Zoekresultaat: 44 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Case x
Wetenschap

Verschuivend paradigma in corporate governance bij vijandige overnames

Reflecties van rechters, bestuurders en commissarissen, een lid van de Monitoring Commissie en een institutionele belegger tegen de achtergrond van ontwikkelingen op de kapitaalmarkt en in de jurisprudentie

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2019
Trefwoorden langetermijnwaardecreatie, corporate governance, shareholder- en stakeholdermodel, vijandige overnames, vennootschappelijk belang
Auteurs Mr. dr. J. Nijland, Dr. T.L.M. Verdoes, Dr. M.P. Lycklama à Nijeholt e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    De recente ontwikkelingen in de Nederlandse jurisprudentie en de herziening van de Corporate Governance Code zouden kunnen dienen als een belangrijke katalysator voor meer ‘duurzame’ overnamebesluiten door het benadrukken van het belang van langetermijnwaardecreatie. De auteurs interviewden belangrijke actoren in overnameconflicten om hun visie te geven op de kansen en bedreigingen van langetermijnwaardecreatie. De reflecties zijn in lijn met de ontwikkelingen en aldus doorgedrongen in het maatschappelijke speelveld. Concrete invulling geven aan langetermijnwaardecreatie is complex vanwege de uiteenlopende visies op het vennootschappelijke belang: de shareholders, stakeholders en de entiteit. Dit schept echter ook de ruimte om autonoom invulling te geven aan langetermijnwaardecreatie.


Mr. dr. J. Nijland
Mr. dr. J. (Jelle) Nijland is als universitair docent verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, afdeling Ondernemingsrecht, van de Universiteit Leiden.

Dr. T.L.M. Verdoes
Dr. T.L.M. (Tim) Verdoes is als universitair docent verbonden aan het Instituut Fiscale en Economische vakken van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, afdeling Bedrijfswetenschappen, van de Universiteit Leiden.

Dr. M.P. Lycklama à Nijeholt
Dr. M.P. (Maaike) Lycklama à Nijeholt is als universitair docent verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, afdeling Ondernemingsrecht, van de Universiteit Leiden.

Mr. dr. N.T. Pham
Mr. dr. N.T. (Thy) Pham is als universitair docent verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, afdeling Ondernemingsrecht, van de Universiteit Leiden.
Wetenschap

Smallsteps: de uitspraak, de Nederlandse rechtspraak en voorgestelde regelgeving

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2019
Trefwoorden behoud van werknemersrechten, overgang van onderneming, pre-packaged deal, Smallsteps-uitspraak, Wet overgang van onderneming in faillissement
Auteurs Mr. C. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn uitspraak van 22 juni 2017 in de Smallsteps-zaak besliste het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de Europese richtlijn betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen ook van toepassing is wanneer de overgang van de onderneming plaatsvindt door middel van een zogenoemde pre-packaged deal. De latere Nederlandse rechtspraak beperkt de reikwijdte van de Smallsteps-uitspraak zo veel mogelijk. Op 29 mei 2019 is het voorontwerp Wet overgang van onderneming in faillissement gepubliceerd. Dit voorontwerp is mede een reactie op de Smallsteps-uitspraak, maar lijkt strijdig te zijn met de richtlijn.


Mr. C. de Groot
Mr. C. (Cees) de Groot is werkzaam bij de afdeling Ondernemingsrecht van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.
Wetenschap

Twee heren (in één transactie) dienen, mag dat nu wel of (soms) toch niet?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 3 2019
Trefwoorden tegenstrijdig belang, belangenverstrengeling, Bruil, corporate governance, Wet bestuur en toezicht rechtspersonen
Auteurs Prof. mr. W.J. Oostwouder en Mr. T. Spronk
SamenvattingAuteursinformatie

    De wet bevat geen duidelijke definitie voor het begrip ‘tegenstrijdig belang’. Ook de wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidige interpretatie van dit begrip en zijn toepassing. De minister verwijst wel naar het in 2007 gewezen Bruil-arrest. Hieruit blijkt dat ook in het sinds 2013 geldende recht moet worden uitgegaan van de in dit arrest aangenomen verschuiving van de abstracte leer naar de materiële leer. Dit neemt niet weg dat er twijfels ontstaan over de ex-antetoepassing van de ex post geformuleerde Bruil-norm, de specifieke invulling van het materiële begrip en de verhouding tussen de tegenstrijdig-belangregeling en de Linders/Hofstee-regels. Deze onduidelijkheid wordt versterkt door de verschillende interpretaties van dit begrip in de governancecodes en recente uitspraken van de Ondernemingskamer en de Governancecommissie Gezondheidszorg. Een verheldering van dit begrip door de wetgever in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen zou derhalve gewenst zijn.


Prof. mr. W.J. Oostwouder
Prof. mr. W.J. (Wilco) Oostwouder is hoogleraar Bedrijfsfinancieel Recht aan de Universiteit Utrecht, advocaat bij Loyens & Loeff en lid van het Zorgteam van dit kantoor, en directeur/eigenaar van Meer Kennis, Juridische en Governance Opleidingen te Hoofddorp.

Mr. T. Spronk
Mr. T. (Tess) Spronk is wetenschappelijk docent bij de sectie ondernemingsrecht van de Erasmus School of Law.
Contracten maken

Access_open Leren exonereren: een aantal gezichtspunten ten aanzien van het contractueel reguleren van aansprakelijkheid

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 3 2019
Trefwoorden Exoneratie, Schadeplichtigheid, Verzuim, Opzet of bewuste roekeloosheid, Beperkende werking redelijkheid en billijkheid
Auteurs Prof. mr. T.H.M. van Wechem
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de rol die exoneraties in b2b-verhoudingen spelen besproken en formuleert de auteur regels die bij het opstellen van een goede exoneratiebepaling van nut kunnen zijn. De auteur wijst op het belang van het juridisch (logistiek) kwalificeren van de overeenkomst, de vraag of de schadeplicht voortvloeit uit een temporeel of kwalitatief ten achter blijven en op de uitleg van exoneraties. Onderzocht wordt ook of toetsing van het beding aan de beperkende werking van de redelijkheid veel verschilt van de norm ‘onredelijk bezwarend’ uit artikel 6:233 sub a Burgerlijk Wetboek en de omstandigheden die in de rechtspraak een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of een exoneratie terzijde moet worden gesteld.


Prof. mr. T.H.M. van Wechem
Prof. mr. T.H.M. van Wechem is hoogleraar Corporate Legal Counseling aan de Open Universiteit, raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en zelfstandig juridisch adviseur te Amsterdam.
Casus

Access_open Ontwikkelingen in de regelgeving omtrent beloningen

Streng, strenger, strengst?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2019
Trefwoorden beloning, beloningsbeleid, bonuscap, Wbfo, Wet beheerst beloningsbeleid financiële ondernemingen
Auteurs Mr. E.S. Sijmons
SamenvattingAuteursinformatie

    Ruim vier jaar geleden trad de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo) in werking, waarmee een breed pakket aan beloningsregels is geïntroduceerd voor alle financiële ondernemingen. In 2018 is de Wbfo geëvalueerd met voorgenomen wijzigingen tot gevolg. Daarnaast is vanuit politieke hoek een aantal voorstellen tot aanscherpingen gedaan als reactie op maatschappelijke ontwikkelingen. Dit artikel biedt een overzicht van deze ontwikkelingen. De uitkomsten van de evaluatie bieden geen concrete aanknopingspunten voor de recente voorstellen over vaste beloning en ook schort het vaak aan deugdelijke onderbouwing van de noodzaak van de voorgestelde regels. De nieuwe regels met betrekking tot de niet-cao-uitzondering op de bonuscap en met betrekking tot proportionaliteit brengen daarentegen duidelijkheid voor marktpartijen en zijn daarom vanuit juridisch perspectief toe te juichen.


Mr. E.S. Sijmons
Mr. E.S. (Eleonore) Sijmons is advocaat bij Finnius te Amsterdam. Hiervoor was zij werkzaam bij De Nederlandsche Bank N.V.
Casus

Wettelijke streefcijfers over man-vrouwdiversiteit vanuit het perspectief van de selectie- en benoemingscommissies van grote vennootschappen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2019
Trefwoorden wettelijke streefcijfers, de selectie- en benoemingscommissie, man vrouwdiversiteit, Genderstereotypering, Similar attraction paradigm
Auteurs Mr. B. Klinger, Mr. dr. H.M. Vletter-van Dort en Mr. dr. H. Koster
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel onderzoeken de auteurs de streefcijfers over man-/vrouw diversiteit specifiek vanuit het perspectief van de selectie- en benoemingscommissie. Zij gaan daarbij onder meer in op de uitkomsten van onderzoek naar de samenstelling van de RvB, de RvC en de selectie- en benoemingscommissies van beursgenoteerde Nederlandse ondernemingen. Ook wordt ingegaan op enkele sociologische factoren. De auteurs sluiten af met enkele conclusies.


Mr. B. Klinger
Mr. B. (Basya) Klinger is bezig met de afronding van de Togamaster aan de Erasmus School of Law en heeft de master Ondernemingsrecht in 2018 succesvol afgerond.

Mr. dr. H.M. Vletter-van Dort
Mr. dr. H.M. (Hélène) Vletter-van Dort is hoogleraar Financieel recht en Governance aan de Erasmus School of Law en commissaris.

Mr. dr. H. Koster
Mr. dr. H. (Harold) Koster is verbonden aan de Erasmus School of Law en aan de Universiteit van Dubai.
Signalement

De implementatie van herstelrecht voor jeugdige slachtoffers: een Europees leertraject

Een verslag van de afsluitende conferentie van het project ‘Implementing Restorative Justice with Child Victims’, Brussel, 7 december 2018

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 1 2019
Auteurs Marit de Haan
Auteursinformatie

Marit de Haan
Marit de Haan is criminoloog en als wetenschappelijk onderzoeker betrokken bij verschillende projecten op het gebied van herstelrecht, slachtoffers, meer humane aanpak van criminaliteit en hervorming van gevangenissen. Zij studeerde af in de Psychologie (Bsc) en Criminologie (MA) aan de universiteit Utrecht en woonde de afgelopen 1,5 jaar in Chili, waar zij ervaring opdeed binnen verschillende onderzoeksprojecten.
Wetenschap

Access_open De processuele positie van de aansprakelijk gestelde bestuurder

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2019
Trefwoorden bestuurdersaansprakelijkheid, bewijspositie, gezag van gewijsde
Auteurs Mr. H.J. Vetter
SamenvattingAuteursinformatie

    Recente rechtspraak roept de vraag op welke verweermogelijkheden een op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk gestelde bestuurder heeft als de rechtspersoon-bestuurder onherroepelijk is veroordeeld. En hoe is de positie van een op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gestelde bestuurder die zich wil verweren tegen de omvang van de schade van een crediteur van de rechtspersoon, als de rechtspersoon zelf is veroordeeld bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis? In deze bijdrage wordt met een beroep op het leerstuk van het gezag van gewijsde bepleit dat de bestuurder meer ruimte voor verweer heeft dan wel wordt aangenomen.


Mr. H.J. Vetter
Mr. H.J. (Hans) Vetter is rechter in de Rechtbank Den Haag.
Objets trouvés

Recht is niet alleen recht als er recht op staat

Over het (h)erkennen van de rechtskracht van private normen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 6 2018
Trefwoorden normalisatie, meetinstructie, prejudiciële vragen, status en rechtsgevolgen
Auteurs Prof. dr. R.A.J. van Gestel
SamenvattingAuteursinformatie

    Met het Achmea/Rijnberg-arrest van de Hoge Raad leek een doorbraak te zijn bereikt inzake de doorwerking van private regelgeving in het recht. Wanneer partijen het onderling eens zijn over de toepasselijkheid van bijvoorbeeld gedragscodes, toetst de Hoge Raad er ook aan zonder de juridische status ervan te beoordelen. De vraag wat te doen wanneer de relevantie van private regelgeving tussen partijen wordt betwist, blijkt echter een veel lastiger te nemen hobbel. Recente jurisprudentie over normalisatienormen toont aan dat het in zo’n geval buitengewoon complex is om te bepalen welke rechtsgevolgen aan private regels moeten worden verbonden. Wettelijke (h)erkenningsregels die de rechter behulpzaam kunnen zijn bij het kwalificeren en waarderen van private regels worden in die situatie node gemist. Hier ligt ook een taak voor wetgevingsjuristen. De vraag is alleen of één algemeen wettelijk kader voor uiteenlopende vormen van private regelgeving momenteel al haalbaar is. Werken met experimenteerbepalingen zou wel eens vruchtbaarder kunnen blijken te zijn. Dergelijke bepalingen zullen alleen werken wanneer wetgevingsjuristen, die ze moeten opstellen, zich eerst verdiepen in de schaduwwereld van private normen waarop deze bijdrage enig licht probeert te werpen.


Prof. dr. R.A.J. van Gestel
Prof. dr. R.A.J. (Rob) van Gestel is hoogleraar Regulering en Juridische methoden en technieken aan de Tilburg Law School.
Wetenschap

Access_open Third party litigation funding

De voordelen, aandachtspunten en aanbevelingen om risico’s te beheersen

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 2 2018
Trefwoorden third party litigation funding, litigation funding, procesfinanciering
Auteurs Mr. dr. A. van der Krans
SamenvattingAuteursinformatie

    Third party litigation funding (TPLF, of procesfinanciering door derden) is de rechtsverhouding waarbij een derde zich tegen een in het vooruitzicht gestelde beloning verplicht om een eiser in een civiele procedure of arbitrage van financiering te voorzien om de kosten van procederen te dekken. TPLF kan de toegang tot de rechter vergroten, de onderhandelingskracht vergroten, een preventief effect hebben en een one-shot player laten transformeren in een repeat player. Een deel van de bezwaren tegen procesfinanciering is ongefundeerd, of overdreven. Omdat procesfinanciers hoge eisen stellen aan de (ver)haalbaarheid, omvang en beperking van risico’s is het onwaarschijnlijk dat TPLF zal leiden tot een claimcultuur. TPLF zorgt wel voor een driepartijenverhouding, die mogelijk voor complicaties kan zorgen. Ook kan TPLF grote consequenties voor de gefinancierde hebben, zeker in een volledig ongereguleerde markt als de Nederlandse. Grotere partijen moeten over het algemeen worden geacht deze consequenties te kunnen overzien en daarop te kunnen anticiperen. Consumenten en kleinere partijen zouden echter meer bescherming behoeven. Een gedragscode kan hierbij behulpzaam zijn en helpen misstanden op voorhand te voorkomen. Als deze handschoen door procesfinanciers in Nederland wordt opgepakt, kan TPLF een nuttige bijdrage leveren aan de borging van de toegang tot het recht.


Mr. dr. A. van der Krans
Mr. dr. A. (Anatoli) van der Krans is advocaat bij Corona Legal te Amsterdam.
Contracten maken

Het eenzijdig wijzigingsbeding in de franchiseovereenkomst

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 1 2018
Trefwoorden Franchise, Formulewijziging, Wijzigingsbeding, Franchiseovereenkomst
Auteurs Mr. A.W. Dolphijn
SamenvattingAuteursinformatie

    De vraag of de franchiseformule door de franchisegever gewijzigd zou mogen worden, en in hoeverre, kan een bron van conflicten zijn. Bij de beoordeling gaat het om de formulering van het wijzigingsbeding, de wijziging zelf en overige omstandigheden. Tegen deze achtergrond wordt in deze bijdrage bezien welke factoren van belang kunnen zijn bij een toelaatbaar beroep van een franchisegever op een beding in een franchiseovereenkomst tot eenzijdige wijziging van de franchiseformule.


Mr. A.W. Dolphijn
Mr. A.W. Dolphijn is advocaat te Rotterdam bij Ludwig & Van Dam advocaten.
Casus

Contractonderhandelingen met een letter of intent: het opstellen van bedingen

Tijdschrift Contracteren, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Afgebroken onderhandelingen, culpa in contrahendo, Aansprakelijkheid, Voorovereenkomst, Intentieverklaring
Auteurs Dr. E. Pannebakker LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens contractonderhandelingen stellen partijen geregeld een ‘letter of intent’ op. De vraag in hoeverre de partijen aan dergelijke documenten zijn gebonden, staat zowel bij het opstellen van een letter of intent als bij de eventuele geschillen centraal. In deze bijdrage worden de meest voorkomende bedingen van een letter of intent onder de loep genomen en wordt een aantal aanbevelingen over het opstellen van de letter of intent geformuleerd.


Dr. E. Pannebakker LLM
Dr. E. Pannebakker LLM is universitair docent aan de Universiteit Leiden, Instituut voor Privaatrecht.
Casus

Waarom zou de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad zijn uitgesloten?

HR 17 februari 2017: art. 2:11 BW en onrechtmatige daad – de Hoge Raad kiest (terecht?) voor eenheid

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 4 2017
Trefwoorden art. 2:11 BW, hoofdelijke aansprakelijkheid, onrechtmatige daad, tweedegraads bestuurder, bestuurdersaansprakelijkheid
Auteurs Mr. H.J. Vetter
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn arrest van 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad een knoop doorgehakt: art. 2:11 BW leidt ook tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder, als de rechtspersoon-bestuurder tegenover een crediteur van de bestuurde rechtspersoon aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Bij de motivering van deze keuze door de Hoge Raad kunnen vraagtekens worden geplaatst; geheel in het stelsel van de bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen past de keuze niet. Maar voordeel is dat nu aan een al jaren slepende discussie in de literatuur en aan de verwarring in de lagere rechtspraak een einde is gekomen.
    De via art. 2:11 BW aangesproken tweedegraads bestuurder heeft een disculpatiemogelijkheid: als hij stelt en, zo nodig, bewijst dat hem geen persoonlijk ernstig verwijt treft, ontkomt hij alsnog aan aansprakelijkheid. Hoever moet de aangesproken bestuurder daarbij gaan: moet hij ook stellen dat hij niet is tekortgeschoten in zijn collegiale verantwoordelijkheid? Een vonnis gewezen tegen de rechtspersoon-bestuurder en tegen een collega-tweedegraads bestuurder heeft jegens hem geen gezag van gewijsde.


Mr. H.J. Vetter
Mr. H.J. Vetter is raadsheer in het Gerechtshof Den Haag en redactielid.

Thom de Jong
Mr. drs. T. de Jong is toezichthouder bij het expertisecentrum integriteitsstrategie van De Nederlandsche Bank N.V.

Margot Aelen
Mr. dr. Aelen is toezichthouder specialist bij het expertisecentrum integriteitsstrategie van De Nederlandsche Bank N.V. en tevens redactielid van Tijdschrift voor Toezicht. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel. Fragmenten van dit artikel zijn eerder verschenen in T. de Jong, ‘Witwasrisico’s in de voetballerij’, in: Jaarboek Compliance 2017, p. 181-199. Dit artikel is een ‘Uit het veld’ en is een weergave van het risico-identificerende onderzoek dat DNB deed naar de mate waarin financiële instellingen integriteitsrisico’s in de voetbalsector beheersen, aangevuld met een aantal observaties inzake ontwikkelingen en scenario’s in de voetbalsector die integriteitsrisico’s voor de financiële sector met zich meebrengen. De onderzoekers hebben nadrukkelijk zelf geen onderzoek gedaan naar deze scenario’s, maar hebben zich hierbij gebaseerd op bestaande literatuur en andere openbare bronnen.
Casus

Ontwikkeling van een afwegingskader vertrouwen voor toezichthouders

Lessen uit de praktijk van de IGJ

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Vertrouwen, Toezicht, operationaliseren, afwegingskader, gezondheidszorg
Auteurs Sandra Spronk, Heleen Buijze, Paul Zwietering e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Diverse toezichthouders hebben vertrouwen in ondertoezichtstaanden gekozen als uitgangspunt. Inspecteurs van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vinden vertrouwen een lastig te hanteren begrip. Tegelijk geven zij aan dat vertrouwen wel een grote rol speelt bij hun oordeel en handhaving. Ze missen echter handvatten om de afweging van vertrouwen in de zorgaanbieder te kunnen expliciteren en te onderbouwen. Dit is voor de IGJ aanleiding om vanuit het perspectief van de IGJ praktijkonderzoek te doen naar het begrip vertrouwen. Dit leidt tot het afwegingskader.


Sandra Spronk
Dr. S. Spronk is adviseur Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Heleen Buijze
Drs. P.H. Buijze is Inspecteur Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Paul Zwietering
Dr. P.J. Zwietering is Inspecteur Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Roland Friele
Dr. ir. R.D. Friele is adjunct-directeur en hoogleraar Nivel/Tranzo Tilburg University.

Paul Robben
Prof. dr. P.B.M. Robben is hoogleraar iBMG, Erasmus Universiteit.
Casus

De Governancecode Zorg 2017

Wondermiddel, doekje voor het bloeden of een geschikt instrument?

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2017
Trefwoorden Governancecode Zorg 2017, Corporate Governancecode 2016, Zorgbrede Governancecode, Corporate governance, Zorg
Auteurs Prof. mr. W.J. Oostwouder en Mr. F.L. Leijdesdorff
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 15 december 2016 is de Governancecode Zorg 2017 aangeboden aan de cliëntenorganisaties binnen de zorg. De auteurs van dit artikel houden deze Code tegen het licht en vergelijken deze met de Zorgbrede Governancecode 2010 en de Corporate Governancecode 2016. Voorts beantwoorden zij de volgende vragen: (a) draagt de Code op een adequate wijze bij aan de vier speerpunten van het beleid van de minister van VWS; (b) hoe vernieuwend is de Code; (c) wat moet er in de bestuurskamer en de kamer van de raad van toezicht veranderen; en (d) vergroot de Code het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders en leden van de raad van toezicht?


Prof. mr. W.J. Oostwouder
Prof. mr. W.J. Oostwouder is hoogleraar Bedrijfsfinancieel Recht aan de Universiteit Utrecht, advocaat bij Loyens & Loeff en lid van het Zorgteam van dit kantoor en directeur/eigenaar van Meer Kennis, Juridische en Governance Opleidingen te Hoofddorp.

Mr. F.L. Leijdesdorff
Mr. F.L. Leijdesdorff is advocaat partner bij het Zorgteam van Loyens & Loeff.
Casus

Tien jaar bemiddeling bij Slachtoffer in Beeld

Keuzevrijheid, vrijwilligheid en vertrouwelijkheid centraal

Tijdschrift Tijdschrift voor Herstelrecht, Aflevering 4 2016
Auteurs Mariëlle van den Berg
Auteursinformatie

Mariëlle van den Berg
Mariëlle van den Berg is communicatieadviseur bij Slachtoffer in Beeld.

Eric Lancksweerdt
Eric Lancksweerdt is hoofddocent universiteit Hasselt, praktijkassistent universiteit Antwerpen en erkend bemiddelaar.
Casus

Implementatie van de gewijzigde Moeder-dochterrichtlijn in de Nederlandse vennootschaps- en dividendbelasting

Europa gaat belastingontwijking te lijf

Tijdschrift Onderneming en Financiering, Aflevering 1 2016
Trefwoorden vennootschapsbelasting, dividendbelasting, multinationals, belastingontwijking, antimisbruikbepalingen
Auteurs Prof. dr. J.N. Bouwman
SamenvattingAuteursinformatie

    De discussie over belastingontwijking door multinationals en de daaruit voortvloeiende aanpassing van de – fiscale – Europese Moeder-dochterrichtlijn hebben de Nederlandse wetgever ertoe gebracht de vennootschaps- en dividendbelasting aan te scherpen. In beide belastingen zijn nieuwe antimisbruikbepalingen opgenomen die het ontwijken van in het bijzonder dividendbelasting door het gebruik van ‘tussenhoudsters’ moet voorkomen. Daarnaast zijn in de vennootschapsbelasting regels ingevoerd die door een moedervennootschap ontvangen winstuitkeringen van een dochtervennootschap niet langer vrijstellen maar belasten, als deze betalingen bij de dochtervennootschap in mindering op de fiscale winst zijn gekomen (het tegengaan van hybride mismatches). Na een analyse van de nieuwe regels blijkt dat er een aantal kanttekeningen is te plaatsen. Een daarvan luidt dat de uitvoering van de nieuwe antimisbruikbepalingen met de nodige onzekerheid is omgeven. Een andere is dat de wetgever nogal voortvarend is geweest bij de bestrijding van de hybride mismatches.


Prof. dr. J.N. Bouwman
Prof. dr. J.N. Bouwman is hoogleraar Fiscaal Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Casus

Politiek primaat achter een juridisch schild

Een kanttekening bij de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Kamerleden en wetgevingsjuristen

Tijdschrift RegelMaat, Aflevering 1 2016
Trefwoorden Rechtsstaat, Rol van de wetgevingsjurist, Terrorismebestrijding
Auteurs Mr. dr. P.J.P.M. Van Lochem
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur bespreekt een door het Kamerlid Zijlstra ingediende motie, waarin hij oproept om juristen de opdracht te geven positief te adviseren over veiligheidsmaatregelen vanwege (dreigend) terrorisme. De wetgevingsjurist dient zich niet af te vragen of iets mogelijk is, maar te zorgen dat het mogelijk is. De auteur bespreekt welke juridische argumentaties er zijn om veiligheidsoverwegingen boven juridische overwegingen te laten gaan. Wel is het de vraag of het van een wetgevingsjurist kan worden verwacht dat hij zelf een afweging tussen veiligheidsoverwegingen en juridische overwegingen maakt. In feite maakt hij dan niet alleen een juridische afweging, maar ook een beleidsmatige afweging. De vraag is waarom wetgevingsjuristen zich kennelijk gedwongen voelen zich in dergelijke bochten te wringen. Het feit dat de Tweede Kamer zich weinig actief bemoeit met het waarborgen van rechtsstatelijke normen kan daar mede aan ten grondslag liggen. In die zin verbergen Kamerleden zich achter het schild van het juridisch advies.


Mr. dr. P.J.P.M. Van Lochem
Mr. dr. P.J.P.M. van Lochem is Fellow van het Meijers Instituut (Universiteit Leiden) en is voormalig rector van de Academie voor Wetgeving en de Academie voor Overheidsjuristen.
Toont 1 - 20 van 44 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.