Zoekresultaat: 49 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Artikel x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Artikel

De gewijzigde Leidraad: leasebranche weer veilig, maar tegen hoge prijs

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 4 2014
Trefwoorden bodemrecht, bodemverhuurconstructie, Invorderingswet 1990, Leidraad Invordering 2008, (operational en financial) lease
Auteurs Mr. C.P.M. Braeken
SamenvattingAuteursinformatie

    In een poging leasemaatschappijen buiten de reikwijdte van art. 22bis IW 1990 te laten vallen is de Leidraad Invordering 2008 gewijzigd. In deze bijdrage wordt onderzocht of de gewijzigde Leidraad zijn doel verwezenlijkt en inderdaad voldoende ruimte biedt voor leasemaatschappijen om buiten de reikwijdte van art. 22bis IW 1990 te vallen.


Mr. C.P.M. Braeken
Mr. C.P.M. Braeken is per 1 juni 2014 werkzaam als advocaat-stagiaire bij Stibbe.
Artikel

Scheiding tussen spoor en trein

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 7 2013
Trefwoorden vervoer, spoor, infrastructuurbeheerder, holdingmodel
Auteurs Mr. K. Sevinga
SamenvattingAuteursinformatie

    Kort nadat de plannen voor een vierde pakket liberaliseringsmaatregelen in de spoorsector het licht zagen, heeft het Hof van Justitie zich voor het eerst kunnen uitspreken over( een onderdeel van) het eerste spoorwegpakket. Het betreft de positie van de infrastructuurbeheerder in het spoorbestel. De arresten en het voorstel uit het vierde spoorwegpakket over de beheerstructuur van de spoorweginfrastructuurbeheerder geven de kaders voor de ook in Nederland gaande discussie over de structuur van de spoorsector.
    HvJ EU 28 februari 2013, zaken C-555/10, Commissie/Oostenrijk en C-556/10 Commissie/Duitsland, n.n.g.


Mr. K. Sevinga
Mr. K. Sevinga is werkzaam bij de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.
Artikel

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT): (in) werking

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2013
Trefwoorden WNT, topfunctionaris, publieke en semipublieke sector, ontslagvergoeding, overgangsrecht
Auteurs Prof. mr. L.G. Verburg
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 januari 2013 trad de Wet normering bezoldigingen topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking. Deze bijdrage bevat een beschouwing over deze ‘unieke’ wet: het doel, de keuzes, de middelen, het overgangsrecht en natuurlijk de vraag of de WNT bestand is tegen lieden die het beloningsspel niet (ruiterlijk) willen meespelen. Een uitvoerige beschouwing over het belangrijke thema van de uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband (de ontslagvergoeding) − inclusief het terrein van de op non-actiefstelling − laat zien dat de WNT allerminst waterdicht is. De WNT laat daarbij een belangrijk gebied onbelicht: de praktijk van het maken van afspraken over een afkoop van wachtgeld/bovenwettelijke WW-rechten. De auteur doet de suggestie dat het kabinet het (zoals eerder toegezegd) in de loop van 2013 te verwachten wetsontwerp tot aanpassing van de WNT aangrijpt om enige verduidelijking te bieden omtrent de wijze waarop de praktijk volgens de wetgever met een en ander moet omgaan.


Prof. mr. L.G. Verburg
Prof. mr. L.G. Verburg is hoogleraar arbeidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Artikel

Access_open De staat als ‘neutral organiser of religions’?

Een analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (I)

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2013
Trefwoorden religie, godsdienstvrijheid, EVRM, secularisme, neutraliteit, Europees Hof voor de rechten van de mens
Auteurs Sophie van Bijsterveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Since 2001 the European Court of Human Rights (ECtHR) regularly applies the normative characterization of the state as a ‘neutral and impartial organiser of religions’ in its cases. This qualification has no explicit basis in the European Convention on Human Rights (ECHR). Where does it come from, how does the ECtHR understand this, in which type of cases does the ECtHR use it and with which result? This essay analyses the use of this qualification by the ECtHR and aims to provide an answer to these questions. It asserts that the qualification of the state as ‘neutral and impartial organiser of religions’ is an inadequate standard and examines wether it may harbor other normative dimensions that are important in the relation between state and religion. After introducing the first case in which the ECtHR used this qualification, the first part deals with cases concerning conflicts within and between churches, equal treatment of religious groups in multi-tiered church and state systems, and pupils in public schools wearing religious garb. The second part will appear in the next issue of this Journal and continues with an analysis of cases concerning the place of religion in education, and various alleged interferences of religious liberty. It concludes with a reflection on the use by the ECtHR of the qualification of the state as ‘neutral and impartial organizer of religious’.


Sophie van Bijsterveld
Prof. dr. S.C. van Bijsterveld is bijzonder hoogleraar Religie, rechtsstaat en samenleving aan de Universiteit van Tilburg. Zij is redactielid van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. s.c.vbijsterveld@uvt.nl.
Artikel

Consumentenrecht in de lucht: ontwikkelingen in het Europees passagiers-luchtvervoerrecht

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 1/2 2013
Trefwoorden Luchtvervoer, Passagiersrechten, Instapweigering, Annulering, Vertraging
Auteurs Prof. mr. M.B.M. Loos
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel wordt de rechtspraak besproken over de uitleg van de Verordening Instapweigering, annulering en langdurige vertraging van vluchten. Daarbij ligt de nadruk op de reeks van uitspraken van het Hof van Justitie over deze verordening uit 2012.


Prof. mr. M.B.M. Loos
Marco Loos is als hoogleraar verbonden aan het Centre for the Study of European Contract Law van de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Burgerschap en niet-statelijk recht: een reconstructie

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 1 2012
Trefwoorden cities, citizenship, exclusion, social formations
Auteurs Robert Knegt
SamenvattingAuteursinformatie

    In recent discussions on ‘citizenship’, the concept is oddly dealt with as if it would have originated shortly before the French Revolution and would have meaning in a nation state context only. During at least seven centuries before that, however, it had a crucial importance in the development of Western-European cities. Citizenship, being primarily based on an exclusion from the jurisdiction of local rulers (privilege) which then opens opportunities for the inclusion of citizens in systems of self-rule, has been closely connected with law as from the start. In the article a model developed by Sassen (2006) is used to reconstruct the development of ‘citizenship’ with special reference to the transfer of its elements, often with a considerable change of meaning and function, from one into the other of the four social formations to be distinguished. It is argued that an extended perspective, that acknowledges citizenship and law before its usurpation by the nation state, may be relevant to our assessment of recent developments towards ‘transnational’ forms of citizenship.


Robert Knegt
Robert Knegt is als directeur onderzoek verbonden aan het Hugo Sinzheimer Instituut, centrum voor onderzoek van ‘arbeid en recht’ aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet daar onderzoek naar de praktijk van arbeidsrechtelijke regelingen (ontslagrecht, flexwerk, arbeidstijden) en werkt aan een bij uitstek interdisciplinair project over ‘langetermijnontwikkelingen in de regulering van arbeid’. In 2008 verscheen The employment contract as an exclusionary device (Antwerp/Oxford/Portland: Intersentia).
Artikel

11-11-11, de Hoge Raad en 7:611

Duidelijk, maar onvermijdelijk arbitrair

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 1 2012
Trefwoorden werkgeversaansprakelijkheid, artikel 7:611 BW, schadevergoeding, verkeersongeval, werknemersbescherming
Auteurs Mevrouw mr. A. Krispijn
SamenvattingAuteursinformatie

    Het gebruik van artikel 7:611 BW als grondslag voor werkgeversaansprakelijkheid is al enige tijd in beweging. In de rechtspraak van de Hoge Raad tot nu toe werden de grenzen voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van dit artikel telkens verlegd. Dit liet de mogelijkheid van verdere uitbreiding in de toekomst open. In veel gevallen was daardoor onduidelijk of een werknemer die een ongeval was overkomen bescherming kon ontlenen aan dit artikel of niet. Er werd dan ook reikhalzend uitgekeken naar een uitspraak waarin de Hoge Raad duidelijkheid zou geven over de toepassing van artikel 7:611. Op 11 november 2011 deed de Hoge Raad twee van deze uitspraken.


Mevrouw mr. A. Krispijn
Mevrouw mr. A. Krispijn is advocaat bij Kennedy Van der Laan.
Artikel

Normontwikkeling door Thematisch Toezicht

De invloed van risicogebaseerde responsiviteit op normontwikkeling

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2011
Trefwoorden toezicht, normontwikkeling, risico’s, responsiviteit, Inspectie voor de Gezondheidszorg
Auteurs Drs. F.C.J. Neefjes, Prof. dr. R. Bal en Prof. dr. P.B.M. Robben
SamenvattingAuteursinformatie

    Responsiviteit van toezichthouders wordt veelal beschreven in procedurele zin dan wel in de zin van rekening houden met de nalevingsbereidheid van ondertoezichtstaanden. In dit artikel introduceren wij een derde vorm van responsiviteit, gericht op het type risico dat centraal staat in het toezicht. In dit artikel wordt de invloed van risicogebaseerde responsiviteit op normontwikkeling door ondertoezichtstaanden onderzocht. Het kwalitatief onderzoek bestaat uit een analyse van twee Thematisch Toezichtsprojecten van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en laat een samenhang zien tussen de mate van responsiviteit en het type risico dat centraal staat in het Thematisch Toezicht. Naarmate er een betere match is tussen de aard van de interacties die de inspectie aangaat met het veld enerzijds en de aard van de risico’s die centraal staan in het toezicht, blijkt het toezicht door te werken in normontwikkeling. Hoewel wordt gepleit voor het gebruik van het concept van risicogebaseerde responsiviteit in het toezicht, is nader onderzoek nodig naar de werkingsmechanismen en de effecten daarvan.


Drs. F.C.J. Neefjes
Drs. F.C.J. Neefjes is inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, Amsterdam.

Prof. dr. R. Bal
Prof. dr. R. Bal is hoogleraar bij het instituut Beleid & Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Prof. dr. P.B.M. Robben
Prof. dr. P.B.M. Robben is werkzaam bij de Afdeling Onderzoek en Innovatie, Inspectie voor de Gezondheidszorg en hoogleraar bij het instituut Beleid & Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Collectief ontslag niet meer omzeild

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2011
Trefwoorden collectief ontslag, WMCO, gelijkgesteld ontslag
Auteurs Dr. mr. J.H. Even en Mr. B. Filippo
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage brengt het voorstel van wet ‘Wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van deze wet’ in kaart. Dit wetsvoorstel wordt getoetst aan de Richtlijn collectief ontslag. In het bijzonder onderzoeken de auteurs van deze bijdrage (1) of de Richtlijn deze wetswijziging voorschrijft en, zo neen, (2) of de Richtlijn deze wetswijziging toestaat. Om deze vragen te kunnen beantwoorden analyseren de auteurs onder andere (1) de definitie van ontslag, (2) de definitie van gelijkgesteld ontslag, (3) het verschil in rechtsgevolgen tussen beide vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, (4) het ontslag tijdens faillissement, en (5) de timing inclusief de verplichting tot het in acht nemen van de wachttijd. Deze analyse richt zich op zowel de Richtlijn als de WMCO. Zij concluderen dat de WMCO na de wetswijziging een stuk beter aansluit bij de Richtlijn dan dat deze wet nu doet. Sommige voorgestelde wetswijzigingen gaan verder dan de Richtlijn voorschrijft, andere aspecten van de (nieuwe) WMCO zullen (nog steeds) niet richtlijnconform zijn.


Dr. mr. J.H. Even
Dr. mr. J.H. Even is advocaat bij SteensmaEven te Rotterdam.

Mr. B. Filippo
Mr. B. Filippo is advocaat bij SteensmaEven te Rotterdam.
Artikel

Bescherming van passagiersrechten in de luchtvaart; een turbulent onderwerp

Tijdschrift Maandblad voor Vermogensrecht, Aflevering 7/8 2011
Trefwoorden passagiersrechten, luchtvaart, Verordening (EG) nr. 261/2004
Auteurs Mr. A.E. Goossens
SamenvattingAuteursinformatie

    Mensen gaan zich over het algemeen pas in het recht verdiepen op het moment dat ze er zelf een beroep op willen doen. Voor consumenten is dit niet altijd even eenvoudig. De kosten voor juridische bijstand zijn vaak te hoog en de (financiële) belangen te klein. Daarom is het belangrijk dat consumenten goed worden geïnformeerd over hun rechten en hier op eenvoudige wijze een beroep op kunnen doen. Hier schort het nog wel eens aan in de luchtvaart. Passagiers zijn onvoldoende op de hoogte van hun rechten, de regelgeving is niet altijd duidelijk en de rechten van passagiers worden niet altijd voldoende gewaarborgd. Ondanks Europese regelgeving die tot doel heeft de rechten van passagiers te beschermen, zijn passagiers slecht geïnformeerd, worden er nog veel rechten geschonden en gaan luchtvaartmaatschappijen nog geregeld in de fout. Oftewel; bescherming van passagiersrechten is een onderwerp dat aandacht behoeft en waarover het laatste woord vast nog niet is gezegd.


Mr. A.E. Goossens
Mr. A.E. Goossens is werkzaam als advocaat bij Allen & Overy te Amsterdam.
Artikel

De openbaarmaking van niet-beroepsbeperkende tuchtmaatregelen

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 6 2011
Trefwoorden keuze-informatie, openbaarmaking tuchtmaatregelen, professionele autonomie, tuchtrecht
Auteurs Prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen
SamenvattingAuteursinformatie

    Van diverse zijden is voorgesteld van opgelegde niet-beroepsbeperkende maatregelen aantekening te maken in de BIG-registers. Op basis van deze openbare informatie zouden patiënten zich een beter beeld moeten kunnen vormen van de kwaliteit van hulpverleners. Deze voorstellen zijn niet los te zien van het toenemende belang dat men aan keuze-informatie hecht. De toegang tot gezondheidszorg wordt meer en meer afhankelijk gemaakt van de wijze waarop burgers met deze informatie omgaan. In deze bijdrage betwijfelt de auteur of als gevolg van de voorgestelde maatregelen de burger zich zal verzekeren van toegang tot betere zorg. Daarenboven getuigen zij van een onzorgvuldige belangenafweging.


Prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen
Martin Buijsen is als hoogleraar Recht & gezondheidszorg verbonden aan het Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg en de Erasmus School of Law van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

Bij dreiging ingrijpen

De Wet tijdelijk huisverbod in de praktijk

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 8 2010
Auteurs K.B.M. de Vaan en A. Schreijenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    As from January 2009, mayors in The Netherlands can impose a temporary restraining order on (potential) perpetrators of domestic violence in situations in which there is an immediate threat to victims and/or children. This restrains these (potential) perpetrators from entering their own house or contacting their partner and/or children for a period of 10 to 28 days. In this article, the law regarding these temporary restraining orders is explained and an overview of the first experiences with the actual implementation is given. The temporary restraining orders are an addition to the existing measures regarding domestic violence because they enable intervention before the violence has actually taken place or the situation escalates. In practice, however, the orders are frequently imposed after escalation of the situation, parallel to the arrest and possible persecution of the suspected perpetrator. Apparently, the orders provide a break from explosive situations, and the intensive form of professional help that those involved receive is a welcome addition, even in situations for which the order was not primarily designed. The first experiences show that aid is given quickly. They also show that more attention needs to be given to the content of this aid, to regional differences in the enforcement of the law and to the follow-up aid after the temporary restraining order has ended.


K.B.M. de Vaan
Drs. Katrien de Vaan is werkzaam als onderzoeker bij Regioplan Beleidsonderzoek en momenteel betrokken bij de landelijke proces evaluatie van de Wet tijdelijk huisverbod in opdracht van het WODC. Dit artikel is gebaseerd op openbaar beschikbare bronnen en evaluaties. Recent is een aantal onderzoeken afgerond dat op een gestructureerde manier nadere informatie zal bieden over de toepassing van het huisverbod: een onderzoek naar de hulpverlening in het kader van het huisverbod, een partiële kwaliteitsbepaling van het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld, een landelijke procesevaluatie van het huisverbod en een onderzoek naar de rechtsbescherming van de uithuisgeplaatste. Deze onderzoeken zijn deels in het najaar van 2010 openbaar geworden, de rest wordt in het voorjaar van 2011 openbaar.

A. Schreijenberg
Mr. drs. Ad Schreijenberg is werkzaam als onderzoeker bij Regioplan Beleidsonderzoek en momenteel betrokken bij de landelijke proces evaluatie van de Wet tijdelijk huisverbod in opdracht van het WODC. Dit artikel is gebaseerd op openbaar beschikbare bronnen en evaluaties. Recent is een aantal onderzoeken afgerond dat op een gestructureerde manier nadere informatie zal bieden over de toepassing van het huisverbod: een onderzoek naar de hulpverlening in het kader van het huisverbod, een partiële kwaliteitsbepaling van het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld, een landelijke procesevaluatie van het huisverbod en een onderzoek naar de rechtsbescherming van de uithuisgeplaatste. Deze onderzoeken zijn deels in het najaar van 2010 openbaar geworden, de rest wordt in het voorjaar van 2011 openbaar.
Artikel

Dossier Arbeid & Recht maart 2011

Tijdschrift Dossier Arbeid & Recht, Aflevering 03 2011
Auteurs Prof. mr. C.J. Loonstra en Mr. B. Hoogendijk

Prof. mr. C.J. Loonstra

Mr. B. Hoogendijk
Artikel

Dienstbodes in Saoedi-Arabië; intersectionaliteit en toegang tot het recht

Tijdschrift Recht der Werkelijkheid, Aflevering 2 2011
Trefwoorden domestic workers, Saudi Arabia, patriarchy, access to justice
Auteurs Antoinette Vlieger
SamenvattingAuteursinformatie

    Domestic workers in Saudi Arabia suffer from severely limited access to justice, which affects the conflicts they may have with their employers. As there is no bargaining in the shadow of the law, the more powerful party, employer, can usually enforce their preferred outcome. This article focuses on the question of why domestic workers’ access to justice is so limited; are the underlying causes comparable to the ones in other countries, or does it concern an issue specific to Saudi Arabia? Literature on domestic workers points at both gender and citizenship as factors that weaken the position of these female migrant workers in many societies. This article discusses to what extent these two factors limit access to justice in Saudi Arabia and concludes with some critical remarks concerning the concept of intersectionality.


Antoinette Vlieger
Antoinette Vlieger is docent-onderzoeker aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. De afgelopen vijf jaar deed zij onderzoek naar conflicten tussen dienstbodes en hun werkgevers in Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. Op 21 december aanstaande zal zij haar proefschrift hierover verdedigen. Zij heeft lesgegeven in verschillende juridische en metajuridische vakken. Hierna hoopt zij nieuw onderzoek te doen, bijvoorbeeld naar de vraag wat de verschillende relaties zijn tussen olie, migratiestromen en de ontwikkeling van arbeidsrecht. Ook hoopt zij te kunnen bijdragen aan de verbetering van de positie van met name vrouwen en migranten in het Midden-Oosten.
Artikel

Van maatstaf naar maatwerk

Een korte geschiedenis van economische regulering

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2010
Trefwoorden rendementsregulering, prijsregulering, maatstafconcurrentie, kwaliteitsregulering
Auteurs Drs. J.P. Poort en Dr. L.A.W. Tieben
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel geeft een gestileerd overzicht van verschillende methoden voor economische regulering en bespreekt per methode de sterke en zwakke kanten. Het accent ligt daarbij op de energienetten. Het beoogt op toegankelijke wijze de algemene trends en de lessen uit de reguleringsgeschiedenis van de afgelopen decennia weer te geven en snijdt een aantal thema’s aan die momenteel spelen in de reguleringspraktijk. De auteurs betogen dat de regulering periodieke aanpassing behoeft in het licht van nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de marktontwikkelingen in de gereguleerde sector. Vaak is hierbij de uitdaging meer ruimte te bieden aan maatwerk zonder de voordelen van moderne reguleringsvormen zoals maatstafconcurrentie prijs te geven.


Drs. J.P. Poort
Drs. J.P. Poort is Hoofd Mededinging en regulering bij SEO Economisch Onderzoek.

Dr. L.A.W. Tieben
Dr. L.A.W. Tieben is Senior Onderzoeker Mededinging en regulering bij SEO Economisch Onderzoek.

Prof. mr. A.C. Hendriks

M.K. Bulterman
Artikel

Het Nederlandse voorstel voor implementatie van de gewijzigde Europese regels voor elektronische communicatie

Tijdschrift Nederlands tijdschrift voor Europees recht, Aflevering 8 2010
Trefwoorden elektronische communicatie, nieuwe Regelgevende Kader, NRF, New Regulatory Framework
Auteurs Mr. G.P. van Duijvenvoorde
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 26 november 2009 is het gewijzigde Europese kader voor elektronische communicatie in werking getreden. Met twee richtlijnen worden de richtlijnen die sinds 2002 het regelgevingskader vormden, gewijzigd om beter te zijn toegesneden op de technologische en marktontwikkelingen. Een voorbeeld van een technologische ontwikkeling is het snel toegenomen gebruik van mobiele data, als gevolg van bijvoorbeeld ‘internetten’ of films bekijken via de mobiele telefoon. Om tegemoet te komen aan deze ontwikkeling is nodig dat er voldoende frequentieruimte beschikbaar is, maar ook dat wordt gewaarborgd dat gebruikers zoveel mogelijk ongeacht de aard en omvang van hun gebruik internet kunnen (blijven) gebruiken (netneutraliteit). Daarnaast betrof een van de discussiepunten bij de voorbereiding van het gewijzigde Europese kader de bescherming van gebruikers bij het afsluiten van het gebruik van internet en is het in het definitieve Europese kader op dit punt tot een compromis gekomen. Naast de wijzigingen in de richtlijnen is ook met een verordening een nieuw orgaan van Europese regelgevers onder de naam BEREC opgericht om te adviseren aan de Commissie en de nationale toezichthouders.


Mr. G.P. van Duijvenvoorde
Mr. G.P. van Duijvenvoorde is als advocaat werkzaam bij KPN Telecom te Den Haag en is gastdocent bij de afdeling E-law@leiden van de Universiteit Leiden.
Artikel

Aantallen civiele rechtszaken in Nederland en elders

Een vergelijking in de tijd en in Europa

Tijdschrift Justitiële verkenningen, Aflevering 4 2009
Auteurs E. Niemeijer en C.M. Klein Haarhuis
SamenvattingAuteursinformatie

    Academic perceptions of litigation rates are dispersed: they vary from observations of a ‘litigation explosion’ to empirical accounts of ‘vanishing trials’. In this article the authors study whether civil trials are increasing or vanishing in the Netherlands. To find out, the authors studied trends in the number of civil cases in the Dutch courts. First, they observed developments in the filings as well as the dispositions of civil cases over the past 25 years, taking into account the trial-likeness of the procedures. Second, they put the Dutch figures - including other indicators of legal activity - in a European perspective. The findings show that the number of court cases in the Netherlands is on the rise. This does not automatically imply, however, that the Netherlands are a highly litigious society. ‘Light’ versions of trials are predominant, as is efficiency in the management of cases. Moreover, the number of lawyers and judges is rather small compared to other European countries.


E. Niemeijer
Prof. dr. mr. Bert Niemeijer is werkzaam bij de directie Algemene Justitiële Strategie van het ministerie van Justitie en is tevens als hoogleraar empirische rechtssociologie verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

C.M. Klein Haarhuis
Dr. Carolien Klein Haarhuis is als onderzoeker verbonden aan het WODC.
Toont 1 - 20 van 49 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.