Zoekresultaat: 46 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2017 x Rubriek Case Law x
Jurisprudentie

‘Mag ik even in uw smartphone kijken?’

De visie van de Hoge Raad gelet op het recht op privacy op grond van artikel 8 EVRM

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 4 2017
Trefwoorden Smartphone, (Recht op) privacy, Verbaliseringsplicht, Doorzoeking, Toezicht
Auteurs Mr. T. Beekhuis
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad schetst in de ‘Smartphone-arresten’ een juridisch toetsingskader voor de vaststelling wanneer aan een smartphone een rechtmatig onderzoek kan plaatsvinden. Het zwaartepunt ligt volgens de Hoge Raad op de ‘hoeveelheid doorzochte gegevens’. Afhankelijk van de mate van volledigheid van het beeld dat daardoor wordt verkregen van het persoonlijk leven, stelt de Hoge Raad wie bevoegd is: een opsporingsambtenaar, een officier van justitie of een rechter-commissaris. In deze annotatie staat centraal op welke wijze het toezicht dient plaats te vinden en welke andere factoren een rol zouden moeten spelen bij de vaststelling van de inbreuk op het recht op privacy.


Mr. T. Beekhuis
Mr. T. Beekhuis is docent Straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen aan de Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

Blue Taxi-arrest: de beperkte zekerheid van de vaststellingsovereenkomst bij vorderingen van derden

HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:19 (Blue Taxi/SFT)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2017
Trefwoorden Vaststellingsovereenkomst, Blue Taxi/SFT, Derden, dwingend recht, openbare orde/goede zeden
Auteurs Mr. dr. A.F. Bungener en Mr. dr. A. Van Zanten-Baris
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage bespreken auteurs het arrest Blue Taxi/SFT. Dit arrest biedt verduidelijking met betrekking tot hoe het recht omtrent vaststellingsovereenkomsten dient te worden toegepast. Auteurs gaan in op de wijze waarop en de mate waarin de belangen van derden daarbij dienen te worden gerespecteerd. Auteurs geven antwoord op de vraag wanneer met een vaststellingsovereenkomst dwingend recht opzij kan worden gezet en wanneer dit binnen de contouren van de Hoge Raad niet is toegestaan. Juist dit laatste wordt in de praktijk nog wel eens over het hoofd gezien.


Mr. dr. A.F. Bungener
Mr. dr. A. Bungener is advocaat bij Pact Advocaten te Amsterdam.

Mr. dr. A. Van Zanten-Baris
Mr. dr. A. van Zanten-Baris is eigenaar van Arbeidsrecht Simpel.

    Bij de uitleg van cao-bepalingen leek de Hoge Raad in 1993, met de introductie van de cao-norm, afstand te hebben genomen van de Haviltex-norm. De ‘grammaticale uitleg’ van cao-bepalingen raakte in zwang. Dit was niet de bedoeling. De Hoge Raad greep diverse keren in om de cao-norm te verduidelijken. In 2002, met het DSM/Fox-arrest, leek de cao-norm uitgekristalliseerd. Met het Condor-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de uitleg van een cao-bepaling de toepassing van de cao-norm niet in alle gevallen gerechtvaardigd is. In deze bijdrage wordt de ontwikkeling van de cao-norm toegelicht. De nieuwe grenzen zullen nog vastgesteld moeten worden. Mijn verwachting is dat het Condor-arrest als basis zal dienen voor een ontwikkeling waarbij cao-bepalingen uit bedrijfstak-cao’s en ondernemings-cao’s niet altijd volgens dezelfde methode zullen worden uitgelegd.


mr. dr. A. Stege
Mr. dr. A. Stege is advocaat bij Zilver Advocaten te Amsterdam.
Jurisprudentie

De raadselachtige wetsgeschiedenis van artikel 129 lid 2, eerste zin, OnBW

Rb. Den Haag 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12968 en Hof Den Haag 12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2684

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2017
Trefwoorden overgangsrecht, artikel 129 OnBW, uiterste wilsbeschikking, gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen, uitlegging
Auteurs Prof. mr. W. Breemhaar
SamenvattingAuteursinformatie

    Gepoogd wordt de raadselachtige wetsgeschiedenis van artikel 129 lid 2, eerste zin, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OnBW) te ontrafelen en vast te stellen voor welke situatie deze bepaling een voorziening geeft. Geconcludeerd wordt dat de bepaling binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen de wettelijke grondslag biedt voor het maken van een uiterste wilsbeschikking onder het huidige recht, waarbij de erflater afwijkt van het bepaalde in artikel 129 lid 1 OnBW omtrent de niet-opeisbaarheid van de legitieme portie, indien de erflater onder het oude erfrecht een making ten behoeve van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel heeft gemaakt en deze in stand houdt.


Prof. mr. W. Breemhaar
Prof. mr. W. Breemhaar is senior raadsheer in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en emeritus bijzonder hoogleraar Bijzondere onderwerpen Notarieel recht aan de Universiteit van Amsterdam.
Jurisprudentie

Jurisprudentieoverzicht

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 6 2017
Auteurs Mr. E.M.A. van Amersfoort

Mr. E.M.A. van Amersfoort

    Overlast AWACS-vliegtuigen en gebruik ander type vliegtuig ten onrechte niet onderzocht.

    Kruimelgevallenregeling. Niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied. Commercieel terras.

    Omgevingsvergunning en voorbereidingsbesluit. Aanhoudingsplicht. Toetsingskader bij vervallen uitbreidingsplan.


Tycho Lam

    Kruimelgevallenregeling. Tijdelijke omgevingsvergunning. Termijn van tien jaar.


Mr. J. de Boer
Mr. J. de Boer is lid van het Gemeenschappelijk Hof.

Prof. mr. T.M. Schalken
Prof. mr. T.M. Schalken is emeritus hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht te Amsterdam, oud-lid van het (toenmalig) Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en destijds nauw betrokken bij de totstandkoming van de huidige Sv 1997.

Mr. P. Huisman
Mr. P. Huisman is advocaat bij Borg advocaten en is werkzaam op het gebied van bestuurs-, straf- en civiel recht.

Mr. A.P. Verhaeg
Mr. A.P. Verhaegh is stafjurist bij de afdeling strafrecht van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, thans gedetacheerd bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Jurisprudentie

Is beleidskeuze in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten een objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling?

Rechtbank Noord-Holland 14 maart 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:4976)

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Artikel 14 EVRM, redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond, beleidsvrijheid wetgever, Artikel 94 Grondwet
Auteurs Mr. M. Chébti
SamenvattingAuteursinformatie

    Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het UWV geen verboden onderscheid heeft gemaakt door een werkzoekende met een auditieve beperking een indicatie banenafspraak te weigeren. De rechtbank stelt dat er een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor dit gemaakte onderscheid. Hij motiveert dit oordeel slechts met een verwijzing naar de door de wetgever gemaakte afweging om alleen de meest kwetsbare groep mensen met een beperking aan te merken als doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.
    In dit artikel wordt de vraag aan de orde gesteld of deze motivering wel voldoet aan de procedurele verplichting die, volgens de rechtspraak van het EHRM, voortvloeit uit artikel 14 EVRM. In het concrete geval moet een rechterlijk onderzoek plaatsvinden naar het bestaan van een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor de inbreuk op het recht op gelijke behandeling. De rechtbank neemt in deze uitspraak tot uitgangspunt dat de ruime beleidsvrijheid van de wetgever in de weg staat aan een rechterlijke belangenafweging in het concrete geval. Betoogd wordt dat vaste rechtspraak van de Hoge Raad bepaalt dat de rechter, bij wijze van uitzondering, wel mag treden in een beleidskeuze van de wetgever. Dit kan hij doen wanneer het resultaat van die beleidskeuze strijd zou opleveren met een rechtstreeks werkende verdragsbepaling zoals artikel 14 EVRM. De besproken uitspraak miskent die rechterlijke bevoegdheid.


Mr. M. Chébti
Mr. M. (Mariam) Chébti is lid van het College voor de Rechten van de Mens.
Jurisprudentie

Intel ontleed

HvJ EU 6 september 2017, zaak C-413/14 P, Intel/Europese Commissie, ECLI:EU:C:2017:632

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5-6 2017
Trefwoorden misbruik van machtspositie, kortingen, even efficiënte concurrent, efficiencies
Auteurs Pepijn van Ginneken en Gaëlle Béquet
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 6 september 2017 vernietigde het Hof van Justitie de Intel-uitspraak van het Gerecht uit 2014 over het toepassen van exclusiviteitskortingen. Het Hof van Justitie concludeerde dat het Gerecht ten onrechte niet had gekeken naar de beroepsgronden van Intel over de vraag of de betreffende kortingen mededingingsbeperkende effecten hadden onder de ‘even efficiënte concurrent’-toets (as efficient competitor, AEC-toets). Het Gerecht was op basis van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie tot de conclusie gekomen dat exclusiviteitskortingen per definitie misbruik van machtspositie vormen. Het Hof van Justitie breekt nu met deze sinds veertig jaar vaste jurisprudentie.


Pepijn van Ginneken
Mr. P.P.J. van Ginneken is advocaat bij Brinkhof N.V. in Amsterdam.

Gaëlle Béquet
Mr. G.D.G.M.G. Béquet is advocaat bij Brinkhof N.V. in Amsterdam.
Jurisprudentie

Gedomineerde en aanpalende markten – enkele opmerkingen bij NS Limburg

Besluit ACM d.d. 22 mei 2017, artikel 24 Mw en artikel 102 VWEU (Aanbesteding Concessie Limburg)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5-6 2017
Trefwoorden misbruik van machtspositie, misbruik op aanpalende markten, roofprijzen, competition on the merits, stelsel van gedragingen als misbruik
Auteurs Paul Kreijger
SamenvattingAuteursinformatie

    Was het misbruikverbod in de Nederlandse mededingingspraktijk lange tijd een rustig, zo niet wat ingeslapen bezit, met het zeer uitvoerige boetebesluit waarmee de ACM de gang van zaken rond de aanbesteding in 2014 van de OV-concessie Limburg afstraft, is aan die rust voorlopig een einde gekomen. Voor mededingingsjuristen biedt de ACM stof tot nadenken met een op onderdelen innovatieve aanpak, die echter de analyse van de effecten van het gestelde misbruik stiefmoederlijk bedeelt.


Paul Kreijger
Mr. P.J. Kreijger is advocaat te Amsterdam (Visser Schaap & Kreijger).
Jurisprudentie

Jurisprudentieoverzicht

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 5 2017
Auteurs Mr. E.M.A. van Amersfoort

Mr. E.M.A. van Amersfoort
Jurisprudentie

Viasat: een duidelijke waterscheiding tussen Altmark en artikel 106 lid 2 VWEU?

Hof van Justitie EU 8 maart 2017, zaak C-660/15 P, Viasat Broadcasting UK/Commissie, ECLI:EU:C:2017:178

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2017
Trefwoorden staatssteun, diensten van algemeen economisch belang, Altmark, evenredigdheid, verenigbaarheid
Auteurs Maarten Aalbers
SamenvattingAuteursinformatie

    In het Altmark-arrest koos het Hof van Justitie voor een zogeheten ‘voorwaardelijke compensatiebenadering’ voor diensten van algemeen economisch belang. Compensaties die voldoen aan de Altmark-voorwaarden vormen geen staatssteun. Omdat er in de praktijk weinig compensaties de strikte Altmark-test doorstaan, speelt artikel 106 lid 2 VWEU nog steeds een centrale rol voor het vrijstellen of aanmelden van steunmaatregelen. In de zaak Viasat Broadcasting UK/Commissie heeft het Hof van Justitie voor het eerst de mogelijkheid gekregen zich uit te spreken over de verhouding tussen de toepassing van het Altmark-arrest en de voorwaarden van artikel 106 lid 2 VWEU.


Maarten Aalbers
Mr. M. Aalbers is promovendus aan het Europa Instituut van de Universiteit Leiden.
Toont 1 - 20 van 46 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.