Zoekresultaat: 5 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht x Jaar 2011 x Rubriek Artikel x
Artikel

Eén jaar Wabo-jurisprudentie

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2011
Trefwoorden Wabo, Jurisprudentie, één jaar, Knelpunten
Auteurs Mr. J.R. van Angeren en Mevr. mr. V.M.Y. van ‘t Lam
SamenvattingAuteursinformatie

    De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is op dit moment iets meer dan een jaar in werking. Voor de auteurs vormde dat een reden om terug te blikken op één jaar ‘Wabo’-ervaring. Wat zijn tot nu toe de ervaringen met de Wabo; in het bijzonder wat zijn tot nu toe opvallende of van belang zijnde uitspraken over de Wabo? De conclusie is dat een jaar nadat de Wabo in werking is getreden er veel voorlopige voorzieningen zijn gewezen waarin de Wabo aan de orde is. Veel van die zaken gaan over het overgangsrecht en handhaving. Er zijn weinig uitspraken gewezen over omgevingsvergunningen die zien op verschillende van de in artikel 2.1 en 2.2 Wabo genoemde activiteiten, terwijl de doelstelling van de Wabo nu juist was dergelijke vergunningen mogelijk te maken. Er zijn over diverse onderwerpen uitspraken gewezen waarin bepaalde aspecten – bijvoorbeeld aspecten die voor de inwerkingtreding van de Wabo onduidelijk waren – nader worden uitgelegd. Ook zijn bepaalde in de literatuur genoemde knelpunten van de Wabo in jurisprudentie (al dan niet geheel) opgelost, zoals het belanghebbendebegrip en de vraag wat onder onlosmakelijke samenhang moet worden verstaan. Niet alle in de literatuur gesignaleerde knelpunten over de Wabo zijn in jurisprudentie opgelost, zoals de vraag hoe het begrip project moet worden uitgelegd. De auteurs wachten met spanning af op de contouren van de nieuwe Omgevingswet.


Mr. J.R. van Angeren
Mr. J.R. van Angeren is advocaat en partner bij Stibbe.

Mevr. mr. V.M.Y. van ‘t Lam
Mevr. mr. V.M.Y. van ’t Lam is advocaat bij Stibbe en lid van de redactie van TO.
Artikel

Herontwikkeling van stortplaatsen

Kansen en belemmeringen vanuit milieurechtelijk perspectief

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2011
Trefwoorden stortplaats, Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, bodemverontreiniging, herontwikkeling
Auteurs Mr. drs. M.A. de Groote
SamenvattingAuteursinformatie

    Er zijn twee soorten stortplaatsen in Nederland, namelijk voormalige stortplaatsen en stortplaatsen die vallen onder de reikwijdte van de Wet milieubeheer (Wm). Een stortplaats die op of na 1 september 1996 in gebruik was of is, valt onder de nazorgregeling van de Wm; overige stortplaatsen zijn voormalige stortplaatsen.Thans worden bijna uitsluitend voormalige stortplaatsen herontwikkeld. Bij de beheersing van bodemverontreiniging van dergelijke stortplaatsen wordt gebruik gemaakt van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit lijkt in de praktijk te werken, maar recente rechtspraak noopt tot aanpassing van de wet. De nazorgregeling uit de Wm gaat uit van een actieve nazorg en legt de verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische situatie na sluiting van de stortplaats bij de provincie. Bij herontwikkeling van Wm-stortplaatsen moet er zijn voldaan aan diverse verplichtingen die de Wm voorschrijft. Dat maakt herontwikkeling van Wm-stortplaatsen ingewikkelder dan herontwikkeling van voormalige stortplaatsen. Overheden kunnen door meerdere maatregelen herontwikkeling van beide soorten stortplaatsen vergemakkelijken.


Mr. drs. M.A. de Groote
Mr. drs. M.A. (Michiel) de Groote is werkzaam als advocaat in dienst van de gemeente Amsterdam (directie Juridische Zaken).
Artikel

Naar meer flexibiliteit in het omgevingsrecht: het compensatiebeginsel centraal?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden compensatiebeginsel, integrale belangenafweging, programmatische aanpak
Auteurs Mr. H.D. Tolsma
SamenvattingAuteursinformatie

    Het huidige stelsel van het omgevingsrecht is regelmatig doelwit van kritiek: te complex en te star. De minister van Infrastructuur en Milieu is voornemens om in het voorjaar van 2012 met een uitgewerkt wetsvoorstel te komen om deze problemen op te lossen. Flexibelere regelgeving is een van de vertrekpunten bij het opbouwen van deze ‘Raamwet omgevingsrecht’. In deze bijdrage wordt bezien welke rol het compensatiebeginsel kan vervullen om te komen tot de gewenste flexibiliteit. De achtergrond van het compensatiebeginsel komt aan bod. Verder wordt ter illustratie van het compensatiebeginsel de regeling uit de Richtlijn luchtkwaliteit, de Kaderrichtlijn water, de Interimwet stad- en milieubenadering en de Crisis- en herstelwet beschreven. Tot slot wordt ingegaan op een aantal juridische vraagstukken rond het compensatiebeginsel. Blijken zal dat de toepassing van het compensatiebeginsel het bestuur meer manoeuvreerruimte kan bieden om belangen af te wegen en prioriteiten te stellen. De verwachtingen over de flexibiliteit in de regelgeving moeten vanwege de vereiste juridische waarborgen (zoals rechtszekerheid, evenredigheid en rechtsbescherming) evenwel niet te hoog gespannen zijn.


Mr. H.D. Tolsma
Mr. H.D. (Hanna) Tolsma is als postdoconderzoeker verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen en werkt aan een door NWO gefinancierd onderzoek: ‘De omgevingsvergunning met integrale belangenafweging: een verkenning van de juridische mogelijkheden’.
Artikel

Interbestuurlijk toezicht ‘nieuwe stijl’ een stap dichterbij: voorlopig nog dubbel toezicht op gemeentelijke planologische besluiten

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden interbestuurlijk toezicht (IBT), reactieve aanwijzing (RA), beroep, schorsing en vernietiging, indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, toezichthouder, bestuursorgaan
Auteurs Mr. dr. H.J. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt ingegaan op de betekenis van het in mei 2010 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel Wet revitalisering generiek toezicht (Wrgt) voor het toezicht door Rijk en provincies op gemeentelijke planologische besluiten. Met de Wrgt worden een herijking en revitalisering van klassieke toezichtinstrumenten uit de Provincie- en Gemeentewet beoogd, namelijk het schorsings- en vernietigingsrecht en de indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing. Deze gemeentelijke planologische besluiten betreffen bestemmingsplannen en bepaalde omgevingsvergunningen en projectuitvoeringsbesluiten. In afwijking van de uitgangspunten van het wetsvoorstel blijft voorlopig nog dubbel toezicht – dus van Rijk en provincies – op deze gemeentelijke planologische besluiten bestaan. Daarbij hebben de toezichthouders van Rijk en provincie de beschikking over een specifiek toezichtinstrument, namelijk de reactieve aanwijzing. Bovendien kunnen deze toezichthouders beroep bij de bestuursrechter instellen als alternatief voor het geven van een reactieve aanwijzing. Het is echter de vraag of een provinciale toezichthouder ook van dat beroepsrecht gebruik kan maken wanneer het een gemeentelijk planologisch besluit betreft voor een project dat valt onder de Crisis- en herstelwet. Artikel 1.4 Chw lijkt aan het instellen van beroep in de weg te staan. De vraag is hoe deze instrumenten zich verhouden tot het generieke schorsings- en vernietigingsrecht en op welke wijze toezichthouders met deze instrumenten zouden moeten omgaan. Ook wordt stilgestaan bij de vraag welke toezichthouder bevoegd is tot indeplaatsstelling over te gaan wanneer een gemeentebestuur in verzuim blijft tijdig een bestemmingsplan te actualiseren en er dus sprake is van taakverwaarlozing.


Mr. dr. H.J. de Vries
Mr. dr. H.J. (Henk) de Vries is beleidsadviseur bij de afdeling Bestuur en Juridische Zaken van de provincie Utrecht en voorzitter van de redactie van TO.
Artikel

Lsp in het omgevingsrecht en de Awb

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden Afdeling 4.1.3.3 Awb, lex silencio positivo, positieve fictieve beschikking, omgevingsvergunning van rechtswege
Auteurs Mr. dr. K.J. de Graaf en H.A. Komduur
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn op 28 december 2009 kent de Awb een regeling waardoor een toestemming van rechtswege wordt geacht te zijn verleend in het geval niet tijdig wordt beslist op een aanvraag. Deze regeling doet zich ook gevoelen in het omgevingsrecht. Zo geldt de zogenaamde lex silencio positivo per 1 oktober 2010 voor elke aanvraag voor een omgevingsvergunning waarop de reguliere procedure van toepassing is. De regeling is mede het gevolg van de wens van de overheid om de burger binnen de wettelijke beslistermijn rechtszekerheid te bieden over zijn aanvraag. Het systeem van fictieve positieve besluiten zou daarom op zoveel mogelijk toestemmingsstelsel van toepassing moeten zijn. In deze bijdrage staat allereerst centraal voor welke toestemmingsstelsels het systeem van de lex silencio positivo geldt. Vervolgens worden de juridische haken en ogen van de regeling besproken en wordt ingegaan op de vraag of de betrokken burgers rechtszekerheid ontlenen aan een van rechtswege verleende vergunning.


Mr. dr. K.J. de Graaf
Mr. dr. K.J. (Kars) de Graaf is verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen als universitair hoofddocent.

H.A. Komduur
H.A. (Hilde) Komduur is verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen als student-assistent.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.