Zoekresultaat: 54 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Artikel x
Artikel

De Tweede Evaluatie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 4 2014
Trefwoorden Wet BIG, evaluatie, kwaliteitswetgeving, tuchtrecht
Auteurs Prof. mr. J.G. Sijmons en prof. mr. J.H. Hubben
SamenvattingAuteursinformatie

    De tweede evaluatie van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ruim tien jaar na de eerste evaluatie verschenen, komt tot gelijksoortige bevindingen als die eerste evaluatie uit 2002. De wettelijke regeling is niet erg bekend. Het tuchtrecht is aan herziening toe. Toch is er sprake van een gewijzigde context, waarin de Wet BIG door nieuwe kwaliteitsregulering de meer bescheiden status heeft gekregen van een borging van de basiskwaliteit van de beroepsbeoefenaar via opleiding. De evaluatie ziet nadrukkelijker een rol voor de IGZ in het tuchtrecht, dat concurreert met het bestuursrecht.


Prof. mr. J.G. Sijmons
Jaap Sijmons is advocaat bij Nysingh advocaten-notarissen, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Utrecht en redactielid van dit tijdschrift.

prof. mr. J.H. Hubben
Joep Hubben is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Groningen en adviseur voor het gezondheidsrecht bij Nysingh advocaten-notarissen.
Artikel

Pleidooi voor een Wet toezicht kwaliteit zorgsector

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 2 2014
Trefwoorden Toezicht, Kwaliteit, Wetgevingsbeleid, IGZ
Auteurs Prof. mr. J. Legemaate, mr. dr. E. Plomp, mr. A.C. de Die e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    De wetgeving met betrekking tot het toezicht op de kwaliteit van zorg is complex, versnipperd en lacunair. De afgelopen jaren is verscheidene malen bepleit een integrale Toezichtwet in de zorg tot stand te brengen. De recent afgesloten thematische wetsevaluatie bestuursrechtelijk toezicht op de kwaliteit van zorg levert sterke aanwijzingen op dat een nieuwe Wet toezicht kwaliteit zorgsector meerwaarde kan hebben.


Prof. mr. J. Legemaate
Johan Legemaate is verbonden aan de UvA.

mr. dr. E. Plomp
Emke Plomp is verbonden aan de UvA.

mr. A.C. de Die
Mieke de Die is advocaat/partner bij Velink & De Die Advocaten, Amsterdam.

dr. K. Grit
Kor Grit is verbonden aan de EUR.

prof. dr. R. Friele
Roland Friele is adjunct-directeur van het NIVEL.

prof. dr. R. Bal
Roland Bal is verbonden aan de EUR.
Artikel

Het hoofdbehandelaarschap revisited: van normen naar concrete invulling

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 1 2014
Trefwoorden hoofdbehandelaar, verantwoordelijkheidsverdeling, samenwerking
Auteurs Mr. A.M. Vermaas, mr. A.J. Verbout en mr. A.M. Franse
SamenvattingAuteursinformatie

    De verantwoordelijkheden van een hoofdbehandelaar zijn de afgelopen jaren veelvuldig onderwerp geweest van discussie bij toezichthouders en tuchtcolleges. Wat opvalt is dat in de tuchtrechtelijke jurisprudentie waarde wordt gehecht aan het goed regelen van de verantwoordelijkheden van de hoofdbehandelaar. Hoewel het huidige normenkader daarvoor (KNMG-Handreiking), in combinatie met de IGZ-criteria voor klinisch medisch specialistische zorg (2007) en de veldnorm inzake het hoofdbehandelaarschap uit de geestelijke gezondheidszorg (2013), de aan het hoofdbehandelaarschap te stellen eisen in toenemende mate duidelijk maakt, is nog onvoldoende sprake van een coherent stelsel van criteria op dat gebied. Concreet zal op patiëntniveau moeten kunnen worden aangetoond hoe behandelaren – en de instellingen waarin zij werkzaam zijn – de verdeling van verantwoordelijkheden precies hebben ingevuld.


Mr. A.M. Vermaas
Albert Vermaas is Hoofd Juridische Zaken van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

mr. A.J. Verbout
Arne Verbout is werkzaam in de sectie Juridische Zaken van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

mr. A.M. Franse
Alexia Franse is werkzaam in de sectie Juridische Zaken van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.
Artikel

Transparantie leidt niet vanzelfsprekend tot vertrouwen in de rechtspraak

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Transparency, information, factors influencing confidence in the judiciary
Auteurs Petra Jonkers
SamenvattingAuteursinformatie

    Transparency of institutions like the judiciary is often assumed to increase confidence. However, a recent survey concerning opinions about the judiciary showed that in many cases one trusts the judiciary without having any special interest in the judiciary itself. It revealed that confidence in the judiciary depends on various factors like anomy, social trust, general institutional trust, personal experience and feelings about a fair chance in a hypothetical case for court. And transparency will not easily change these factors. Furthermore, providing information can both strengthen and weaken confidence due to the personal backgrounds of those receiving the information. Finally, this paper discusses whether strategic and positive information that is needed to increase confidence allows for drawing one’s own conclusions as transparency promises.


Petra Jonkers
Petra Jonkers is politicoloog en stafmedewerker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zij promoveerde in 2003 in Nijmegen op een rechtssociologisch onderzoek naar de kwaliteit van wetgeving. Recente publicaties: ‘Inzicht in gedrag voorwaarde voor goede wetgeving’, Regelmaat 2013-28(1), p. 6-21; ‘Zet transparantie liever in voor bekritiseerbaarheid dan voor vertrouwen’, in: D. Broeders, C. Prins, H. Griffioen, P. Jonkers, M. Bokhorst & M. Sax (red.), Speelruimte voor transparantere rechtspraak, Amsterdam: Amsterdam University Press 2013, p. 449-479.

    Sinds de inwerkingtreding van de Wubhv mag de inspecteur op grond van drie wetten patiëntendossiers inzien. De zorgaanbieder moet weten waar de grenzen van die bevoegdheid liggen in verband met zijn eigen beroepsgeheim. Voor de IGZ geldt hetzelfde, maar zij wordt nog voor een andere vraag gesteld. Namelijk wat zij mag doen met de verkregen vertrouwelijke gegevens. Uit een arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 blijkt dat het verschil maakt dat sprake is van een afgeleide geheimhoudingsplicht. Een wettelijke regeling van gebruik van patiëntengegevens is wenselijk.


Mr. A.C. de Die
Mieke de Die is advocaat bij Velink & De Die advocaten te Amsterdam.
Artikel

Patientenrechtegesetz: geneeskundige behandeling in Duits Burgerlijk Wetboek

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden Patientenrechtegesetz, Medisch aansprakelijkheidsrecht
Auteurs Prof. mr. E.H. Hondius en prof. mr. J.G. Sijmons
SamenvattingAuteursinformatie

    Afgelopen winter trad in Duitsland het nieuwe patiëntenrecht in werking. Een nieuwe titel in het Burgerlijk Wetboek, als de WGBO bij ons. In dit artikel bespreken de auteurs de contouren van deze compacte wet. Is de ontwikkeling in Duitsland vergelijkbaar met die in Nederland? De meest opvallende afwijkingen zijn een regeling van ‘Aufklärungspflichten’ voor de geïnformeerde toestemming naast ‘Informationspflichten’. Scherp gesteld zijn verder de verplichtingen over dossiervoering. Een bepaling over de aansprakelijkheid rondt de bepalingen in de titel van de geneeskundige behandelingsovereenkomst af, waarbij de patiënt tegemoet wordt gekomen in de op hem rustende bewijslast voor aansprakelijkheid van de hulpverlener.


Prof. mr. E.H. Hondius
Ewoud Hondius is hoogleraar Europees privaatrecht aan de Universiteit Utrecht en lid van de redactieraad van dit tijdschrift.

prof. mr. J.G. Sijmons
Jaap Sijmons is advocaat te Zwolle, bijzonder hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Utrecht en lid van de redactie van dit tijdschrift.

    In deze bijdrage staat de vraag centraal welke consequenties de op 18 juli 2013 bekend gemaakte Richtlijn ADR consumenten en Verordening ODR consumenten hebben voor het Nederlandse stelsel van buitengerechtelijke geschillenbeslechting bij de geschillencommissies voor consumentenzaken (SGC en KiFiD). Deze vraag wordt beantwoord door het Nederlandse stelsel te toetsen aan de Richtlijn ADR consumenten en de Verordening ODR consumenten.
    Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG, Pb. EU 2013, L 165/63
    Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG, Pb. EU 2013, L 165/1


Mr. P.E. Ernste
Mr. P.E. (Paulien) Ernste is als universitair docent burgerlijk (proces)recht verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

De Aanbestedingswet 2012, een terechte verdere begrenzing van de contractsvrijheid voor aanbestedende diensten?

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden Aanbestedingswet 2012, proportionaliteit, MKB, contractsvrijheid, beperking
Auteurs Mr. J.H. Hollenbeek Brouwer
SamenvattingAuteursinformatie

    De Aanbestedingswet 2012 bevat bepalingen die leiden tot een verdergaande beperking van de contractsvrijheid voor aanbestedende diensten dan voorheen het geval was onder het Bao en Bass. In deze bijdrage zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre deze verdergaande beperking van de contractvrijheid gerechtvaardigd is in het licht van het uitgangspunt van contractsvrijheid tussen partijen.


Mr. J.H. Hollenbeek Brouwer
Mr. J.H. Hollenbeek Brouwer is werkzaam bij De Nederlandsche Bank
Artikel

Zorg om het kind. Bescherming van minderjarigen en het gezondheidsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 2 2013
Trefwoorden minderjarigen, kinderbescherming, kindermishandeling, beroepsgeheim, toestemming medisch handelen
Auteurs Prof. mr. drs. M.R. Bruning
SamenvattingAuteursinformatie

    Als het gaat om zorg voor minderjarigen, worden de uitgangspunten uit het familie- en jeugdrecht – de ouderlijke autonomie staat voorop en de belangen van het kind zijn een bepalende factor – in het gezondheidsrecht niet altijd voldoende gewaarborgd. Toestemming van beide ouders met gezag, ook na scheiding, levert voor artsen soms knelpunten op. Bij vermoedens van kindermishandeling of ‘niet-pluis’ gevoelens heeft de arts vanuit een zorgrelatie met het kind een bijzondere verantwoordelijkheid. Bepleit wordt dat het (gezondheids)recht op bepaalde punten aanpassing behoeft en dat de wetgever bij wijzigingen en vernieuwingen in het jeugdzorg- en jeugdbeschermingsdomein het gezondheidsrecht uit boek 7 BW niet vergeet.


Prof. mr. drs. M.R. Bruning
Mariëlle Bruning is hoogleraar Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden. Deze bijdrage is gebaseerd op de najaarslezing op 2 november 2012 in de Domus Medica te Utrecht voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht.
Artikel

Grensoverschrijdend patiëntenverkeer in de Zorgverzekeringswet: is de voorgenomen wijziging van artikel 13 Europeesrechtelijk houdbaar?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 1 2013
Trefwoorden EU-recht, gecontracteerde zorg, grensoverschrijdend patiëntenverkeer, restitutiepolis, zorg in natura
Auteurs Prof. mr. J.W. van de Gronden
SamenvattingAuteursinformatie

    De regering heeft voorgesteld om artikel 13 Zorgverzekeringswet te wijzigen. Het doel hiervan is om zorgverzekeraars de mogelijkheid te bieden om niet-gecontracteerde zorg, ook die ondergaan is in het buitenland, niet te vergoeden. Volgens de regering zou de EU-richtlijn betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg dit toestaan. Nagegaan wordt of deze stelling hout snijdt. Bij de auteur bestaat de zorg dat bij onjuiste implementatie van Richtlijn 2011/24 zich vele ingewikkelde Europeesrechtelijke kwesties zullen voordoen. Dit zou ten koste gaan van de patiënt.


Prof. mr. J.W. van de Gronden
Johan van de Gronden is hoogleraar Europees recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Prof. dr. H.C.F.J.A. de Waele en mr. K. van der Touw worden hartelijk dank gezegd voor hun waardevolle commentaar. Uiteraard komt hetgeen in dit artikel wordt betoogd alleen voor rekening van de auteur.
Artikel

De Nederlandse privaatrechtswetenschap en de wetgever (1992-2012)

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 5 2012
Trefwoorden Burgerlijk Wetboek, horizontale codificatie, sectorale wetgeving, privaatrecht, burgerlijk procesrecht
Auteurs Prof. dr. W.H. van Boom
SamenvattingAuteursinformatie

    In 1992 werd het nieuwe vermogensrecht gecodificeerd in het nieuwe BW. Dat was een hoogtijdag in de verhouding tussen wetgever en privaatrechtswetenschappers. Maar hoe is het daarna gegaan? Hebben academici een rol van betekenis behouden in het wetgevingsproces? Het beeld is gemengd, zo is de indruk van de auteur. Het privaatrecht is om verschillende redenen een minder belangrijk object van wetgeving geworden. Zo is een aantal rechtsgebieden functioneel afgescheiden geraakt en veelal gereguleerd in sectorale regelingen. Bovendien is de rol van academici in het wetgevingsproces wisselend gebleken – dat heeft te maken met de dynamiek van wetgeving, maar ook met de ambivalenties van het wetenschapsbedrijf. De invloed van de privaatrechtswetenschap op het huidige wetgevingsgebeuren is veelal zeer indirect, zeker waar het grootse academische vergezichten en voorstellen voor radicale veranderingen betreft.


Prof. dr. W.H. van Boom
Prof. dr. W.H. van Boom is hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar recht aan de Durham Law School in Engeland.

    In the article the author discusses the market requirements for mediation in the Netherlands. This includes potential for growth and possible annual financial turnover. The article also explores the dynamics of the market and highlights common problems presented by clients, and also whether trends exist and whether mediators are biased in certain areas.
    Clients require practical solutions to their particular problem areas. They are less interested in the abstract theories of mediation techniques. The market requirement will therefore differ and depend on those specific problem areas. Mediation will survive only if it provides mediators a realistic income.


Huub Sprangers
Ir. Huub Sprangers is oud-ondernemer. Hij was tussen 1999 en 2005 voorzitter van de Vereniging Bouwmediators.nl en haar rechtsvoorganger NMI Groep Bouw. Daarnaast was hij rond de eeuwwisseling actief voor de Regio NMI Mediators Haaglanden, en in dezelfde periode grondlegger, medeoprichter en vervolgens tot 2008 eerste voorzitter van de NMv. Hij is sinds 2008 erevoorzitter van de NMv en zat van oktober 2009 tot juli 2011 namens de NMv in het bestuur van het NMI. Van 2005 tot medio 2011 was hij voorzitter/coördinator van het Centraal Mediators Beraad.
Artikel

De overeenkomst tot het verlenen van beleggingsadvies

Een gereguleerde contractuele verhouding

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 5 2012
Trefwoorden overeenkomst, opdracht, advies, beleggingsadvies, financieel toezicht, MiFID
Auteurs Mr. B. Bierens
SamenvattingAuteursinformatie

    De contractuele verhouding tussen een beleggingsonderneming en haar cliënt heeft een hybride karakter: verbintenisrechtelijk van aard, maar nader ingevuld door het financiële toezichtsrecht waaraan de beleggingsonderneming is onderworpen. Aan de hand van de overeenkomst tot het verlenen van beleggingsadvies belicht deze bijdrage een rechtsverhouding op het snijvlak van het BW en de Wft.


Mr. B. Bierens
Mr. B. Bierens is jurist bij Rabobank Nederland en als fellow verbonden aan het Instituut voor Financieel Recht (IFR), onderdeel van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R) van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

Wie betaalt de schade van de patiënt in geval van een disfunctionerende prothese?

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden aansprakelijkheid, arts, medisch hulpmiddel, producent, prothese, zorgverzekering
Auteurs Mr. R.P. Wijne
SamenvattingAuteursinformatie

    De afgelopen tijd wordt in de media veel aandacht besteed aan disfunctionerende protheses. Het blijkt niet om één zaak te gaan, maar betreft verschillende soorten protheses. Veelal zijn grote aantallen patiënten de dupe van een disfunctionerende prothese en lijden zij materiële en immateriële schade. In het onderhavige artikel wordt onderzoek gedaan naar de vergoedingsmogelijkheden in geval van schade die het gevolg is van een bij de geneeskundige behandeling gebruikte disfunctionerende prothese. Daarbij wordt acht geslagen op hetgeen de zorgverzekeraar, de arts en de producent aan de patiënt zouden moeten vergoeden en van welke verweren deze partijen zich kunnen bedienen.


Mr. R.P. Wijne
Rolinka Wijne is lid-jurist bij de Tuchtcolleges ’s-Gravenhage en Amsterdam en docent Gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werkt voorts als buitenpromovendus aan een onderzoek naar de aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis.

    This contribution examines how the Directive 2008/52/EC of the European Parliament and of the Council of 21 May 2008 on certain aspects of mediation in civil and commercial matters is transposed in various member states of the European Union, or how the discussion about the transposition is conducted or is still ongoing in some countries. The following seven countries are examined: Belgium, the Netherlands, Luxemburg, England, France, Germany and Austria.


Herman Verbist
Prof. dr. mr. Herman Verbist is gastprofessor aan de Universiteit Gent, advocaat bij de balies te Gent en te Brussel, voormalig adviseur bij het Internationaal Hof van Arbitrage van de ICC, erkend bemiddelaar en voormalig plaatsvervangend lid van de Bijzondere Commissie voor Burgerlijke en Handelszaken van de Federale Bemiddelingscommissie in België.
Artikel

Handhavingsautonomie bij de Decentrale Toepassing van het EU-Mededingingsrecht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2011
Trefwoorden mededingingsrecht, decentrale handhaving, nationale autonomie, sancties, Verordening (EG) nr. 1/2003
Auteurs M.J. Frese LL.M
SamenvattingAuteursinformatie

    Recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie en van de zijde van de Commissie wijzen erop dat de autonomie van de lidstaten bij de publieke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU geen rustig goed is. Subsidiariteit en uniformiteit zoeken telkens een nieuwe balans en worden daarbij geholpen door fundamentele rechtsbeginselen. Deze bijdrage analyseert de ‘beschikkingsautonomie’ onder artikel 5 Verordening (EG) nr. 1/2003. De conclusie wordt getrokken dat nationale mededingingsautoriteiten niet rechtstreeks beschikkingsbevoegdheden ontlenen aan deze bepaling. Aangegeven wordt verder op welke wijze tekst, strekking en doelstelling van Verordening (EG) nr. 1/2003 de nationale beschikkingsautonomie bepalen. De consequenties hiervan worden vervolgens vanuit Nederlands perspectief bezien.


M.J. Frese LL.M
M.J. Frese LL.M is promovendus, Amsterdam Centre for European Law and Governance/Amsterdam Center for Law & Economics aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

De juridische beoordeling van het postwhiplashsyndroom: stand van zaken

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2011
Trefwoorden Letselschade, whiplash, NVN-richtlijnen, medisch beoordelingstraject, moeilijk objectiveerbare klachten
Auteurs Mr. A. Kolder
SamenvattingAuteursinformatie

    Een voornaam deel van de letselschadezaken bestaat uit claims wegens whiplashletsel. In tal van die zaken was de schaderegeling altijd al moeizaam, voornamelijk omdat de claimklachten naar hun aard subjectief zijn, en in die zin ‘medisch onverklaarbaar’, dat medisch beeldvormend materiaal geen onderliggende afwijkingen laat zien. Sinds de terugtrekkende beweging van de neurologen – van oudsher dé beoordelaars van whiplashletsel – door middel van de in november 2007 gewijzigde NVN-richtlijnen is het regelingsproces nóg moeizamer geworden. Aan de hand van een overzicht van recente rechtspraak wordt bezien of daaraan voor de letselschadepraktijk handvatten zijn te ontlenen die de huidige whiplashproblematiek minder weerbarstig maken.


Mr. A. Kolder
Mr. A. Kolder is advocaat bij Houkes c.s. Advocaten te Emmen en als docent privaatrecht en promovendus aansprakelijkheidsrecht verbonden aan de RuG.
Artikel

Zorg en recht, een ongelukkig begrippenpaar

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2010
Trefwoorden legalization of health care, effects of legalization, distrust of medical professionals
Auteurs Bert Niemeijer en Nick Huls
SamenvattingAuteursinformatie

    Various developments since 1960 have lead to a legalization of care, especially the call for individual rights, emancipation, international treaties, the transformation of private problems to public issues and the diminishing authority of professionals. This legalization has important social consequences. Effects are both direct and indirect, positive and negative. The ‘rights revolution’ has gone too far and leads to unrealistic expectations of what law can do. Therefore a down-to-earth and empirical informed perspective on the relation between law and care is of great importance.


Bert Niemeijer
Bert Niemeijer werkt bij het ministerie van Veiligheid en Justitie als coördinator strategie en tevens als (bijzonder) hoogleraar rechtssociologie bij de afdeling Rechtstheorie van de Vrije Universiteit. Zijn onderzoek richt zich in het bijzonder op effecten van rechtspraak en wetgeving. Recente publicaties zijn Een wereld van geschillen. Over het gebruik van gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures (oratie, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007) en ‘Synthesising legislative evaluations – Putting the pieces together’, Evaluation, London, Sage Publications 2009, met C.M. Klein Haarhuis).

Nick Huls
Nick Huls is hoogleraar rechtssociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Leiden. Hij is onder meer geïnteresseerd in de ontwikkelingen van het tuchtrecht van vrije beroepen (zie M.A. Kleiboer & N.J.H. Huls, Tuchtrecht op de terugtocht? Ontwikkelingen in het wettelijke, niet hiërarchisch tuchtrecht, Utrecht: Lemma 2000).
Artikel

Ik en mijn medepatiënt

Juridisering in de gezondheidszorg

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2010
Trefwoorden market of health care, legalization, patients rights
Auteurs Margo Trappenburg
SamenvattingAuteursinformatie

    Two types of legalization can be distinguished. In type 1 legal relations between parties are changed, without consequences for others. In legalization type 2 a change in legal positions does have consequences for third parties. The gradual change in the legal position of patients, managerial measures and the transition to ‘demand driven care’ have changed the relations between patients and doctors, nurses etc. But they had also profound external effects. They have influenced especially other interests than the quality of medical care, like equal treatment of patients and professional discretion. Decision making about the granting of rights should incorporate these external effects.


Margo Trappenburg
Margo Trappenburg is universitair hoofddocent bij de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen en bijzonder hoogleraar sociaal-politieke aspecten van de verzorgingsstaat aan de Universiteit van Amsterdam. Zij schrijft over gezondheidszorgbeleid, ethische kwesties in de zorg en over rechtvaardigheidsvraagstukken. In 2008 verscheen van haar hand Genoeg is genoeg. Over gezondheidszorg en democratie. Meer informatie op www.margotrappenburg.nl.
Artikel

Wetgeving en de positie van de patiënt: instrument voor verandering of terugvaloptie?

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 3 2010
Trefwoorden impact of health law, evaluation of health law, patient empowerment, patient rights
Auteurs Roland Friele en Remco Coppen
SamenvattingAuteursinformatie

    Empirical research on the practice of ‘informed consent’ and the right of complaint of patients shows that these rights are important as guarantees for carefulness and legal certainty. However, at the same time these rights seem to have hardly any effect on the position of the patient in the daily interactions with doctors and other medical personnel. Rather, they seem to have led to a formalization of institutional relations with patients. At the same time, in practice especially hospitals seem to aim at an informal and varied way of dealing with these patient’s rights.


Roland Friele
Roland Friele is adjunct-directeur van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Hij doet onderzoek naar de sociaalwetenschappelijke aspecten van wet- en regelgeving in de gezondheidszorg. Wetsevaluaties in de gezondheidszorg vormen de hoofdmoot.

Remco Coppen
Remco Coppen is onderzoeker bij het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg). Zijn onderzoek richt zich met name op sociaalwetenschappelijke aspecten van wet- en regelgeving. Hij is betrokken geweest bij verschillende wetsevaluaties, zoals de tweede en derde evaluatie van de Wet op de orgaandonatie, de tweede evaluatie van de Wet inzake bloedvoorziening, de evaluatie van de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet. In 2010 is hij gepromoveerd op een proefschrift over de effecten van de Wet op de orgaandonatie.
Toont 1 - 20 van 54 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.