Zoekresultaat: 36 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Case Law x

Winfred Knibbeler
Mr. W. Knibbeler is advocaat bij Freshfields Bruckhaus Deringer LLP.

Annotatie

Wettelijke maximering van de vertrekvergoeding onder de Wbfo: géén verplichting voor de rechter tot ambtshalve toepassing

HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Wbfo, Vertrekvergoeding, ambtshalve toepassing, openbare orde
Auteurs Mr. drs. A.M. Helstone
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 1 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:818) heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de procesrechtelijke status van het wettelijk maximum voor de vertrekvergoeding van bestuurders ex artikel 1:125 lid 2 Wft. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling geen regel van openbare orde die ex artikel 25 Rv ambtshalve door de rechter zou moeten worden toegepast. In deze annotatie worden de relevante gezichtspunten voor de verplichting tot ambtshalve toepassing ex artikel 25 Rv geanalyseerd. Tevens wordt stilgestaan bij de oorsprong en de doelstellingen van de beloningsnormen van de Wft en de Europese regels. Hiermee wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de bredere gedachtevorming over de duiding van wettelijke beloningsnormen als onderdeel van publiekrechtelijke regulering in het civiel procesrecht en de hiervoor geldende rechterlijke toetsing.


Mr. drs. A.M. Helstone
Mr. drs. A.M. Helstone is advocaat en partner bij Stibbe te Amsterdam. Zij behaalde naast haar doctoraal Nederlands recht ook een doctoraal Franse taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Thans is zij gespecialiseerd in arbeidsrecht en pensioenrecht. Een bijzonder specialisme binnen haar praktijk richt zich op beloningsgerelateerde onderwerpen op het snijvlak van het arbeidsrecht, de Wft en de WNT. Hierover schrijft en publiceert zij regelmatig.

Mr. J. de Boer
Mr. J. de Boer is lid van het Gemeenschappelijk Hof.
Jurisprudentie

Is beleidskeuze in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten een objectieve rechtvaardiging voor ongelijke behandeling?

Rechtbank Noord-Holland 14 maart 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:4976)

Tijdschrift Handicap & Recht, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Artikel 14 EVRM, redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond, beleidsvrijheid wetgever, Artikel 94 Grondwet
Auteurs Mr. M. Chébti
SamenvattingAuteursinformatie

    Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het UWV geen verboden onderscheid heeft gemaakt door een werkzoekende met een auditieve beperking een indicatie banenafspraak te weigeren. De rechtbank stelt dat er een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor dit gemaakte onderscheid. Hij motiveert dit oordeel slechts met een verwijzing naar de door de wetgever gemaakte afweging om alleen de meest kwetsbare groep mensen met een beperking aan te merken als doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.
    In dit artikel wordt de vraag aan de orde gesteld of deze motivering wel voldoet aan de procedurele verplichting die, volgens de rechtspraak van het EHRM, voortvloeit uit artikel 14 EVRM. In het concrete geval moet een rechterlijk onderzoek plaatsvinden naar het bestaan van een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor de inbreuk op het recht op gelijke behandeling. De rechtbank neemt in deze uitspraak tot uitgangspunt dat de ruime beleidsvrijheid van de wetgever in de weg staat aan een rechterlijke belangenafweging in het concrete geval. Betoogd wordt dat vaste rechtspraak van de Hoge Raad bepaalt dat de rechter, bij wijze van uitzondering, wel mag treden in een beleidskeuze van de wetgever. Dit kan hij doen wanneer het resultaat van die beleidskeuze strijd zou opleveren met een rechtstreeks werkende verdragsbepaling zoals artikel 14 EVRM. De besproken uitspraak miskent die rechterlijke bevoegdheid.


Mr. M. Chébti
Mr. M. (Mariam) Chébti is lid van het College voor de Rechten van de Mens.

    Daglichttoetreding. TNO-normen. Deskundige. Verwijzing naar beleidsregels. Beleidsvrijheid.

    Plattelandswoning. Geur. Bepalen hoogte achtergrondbelasting. Betrekken geuremissies eigen bedrijf.

Jurisprudentie

Het dossier voorwaardelijke ontbinding gesloten? – Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant/werknemer)

Tijdschrift Tijdschrift voor Ontslagrecht, Aflevering 2 2017
Trefwoorden ontslagrecht, voorwaardelijke ontbinding, vernietiging, bewijsrecht, herstel
Auteurs mr. dr. Vivian Bij de Vaate
SamenvattingAuteursinformatie

    De vraag naar de toelaatbaarheid van de voorwaardelijke ontbinding onder de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft de gemoederen flink beziggehouden. De opvattingen in de lagere rechtspraak en de literatuur liepen uiteen. Dat Kantonrechter Enschede op 20 mei 2016 de Hoge Raad prejudiciële vragen stelde op de voet van artikel 392 Rv, was derhalve niet vreemd. Het antwoord van de Hoge Raad, gegeven in een beschikking van 23 december 2016 (Mediant/werknemer) staat in deze bijdrage centraal. Wordt met deze beschikking het voorwaardelijke-ontbindingsdossier gesloten?


mr. dr. Vivian Bij de Vaate
Vivian Bij de Vaate is universitair docent arbeidsrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en daarnaast professional support lawyer bij Baker & McKenzie te Amsterdam.

Mr. E.F. Groot
Mr. E.F. Groot is universitair docent aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    Verweerder heeft in redelijkheid aansluiting gezocht bij de standaardgeluidnormen in het Activiteitenbesluit. Hogere waarden dan de standaardgeluidsnormen van het Activiteitenbesluit zijn in redelijkheid aanvaardbaar indien niet op korte termijn een meer geschikte, alternatieve locatie voorhanden is.


Hans Paul Nijhoff

    Door het alleen langs elektronische weg bekendmaken van een besluit wordt het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aangetast.

    Het bevoegd gezag kan aansluiting zoeken bij de geluidnormen van het Activiteitenbesluit, tenzij daarmee geen recht wordt gedaan aan de specifieke omstandigheden van de situatie.

Jurisprudentie

Het CBb komt er uit voor Bolletje-beschuit: ACM bakt het al te bruin

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 februari 2016, Continental Bakeries B.V., A.A. ter Beek B.V. e.a./ACM, ECLI:NL:CBB:2016:23

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2016
Trefwoorden indirecte concurrentiedruk, private label-producten, merkproducten, upstream-marktafbakening, dilution factor
Auteurs Theon van Dijk
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak A.A. Ter Beek en Continental Bakeries/ACM geeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven aan dat aan het feit dat de upstream-vraag een afgeleide is van de downstream-vraag, niet zonder meer de conclusie mag worden verbonden dat twee groepen producten die tot dezelfde relevante productmarkt op downstream-niveau behoren, dat ook doen op upstream-niveau.


Theon van Dijk
Dr. T.W.P. van Dijk is directeur bij E.CA Economics. De auteur bedankt Paul de Bijl voor commentaar en suggesties bij een eerdere versie van deze annotatie.

Mr. M.E.B. de Haseth
Mr. M.E.B. de Haseth is werkzaam bij de Raad van State en sinds 1 februari 2015 gedetacheerd bij het Gemeenschappelijk Hof.

Prof. mr. L.J.J. Rogier
Prof. mr. L.J.J. Rogier is emeritus hoogleraar Staats- en Bestuursrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam en als bijzonder hoogleraar Staats- en Bestuursrecht verbonden aan de Universiteit van Curaçao.

    Ten onrechte geen rekening gehouden met BBT-conclusies. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Toont 1 - 20 van 36 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.