with private partners. Yet the authors’ analysis shows that important legal challenges remain. Some of the principles require more detailed specification. The authors also found that the law is not yet fully appropriated to the new digital context and needs to be adjusted accordingly.


Dr. Bart Karstens
Dr. B. Karstens is onderzoeker op het gebied van kunstmatige intelligentie en de digitale samenleving bij het Rathenau Instituut.

Linda Kool MSc MA
L. Kool MSc MA is coördinator binnen het thema Digitale Samenleving verbonden aan het Rathenau Instituut.

Prof. dr. ir. Rinie van Est
Prof. dr. ir. Q.C. van Est is als coördinator binnen het thema Slimme Samenleving werkzaam bij het Rathenau Instituut. Hij is tevens hoogleraar Technology Assessment and Governance aan de Technische Universiteit Eindhoven.
Artikel

Access_open Wie stuurt de veiligheidsregulering van de (deels) zelfrijdende auto?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2020
Trefwoorden verkeersveiligheid, aansprakelijkheid, verkeersverzekering
Auteurs Mr. dr. K.A.P.C. van Wees
SamenvattingAuteursinformatie

    De huidige technologische ontwikkelingen op het terrein van de voertuigautomatisering stellen het bestaande publiekrechtelijk reguleringsinstrumentarium op de proef. Daarbij spelen met name de snelheid van de ontwikkelingen, de onzekerheid over de veiligheidseffecten en de nieuwsoortige aard van de technologie en de daaraan verbonden risico’s een rol. Een van de vragen die daarbij rijst, is die naar het potentieel van het aansprakelijkheidsrecht om als aanvullend of substituut-reguleringsinstrument te fungeren. Het antwoord op die vraag is, in ieder geval in theorie, positief.


Mr. dr. K.A.P.C. van Wees
Mr. dr. K.A.P.C. (Kiliaan) van Wees is universitair docent aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    De auteurs bespreken artikel 4:210 lid 1 BW bezien vanuit de nieuwe Richtlijnen Vereffening nalatenschappen en Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter. Dit artikel regelt de aanwijzingsbevoegdheid van de kantonrechter ten opzichte van de vereffenaar. In deze bijdrage wordt ingegaan op de ambtshalve aanwijzing en de aanwijzing op verzoek van een belanghebbende (bijvoorbeeld de vereffenaar), en in welke vorm zo’n aanwijzing kan worden gegeven. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan het standpunt van de expertgroep dat verzoeken tot aanwijzingen niet (meer) mogelijk zijn.


Mr. J.Th.M. Diks
Mr. J.Th.M. Diks is advocaat en vereffenaar bij Advocaten Familie- & Erfrecht te Eindhoven en Utrecht en docent bij diverse opleidingsinstellingen. Hij is medeontwikkelaar van en docent bij de Specialisatieopleiding Vereffening Nalatenschappen van Familie- & Erfrecht Instituut Nederland.

Mr. dr. N. Lavrijssen
Mw. mr. dr. N. Lavrijssen is medewerker bij het wetenschappelijk bureau van Advocaten Familie- & Erfrecht te Eindhoven en Utrecht. Zij is tevens als docent en onderzoeker verbonden aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg en ’s-Hertogenbosch.
Artikel

Het loon van de vereffenaar ex artikel 4:206 lid 3 BW: is er nog een rekening te vereffenen?

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 2 2020
Trefwoorden salaris vereffenaar, voorschot, Recofa-richtlijnen
Auteurs Mr. J.Th.M. Diks en Mr. dr. N. Lavrijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    Een door de rechter benoemde vereffenaar heeft op grond van artikel 4:206 lid 3 BW recht op loon dat door de kantonrechter wordt vastgesteld. Over het loon van de vereffenaar en het eventuele voorschot daarop ontstaat met enige regelmaat discussie en bestaat ook nog de nodige onduidelijkheid. In deze bijdrage gaan de auteurs hierop in. Daarbij wordt tevens ingegaan op de Recofa-richtlijnen voor de bepaling van de hoogte van het loon, de positie die een vereffenaar als schuldeiser inneemt en de actie die erfgenamen ter beschikking staat als ze het niet eens zijn met de hoogte van het loon van de vereffenaar. Ook wordt een vergelijking gemaakt met het salaris van de curator in een faillissement.


Mr. J.Th.M. Diks
Mr. J.Th.M. Diks is advocaat en vereffenaar bij Advocaten Familie- & Erfrecht te Eindhoven en Utrecht en docent bij diverse opleidingsinstellingen. Hij is medeontwikkelaar van en docent bij de Specialisatieopleiding Vereffening Nalatenschappen van Familie- & Erfrecht Instituut Nederland.

Mr. dr. N. Lavrijssen
Mw. mr. dr. N. Lavrijssen is medewerker bij het wetenschappelijk bureau van Advocaten Familie- & Erfrecht te Eindhoven en Utrecht. Zij is tevens als docent en onderzoeker verbonden aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg en ’s-Hertogenbosch.
Artikel

Energieregulatoren in België: de rol van het parlement en de regering

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 2 2019
Trefwoorden energie, toezichthouder, Grondwet, België, parlement
Auteurs Laura De Deyne
SamenvattingAuteursinformatie

    Het EU-recht vereist dat een toezichthouder binnen de energiesector onafhankelijk is van alle marktpartijen. Dat geldt ook voor de politiek. Het zogenoemde ‘Clean Energy Package’ versterkt deze onafhankelijkheidsvereisten nog verder. In België, maar ook in Nederland, rijzen er vaak discussies over hoe ver deze onafhankelijkheid mag gaan, en hoe een politiek onafhankelijke regulator zich verhoudt tot de grondwettelijke regels. Bij hun oprichting werden in België, maar ook in Nederland, de toezichthouders opgenomen binnen de uitvoerende macht. Dit heeft tot gevolg dat ze onderhevig zijn aan administratief toezicht. Dit toezicht staat evenwel haaks op de Europese (politieke) onafhankelijkheidsvereisten. Wanneer dit administratief toezicht evenwel ontbreekt, dan wordt het nationale grondwettelijke principe van de ministeriële verantwoordelijkheid (en daaruit voortvloeiend ook de parlementaire controle) uitgehold. In het Vlaams Gewest, en nu recent ook op Waals niveau, heeft men deze tegenstelling weggewerkt door de energieregulator institutioneel onder te brengen bij het Parlement. Deze verhuis neemt echter niet weg dat er nog steeds een spanningsveld aanwezig blijft tussen de onafhankelijkheid van de regulator en de politiek.


Laura De Deyne
Dr. L. De Deyne is als gastmedewerker verbonden aan de Universiteit Hasselt.
Artikel

De investeringstoets in vitale infrastructuren: laatste redmiddel of reden tot zorg?

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2019
Trefwoorden vitale sectoren, investeringstoets, Europees recht, telecommunicatiesector, openbare veiligheid
Auteurs Tessa van Breugel, Saskia Lavrijssen en Leigh Hancher
SamenvattingAuteursinformatie

    In maart 2019 is het wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel introduceert een investeringstoets in de telecommunicatiesector. Het is een aanvulling op het bestaande wet- en regelgevend kader dat veelal is ingevoerd ten tijde van de privatisering en liberalisering van vitale infrastructuursectoren. Dit kader biedt volgens de regering niet langer afdoende bescherming tegen nationale veiligheidsrisico’s die in de huidige tijd door buitenlandse overnames en investeringen in de vitale infrastructuur kunnen ontstaan. De investeringstoets behoort tot een nieuw soort instrumentarium (de zogenoemde ‘tweedegeneratie-instrumenten’) met een grotere reikwijdte en breder toepassingsbereik dat in steeds meer EU-lidstaten zijn intrede doet. Hoewel het recent vastgestelde EU-screeningskader aanzienlijke ruimte laat aan EU-lidstaten om screening van investeringen vorm te geven, moet de wijze waarop deze ruimte wordt ingevuld in overeenstemming zijn met de fundamentele Europese vrijverkeerbepalingen. Dit artikel concludeert dat het wetsvoorstel in de huidige vorm een ongerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer vormt en herbezinning behoeft.


Tessa van Breugel
Mr. drs. T.A.B. van Breugel is afgestudeerd masterstudent ondernemingsrecht aan Tilburg University.

Saskia Lavrijssen
Prof. dr. S.A.C.M. Lavrijssen is hoogleraar regulering en toezicht aan Tilburg University.

Leigh Hancher
Prof. dr. L. Hancher is hoogleraar Europees recht aan Tilburg University en Florence School of Regulation.
Artikel

‘Wetgevingsjuristen zijn cynische mensen’; toetsing van de wetgevingstoetsing

Reactie op: R.A.J. van Gestel, ‘Wetgeving en de toets der kritiek’

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2019
Auteurs Drs. H.E. Woldendorp
Auteursinformatie

Drs. H.E. Woldendorp
Drs. H.E. (Hans) Woldendorp is wetgevingsjurist bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel

Onderzoek naar de mogelijke juridische integratie van de Elektriciteits-, Gas- en Warmtewet en een uniform toezicht op de energiesector

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Integrale energiewet, energietransitie, toezicht, ACM
Auteurs Saskia Lavrijssen, Frits van der Velde, Patrick Köpsel Sanz e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage geeft de belangrijkste bevindingen weer van een onderzoek naar de vraag in hoeverre integratie van de Nederlandse Gas-, Elektriciteits- en Warmtewet en de stroomlijning van het toezicht hierop mogelijk is. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn drie belangrijke conclusies te trekken. Allereerst bestaan grote mogelijkheden tot integratie van de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en de uniformering van het toezicht hierop. Desalniettemin bestaan ook barrières tot integratie. Zo leiden de begripsomschrijvingen van de kernbegrippen tot problemen voor integratie. Dit probleem wordt verergerd door de recente inwerkingtreding van de Europese netwerkcodes door de Europese Commissie, die buiten het bestek van dit onderzoek vallen. Daarnaast bestaan grote verschillen tussen de Warmtewet enerzijds en de Gas- en Elektriciteitswet anderzijds, omdat de bepalingen uit de Warmtewet een gebrek aan vergelijkbare artikelen vertonen. Daarom kan worden geconcludeerd dat de huidige Warmtewet nog niet te integreren is met de huidige Elektriciteitswet 1998 en Gaswet. Ten derde komen de meeste belemmeringen voort uit Nederlands beleid. Dit betekent dat de Nederlandse wetgever de ruimte heeft om de verschillende bepalingen aan te passen en te integreren. Op basis van bovenstaande conclusies en wanneer er speciale aandacht aan het begrippenkader wordt gegeven lijkt het mogelijk om een integrale energiewet met geharmoniseerd toezicht door de Autoriteit Consument en Markt in de elektriciteits- en gasmarkt te creëren, mits de grenzen van het Europees recht en technologische kenmerken van de markten worden gerespecteerd.


Saskia Lavrijssen
Prof. dr. S. Lavrijssen is hoogleraar Economic Regulation and Market Governance aan Tilburg University.

Frits van der Velde
Drs. F. van der Velde is senior beleidsadviseur bij VEMW.

Patrick Köpsel Sanz
Patrick Köpsel Sanz is master student aan Tilburg University.

Glenn Heusschen
Glenn Heusschen is master student aan Tilburg University.
Artikel

Verdeling tijdens vereffening

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2017
Trefwoorden beneficiair aanvaarde nalatenschap, (partiële) verdeling, vereffening
Auteurs Mr. J.Th.M. Diks en Mr. dr. N. Lavrijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    Het uitgangspunt bij een beneficiair aanvaarde nalatenschap is dat er pas kan worden verdeeld nadat de vereffening van de nalatenschap is voltooid. Op 19 mei 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij een opening biedt voor een (partiële) verdeling van de nalatenschap alvorens de vereffening is afgerond. De Rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 2 augustus 2017 gebruik gemaakt van deze door de Hoge Raad geboden opening. In dit artikel wordt deze ontwikkeling in de rechtspraak beschreven en wordt op dit punt een vergelijking gemaakt met de executele.


Mr. J.Th.M. Diks
Mr. J.Th.M. Diks is advocaat bij Advocaten Familie- & Erfrecht te Eindhoven en Utrecht en docent bij diverse opleidingsinstellingen.

Mr. dr. N. Lavrijssen
Mr. dr. N. Lavrijssen is docent bij de Juridische Hogeschool Avans-Fontys en medewerker bij het wetenschappelijk bureau van Advocaten Familie- & Erfrecht.
Artikel

De exceptio plurium litis consortium in erfrechtelijke procedures

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 5 2017
Trefwoorden exceptio plurium litis consortium, procesinleiding, KEI-wetgeving, processueel ondeelbare rechtsverhouding
Auteurs Mr. dr. N. Lavrijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen, naar aanleiding waarvan het maar de vraag is of de exceptio plurium litis consortium in de toekomst nog wel met succes kan worden ingeroepen in een dagvaardingsprocedure wanneer er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Aan het arrest liggen twee redenen ten grondslag: een doelmatige rechtspleging en overeenstemming met de verzoekschriftprocedure. In deze bijdrage wordt aan de hand van de KEI-wetgeving gezocht naar een mogelijke verklaring voor deze koerswijziging van de Hoge Raad. De auteur vindt een mogelijke verklaring in de toekomstige invoering van één uniforme procedure, ingeleid door een procesinleiding.


Mr. dr. N. Lavrijssen
Mr. dr. N. Lavrijssen is docent bij de Juridische Hogeschool Avans-Fontys en medewerker bij het Wetenschappelijk Bureau van Advocaten Familie- & Erfrecht.
Artikel

Delegatie van regelgevende bevoegdheid in België

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Belgisch staatsrecht, Grondwettelijk Hof, delegatie, parlementaire controle
Auteurs J.M.M. Van Nieuwenhove
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur gaat in op de staatsrechtelijke voorwaarden en beperkingen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid in België. Op het eerste gezicht lijkt dit vrij streng geregeld, maar bij nadere beschouwing blijkt dat er in de praktijk toch de nodige ruimte is voor delegatie van regelgevende bevoegdheid. Dit kan ten eerste historisch worden verklaard, omdat de Raad van State en het Grondwettelijk Hof nog niet heel lang bestaan. Ten tweede is het Grondwettelijk Hof bij een flink aantal onderwerpen betreffende delegatie vrijwillig teruggetreden, zodat in die gevallen geen constitutionele toetsing plaatsvindt. Ten derde staat ook het parlement delegatie ruimhartig toe. Dat is waarschijnlijk een bewuste keuze, omdat de hoeveelheid wetgeving die door het parlement moet worden beoordeeld zodanige proporties zou aannemen, dat het parlement zijn controlerende rol in dat opzicht niet langer waar zou kunnen maken. Dit alles doet wel de vraag rijzen wat de toegevoegde waarde is van een uitgebreide theoretische constructie omtrent de toelaatbaarheid van delegatie.


J.M.M. Van Nieuwenhove
J.M.M. (Jeroen) Van Nieuwenhove is staatsraad bij de afdeling wetgeving van de Raad van State in België.
Artikel

Afstemming in de eenentwintigste eeuw: de rol van bewijsvermoedens voor onderling afgestemde feitelijke gedraging door deelname aan online platforms

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2016
Trefwoorden mededingingsrecht, bewijsvermoeden, procedurele autonomie, onderling afgestemde feitelijke gedraging
Auteurs Prof. mr. A. Gerbrandy en T. Binder
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Eturas werd het Hof van Justitie gevraagd om een nadere uitleg te geven aan het begrip ‘afstemming tussen ondernemingen’ in de zin van een onderling afgestemde feitelijke gedraging (art. 101 lid 1 VWEU). Het belang van dit arrest ligt ten eerste in de constatering dat afstemming plaats kan vinden door middel van deelname van ondernemingen aan een online platform beheerd door een derde (niet-concurrerende) partij, en ten tweede in de verdere verfijning van de toelaatbaarheid van bewijsvermoedens; meer specifiek van de grenzen die het onschuldbeginsel daaraan stelt.
    HvJ 21 januari 2016, zaak C-74/14, Eturas UAB e.a./Lietuvos Respublikos konkurencijos taryba, ECLI:EU:C:2016:42.


Prof. mr. A. Gerbrandy
Prof. mr. A. (Anna) Gerbrandy is hoogleraar mededingingsrecht aan de Universiteit Utrecht.

T. Binder
T. (Tom) Binder is student in de master European Law aan de Universiteit Utrecht en als student-assistent verbonden aan het Europa Instituut van die universiteit.
Artikel

Samenwerking tussen inspecties over de grenzen heen: vormen, redenen, uitdaging en strategie

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Europese regelgeving, samenwerken, inspectiediensten, internationaal
Auteurs Prof. dr. Martijn Groenleer
SamenvattingAuteursinformatie

    In vrijwel alle beleidssectoren is sprake van afstemming tussen nationale inspecties over de wijze waarop ze toezicht houden op de uitvoering van Europese regels. In sommige gevallen wordt verregaand Europees samengewerkt tussen inspecties of vindt zelfs centralisering van toezicht plaats op Europees niveau. De vraag is dus niet zozeer of nationale inspecties samenwerken, veel meer in welke vorm ze dat doen en met welke redenen. Deze vragen staan centraal in dit artikel. Het artikel maakt een eerste inventarisatie en classificatie van de institutionele vormgeving van Europese samenwerking en ontwikkelt een voorlopige typologie van de overwegingen die inspectiediensten hebben voor zulke samenwerking.


Prof. dr. Martijn Groenleer
M.L.P. Groenleer is hoogleraar recht en bestuur aan Tilburg University en directeur van het Tilburg Center for Regional Law and Governance (TiREG).

    Dit artikel is voor een groot deel gelijk aan de tekst van de inaugurele rede die de auteur uitsprak op 4 april 2016 bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Mededingingsrecht.


Anna Gerbrandy
Prof. mr. A. Gerbrandy is hoogleraar Mededingingsrecht aan de Universiteit Utrecht. Dit artikel is voor een groot deel gelijk aan de tekst van de inaugurele rede die zij uitsprak op 4 april 2016 bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Mededingingsrecht. Laurens van Kreij wordt hartelijk bedankt voor zijn hulp bij het omwerken van de oratietekst naar deze publicatie.
Artikel

Verzekering verzekerd?

Proefschrift van mr. N. Lavrijssen

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 1 2016
Trefwoorden Interventiewet, noodregeling, afwikkeling, verzekeraars, saneringsmaatregel
Auteurs Mr. A.J.A.D. van den Hurk
SamenvattingAuteursinformatie

    In het proefschrift van mr. N. Lavrijssen worden sanerings- en liquidatiemaatregelen voor verzekeraars behandeld. De gevolgen van de vier beschikbare saneringsmaatregelen voor verzekeraars en het faillissement worden met elkaar vergeleken. Mr. Lavrijssen doet in haar proefschrift een aantal aanbevelingen. In deze bijdrage wordt een aantal van deze aanbevelingen nader besproken.


Mr. A.J.A.D. van den Hurk
Mr. A.J.A.D. van den Hurk is werkzaam als senior regulatory counsel bij Aegon N.V. en als fellow verbonden aan het Instituut voor Financieel Recht, onderdeel van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

De regelgevende bevoegdheid van zelfstandige bestuursorganen, mede in het licht van het EU-recht

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2015
Trefwoorden zelfstandige bestuursorganen, regelgevende bevoegdheid, Europese agencies
Auteurs Mr. J.L.W. Broeksteeg
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel onderzoekt de democratische en rechtsstatelijke inbedding van zbo’s, in het bijzonder ten aanzien van hun regelgevende bevoegdheden en in het licht van de Europese regelgeving over zbo’s. Artikel 124c Ar bepaalt dat regelgevende bevoegdheden uitsluitend aan zbo’s worden toegekend voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft, of indien voorzien is in goedkeuring door de minister. De praktijk is weerbarstiger: een aanzienlijk gedeelte van de zbo’s beschikt over regelgevende bevoegdheden die verder lijken te gaan dan hetgeen artikel 124c Ar bepaalt. Daar komt bij dat zbo’s onder grote EU-invloed staan en langs die weg regelgevende bevoegdheid krijgen toegekend. Zij moeten, op grond van Europese regelgeving, bovendien onafhankelijk zijn van nationale autoriteiten. Het gevolg is een concentratie van bevoegdheden bij deze zbo’s, buiten het bereik van (nationale) parlementaire controle. Deze zbo’s ‘zweven’ tussen het Europese en het nationale bestuur. Beter zou het zijn de fundamentele keuze te maken om de staatsrechtelijke inbedding, de inrichting en de bevoegdheidstoedeling meer over te laten aan de lidstaten, dan wel om deze zbo’s in te richten als (nationale dependances van) Europese agencies. Dan kunnen de zbo’s beter worden ingebed in democratische en rechtsstatelijke structuren.


Mr. J.L.W. Broeksteeg
Mr. J.L.W. Broeksteeg is universitair hoofddocent staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

Regelgeving en beleid door onafhankelijke toezichthouders: de praktijk van ACM

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2015
Trefwoorden Autoriteit Consument & Markt, regelgevende bevoegdheden, zelfstandig bestuursorgaan, onafhankelijk toezicht
Auteurs Mr. J.G. Vegter en Mr. P.I.W.R. Maandag
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage geeft een inkijkje in de dagelijkse praktijk van de ACM. Er wordt beschreven op welke wijze de ACM invulling geeft aan haar wettelijke taken en bevoegdheden om regelgeving en beleid vast te stellen op het gebied van mededinging, consumentenbescherming en sectorspecifiek toezicht op de energie-, telecommunicatie-, post- en vervoersector. Zij heeft hiertoe een aantal wettelijke taken opgelegd gekregen, waaronder het vaststellen van beleidsregels en het maken van marktanalyses, alsmede het voorlichten van consumenten. Daarnaast brengt de ACM handreikingen en visiedocumenten uit, waarmee zij beoogt haar wettelijke doelstellingen en missie te verwezenlijken. Deze zijn niet gebaseerd op een wettelijke taak, maar op de missie en doelstelling van de ACM en zijn dus een meer informele manier om de effectiviteit van het toezicht te vergroten. De auteurs concluderen dat de ACM hierbij onafhankelijk opereert, omdat haar onafhankelijkheid ten opzichte van de verantwoordelijk minister voldoende is geborgd.


Mr. J.G. Vegter
Mr. J.G. Vegter is bestuurslid van ACM.

Mr. P.I.W.R. Maandag
Mr. P.I.W.R. Maandag is als senior jurist werkzaam bij de directie Juridische Zaken van ACM.
Artikel

Onafhankelijkheid en regulerende bevoegdheden van markttoezichthouders in EU-perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2015
Trefwoorden legaliteitsbeginsel, onafhankelijk markttoezicht, zelfstandig bestuursorgaan
Auteurs Prof. dr. S. Lavrijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage staat de vraag centraal of en hoe Europese onafhankelijkheidsvereisten in overeenstemming zijn met het legaliteitsbeginsel en het democratiebeginsel, en of deze beginselen ook op een andere wijze kunnen of moeten worden ingevuld, gelet op de Europese ontwikkelingen inzake markttoezicht. De Europese eisen inzake de onafhankelijkheid van markttoezicht houden enerzijds in dat de toezichthouder onafhankelijk moet zijn en anderzijds dat de toezichthouder ook tot op zekere hoogte onafhankelijk moet zijn van de nationale politiek. Dit laatste element roept de vraag op of zich dat verdraagt met de Nederlandse invulling van het legaliteitsbeginsel, namelijk het primaat van de wetgever. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, omdat zowel het democratiebeginsel als het legaliteitsbeginsel ruimte laat voor een andere invulling dan de traditionele, mits wordt gewaarborgd dat burgers inspraak hebben en dat de autoriteit verantwoording schuldig is aan de rechter. Daarnaast nopen Europese ontwikkelingen bij markttoezicht ook tot een andere invulling.


Prof. dr. S. Lavrijssen
Prof. dr. S. Lavrijssen is hoogleraar consument en energierecht aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Tilburg Law and Economics Center van Tilburg University.
Artikel

Tien jaar Verordening (EG) nr. 1/2003: een succesverhaal zonder meer?

Enkele bedenkingen bij de decentralisatie van de handhaving door Verordening (EG) nr. 1/2003

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2015
Trefwoorden Verordening (EG) nr. 1/2003, decentralisatie, evaluatie
Auteurs Laura Parret en Gerard van der Wal
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteurs bespreken enkele vernieuwingen van Verordening (EG) nr. 1/2003. In deze bijdrage concentreren zij zich op de decentralisatieaspecten: de invoering van de wettelijke uitzondering en de positie van de rechter enerzijds, en de mechanismen van samenwerking met nationale autoriteiten anderzijds. Bij de bespreking wordt geen exhaustief overzicht nagestreefd maar wordt een stand van zaken opgemaakt in het licht van de zorgen die bij de inwerkingtreding van de verordening werden geuit en de doelstellingen die destijds werden geformuleerd.


Laura Parret
Mr. L.Y.M. Parret is advocaat en partner bij Houthoff Buruma.

Gerard van der Wal
Mr. G. van der Wal is advocaat en partner bij Houthoff Buruma.
Toont 1 - 20 van 21 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.