Zoekresultaat: 50 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Artikel x
Artikel

Kanttekeningen bij het voorstel voor de Richtlijn bescherming bedrijfsgeheimen: wat brengt het ons (en wat niet)?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2014
Trefwoorden bedrijfsgeheimen, knowhow, ongeoorloofde mededinging, TRIPS, handhavingsrichtlijn
Auteurs Mr. J.J. Allen en Mr. E.A. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan. Een kritische beschouwing vanuit de Nederlandse praktijk.Richtlijn 2004/48EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, Pb. EG 2004, L 195/16.


Mr. J.J. Allen
Mr. J.J. (John) Allen is advocaat te Amsterdam (NautaDutilh N.V.).

Mr. E.A. de Groot
Mr. E.A. (Emma) de Groot is advocaat te Amsterdam (NautaDutilh N.V.).
Artikel

De EU-bevoegdheid betreffende de externe coördinatie van sociale zekerheid

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 5 2014
Trefwoorden coördinatie sociale zekerheid, externe betrekkingen, associatieovereenkomsten, rechtsbasis, vrij verkeer
Auteurs Mr. A.P. van der Mei
SamenvattingAuteursinformatie

    Artikel 48 VWEU kent aan de EU-wetgever de bevoegdheid toe de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te coördineren teneinde het vrij verkeer van werknemers binnen de EU te faciliteren. In twee door het Verenigd Koninkrijk tegen de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 263 VWEU ingestelde beroepen, diende het Hof van Justitie zich te buigen over de vraag of de EU-wetgever deze bevoegdheid voor ‘interne’ coördinatie ook kan aanwenden voor een besluit gericht op de uitbreiding van de Socialezekerheidsverordening 883/2004 tot het grondgebied en de onderdanen van derde landen. Het Hof van Justitie oordeelt dat de EU-wetgever dat kan: artikel 48 VWEU kan de rechtsbasis vormen voor een besluit gericht op een dergelijke ‘externe’ coördinatie van sociale zekerheid indien derde staten op basis van associatieakkoorden voor doeleinden van socialezekerheidscoördinatie reeds zijn gelijkgesteld aan EU-lidstaten. Deze bijdrage analyseert de twee arresten en beziet de mogelijke implicaties.HvJ EU 26 september 2013, zaak C-431/11, Verenigd Koninkrijk/Raad van de Europese Unie, n.n.g. en HvJ EU 27 februari 2014, zaak C-656/11, Verenigd Koninkrijk/Raad van de Europese Unie, n.n.g.


Mr. A.P. van der Mei
Mr. A.P. (Anne Pieter) van der Mei is als universitair hoofddocent verbonden aan Maastricht Center for European Law (MCEL), Universiteit Maastricht.
Artikel

Een voorstel voor een effectief rechtsmiddel voor overschrijdingen van het redelijketermijnvereiste

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2014
Trefwoorden artikel 47 Handvest, redelijketermijnvereiste, effectief rechtsmiddel
Auteurs Mr. A.E. Beumer LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 26 november 2013 gaf de Grote Kamer van het Hof van Justitie een belangrijk oordeel in drie mededingingszaken, Kendrion, Groupe Gascogne, en Gascogne Deutschland. De drie uitspraken zullen de boeken ingaan als de uitspraken waarin het Hof van Justitie duidelijkheid verschafte over het rechtsmiddel dat particulieren kunnen instellen wanneer zij op EU-niveau worden geconfronteerd met een schending van het redelijketermijnvereiste. In lijn met eerdere jurisprudentie moest het Hof van Justitie kiezen tussen twee rechtsmiddelen. Ten eerste kon het Hof van Justitie, conform de zaak Baustahlgewebe, een schending vaststellen en vervolgens zelf (als een vorm van genoegdoening) de boete verlagen die de Commissie had opgelegd. Ten tweede kon het Hof van Justitie, in overeenstemming met de zaak Grüne Punkt, opteren voor een aparte schadevergoedingsactie. Het Hof van Justitie maakt een principiële keuze voor het tweede rechtsmiddel.HvJ EU 26 november 2013, zaak C-58/12 P, Groupe Gascogne/Commissie, zaak C-40/12 P, Gascogne Sack Deutschland/Commissie, en zaak C-50/12 P, Kendrion/Commissie, n.n.g.


Mr. A.E. Beumer LLM
Mr. A.E. (Elsbeth) Beumer LLM is als PhD-onderzoeker verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.
Artikel

Zaak C-270/12 (ESMA-short selling) als opvolger van de Meroni- en Romano-non-delegatiedoctrine

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2/3 2014
Trefwoorden Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), rechtsgrondslag, delegatie, Meroni, Romano
Auteurs Mr. M.P.M. van Rijsbergen en Mr. drs. M. Scholten
SamenvattingAuteursinformatie

    De meer dan een halve eeuw oude Meroni/Romano-non-delegatiedoctrine lijkt zijn opvolger te hebben gevonden. Dit blijkt uit het onlangs gewezen arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-270/12 (ESMA-short selling) van 22 januari 2014. Hierin wordt geoordeeld dat de delegatie van bevoegdheden om handelingen van algemene strekking vast te stellen mogelijk is, zodra de bevoegdheden nauwkeurig omkaderd zijn en door de rechter kunnen worden getoetst aan de door het delegerende gezag vastgelegde doelstellingen. Hiermee lijkt het Hof van Justitie de Romano-doctrine overboord te gooien. Een aantal belangrijke vragen met betrekking tot de Meroni-doctrine blijft echter onbeantwoord.HvJ EU 22 januari 2014, zaak C-270/12, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, n.n.g.


Mr. M.P.M. van Rijsbergen
Mr. M.P.M. (Marloes) van Rijsbergen is als promovenda verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma ‘RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa’ van deze universiteit. Haar promotieonderzoek ziet op de legitimiteit en effectiviteit van EU-agentschappen.

Mr. drs. M. Scholten
Mr. drs. M. (Mira) Scholten is als postdoc verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma ‘RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa’ van deze universiteit. Haar promotieonderzoek zag op de politieke accountability van EU- en VS-onafhankelijke agentschappen.
Artikel

Het Europees Openbaar Ministerie tussen soevereiniteit en effectiviteit

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2/3 2014
Trefwoorden Europees Openbaar Ministerie, fraudebestrijding, strafrecht
Auteurs Mr. dr. W. Geelhoed
SamenvattingAuteursinformatie

    Het voorstel van de Europese Commissie voor oprichting van een Europees Openbaar Ministerie hinkt op twee gedachten. Het streven is de fraudebestrijding voortvarender te maken, maar tegelijk niet ten koste van nationale strafvorderlijke autonomie te laten gaan. Wanneer nationale strafrechtelijke gevoeligheden koste wat kost worden gespaard, kan slechts een papieren tijger worden opgericht. Dan is het beter om ofwel niets te doen, ofwel een krachtige instelling op te richten die daadwerkelijk strafrechtelijke bescherming biedt voor de financiële belangen van de EU.Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie, COM(2013)534


Mr. dr. W. Geelhoed
Mr. dr. W. (Pim) Geelhoed is als universitair docent straf- en strafprocesrecht verbonden aan de Universiteit Leiden.
Artikel

De nieuwe Europese privacywetgeving: stand van zaken bijna twee jaar na Commissievoorstel

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2013
Trefwoorden gewone wetgevingsprocedure, artikel 7 en 8 Handvest, gegevensbescherming, verhouding EU-VS, onafhankelijk toezicht
Auteurs Mr. H. Hijmans
SamenvattingAuteursinformatie

    In het voorjaar van 2012 heb ik in NTEReen bijdrage geschreven over de Commissievoorstellen van 25 januari 2012 voor nieuwe Europese wetgeving op het gebied van de gegevensbescherming. De behandeling van deze voorstellen – en dan vooral de voorgestelde verordening – bij de Raad en het Parlement heeft de gemoederen in Brussel en ook in Nederland sterk beziggehouden vanwege de grote belangen die ermee gemoeid zijn en de vaak uiteenlopende meningen over de verordening an sich en veel van de specifieke bepalingen die deze bevat. Het meest aansprekende bewijs daarvan zijn de bijna vierduizend amendementen die binnen het EP zijn ingediend in relatie tot de voorgestelde verordening. Bij het beëindigen van deze bijdrage is nog veel onduidelijk over het vervolg van het dossier. Ik wil deze bijdrage dan ook vooral benutten om de voor de lezers van NTER meest relevante elementen van het debat in kaart te brengen, in vervolg op mijn bijdrage uit 2012.Voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) ( COM/2012/011 def.).Voorstel voor een richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ( COM/2012/010 def.).


Mr. H. Hijmans
Mr. H. (Hielke) Hijmans is afdelingshoofd Policy & Consultation bij de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming (EDPS). De auteur schrijft dit artikel op persoonlijke titel.
Artikel

Europees bankentoezicht (SSM). Juridische en praktische perspectieven

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 10 2013
Trefwoorden Europese toezichthouder, bankenunie, interne markt, bankenregelgeving, Europese Centrale Bank (ECB)
Auteurs Mr. W.H. Bovenschen LL.M, Mr. K. Holtring, Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Voor het vormgeven van het Europese bankentoezicht stond de EU-wetgever voor juridische en praktische uitdagingen. In dit artikel worden enkele hiervan belicht: verdragsgrondslag, bevoegdheidsverdeling tussen de Europese en nationale toezichthouders, rechtsbescherming, governance, toezichttaken ECB, vergunningverlening en -intrekking, relevant Unierecht, home/host-toezicht en de verhouding tot EBA. De praktijk moet uitwijzen of de gekozen oplossingen effectief zijn.Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, Pb. EU 2013, L 287/63-89 (SSM-Verordening);Richtlijn 2013/36/EU betreffende de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRD IV);Verordening (EU) nr. 2013/575 over prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (CRR).


Mr. W.H. Bovenschen LL.M
Mr. W.H. Bovenschen LL.M werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Mr. K. Holtring
Mr. K. Holtring werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M
Dr. G.J.S. ter Kuile LL.M werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.

Mr. L. Wissink
Mr. L. Wissink werkt als jurist bij De Nederlandsche Bank NV.
Artikel

De toegang tot het mededingingsdossier

Met Donau Chemie is het einde van de saga nog niet in zicht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 9 2013
Trefwoorden toegang tot documenten, clementieprocedure, schadevergoedingsactie, procedurele autonomie, doeltreffendheidsvereiste
Auteurs A.E. Beumer LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak Donau Chemie bevindt het Hof van Justitie zich wederom op het spanningsveld tussen het faciliteren van schadevergoedingsacties en het beschermen van een effectief clementieprogramma. Het Hof van Justitie oordeelt dat de voorwaarden voor toegang tot documenten uit dossiers van de nationale mededingingsautoriteit met betrekking tot de toepassing van het Europese mededingingsrecht weliswaar worden bepaald door het nationale recht maar dat de doeltreffendheid van een nationaal clementieprogramma kan rechtvaardigen dat een document niet wordt verspreid. Het Hof van Justitie zet hiermee de lijn voort die in het arrest Pfleiderer was ingezet.
    HvJ EU 6 juni 2013, zaak C-536/11, Bundeswettbewerbsbehörde/Donau Chemie e.a., n.n.g.


A.E. Beumer LLM
A.E. (Elsbeth) Beumer is als PhD-onderzoeker verbonden aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.
Artikel

De zaak Pringle en de eurocrisis: juridische paradoxen en constitutionele perspectieven

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden eurocrisis, ESM, democratische legitimatie, rechterlijk activisme
Auteurs Mr. dr. A. van den Brink en Mr. J.W. van Rossem
SamenvattingAuteursinformatie

    De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Pringle biedt een caleidoscopische blik op de constitutionele problematiek van de eurocrisis. Tegen de achtergrond van het ESM-Verdrag wordt in deze bijdrage aandacht besteed aan de dynamische wijze waarop Europa op dit moment zweeft tussen juridisering van de politiek en politisering van het recht. In dat verband staat ook een thema centraal dat niet direct door het Hof van Justitie in Pringle werd aangeroerd maar in de eurocrisis wel een grote rol speelt: het thema democratie.
    HvJ EU 27 november 2012, zaak C-370/12, Pringle, n.n.g.


Mr. dr. A. van den Brink
Mr. dr. A. van den Brink is verbonden aan het Europa Instituut, afdeling Staatsrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma 'RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa' van deze universiteit.

Mr. J.W. van Rossem
Mr. J.W. van Rossem is verbonden aan het Europa Instituut, afdeling Bestuursrecht en doet onderzoek binnen het nieuwe onderzoeksprogramma 'RENFORCE – Gedeelde Regulering en Handhaving in Europa' van deze universiteit.
Artikel

Evenredigheid in het EU-recht

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 3 2013
Trefwoorden evenredigheidsbeginsel, rechtsgrondslag, subsidiariteitsbeginsel, besluitvorming EU, rol nationale parlementen, toetsing HvJ EU
Auteurs Mr. dr. R.H. van Ooik
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage behandelt de functie die het evenredigheidsbeginsel speelt als toetsingsmaatstaf voor de instellingen van de Europese Unie wanneer zij bindende regelgeving uitvaardigen. Daartoe wordt eerst de omschrijving van dit beginsel in het Europese recht onderzocht, alsmede de verhouding van het evenredigheidsbeginsel tot de nauw verwante beginselen van toedeling van bevoegdheden en subsidiariteit. Daarna gaat het om de vraag wie, tijdens het totstandkomingproces van EU-regelgeving, invloed hebben op de beslissing of EU-regelgeving ‘evenredig’ is. Vervolgens wordt uitvoerig gekeken naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over toetsing van Europese regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel. Daarna kunnen conclusies worden getrokken over de van die rechtspraak uitgaande normerende werking op de besluitvormende EU-instellingen.


Mr. dr. R.H. van Ooik
Mr. dr. R.H. van Ooik is universitair hoofddocent Europees recht aan de Universiteit van Amsterdam. r.h.vanooik@uva.nl
Artikel

Het ex-Monti II-voorstel: ‘Paard van Troje’ of zege voor sociale grondrechten?

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2013
Trefwoorden grondrechten, vrij verkeer, stakingsrecht, proportionaliteitstoets, sociaal beleid, Monti II
Auteurs Mr. dr. S.A. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    Nu de poging van de EU-wetgever om met het zogenoemde Monti II-voorstel economische en sociale rechten te verzoenen voorlopig gestrand lijkt, wordt het juridisch kader voor de uitoefening van het recht op collectieve actie in grensoverschrijdende situaties in de EU nog steeds bepaald door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder door de Viking-, Laval- en Rüffert-zaken.
    Centraal in deze bijdrage staat de vraag: in hoeverre was de Monti II-verordening in staat om een bijdrage te leveren aan een beter evenwicht tussen sociale grondrechten en economische Verdragsvrijheden? En wat zijn, nu het voorstel is ingetrokken, mede in het licht van het Verdrag van Lissabon, alternatieven om tot een meer harmonische relatie tussen de botsende sociale en economische rechten te komen?
    Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting van 21 maart 2012, COM(2012) 130.


Mr. dr. S.A. de Vries
Mr. dr. S.A. de Vries is universitair hoofddocent Europees recht en Jean Monnet-leerstoelhouder EU-internemarktrecht en grondrechten.

    In december en februari jl. is het ‘Octrooipakket’ vastgesteld dat moet leiden tot de inwerkingtreding, op 1 januari 2014, van het Unie-octrooistelsel. In deze bijdrage zal dit stelsel in grote lijnen worden beschreven, met een nadruk op institutioneelrechtelijke vraagstukken.
    – < HvJ EU 8 maart 2011, Advies 1/09, Overeenkomst betreffende het Gerecht voor het Europees en het Gemeenschapsoctrooi, Jur. 2011, p. I-1137.
    – Besluit 2011/167/EU van de Raad van 10 maart 2011 houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van eenheidsoctrooibescherming, Pb. EU 2011, L 76, p. 53.
    – Conclusie advocaat-generaal Bot van 11 december 2012 in gevoegde zaken C-274/11 en C-295/11, Spanje en Italië/Raad, n.n.g.
    – Verordening (EU) nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming, Pb. EU 2012, L 361, p. 1.
    – Verordening (EU) nr. 1260/2012 van de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming met betrekking tot de toepasselijke vertaalregelingen, Pb. EU 2012, L 361, p. 89.
    – Overeenkomst betreffende het gemeenschappelijk octrooigerecht, getekend te Brussel op 19 februari 2013, Raadsstuk 16351/12, <http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/12/st16/st16351.en12.pdf>
    – Nietigheidsberoepen C-146/13 en C-147/13, Spanje/Parlement en Raad, neergelegd op 22 maart 2013.


Mr. H.M.H. Speyart
Mr. H.M.H. Speyart is advocaat bij NautaDutilh N.V. te Amsterdam.
Artikel

Levenslange gevangenisstraf: uitlevering en overlevering aan Nederland

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 2 2013
Trefwoorden life imprisonment the Netherlands, extradition, surrender, human rights, European Court of Human Rights
Auteurs V.H. Glerum
SamenvattingAuteursinformatie

    In principle a Dutch life sentence is served in full. ‘Lifers’ can benefit from executive clemency. However, over the last 26 years clemency has been applied so sparingly as to call into question whether clemency for ‘lifers’ is a real possibility at all. Recently the European Court of Human Rights has refined its case-law on the compatibility of life sentences with Art. 3 ECHR, in the national context as well as in the context of extradition. This contribution discusses whether under Article 3 ECHR the Dutch practice of executing life sentences in full acts as a bar to extradition or surrender of a person who faces the imposition and/or execution of a life sentence in the Netherlands.


V.H. Glerum
Mr. dr. Vincent Glerum is senior juridisch medewerker van de Internationale Rechtshulpkamer van de Rechtbank Amsterdam.
Artikel

Recht op kwaliteit, maar geen recht op toegang

Herstelrecht in de EU-regelgeving omtrent slachtoffers van misdrijven

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 2 2013
Trefwoorden Restorative justice, Victims’ rights, EU-legislation, framework decision 2001, directive 2012
Auteurs Katrien Lauwaert
SamenvattingAuteursinformatie

    Some ten years ago, victim-offender mediation was introduced for the first time in EU-legislation through article 10 of the 2001 framework decision on the standing of victims in criminal proceedings. In 2012 this framework decision was replaced by a more extensive directive establishing minimum standards for victims of crime. This article examines the position of restorative justice in this new legal instrument. The outcome is mixed. The emphasis on safeguards in case restorative justice is applied is a positive move towards good practices, but it is disappointing that a right to access restorative justice services was not adopted.


Katrien Lauwaert
Katrien Lauwaert is onderzoeker bij het European Forum for Restorative Justice en het Leuvens Instituut voor Criminologie (KU Leuven) op een Europees project rond desistance en herstelrecht en is tevens redactielid van dit tijdschrift.
Artikel

Stuiting van verjaring en de volmacht van de advocaat

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 2 2013
Trefwoorden vertegenwoordiging, omvang volmacht, stilzwijgende volmacht, stuiting, advocaat
Auteurs Mr. P. Memelink
SamenvattingAuteursinformatie

    Kernvraag in deze bijdrage is hoe ver de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de advocaat reikt. Bepleit wordt dat advocaten in beginsel bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van stuitingsbrieven, op grond van hun (stilzwijgende) volmacht of van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat is slechts anders in gevallen waarin juist aan de omvang of het bestaan van de volmacht tot passieve vertegenwoordiging moet worden getwijfeld.


Mr. P. Memelink
Mr. P. Memelink is Professional Support Lawyer bij de sectie Dispute Resolution van Houthoff Buruma in Amsterdam.
Artikel

De toekomst van nadeelcompensatie in het omgevingsrecht

Ruime reikwijdte van de regeling – beperkte toekenning van schadevergoeding!

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden nadeelcompensatie, Awb, normaal maatschappelijk risico, bijzondere last
Auteurs Mr. G.M. van den Broek
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur blikt vooruit op de gevolgen van de algemene grondslag voor het bieden van nadeelcompensatie in de Awb voor het omgevingsrecht. Daarbij wordt aandacht besteed aan de reikwijdte, de competentieverdeling van de rechter en de verwachte toepassing van de nadeelcompensatieregeling uit het wetsvoorstel. Aan de hand van het wetsvoorstel en de jurisprudentie van de Afdeling over de begrippen die daarin terug gaan komen, wordt duidelijk dat het wetsvoorstel grote gevolgen heeft voor het omgevingsrecht. De verplichting om nadeelcompensatie te verstrekken zal op meer handelingen van toepassing zijn, maar door een strikte interpretatie van de begrippen ‘normaal maatschappelijk risico’ en ‘bijzondere last’ hoeft dit niet te leiden tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van de overheid.


Mr. G.M. van den Broek
Mevr. mr. G.M. (Berthy) van den Broek is universitair docent bij het Centrum voor Omgevingsrecht van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Afbakening van bevoegdheden en de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in het mededingingsrecht na het Toshiba-arrest

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2012
Trefwoorden Ne bis in idem-beginsel, Verordening 2003/1/EG, competentieverdeling, handhaving, boete
Auteurs Mr. R. Elkerbout LL.M
SamenvattingAuteursinformatie

    43 jaar na het Walt Wilhelm-arrest heeft de grote kamer van het Hof van Justitie zich in het Toshiba-arrest opnieuw uitgelaten over de onderlinge afbakening van bevoegdheden tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten alsook over de betekenis van het ne bis in idem-beginsel bij de handhaving van het mededingingsrecht in grensoverschrijdende kartelzaken. De auteur bespreekt in deze bijdrage het arrest en de implicaties daarvan voor de afbakening van bevoegdheden binnen het Europese netwerk van mededingingsautoriteiten. Voorts wordt een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij het oordeel van het Hof van Justitie aangaande de toepassing van het ne bis in idem-beginsel in de onderhavige kartelzaak.


Mr. R. Elkerbout LL.M
Ruben Elkerbout is advocaat bij Stek in Amsterdam.
Artikel

Het arrest Achughbabian en de strafbaarstelling van illegaal verblijf

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 6 2012
Trefwoorden Achughbabian, Terugkeerrichtlijn, Richtlijn 2008/115/EG, artikel 197 Sr, ongewenstverklaring
Auteurs Mr. dr. M.H.A. Strik
SamenvattingAuteursinformatie

    De EU-Terugkeerrichtlijn heeft het detineren en verwijderen van illegaal verblijvende derdelanders aan voorschriften gebonden en onder het toezicht van het Hof van Justitie gebracht. In Nederland is illegaal verblijf sindsdien verdergaand strafbaar gesteld. Hoe verhoudt deze nationale ontwikkeling zich tot de richtlijn? Staat de richtlijn strafbaarstelling toe en zo ja, op welke voorwaarden? Het arrest Achughbabian geeft hierop het begin van een antwoord.


Mr. dr. M.H.A. Strik
Mr. dr. M.H.A. Strik is Universitair docent migratierecht, Centrum voor Migratierecht, Radboud Universiteit Nijmegen en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Artikel

Nieuwe Europese regels voor privacy: commissie stelt pakket voor om gegevens ook in het informatietijdperk te beschermen

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 4 2012
Trefwoorden fundamentele rechten, voorgenomen besluitvorming EU, bescherming persoonsgegevens, handvest grondrechten, artikel 16 VWEU
Auteurs Mr. H. Hijmans
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel bespreekt het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming), dat op 25 januari 2012 door de Commissie is aangenomen. Dit voorstel beoogt een ingrijpende vernieuwing van het Europese stelsel voor gegevensbescherming te bewerkstelligen, onder meer door in een verordening gedetailleerde regels te stellen die in de gehele Unie van toepassing zijn. Het artikel eindigt met enkele fundamentele Europeesrechtelijke vragen die het voorstel oproept.


Mr. H. Hijmans
Mr. H. Hijmans is afdelingshoofd Policy & Consultation bij de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming (EDPS).
Artikel

De plaats van het schadebrengende feit nader bepaald: het arrest eDate Advertising GmbH en Martinez

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 2 2012
Trefwoorden bevoegde rechter, onrechtmatige daad, plaats van het schadebrengende feit, internetpublicatie, portretrecht
Auteurs Mr. H.W. Wefers Bettink
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 25 oktober 2010 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de gevoegde zaken eDate Advertising GmbH/X en Martinez/MGN Limited. Daarin heeft het Hof van Justitie een belangrijke aanvullende regel gegeven om te bepalen voor welke rechter degene die is geschaad door een publicatie op internet zijn volledige schade kan verhalen. Voor een dergelijk geval moet de plaats van het schadebrengende feit van artikel 5 punt 3 EEX-Verordening aldus worden uitgelegd dat tevens de rechter bevoegd is van de plaats waar de gelaedeerde het centrum van zijn belangen heeft. Tevens bepaalde het Hof van Justitie dat de bevoegde rechter daarbij overeenkomstig artikel 3 van de Richtlijn inzake elektronische handel (‘de Richtlijn’)1x Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Pb. EG 2000, L 178/1). het recht van de vestigingstaat van de uitgever moet toepassen, met inbegrip van het civiele recht.

Noten

  • 1 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Pb. EG 2000, L 178/1).


Mr. H.W. Wefers Bettink
Mr. H.W. Wefers Bettink is advocaat bij Houthoff Buruma.
Toont 1 - 20 van 50 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.