Zoekresultaat: 36 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2012 x Rubriek Article x

    In deze bijdrage wordt op experimentele wijze gezocht naar een antwoord op de vraag wat de rechtvaardiging is van de beperking van de handelingsbekwaamheid van de minderjarige en het het bewind over zijn vermogen. Bij wijze van experiment wordt een fictieve regeling in het leven geroepen, het zogenaamde tachtigplusbewind. Op grond van deze regeling wordt eenieder die de tachtigjarige leeftijd passeert van rechtswege beperkt in zijn handelingsbekwaamheid en verliest hij het bewind over zijn vermogen. Vervolgens wordt de vraag gesteld waarom een dergelijk tachtigplusbewind niet wenselijk is en de bescherminsgmaatregelen die minderjarigen treffen wel. Deze bijdrage is een onderdeel van een breder dissertatieonderzoek met als titel 'Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen.'
    ---
    This contribution seeks, in an experimental manner, to find an answer to the question of what is the justification for restriction on the capacity of the minor and the administration of their assets. By way of experimentation, a fictitious arrangement is created, the so-called ‘eighty-plus-fiduciary-administration’. Under this scheme, anyone who is over the age of eighty will have their legal capacity limited, and lose control of their assets. The question then arises as to why this eighty plus rule is not desirable whilst the protective rules for minors are widely accepted. This contribution is part of a wider dissertation research entitled ‘Minors and (the care of) their assets’.


Mr. Hans ter Haar
Hans ter Haar is a lecturer in notarial law at the University of Groningen.

    This article deals with employee board-level representation (EBLR) in the case of a cross-border merger. Article 16 CBM Directive (Tenth Directive 2005/56/EC) contains a provision to preserve this form of employee participation on national level. One of the fundamental principles of this article is the so called 'before and after principle'. This means that a cross-border merger may not be used to escape from already existing rights on employee participation. This article discusses the role of article 16 CBM Directive in the context of Dutch company law from the point of view of this fundamental principle. I will focus on two aspects: (i) the application of the said article and (ii) the embedding thereof in Dutch company law. This will lead to the conclusion that article 16 CBM Directive does not always protect what it should protect according to its objectives.


mr. Femke Laagland

    Deze bijdrage bevat een naschrift van Mr. mw. D.M.A. Bij de Vaate bij de reactie van H.J.W. Alt op haar artikel ‘Procesrechtelijke bijzonderheden in de ontbindingsprocedure. Deel 2: het bewijsrecht’.


mr. Vivian Bij de Vaate

    Deze bijdrage is een reactie op het artikel ‘Procesrechtelijke bijzonderheden in de ontbindingsprocedure deel 2: het bewijsrecht’ van mr. Vivian Bij de Vaate.


mr. H.J.W. Alt

    In dit artikel wordt aandacht besteed aan duo-moederschap in Nederland vanuit een ontwikkelingspsychologisch/pedagogisch en een juridisch perspectief. Allereerst wordt aandacht besteed aan de huidige juridische situatie en de ontwikkelingen die zich recent daarin hebben voorgedaan. Uit deze bespreking rijst een aantal vragen met betrekking tot de relatie tussen de duo-moeders, het kind en de (on)bekende donor, die vervolgens vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief worden besproken. In het laatste deel van het artikel wordt aandacht besteed aan de voorgestelde wetgeving met betrekking tot de positie van het kind in een gezin met twee moeders, waarbij aan de hand van de ontwikkelingspsychologische bevindingen wordt gekeken naar de kwaliteit van het voorstel.
    ---
    This article focuses upon dual motherhood in the Netherlands from a psychological development/educational and legal perspective. Firstly, attention is paid to the current legal situation and the developments which have recently occurred in this regard. From this, a number of questions arise concerning the relationship between dual mothers, the child and the (un)known donor, which will be discussed from a psychological development perspective. The last part of the article focuses upon the proposed legislation with regard to position of the child in a family with two mothers, examining the quality of the proposal on the basis of the findings concerning psychological development.


Machteld Vonk
Machteld Vonk studied law between 1998 and 2002 at the University of Amsterdam. Following this, she began her PhD at the Molengraaff Institute for Private Law of Utrecht University, under the supervision of Prof. K. Boele-Woelki. Her research looked at the legal relationship between children and non-biological parents from a comparative perspective. In December 2007, she defended her PhD dissertation ‘Children and their parents’ (Intersentia; 2007). From January 2008 until July 2012, she was employed at the Molengraaff Institute as a lecturer/researcher on family law and comparative law. Since 1st July 2012, she has worked in the department of child law of Leiden University as a lecturer/researcher on child law.

Dr. Henny Bos
Henny Bos works as a lecturer at the University of Amsterdam (the department of child development and education and teacher training). Her research concerns gay and lesbian parenthood. She has established a Dutch longitudinal study on this research area, and also participates in an American longitudinal study concerning this subject. From February until the end of June 2012, she was a visiting scholar at the Williams Institute (University of California in Los Angeles).

    Deze studie beoogt empirische inzichten te verschaffen in de socio-juridische context van Vlaamse echtscheidingsovereenkomsten. Meer specifiek: er is empirisch onderzoek verricht naar de determinanten van echtscheidingsakkoorden (ex ante context), alsook naar de effecten die deze regelingen sorteren (ex post context). Door toepassing van de sociaalwetenschappelijke methodologie binnen het familierecht voorziet deze empirische analyse in brede kwantitatieve gegevens die als basis kunnen dienen voor toekomstige beleidsmatige beslissingen. Daarnaast kunnen de empirische bevindingen bijdragen tot de optimalisatie van de redactie van echtscheidingsovereenkomsten.
    ---
    This research aims to provide empirical insights into the socio-legal context of mutual consent divorce agreements. More specifically, this empirical-legal study investigates the determinants of divorce arrangements (i.e. the ex ante context)  as well as the effects of these arrangements (i.e. the ex post context). By using statistical techniques of the social sciences (i.e. regression analysis), this empirical analysis provides in broad quantitative data that serve as a basis for future policy decisions. This article concludes that this empirical findings contribute to the optimization of divorce agreement drafting.


Dr. Ruben Hemelsoen
Ruben Hemelsoen has a doctorate in law, and master’s degrees in law and psychology. He is currently head of student affairs at University College Ghent. Alongside this, the author works as a voluntary researcher at the civil law department of the Faculty of Law of Ghent University.

    Een bekende uitzondering op het uitgangspunt van toezicht in twee feitelijke instanties is het appelverbod bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Krachtens art. 7:685 lid 11 BW kan tegen een ontbindingsbeschikking hoger beroep noch cassatie worden ingesteld. Dit roept vragen op met betrekking tot de rechtsbescherming van werknemers en werkgevers, mede gegeven de eisen die daaraan vanuit art. 6 EVRM gesteld kunnen worden. De auteur onderzoekt of het appelverbod in overeenstemming is met de voornoemde hogere norm en of eventuele misslagen in de ontbindingsbeschikking, ondanks het wettelijk appelverbod, hersteld kunnen worden. Aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden van doorbreking van het appelverbod, herstel, herroeping en het leerstuk van de onrechtmatige rechtspraak. Onderzocht wordt of, en zo ja, voor welke gebreken in de ontbindingsbeschikking en de ontbindingsprocedure deze acties uitkomst kunnen bieden.


mr. Vivian Bij de Vaate
Mw. mr. D.M.A. (Vivian) Bij de Vaate is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    Een procesrechtelijke bijzonderheid in de ontbindingsprocedure van art. 7:685 BW ziet op de niet integrale toepasselijkheid van het wettelijk bewijsrecht van afdeling 9, titel 2 uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens de memorie van toelichting bij de Wet tot herziening van het burgerlijk procesrecht kan de spoedeisendheid van de ontbindingsprocedure zich tegen toepassing van het wettelijke bewijsrecht verzetten. In dit artikel wordt allereerst betoogd dat niet iedere ontbindingsprocedure per definitie spoedeisend is en zich tegen de toepasselijkheid van het wettelijk bewijsrecht verzet en tevens dat in een spoedeisende ontbindingsprocedure onderscheid moet worden gemaakt tussen bewijsregels die wel en die niet aan een spoedige beslissing in de ontbindingsprocedure in de weg staan. Vervolgens onderzoekt de auteur of de ontbindingsprocedure wat betreft de bewijsvoering in overeenstemming is met art. 6 EVRM en het recht van de Europese Unie.


mr. Vivian Bij de Vaate
Mw. mr. D.M.A. (Vivian) Bij de Vaate is als docent/onderzoeker sociaal recht verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    Analysis of recent European and Dutch case-law, dealing with issues of applicable law of international labour contracts.


Prof. Dr. Veerle Mrs. Van Den Eeckhout
Article

Access_open Introduction: Insurance Law and Evolving Sanctions

About a new balance in the mutual obligations of both parties to a contract of insurance and a new system of sanctions

Tijdschrift Erasmus Law Review, Aflevering 2 2012
Auteurs Mop van Tiggele-van der Velde
Auteursinformatie

Mop van Tiggele-van der Velde
Professor of Insurance Law, Erasmus School of Law; and Professor, Radboud University Nijmegen.

J. Han Wansink
Emeritus Professor of Insurance Law, Erasmus University and Leiden University.

Niels Frenk
Professor of Liability- and Insurance Law, VU University Amsterdam.

Herman Cousy
Director, Centre for Risk and Insurance Studies, K.U. Leuven.

Malcolm Clarke
Emeritus Professor of Commercial Contract Law, University of Cambridge.

Helmut Heiss
Dr. iur. (University of Innsbruck), LL.M. (University of Chicago); Professor of Law (University of Zurich); Chairman of the Project Group on a Restatement of European Insurance Contract Law; of counsel, gbf attorneys-at-law, Zurich.

    Since in the Netherlands only about a quarter of the employees is a member of a trade union, collective labour agreements are, in the majority of cases, legally binding not by law (i.e.: trade union members are automatically bound), but only by way of incorporation clauses in the labour contracts of employees. In this way, about 85% of employees is bound by the provisions of a collective labour agreement. The interpretation and application of such clauses have, in legal practise, at least partially a non-contractual character in order to accommodate other interests than the employee's freedom of contract. The author analyses legal practise regarding this matter and concludes that the non-contractual approach of incorporation clauses is under pressure, which threatens the system of collective labour law.


Ronald Mr. Beltzer

Xandra Kramer
Professor at Erasmus School of Law, Erasmus University Rotterdam. This contribution and the editorship of this issue has been made possible with the support of the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) within its Innovational Research Incentives Scheme (VIDI).
Toont 1 - 20 van 36 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.