Zoekresultaat: 24 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2012 x Rubriek Artikel x
Artikel

Twitter tijdens flitscrises

Een onderbenut potentieel?

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 4 2012
Trefwoorden Twitter, flash crises, crisis communication, Moerdijk, social media
Auteurs Jelle Groenendaal, Martine de Bas en Ira Helsloot
SamenvattingAuteursinformatie

    By pointing to the immense use of Twitter by citizens during crises, communication experts argue that governments should participate more actively on Twitter during crises. Until now, however, little empirical research has been conducted to validate this claim. This article aims at validating this claim and putting forward building blocks for an evidence-based vision on the use of Twitter by governments during flash crises, i.e. large-scale incidents that occur unexpectedly and immediately. The authors analysed 52.806 tweets sent by citizens and governments during a large-scale industrial fire in Moerdijk (2011). They looked at the content of the tweets and sorted them into fourteen categories. The results show that most of the tweets sent by citizens contained no new or relevant information for governments. In addition, the tweets sent by governments were totally ‘snowed under’ in the huge stream of tweets from citizens. Consequently, the tweets sent by governments were very little re-tweeted by Twitter users. The authors conclude that the Moerdijk case does not show a need for a more proactive role of governments on Twitter.


Jelle Groenendaal
Jelle Groenendaal MSc is onderzoeker bij Crisislab en promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen. E-mail: j.groenendaal@crisislab.nl

Martine de Bas
Martine de Bas MSc is adviseur crisisbeheersing en veiligheid bij de gemeente Papendrecht. E-mail: EM.de.bas@papendrecht.nl

Ira Helsloot
Prof. dr. Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit Nijmegen en voorzitter van stichting Crisislab. E-mail: i.helsloot@crisislab.nl
Artikel

Fysieke belasting van brandweerwerk in relatie tot gezondheid, fitheid en inzetbaarheid van brandweermensen

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 4 2012
Trefwoorden firefighting, physical demands, health and fitness, deployability, active recovery, physical safety
Auteurs Eric Mol, Ronald Heus, Ron van Raaij e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Based on state-of-the-art scientific knowledge, this article reviews the physical aspects of firefighting in relation to physical safety. Firefighting is known to be one of the most demanding occupations. Based on the ‘Occupational Demands Model’ the (physical) strain of firefighting is described. The physical demands of firefighting are determined by a combination of firefighting-specific efforts, the use of personal protective equipment and enviromental and climatological conditions. The effects on the firefighter depend on his/her health and fitness status as well as on his/her hydration and nutrition status and influences the repressive job performance. If the demands and the effects are not in balance, personal safety, health and effectivity of the firefighter’s deployment are in jeopardy and hence his/her physical safety. In the second part of the paper, the relationship between the physical demands of firefighting and health, fitness and deployability of firefighters are described. Finally, a method of maintaining deployability prior to, during and post firefighting activities or training through active recovery is described to improve the preparedness of the individual firefighter.


Eric Mol
Drs. Eric Mol is als docent/onderzoeker verbonden aan het Instituut Sport en Bewegingsstudies (ISBS) van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). E-mail: eric.mol@han.nl

Ronald Heus
Drs. Ronald Heus is senior onderzoeker bij het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV).

Ron van Raaij
Drs. Ron van Raaij is als bedrijfsarts/duikerarts werkzaam bij Bedrijfsartsen5 Zuidwest.

Ricardo Weewer
Dr. ir. Ricardo Weewer is lector Brandweerkunde aan de Brandweeracademie van het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV).

George Havenith
Prof. dr. George Havenith is hoogleraar Environmental Physiology and Ergonomics en directeur van het Environmental Ergonomics Research Centre, Loughborough University (UK)
Artikel

Duurzame rechtspleging

Doorlichten van conflictoplossingssystemen op duurzaamheid, en: hoe komt herstelrecht uit de bus?

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden sustainable justice, conflict resolutions, conflict managment styles
Auteurs Alexander F. de Savornin Lohman
SamenvattingAuteursinformatie

    The author analyses and compares several distinct models of doing justice to find out which is serving ‘sustainable justice’ the best. Sustainable justice could be defined as justice that produces conflict resolutions that last for a long time and in this way contribute to a more sustainable society. Modern developmental methods for organisations make use of assessments to measure, compare and improve the effectiveness of organizational cultures. These methods are used in this contribution to analyse the organizational cultures of mediation, the traditional accusatorial (penal) procedure, problem-solving courts (with a focus on drug courts) and restorative justice conferencing. The comparison results in conclusions indicating that mediation and problem solving courts have a sound and effective organizational culture, due to healthy conflict management styles, characterized by managing both opposition and competition constructively and by a stimulating person-oriented focus. Restorative justice conferences bring together many stakeholders in a conflict and its resolution and facilitates in this way the awareness of the connections between many problems behind the actual conflict at hand: for this reason the resolutions may have a deeper societal impact and a greater sustainability.


Alexander F. de Savornin Lohman
Alexander F. de Savornin Lohman was veertig jaar advocaat. Hij ontwikkelde het concept duurzame rechtspleging en is als juridisch adviseur en inspirator werkzaam in het door hem opgerichte Center for Sustainable Justice te Utrecht (www.dynalaw.nl).
Artikel

De Seveso III Richtlijn; deel drie in de strijd tegen zware industriële ongevallen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8/9 2012
Trefwoorden Seveso, BRZO, gevaarlijke stoffen, ongevallen, preventie, inspectie, handhaving
Auteurs Mr. A. van Rossem
SamenvattingAuteursinformatie

    Eind juni 2012 is de nieuwe Europese Richtlijn 2012/18/EU aangenomen betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad, kortweg de Seveso III Richtlijn.1x PbEU 2012, L 197/1. De Seveso III Richtlijn vervangt per 1 juni 2015 de huidige Seveso II Richtlijn (96/82/EG).2x Richtlijn 96/82/EG betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, PbEG 1997, L 10/13. De vervanging van de bestaande richtlijn is primair ingegeven door de noodzaak aansluiting te zoeken bij de nieuwe gevarenclassificatie ingevolge Verordening 2008/1272/EG betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.3x PbEU 2008, L 353/1. Enige informatie over deze verordening is te vinden op <rivm.nl> onder 'gevaarsindeling' en <agentschap.nl> onder 'onderwerpen', 'eu'. Zie voorts het rapport van SIRA Consulting 'Nederlands onderzoek naar de gevolgen van de CLP verordening voor het Nederlandse bedrijfsleven' d.d. 11 maart 2008. Deze verordening staat bekend als de CLP Verordening (Classification, Labelling and Packaging). In deze bijdrage ga ik in op deze en andere belangrijke wijzigingen en zal ik de implicaties voor de Nederlandse praktijk aanstippen. Dat de preventie van zware industriële ongevallen ook in Nederland nog altijd actueel is, moge blijken uit de brand bij het Seveso (BRZO) bedrijf Chemie-Pack op het industrieterrein Moerdijk in januari 2011.4x Zie hierover o.m. het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid 'Brand bij Chemie-Pack te Moerdijk' van februari 2012 (verkrijgbaar op <www.onderzoeksraad.nl>). Deze brand heeft niet alleen grote gevolgen gehad voor omwonenden in de verre omtrek, maar heeft ook aanzienlijke milieuschade veroorzaakt.

Noten

  • 1 PbEU 2012, L 197/1.

  • 2 Richtlijn 96/82/EG betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, PbEG 1997, L 10/13.

  • 3 PbEU 2008, L 353/1. Enige informatie over deze verordening is te vinden op <rivm.nl> onder 'gevaarsindeling' en <agentschap.nl> onder 'onderwerpen', 'eu'. Zie voorts het rapport van SIRA Consulting 'Nederlands onderzoek naar de gevolgen van de CLP verordening voor het Nederlandse bedrijfsleven' d.d. 11 maart 2008.

  • 4 Zie hierover o.m. het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid 'Brand bij Chemie-Pack te Moerdijk' van februari 2012 (verkrijgbaar op <www.onderzoeksraad.nl>).


Mr. A. van Rossem
Mr. A. van Rossem is advocaat bij NautaDutilh.
Artikel

‘Hij schreef dat hij contact op zou nemen zodra hij de tegenpartij had gesproken’: letselschadeslachtoffers over hun belangenbehartiger

Empirisch onderzoek brengt vijf belangrijke factoren voor waardering belangenbehartiger aan het licht

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 3 2012
Trefwoorden afwikkelingsproces, beleving van slachtoffer, kwaliteit belangenbehartiger, communicatie, procedurele rechtvaardigheid, empowerment, professionalisering, digitaal behandelplan
Auteurs Drs. N.A. Elbers, Mr. K.A.P.C. van Wees en Prof. mr. A.J. Akkermans
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage doet verslag van een kwalitatief empirisch onderzoek onder letselschadeslachtoffers naar hun ervaringen met hun belangenbehartiger. Er werden 21 slachtoffers geïnterviewd, zowel tevreden als ontevreden met hun belangenbehartiger en zowel met licht als met zwaarder letsel. Uit de interviews komen vijf factoren naar voren die belangrijk blijken te zijn voor de waardering van slachtoffers voor hun belangenbehartiger: communicatie, empathie, daadkracht, onafhankelijkheid en deskundigheid. Deze factoren worden geïllustreerd met citaten uit de interviews, toegelicht en besproken. Zij lijken solide aanknopingspunten te kunnen bieden voor het kwaliteitsbeleid van belangenbehartigers en hun organisatie. Afgerond wordt met een oproep tot professionalisering van de interactie met de cliënt en het benutten van veelbelovende mogelijkheden die het internet biedt voor empowerment.


Drs. N.A. Elbers
Mevrouw drs. N.A. Elbers is psycholoog en onderzoeker aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam en verbonden aan het Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht (IGER) van VU en VU medisch centrum.

Mr. K.A.P.C. van Wees
Mr. K.A.P.C. van Wees is universitair docent privaatrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en verbonden aan het Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht (IGER) van VU en VU medisch centrum.

Prof. mr. A.J. Akkermans
Prof. mr. A.J. Akkermans is hoogleraar privaatrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en verbonden aan het Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht (IGER) van VU en VU medisch centrum.
Artikel

Jong en laat ouderschap en delinquentie van de kinderen

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 3 2012
Trefwoorden early parenthood, motherhood, children, delinquency
Auteurs Joris Beijers MSc, Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld en Prof. Terence Thornberry
SamenvattingAuteursinformatie

    International studies show that children of teenage mothers are at elevated risk for offending. This study investigates the effect of early and late parenthood of mothers and fathers on offspring delinquency. The results confirm results from earlier studies and show that early fatherhood does not add to offending risk over and above early motherhood. Factors like family instability, family size and parental delinquency do not account for the association between early motherhood and delinquency. The elevated risk of offending applies to all children of young mothers, not just to the first-born children. Late parenthood is not associated with offspring delinquency.


Joris Beijers MSc
J.E.H. Beijers, MSc is onderzoeker bij het Phoolan Devi Instituut aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld
Prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en hoogleraar methoden & technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Prof. Terence Thornberry
Prof. T.P. Thornberry is hoogleraar Criminology & Criminal Justice bij het Department of Criminology & Criminal Justice aan de University of Maryland.
Artikel

De mediationmatrix

Ervaringen van forensische mediators

Tijdschrift Nederlands-Vlaams tijdschrift voor mediation en conflictmanagement, Aflevering 3 2012
Trefwoorden strategic coaching, divorce mediation, parent contracting, mediation matrix
Auteurs Maarten Kouwenhoven
SamenvattingAuteursinformatie

    A specialist needs an instrument to be effective. For a doctor it is his stethoscope, for a lawyer it is the law books, for a psychologist it is the psychological tests and for a mediator it is the mediation matrix. This article explains how to operate the mediation matrix, that is based upon the Transactional Analysis theory and cybernetics. It can be used as a route planner that helps the mediator to explain to his client what he is doing, how he does that and why he does that. This will reduce the client’s stress, improve his logical thinking and self management.
    The mediation matrix is an instrument to improve structure and transparency. In this way the mediator can support the expression of blocking emotions. By doing this, the mediator can support the positive emotions which will follow. The mediator is no longer a person with a bag of technics, but a professional with an integrated theory and useful technique.


Maarten Kouwenhoven
Maarten Kouwenhoven is klinisch psycholoog/psychotherapeut en managementconsultant. Hij is de auteur van het Handboek strategisch coachen (2007) en redacteur en mede-auteur van een standaardwerk Transactionele Analyse in Nederland (deel I, II en III). Hij is een van de oprichters en erelid van de NVTA (Nederlandse Vereniging voor Transactionele Analyse) en is werkzaam als directeur/docent van Kouwenhoven Opleidingen (www.kouwenhovenopleidingen.nl).
Artikel

Surveilleren en opsporen in een internetomgeving

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 5 2012
Trefwoorden Policing, Internet, open-source intelligence, iColumbo, police power
Auteurs J.J. Oerlemans en B.J. Koops
SamenvattingAuteursinformatie

    Publicly available information on the Internet about people or criminal acts can be relevant to criminal investigations. This article analyses to what extent Dutch criminal procedure law allows open source intelligence for law-enforcement purposes. When more than ‘minor’ privacy interferences arise, an explicit investigatory power in the criminal procedure code is required. Minor infringements are allowed under the general task description in the Police Act 1993. It is unclear however when ‘substantial’ privacy infringements arise. On the basis of ECHR jurisprudence on foreseeability and the Dutch criteria for ‘systematic observation’, the authors conclude that Internet data-gathering will often require an explicit investigatory power and can only be used for criminal investigation with an order from the public prosecutor, but not, except for small-scale and ad hoc searches, for general police practice purposes. Because the Internet is much different in its nature from a decade ago and the investigatory powers are not in all respects easily applicable to Internet surveillance, the authors argue that the Dutch legislator must take action and make clear under which conditions information on the Internet can be gathered by law enforcement.


J.J. Oerlemans
Mr. Jan-Jaap Oerlemans is promovendus bij eLaw@Leiden, Centrum voor Recht in de Informatiemaatschappij van de Universiteit Leiden. Daarnaast is hij juridisch adviseur bij Fox-IT.

B.J. Koops
Prof. dr. Bert-Jaap Koops is hoogleraar regulering van technologie bij TILT – Tilburg Institute for Law, Technology and Society van de Universiteit van Tilburg.
Artikel

Het arrest Achughbabian en de strafbaarstelling van illegaal verblijf

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2012
Trefwoorden Achughbabian, Terugkeerrichtlijn, Richtlijn 2008/115/EG, artikel 197 Sr, ongewenstverklaring
Auteurs Mr. dr. M.H.A. Strik
SamenvattingAuteursinformatie

    De EU-Terugkeerrichtlijn heeft het detineren en verwijderen van illegaal verblijvende derdelanders aan voorschriften gebonden en onder het toezicht van het Hof van Justitie gebracht. In Nederland is illegaal verblijf sindsdien verdergaand strafbaar gesteld. Hoe verhoudt deze nationale ontwikkeling zich tot de richtlijn? Staat de richtlijn strafbaarstelling toe en zo ja, op welke voorwaarden? Het arrest Achughbabian geeft hierop het begin van een antwoord.


Mr. dr. M.H.A. Strik
Mr. dr. M.H.A. Strik is Universitair docent migratierecht, Centrum voor Migratierecht, Radboud Universiteit Nijmegen en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Artikel

Leidinggevende bestrafte onderneming ervaart carrièreschade

Carrièreontwikkeling na inbreuk van artikel 6 Mw

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 3 2012
Trefwoorden artikel 6 Mw, carrièreontwikkeling, leidinggevenden, carrièreschade, sector
Auteurs N.S.R. Rosenboom MSc
SamenvattingAuteursinformatie

    Leidinggevenden die werkzaam zijn geweest bij een onderneming die bestraft is voor een inbreuk van artikel 6 Mw ervaren een negatief effect op hun carrièreontwikkeling. Het negatieve effect neemt de vorm aan van een lagere kans op een leidinggevende functie na bekendwording van de inbreuk. Dit volgt uit een vergelijking met leidinggevenden van gelijksoortige maar niet-bestrafte ondernemingen.


N.S.R. Rosenboom MSc
N.S.R. Rosenboom MSc is onderzoeker bij SEO Economisch Onderzoek in het cluster Mededinging & Regulering.
Artikel

Geheimen van jongeren

De Antwerpse jeugd en haar nachtleven in de vroege twintigste eeuw

Tijdschrift Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit, Aflevering 2 2012
Trefwoorden youth, nightlife, urban, early twentieth century
Auteurs Margo De Koster en Herbert Reinke
SamenvattingAuteursinformatie

    Approaching the night as a particular time and space for secret transgressions, this article examines the nightlife of Antwerp youth in the early twentieth century. Although this period saw increased official attempts to legally regulate ‘immoral’ nocturnal juvenile amusements, the police allowed most young people to move around unbothered at night, intervening only in major public order disturbances and handling most juveniles informally. Parents were more ‘efficient’, filing complaints with the juvenile judge on charges of ‘misconduct’, seeking to end familial financial troubles caused by heavy spending on nightlife. Working-class youth increasingly turned to the movies and dancing, in search for a secret ‘second life’ of pleasures away from conventional social and sexual codes, where they could belong and feel special.


Margo De Koster
Dr. Margo De Koster is universitair docent historische criminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en post-doctoraal onderzoeker aan de Université catholique de Louvain (België). E-mail: margo.dekoster@uclouvain.be

Herbert Reinke
Dr. Herbert Reinke is professor en senior onderzoeker aan de Bergische Universität Wuppertal en Technische Universität Berlin. E-mail: reinke@uni-wuppertal.de
Artikel

Delinquentie tijdens de jongvolwassenheid

De rol van ‘agency’ versus ‘structure’

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2012
Trefwoorden etiology, young adulthood, transitions, structure, agency
Auteurs Sofie Troonbeeckx, Dr. Diederik Cops, Dr. Hanne Op de Beeck e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    This article is directed towards two important lines of research in contemporary criminology, more specifically the growing attention for the period of young adulthood and the focus on the concepts of ‘structure’ and ‘agency’. This study examines in a quantitative manner the extent to which both ‘structure’ (operationalized in terms of social-economic status and objective transitions) and ‘agency’ (measured as the perception of personal agency and subjective transitions) are related to delinquency in the period of young adulthood. A representative sample of 1,477 Flemish young adults between the age of 18 and 25 years is used. The results of the analyses offer some empirical proof to integrate the concept of ‘agency’ in future theoretical models for the explanation of individual differences in delinquency and also lead to additional suggestions to further examine the interaction between ‘structure’ and ‘agency’.


Sofie Troonbeeckx
S. Troonbeeckx is doctoraatstudent aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), KU Leuven.

Dr. Diederik Cops
Dr. D. Cops is postdoctoraal onderzoeker aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), KU Leuven.

Dr. Hanne Op de Beeck
Dr. H. Op de Beeck is onderzoeker bij het Kenniscentrum Kinderrechten (KeKi) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), KU Leuven.

Prof. dr. Stefaan Pleysier
Prof. dr. S. Pleysier is docent jeugdcriminologie en kwantitatieve onderzoeksmethodologie en mede-coördinator van de Onderzoekslijn Jeugdcriminologie aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), KU Leuven.

Prof. dr. Johan Put
Prof. dr. J. Put is gewoon hoogleraar jeugdrecht en mede-coördinator van de Onderzoekslijn Jeugdcriminologie aan het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC), KU Leuven en het Instituut voor Sociaal Recht, KU Leuven.
Artikel

Het effect van werk op de criminele carrière van jeugdige zedendelinquenten

Tijdschrift Tijdschrift voor Criminologie, Aflevering 2 2012
Trefwoorden juvenile sex offender, life-course criminology, employment, fixed and random effects model, typologies
Auteurs MSc Chantal van den Berg, Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, Prof. dr. Jan Hendriks e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    In this paper delinquent development from age 12 to 29 of 498 juvenile sex offenders is analyzed. Fixed and random effects models are used to determine the effect of employment and of the stability of employment on the criminal career. We first show that juvenile sex offenders have limited access to the labor market, with stagnating participation rates from age 25 on, many different and short contracts. In spite of this, employment reduces offending, and having stable employment has an additional reducing effect on crime. We also looked at three types of sex offenders (child abusers, peer abusers and group offenders), who have a different background and for whom therefore effects could differ. We found no difference for offender types in the effect of employment on offending. The effects of employment stability, however, were due to only child abusers experiencing significant effects of continuity. We conclude that for juvenile sex offenders employment impacts similarly on offending as was found in previous studies among high-risk groups.


MSc Chantal van den Berg
C.J.W. van den Berg, MSc is junior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).

Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld
Prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld is senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en hoogleraar methoden & technieken van criminologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Prof. dr. Jan Hendriks
Prof. dr. J. Hendriks is klinisch psycholoog bij De Waag in Den Haag, bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en bijzonder hoogleraar forensische orthopedagogische diagnostiek en behandeling aan de Universiteit van Amsterdam.

Dr. Irma Mooi-Reçi
Dr. I. Mooi-Reçi universitair docent bij de afdeling Sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

COSA in Nederland: eerste ervaringen

Een onderzoek naar de proefimplementatie van een nieuwe aanpak voor de re-integratie van veroordeelde zedendelinquenten

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden zedendelinquenten, reclassering, preventie, vrijwilligers
Auteurs Mechtild Höing en Bas Vogelvang
SamenvattingAuteursinformatie

    COSA (Circles of Support and Accountability) is an innovative approach to sex offender management in the community for offenders with a medium to high risk of recidivism. COSA was first developed in Canada in 1994 and aim at prevention of recidivism and re-integration of sex offenders. COSA are formed by local volunteers, who assist the sex offender by offering support, monitoring and accountability. They are supported by professionals. COSA has been introduced in the Netherlands in 2009 by The Dutch Probation Organisation (Reclassering Nederland) and the Centre of Public Safety of Avans University of Applied Science. The evaluation of the pilot shows that COSA can be successfully implemented in the Netherlands as well. Living up to the high quality standards is a complex task and involves continuous monitoring, evaluation and adjustment.


Mechtild Höing
Mechtild Höing is werkzaam als docent/onderzoeker bij Avans Hogeschool, Expertisecentrum Veiligheid. Zij doet promotieonderzoek naar de implementatie en de effecten van COSA.

Bas Vogelvang
Bas Vogelvang is lector Reclassering en Veiligheidsbeleid bij Avans Hogeschool, Expertisecentrum Veiligheid. Hij is kwaliteitsmanager bij Circles NL, het Nederlandse programmabureau voor COSA.
Artikel

Undercoveroperaties: een noodzakelijk kwaad?

Heden, verleden en toekomst van een omstreden opsporingsmiddel

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 3 2012
Auteurs E.W. Kruisbergen en D. de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    An important part of the scientific literature looks upon undercover policing from a normative, critical point of view. These studies frequently problematize undercover operations as a necessary evil. Yet what do we actually know about the practice of the execution of undercover operations and about the results they yield for criminal investigations? Not much. Little empirical research has been done on this subject. This article analyses the implementation and results of undercover operations in the Netherlands. The empirical data consist of all covert policing operations in the Netherlands in 2004. The authors address the following questions: how often is this method of investigation deployed; what different types of undercover operations exist; and what results have these operations produced? Furthermore, they examine the history of undercover policing and look into the legislative debate. Finally, they explore some possible future developments in the use of undercover operations.


E.W. Kruisbergen
Drs. Edwin Kruisbergen werkt als wetenschappelijk onderzoeker bij het WODC.

D. de Jong
Deborah de Jong, MSc werkt als wetenschappelijk onderzoeker bij het WODC.
Artikel

Politieonderzoek in open bronnen op internet

Strafvorderlijke aspecten

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 2 2012
Trefwoorden criminal investigation, surveillance, OSINT, investigation powers, legal basis
Auteurs Bert-Jaap Koops
SamenvattingAuteursinformatie

    Analysing large amounts of data goes to the heart of the challenges confronting intelligence and law enforcement professionals today. Increasingly, this involves Internet data that are ‘open source’ or ‘publicly available’. Projects such as the European FP7 VIRTUOSO aim at developing platforms for open-source intelligence by law enforcement and public security, which open up opportunities for large-scale, automated data gathering and analysis. However, the mere fact that data are publicly available does not imply an absence of restrictions to researching them. This paper investigates one area of legal constraints, namely Dutch criminal-procedure law in relation to open-source data gathering by the police. Which legal basis is there for this activity? And under what conditions can foreign open sources be investigated?
    After sketching the context of the VIRTUOSO project and legal constraints of open-source intelligence in general, this paper discusses provisions of the Dutch Police Act 1993 and the Code of Criminal Procedure to determine which is the correct legal basis for gathering data from openly accessible and semi-open sources. Next, cross-border gathering of data is discussed on the basis of article 32 of the Cybercrime Convention. The paper draws the conclusion that investigating open sources by the police will often go beyond what is allowed on the basis of the general task description of the police (art. 2 Police Act 1993); hence, an order from the Public Prosecutor for systematic observation or intelligence is required. Moreover, the tools used must meet the non-manipulability and auditing requirements of the Dutch Decree on Technical Devices in Criminal Procedure.


Bert-Jaap Koops
Prof. dr. Bert-Jaap Koops is hoogleraar regulering van technologie bij TILT – Tilburg Institute for Law, Technology, and Society, Universiteit van Tilburg. Het onderzoek voor dit artikel werd mede gefinancierd door het Europese KP7-project VIRTUOSO (projectnr. FP7-SEC GA-2009-242352).
Artikel

Identificatie van Nederlandse jongeren die risico lopen op internet

Tijdschrift Tijdschrift voor Veiligheid, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Youth, internet use, online victimization, risk profile, risk factors
Auteurs Joyce Kerstens en Johan van Wilsem
SamenvattingAuteursinformatie

    This article describes the findings of a national representative survey on online victimization. The survey was conducted in the Netherlands in 2011 amongst youth aged 10 to 18. Purpose of this research is to identify various risk factors related to cyber bullying, online sexual activities and online financial crime (e.g. e-fraude and commercial deceit). More than 9 percent of the youths had negative experiences with cyber bullying, about 5 percent with e-fraude and over 11 percent with commercial deceit. Also unwanted online sexual solicitations (6%) and unwanted exposure to sexually explicit internet material (12%) occurred with some regularity.
    This research complements earlier research on youth victimization in two important respects. First, we paid explicit attention to determine whether the youngster experienced the online incident as negative, neutral or positive. Our strategy to address negative experiences ensures the identification of actual victims. Secondly, we made it possible to identify and compare risk factors on various types of online crime. Girls are more likely to be cyber bullied, to receive unwanted sexual solicitations and to be unwantedly exposed to online pornography, whilst boys are more at risk to be commercially deceived or scammed.
    Internet use and behaviour are significant risk factors to comprehend online victimization. Above average use of instant messaging and clicking on (advertising) hyperlinks without restraint, are important predictors for online victimization. Finally, online disinhibition - a loosening of social restrictions during interactions with others on the Internet - and low self-control, turn out to be significant risk factors.
    It is difficult to accept certain risks, especially when youth are involved. However, children have to learn themselves to assess risks, to deal with them and to learn from them. It is important youths built up resilience to adequately react on negative online incidents and to reduce online vulnerability.


Joyce Kerstens
Drs. J.W.M. (Joyce) Kerstens is Projectleider Jeugd & Cybersafety bij het Lectoraat Cybersafety van NHL Hogeschool en Politieacademie. E-mail: j.kerstens@nhl.nl

Johan van Wilsem
Dr. J. (Johan) van Wilsem is universitair hoofddocent Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.
Artikel

De wijzigingen van het ontwerpwetsvoorstel Natuur

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2012
Trefwoorden ontwerpwetsvoorstel Natuur, integratie Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet, Vogel- en Habitatrichtlijn, wetswijzigingen
Auteurs Mr. I.R. Viertelhauzen
SamenvattingAuteursinformatie

    Door de Wet natuur zal het natuurbeschermingsrecht zowel inhoudelijk als procedureel wijzigen. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden samengevoegd. In deze bijdrage wordt ingegaan op het ontwerpwetsvoorstel en worden de belangrijkste verschillen tussen het huidige en voorgestelde regime beschreven. Het ontwerpwetsvoorstel sluit nauw aan bij de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Nationale koppen worden zo veel mogelijk verwijderd. Gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden hebben elk, in afzonderlijke hoofdstukken, een eigen toetsingskader. Daarnaast zullen de taken en bevoegdheden in beginsel bij de provincies worden gelegd.


Mr. I.R. Viertelhauzen
Mr. I.R. (Ingrid) Viertelhauzen is advocaat bij Stibbe te Amsterdam.
Artikel

De regulering van en het toezicht op ratingbureaus in de Europese Unie

De wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus, ESMA en het nieuwe wijzigingsvoorstel: de definitieve aanpak van de belangrijkste problemen in de ratingmarkt?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2012
Trefwoorden voorstel tot wijziging verordening inzake ratingbureaus, credit rating agencies, ESMA, toezicht, handhaving
Auteurs Mr. J.C. Jaakke
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt het op 15 november door de Commissie aangenomen voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus besproken. Na het van kracht worden van Verordening 1060/2009 is er een eerste wijziging aangebracht die de registratie van en het toezicht op ratingbureaus in de Europese Unie overdraagt aan het ondertussen opgerichte ESMA (European Securities and Markets Authority). Met het nieuwe voorstel beoogt de Commissie eindelijk de grootste problemen aan te pakken. Deze aanpak van de Commissie wordt in deze bijdrage kritisch besproken.


Mr. J.C. Jaakke
Mr. J.C. Jaakke is advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam.
Artikel

Overnames en biedmarkten

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 1 2012
Trefwoorden biedmarkten, fusies, beoordelingskader
Auteurs Prof. dr. M.C.W. Janssen
SamenvattingAuteursinformatie

    Recente fusies in openbaarvervoermarkten roepen de vraag op hoe fusies in biedmarkten te beoordelen. Dit artikel schetst de belangrijkste aspecten van het gedrag van partijen in biedmarkten. Uit deze schets wordt duidelijk dat fusies in biedmarkten een iets aangepast, maar niet geheel ander, beoordelingskader vergen. Het blijkt dat, net als in andere markten, het in het algemeen niet zo is dat het bestaan van één serieuze concurrent voldoende is om partijen tot scherpe biedingen aan te zetten. Het geschetste beoordelingskader wordt toegepast op de argumentatie in twee zaken waar de NMa recent een besluit heeft genomen.


Prof. dr. M.C.W. Janssen
Prof. dr. M.C.W. Janssen is werkzaam aan de Universiteit van Wenen en bij CEG Europe.
Toont 1 - 20 van 24 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.