Zoekresultaat: 16 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift RegelMaat x Jaar 2010 x Rubriek Artikel x
Artikel

Slotakkoord of nieuw begin

Enkele algemene beschouwingen over het nieuwe Koninkrijk

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2010
Trefwoorden Slotverklaring 2 november 2006, Slotverklaring 11 oktober 2006, staatkundige hervorming, wijziging van het Statuut, toekomst van het Koninkrijk
Auteurs Prof. mr. L.F.M. Verhey
SamenvattingAuteursinformatie

    De wijziging van het Statuut die vormt geeft aan de nieuwe verhoudingen binnen het Koninkrijk en alle daarmee verband houdende wetgeving, is op 10 oktober 2010 in werking getreden. De nieuwe verhoudingen zijn gebaseerd op de referenda die op de eilanden zijn gehouden tussen 2000 en 2004 en de afspraken die sinds die tijd tussen de betrokken partijen zijn gemaakt. Met name de twee slotverklaringen van 2006 zijn voor de uitwerking in wetgeving een belangrijke leidraad geweest.


Prof. mr. L.F.M. Verhey
Prof. mr. L.F.M. Verhey is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Maastricht en was in het kader van de staatkundige hervormingen projectleider bij de directie Wetgeving van het ministerie van Justitie.
Artikel

De wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2010
Trefwoorden staatkundige hervormingen, staatkundige vernieuwingen, Statuut voor het Koninkrijk, Antillenproject, wijziging van het Statuut
Auteurs Mr. dr. S. Hillebrink
SamenvattingAuteursinformatie

    De belangrijkste wijzigingen van het Statuut betroffen de samenstelling van het Koninkrijk: Suriname werd in 1975 onafhankelijk, Aruba kreeg in 1986 een status aparte, en nu dus de in 1986 al door velen als onvermijdelijk beschouwde opheffing van de Nederlandse Antillen. Ook deze keer is ervoor gekozen om de hoofdlijnen van het Statuut intact te laten en alleen die wijzigingen door te voeren die noodzakelijk waren om de overeengekomen staatkundige veranderingen te realiseren. Over dit uitgangspunt is de nodige discussie gevoerd in de Staten-Generaal tijdens de behandeling van het wetsvoorstel, naast de vragen waarom de Grondwet niet gewijzigd werd voor de BES-eilanden, wat de betekenis is van de Statuutbepaling over de BES-eilanden (art. 1 lid 2), wat voor geschillenregeling de regering voor ogen heeft (art. 12a en 38a) en wat precies het probleem is met de implementatie van verdragen (art. 27). In deze bijdrage gaat de auteur (kort) op deze onderwerpen in en bespreekt hij twee vragen waarover in de openbare stukken vrijwel niets te vinden is, maar die in de ambtelijke voorbereiding van de Statuutwijziging een rol speelden, namelijk de vraag wie de Antillen opheft, en welke formele rol de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten konden spelen bij de totstandkoming van de rijkswetgeving die op basis van de Slotverklaring van 2006 tot stand zou komen.


Mr. dr. S. Hillebrink
Mr. dr. S. Hillebrink werkt bij de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en was in het kader van de staatkundige hervormingen gedetacheerd bij de directie Wetgeving van het ministerie van Justitie.
Artikel

Consensuswetgeving: een bijzonder concept

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2010
Trefwoorden consensusrijkswet, artikel 38 van het Statuut, onderlinge regeling, Antillenproject, staatkundige hervorming
Auteurs Mw. mr. drs. A.G. van Dijk
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 6 juli 2010 stemde de Eerste Kamer der Staten-Generaal in met tien voorstellen van rijkswet die verband houden met de staatkundige hervorming van het Koninkrijk. Vijf van die voorstellen zijn gebaseerd op artikel 38 lid 2 van het Statuut. Deze grondslag betekent dat het gaat om onderlinge regelingen tussen landen in het Koninkrijk die worden vastgesteld bij rijkswet. Rijkswetten die zijn gebaseerd op genoemde Statuutsbepaling worden ook wel aangeduid als consensusrijkswetten, omdat over deze wetgeving overeenstemming moet bestaan tussen de betrokken landen. In deze bijdrage gaat de auteur op basis van de opgedane ervaringen bij de ambtelijke voorbereiding en tijdens de parlementaire behandeling in op een aantal procedurele en algemene aspecten van de figuur van consensusrijkswetgeving.


Mw. mr. drs. A.G. van Dijk
Mw. mr. drs. A.G. van Dijk is hoofd van de sector Staats- en bestuursrecht bij de directie Wetgeving van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Artikel

Toezicht op naleving van Europese regelgeving in Frankrijk en Duitsland

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2010
Trefwoorden Frankrijk, Duitsland, lagere overheden, toezicht op naleving Unierecht
Auteurs Dr. J.H. Reestman en H. Bosdriesz
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt tegen de achtergrond van de Wet NErpe bekeken hoe in twee nabuurstaten met een belangrijke en invloedrijke constitutionele cultuur, Frankrijk en Duitsland, het centrale toezicht op naleving van Europese Unierecht door lagere overheden c.q. deelstaten is geregeld. Opvallend is dat de federale staat Duitsland wel een algemene, niet specifiek voor het Unierecht geschreven, taakverwaarlozingsregeling kent, terwijl deze in de gedecentraliseerde eenheidsstaat Frankrijk ontbreekt. In Frankrijk wordt de noodzaak van zo’n algemene regeling betwijfeld: een regresrecht zou voldoende zijn om de lagere overheden in te tomen. De Duitse taakverwaarlozingsregeling is praktisch vrijwel onbruikbaar. In plaats van haar inzet te vergemakkelijken, heeft de grondwetgever in 2006 twee regresregelingen ingevoerd.


Dr. J.H. Reestman
Dr. J.H. Reestman is universitair hoofddocent constitutioneel recht aan de Universiteit van Amsterdam.

H. Bosdriesz
H. Bosdriesz LL. B is masterstudent aan Universiteit van Amsterdam.
Artikel

De Wet NErpe: een onmisbare papieren tijger?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2010
Trefwoorden toezicht, taakverwaarlozing, aanwijzing, verhaalsrecht, publieke entiteiten, Europees recht
Auteurs Mr. R.J.M. van den Tweel
SamenvattingAuteursinformatie

    Met de Wet NErpe wordt een instrumentarium geïntroduceerd dat de nodige complicaties en rechtsvragen zal oproepen, omdat een schending van Europees recht vaak niet eenduidig is vast te stellen. Niettemin zal het effectief kunnen bijdragen aan het beoogde tweeledige doel: vooral met het verhaalsrecht beschikt de rijksoverheid over een instrument om te voorkomen dat Nederland financieel nadeel lijdt als gevolg van een schending van Europees recht door een publieke entiteit. Bovendien draagt de dreiging van inzet van dit instrumentarium, óók in de fase voordat de Europese Commissie Nederland heeft aangesproken, bij aan de naleving van het Europese recht.


Mr. R.J.M. van den Tweel
Mr. R.J.M. van den Tweel is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen te Den Haag.
Artikel

De voorgeschiedenis van het wetsontwerp NErpe als bijdrage aan de discussie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2010
Trefwoorden Europees recht, decentrale overheden, taakverwaarlozingsregeling, eigen verantwoordelijkheid, inbreukprocedure
Auteurs Prof. dr. B. Hessel
SamenvattingAuteursinformatie

    In de bijdrage wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het wetsontwerp NErpe en de standpunten van ambtelijke commissies zoals de ICER, koepels van decentrale overheden en beoefenaren van het Europees recht, of de voortschrijdende Europese integratie vraagt om zwaardere toezichtinstrumenten van het rijk op de decentrale overheden. De standpunten hadden met name betrekking op de vraag of de bestaande taakverwaarlozingsregeling uit de Provinciewet en Gemeentewet moet worden uitgebreid om de minister een effectief instrument te geven in geval van een inbreukprocedure door de Commissie. Deze door beoefenaren van het Europese recht bepleite verzwaring stuitte bij koepels en ambtelijke commissies op weerstand omdat zij afbreuk doet aan: (1) de traditionele bestuurlijke verhoudingen in het Huis van Thorbecke; en (2) de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden voor de nakoming van het Europese recht. De twijfel aan de noodzaak van zo’n taakverwaarlozingsregeling werd uiteindelijk na vier jaar weggenomen door het standpunt van het kabinet-Balkenende II. Tegen die achtergrond is de auteur van mening dat het wetsontwerp NErpe te ver doorschiet door de minister niet alleen bij een inbreukprocedure een zelfvoorzieningsrecht te geven, maar ook wanneer decentrale overheden in het algemeen hun Europese verplichtingen niet nakomen. Het Europese beginsel van gemeenschapstrouw benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van decentrale overheden voor het nakomen van Europees recht en hun kritische onafhankelijkheid van het rijk. Die eigen verantwoordelijkheid mag alleen opgeofferd worden in de noodsituatie en onder de tijdsdruk van een inbreukprocedure.


Prof. dr. B. Hessel
Prof. dr. B. Hessel is bijzonder hoogleraar Europees recht en decentrale overheden, wetenschappelijk adviseur van het Kenniscentrum Europa decentraal en redacteur van dit tijdschrift.
Artikel

Meer wetgeving voor het Europese Hof van Justitie

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden Verdrag van Lissabon, wetgevingshandelingen, Europese Hof van Justitie
Auteurs Mr. T.M. de Gans
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Verdrag van Lissabon brengt de nodige wijzigingen voor het Europese Hof van Justitie met zich, die ook van invloed zijn op nationale en EU-regelgeving. In dit artikel worden deze wijzigingen beschreven. De rechtsmacht van het Hof wordt substantieel uitgebreid, maar niet zo ver dat het nationale regelgeving nietig kan verklaren. Naast de uitbreiding van de rechtsmacht zijn de mogelijkheden voor particulieren om in beroep te gaan tegen regelgevingshandelingen van de Europese Unie uitgebreid. Ook de nationale parlementen hebben een beperkte mogelijkheid gekregen om tegen wetgevingshandelingen in beroep te gaan. Voorts kunnen lidstaten eerder een boete of een dwangsom krijgen als zij met hun wetgeving het Unierecht niet naleven.


Mr. T.M. de Gans
Mr. T.M. de Gans is werkzaam bij de afdeling Europees Recht en het Expertisecentrum Europees Recht (ECER) van de Directie Juridische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken. tom-de.gans@minbuza.nl
Artikel

Nationale parlementen en Europese wetgeving

De Staten-Generaal als de Raad van State van Europa

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden nationale parlementen, Europese wetgeving, subsidiariteit, wetgevingsproces
Auteurs Dr. mr. Ph. Kiiver
SamenvattingAuteursinformatie

    Uit de empirische praktijk blijkt dat het Nederlandse parlement in het kader van de Europese subsidiariteitscontrole een functie uitoefent die sterk lijkt op de rol van de Raad van State binnen Nederland. Het parlement geeft een wetgevingsadvies dat voor de Europese instellingen weliswaar niet absoluut bindend is, maar waarop zij verplicht zijn om te wachten voordat zij het wetgevingsproces voortzetten. Bezwaren van nationale parlementen kunnen weliswaar niet tot amendement of intrekking van een Europees wetsvoorstel verplichten, maar kunnen een hermotivering uitlokken.


Dr. mr. Ph. Kiiver
Dr. mr. Philipp Kiiver is universitair hoofddocent Europees en vergelijkend constitutioneel recht aan de Universiteit Maastricht/Montesquieu Instituut Maastricht. philipp.kiiver@maastrichtuniversity.nl
Artikel

Delegeren is een kwestie van vertrouwen

De nieuwe EU-delegatiesystematiek onder het Verdrag van Lissabon

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 4 2010
Trefwoorden comitologie, Europese Unie, delegatie, uitvoeringsregels
Auteurs Prof. dr. W.J.M. Voermans
SamenvattingAuteursinformatie

    Het artikel betreft de betekenis van de nieuwe delegatiesystematiek van het Verdrag van Lissabon (artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, verder: VWEU). Het is goed dat er een structuur is gekomen die het verouderde systeem van artikel 202 EG-Verdrag vervangt, ook al blijven er vragen over de verhouding tussen handelingen onder artikel 290 en 291 VWEU. Zoals de vraag wat een verstandige manier is om de lidstaten te betrekken bij de door de Commissie in delegatie vast te stellen regels (comitologie) of de vraag of de overdracht van bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen met een algemene strekking ook een handeling is die door artikel 290 VWEU wordt bestreken. Het zijn lastige vragen maar ook institutioneel betwiste vraagstukken. Er loert daarmee een groter gevaar op de achtergrond: de verschillen van inzicht tussen het Europees Parlement, de Commissie en de Raad over de wijze waarop controle moet worden uitgeoefend over het vaststellen van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Het dreigt een onder-boven-spel te worden tussen de Raad en het Europees Parlement, waartussen de Commissie (weer eens) vermalen zou kunnen worden. Zeker als de Raad de comitologiereflex niet weet te onderdrukken en het Europees Parlement in alle gedane voorstellen het comitologiespook meent te herkennen, kan dat verlammend gaan werken op de effectiviteit en slagvaardigheid bij het vaststellen van gedelegeerde regels. Misschien is ook hier, net als in andere EU-beleidsdomeinen, eerst een goede crisis nodig voordat we weer verder kunnen komen.


Prof. dr. W.J.M. Voermans
Prof. dr. W.J.M. Voermans is hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden en rector van de Europese academie voor Recht en Wetgeving. w.j.m.voermans@law.leidenuniv.nl
Artikel

Maatschappelijk ondernemen en toezicht op publieke belangen in de zorg?

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden toezicht NZA, maatschappelijke onderneming, herdefiniëren publiek belang
Auteurs prof. mr. J.G. Sijmons
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zorg ligt bij de NZa het toezicht op de publieke belangen. Deze toezichtfunctie staat ten onrechte onder druk. Evenmin als op de zorgverzekeringsmarkt – de ‘countervailing power’ van de zorgverleningmarkt – is voor het bewaken van publieke belangen de rechtsvorm van de ‘maatschappelijke onderneming’ nodig. In recente evaluaties van de Zorgverzekeringswet en de Wet marktordening gezondheidszorg kwam naar voren dat beide wetten nog niet de verwachtingen waarmaken, o.a. vanwege een beperkte regierol van de zorgverzekeraar, respectievelijk te weinig sturing en toezicht door de NZa richting marktwerking. Een gewijzigde, maar reeds in de wet besloten liggende taakopvatting voor minister van VWS en NZa zou de transitie over dit gevaarlijke dode punt kunnen heen tillen.


prof. mr. J.G. Sijmons
Prof. mr. J.G. Sijmons is bijzonder hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Utrecht en advocaat te Zwolle. j.g.sijmons@nysingh.nl
Artikel

Naar een effectief toezicht op de woningcorporaties

Balanceren tussen staat en markt

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden woningcorporaties, toezicht, diensten van algemeen economisch belang, extern en intern toezicht, toezichthouder voor de corporatiesector
Auteurs mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen en D. Özmis
SamenvattingAuteursinformatie

    Woningbouwcorporaties zijn hybride organisaties die opereren op het snijvlak tussen staat en markt. Vanwege hun hybride status vallen zij tussen het wal en schip wat betreft toezicht en controle. Enerzijds vertoont het publiekrechtelijk toezicht door de minister van Wonen Wijken en Integratie en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting hiaten. Anderzijds zijn de corporaties beperkt onderhevig aan de tucht van de markt. Woningcorporaties kampen momenteel met een slecht imago dat zij hebben gekregen doordat verschillende corporaties waren betrokken bij omstreden projecten. Ook is een beeld ontstaan dat de maatschappelijke prestaties van de corporaties inzake de realisatie en verhuur van sociale woningen ondermaats zijn. Inmiddels zijn vele rapporten verschenen over het functioneren van de woningcorporaties. Een rode draad in deze rapporten is, dat het publiekrechtelijk toezicht op de corporaties niet transparant en effectief is geregeld. Bovengenoemde ontwikkelingen en de imagoschade hebben de roep om een steviger extern publiekrechtelijk toezichtkader verhevigd, niet in de laatste plaats vanuit de sector zelf. Oud-minister van der Laan heeft inmiddels voorstellen gedaan tot aanscherping van het toezicht op de corporaties, inclusief de oprichting van een nieuwe toezichthouder voor de corporatiesector. Dit artikel beziet op kritische wijze of het voorstel van de oud-minister zal bijdragen aan een transparanter en effectiever toezicht op de woningcorporaties.


mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen
Mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen is universitair hoofddocent economisch publiekrecht bij het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht. s.a.c.m.lavrijssen@uu.nl

D. Özmis
D. Özmis rondt momenteel de master Recht en onderneming af en is als student-assistent verbonden aan het Europa Instituut.
Artikel

Toezicht op het bijzonder onderwijs

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2010
Trefwoorden bijzonder onderwijs, intern en extern toezicht, verticaal en horizontaal toezicht, (quasi)bestuurlijk toezicht, maatschappelijke onderneming
Auteurs prof. mr. P.J.J. Zoontjens
SamenvattingAuteursinformatie

    Wat is de staat en de toekomst van het toezicht in het onderwijs? In deze bijdrage wordt nader ingegaan op het karakter van het toezicht in voornamelijk het bijzonder onderwijs en op de verschuivingen en veranderingen die daarbij zijn te onderkennen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen onderwijstoezicht en (quasi)bestuurlijk toezicht, verticaal en horizontaal toezicht en intern en extern toezicht. Geconcludeerd kan worden dat het verticale toezicht afneemt ten gunste van het horizontale toezicht. Als beloning voor bewezen kwaliteit van het onderwijs en de bestuurlijke professionaliteit en financiële betrouwbaarheid van de school kan het inspectietoezicht terughoudend worden vormgegeven. Er vindt ook een belangrijke verschuiving plaats van extern naar intern toezicht. De regels in de onderwijswetgeving inzake goed bestuur binden de bijzondere instellingen aan het doel van scheiding van bestuur en toezicht in de interne verhoudingen van de organisatie, maar laten hen in hoge mate vrij om aan deze scheiding concreet vorm te geven. Het is overigens afwachten of de versterkte nadruk op intern toezicht zal blijken te werken. Naar verwachting zal de eventuele regeling inzake de Maatschappelijke Onderneming in het Burgerlijk Wetboek maar beperkte betekenis hebben voor het onderwijs. Scholen moeten er niettemin vrij voor kunnen kiezen. Het toezicht kan in een quasi markt, welke het stevig publiekrechtelijk gefundeerde bekostigde onderwijs is, soms de schijn van markttoezicht krijgen, maar voorlopig is het niet meer dan dat. Uiteindelijk zou het systeem van accreditatie in het hoger onderwijs op termijn nog het meest met markttoezicht in verband kunnen worden gebracht, maar dan moet wel aan een aantal feitelijke voorwaarden worden voldaan die zich nu nog niet aandienen.


prof. mr. P.J.J. Zoontjens
Prof. mr. P.J.J. Zoontjens is bijzonder hoogleraar onderwijsrecht aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Onderwijsraad. p.j.j.zoontjens@uvt.nl
Artikel

Over (het belang van) feitenonderzoek bij de voorbereiding en evaluatie van wetgeving

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 2 2010
Trefwoorden feitenonderzoek, wetgeving, voorbereiding wetgeving, evaluatie wetgeving
Auteurs Prof. dr. F.L. Leeuw, Drs. F. F. Willemsen en Mr. W.M. de Jongste
SamenvattingAuteursinformatie

    Welke feitenverzamelingen spelen bij het voorbereiden en het evalueren van beleid en wetgeving? Deze vraag wordt vanuit de beschrijving van een vijftal cases beantwoord. De voorbeelden laten zien hoe belangrijk feiten zijn bij het besluiten over beleidsinterventies en bestuurlijke maatregelen, respectievelijk bij het evalueren van beleid en wetgeving. In lijn met recente beschouwende studies over de functie van empirisch onderzoek voor juristen kan een drietal vormen van empirisch, op de vinding van feiten (en verklaringen) gericht onderzoek worden onderscheiden: het beschrijvend onderzoek, het verklarend (‘evaluatief’) onderzoek en het empirisch onderzoek, dat is gericht op het ontwerpen van (nieuwe) juridische constructies. Ten slotte worden enkele aanbevelingen voor het universitair onderwijs en de Academie voor Wetgeving gedaan.


Prof. dr. F.L. Leeuw
Prof. dr. F.L. Leeuw is hoogleraar Recht, openbaar bestuur en sociaalwetenschappelijk onderzoek aan de Universiteit Maastricht en Directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie.

Drs. F. F. Willemsen
Drs. F. Willemsen is senior projectbegeleider bij het WODC.

Mr. W.M. de Jongste
Mevrouw mr. W.M. de Jongste is teamleider groot onderzoek bij het bureau Nationale ombudsman.
Artikel

Recht op het doel af?

Over nut en noodzaak van ex-anteanalyses bij de totstandbrenging van wetgeving

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 2 2010
Trefwoorden ex-anteanalyse, ex-ante-evaluatie, totstandbrenging wetgeving, wettelijke instrumenten, doeltreffendheid
Auteurs Dr. C.M. Klein Haarhuis
SamenvattingAuteursinformatie

    Met behulp van concrete voorbeelden wordt getoond dat ex ante doordenken van de verhouding tussen wettelijke instrumenten en de beoogde doelen de opbrengsten van wetgeving kan vergroten en op eventuele kosten achteraf kan besparen. Ook worden stappen aangereikt voor het zelf maken of tussentijds evalueren van een beleidslogica.Ook al is een wet juridisch dichtgetimmerd, politiek waterdicht en wordt deze ook nog eens accuraat uitgevoerd, als de basisveronderstellingen over hoe de gekozen en uitgewerkte interventies zullen uitwerken op de doelgroep(en) niet kloppen, wordt doeltreffendheid een onhaalbare kaart.Deze bijdrage is bedoeld om het instrumentele denken ‘in the spotlight’ te zetten en een even belangrijke plaats te geven als juridische en politieke rationaliteit. Dat maakt de dilemma’s waar de wetgevingsjurist zich mee geconfronteerd ziet in de afstelling van het instrumentarium, er zeker niet kleiner op. Voor de uiteindelijke doelbereiking van veel wetgeving en het kunnen trekken van lessen blijft het echter zaak om het (vaak lange) pad van middel tot doel zo goed mogelijk te doorgronden. Binnen juridische en politieke grenzen kunnen zo de meest effectieve (of minst ineffectieve) instrumenten worden gekozen.


Dr. C.M. Klein Haarhuis
Mevrouw dr. C.M. Klein Haarhuis is onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie (e-mail: c.m.klein@minjus.nl).
Artikel

De rechter als regelgever

Over rechtersregelingen en rechtsvorming door de (bestuurs)rechter

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2010
Trefwoorden rechtersregeling, rechtsvorming, rechterlijk beleid, beleidsruimte, interpretatieruimte
Auteurs Mr. dr. J.C.A. de Poorter
SamenvattingAuteursinformatie

    De rechter voert in zekere zin beleid wanneer hij het recht bedrijft. Dit beleid is vaak neergelegd in niet als zodanig voor de rechtsgemeenschap kenbare, richtinggevende afspraken. De rechtsgemeenschap komt die slechts op het spoor door het bestuderen van de jurisprudentie. In andere gevallen neemt het beleid echter de vorm aan van in voor de rechtsgemeenschap kenbare beleidsregels, neergelegde afspraken. Vanuit rechtsstatelijke optiek zijn dergelijke rechtersregelingen niet zonder meer problematisch. Zeker niet waar de rechter enige beleidsruimte wordt gelaten. Wel vergt het openbaar maken van rechtersregelingen telkens een afweging van belangen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tegenover het belang van de individuele rechtsbedeling. Wanneer de rechter niet over beleidsruimte, maar over enige mate van interpretatieruimte beschikt, lijkt een rechtersregeling minder aangewezen. De rechter spreekt in dergelijke gevallen door middel van zijn uitspraken.


Mr. dr. J.C.A. de Poorter
Mr. dr. J.C.A. de Poorter is raadadviseur bij de Raad van State. J.dePoorter@RaadvanState.nl
Artikel

De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatsrechtelijk perspectief

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2010
Trefwoorden rechtseenheid, uniforme rechtstoepassing, rechtspraak, rechterlijke organisatie
Auteurs Prof. mr. P.P.T. Bovend’Eert
SamenvattingAuteursinformatie

    De totstandkoming van de nieuwe kantonrechtersformule in 2008 riep de vraag op of de rechter deze regeling inzake de hoogte van ontslagvergoedingen niet beter aan de wetgever kan laten. Rechtersregelingen zijn nog altijd omstreden vanuit een constitutioneel perspectief bezien. Onduidelijk is of het positieve (constitutionele) recht voldoende grondslag biedt voor dit optreden van de rechter als quasiwetgever. Daarnaast is het de vraag wie rechtersregelingen mogen vaststellen, in hoeverre zij bindend zijn en op welke onderwerpen zij betrekking kunnen hebben. Op deze vragen wordt in deze bijdrage nader ingegaan.


Prof. mr. P.P.T. Bovend’Eert
Prof. mr. P.P.T. Bovend’Eert is hoogleraar Staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. P.BovendEert@jur.ru.nl
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.