Zoekresultaat: 25 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2012 x Rubriek Jurisprudentie x
Jurisprudentie

Grenzeloze problemen bij grensoverschrijdende arbeid

De IPR-systematiek van het EVO-Verdrag en de Rome I-Verordening nader beschouwd, HR 3 februari 2012, LJN BS8791, JAR 2012/69 (Schlecker/Boedeker)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2012
Trefwoorden EVO-Verdrag, Rome I-Verordening, toepasselijk recht, vrij werknemersverkeer, VWEU
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien een werknemer in een ander land werkzaamheden verricht dan waar hij zijn dienstverband heeft, bevindt de (reikwijdte van zijn) arbeidsovereenkomst zich niet langer onder de glazen stolp van één nationaal rechtsstelsel. De stap over de grens maakt dat de arbeidsovereenkomst raakvlakken vertoont met meer landen, die elk hun eigen normen, waarden en regels kennen inzake het arbeidsrecht. Die eigenheid van het nationale arbeidsrecht maakt de vraag naar het toepasselijke recht relevant. Dat het antwoord hierop niet altijd eenduidig is te geven, blijkt uit de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012. De Hoge Raad stelt in dit arrest twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het EVO-Verdrag indien sprake is van een permanente tewerkstelling in het ene land terwijl alle overige omstandigheden op een nauwe verbondenheid met een ander land wijzen. In deze bijdrage bespreekt de auteur de discussie tussen partijen over het toepasselijke recht in het licht van het EVO-Verdrag (en de Rome I-Verordening). Speciale aandacht gaat uit naar de betekenis van de fundamentele verdragsvrijheid inzake het vrije werknemersverkeer.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens als redactiesecretaris verbonden aan dit blad.
Jurisprudentie

CBb-trilogie: Apotheek Van Dalen - NZa (en Menzis)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden NZa, aanmerkelijke marktmacht, artikel 48 Wet marktordening gezondheidszorg (WMG), toetsing AMM-bevoegdheden, apotheek
Auteurs Mr. M.Ph.M. Wiggers en mr. dr. J.J.M. Sluijs
SamenvattingAuteursinformatie

    De uitspraak van het CBb van 7 juni 2012 markeert het einde van de eerste AMM-zaak van de NZa. De zaak-Van Dalen heeft aangetoond dat de inzet van de AMM-bevoegdheden door de NZa kwetsbaar is. In de voorlopige voorzieningen heeft Van Dalen grosso modo de procedures gewonnen en de NZa verloren, maar in beroep bij het CBb heeft de NZa haar AMM-besluit overeind weten te houden.


Mr. M.Ph.M. Wiggers
Mr. M.Ph.M. Wiggers is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam en verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen als buitenpromovendus.

mr. dr. J.J.M. Sluijs
Mr. dr. J.J.M. Sluijs is advocaat bij Legaltree te Den Haag.
Jurisprudentie

Auto 24 SARL tegen Jaguar Land Rover France SAS (Auto24/JLR)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden artikel 101 VWEU, selectieve distributie, kwantitatieve criteria, groepsvrijstelling motorvoertuigen
Auteurs Mr. M. Knapen
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit arrest geeft het Hof van Justitie antwoord op de vraag of kwantitatieve selectieve distributiecriteria enkel onder de groepsvrijstelling motorvoertuigen vallen indien zij berusten op objectief gerechtvaardigde criteria die eenvormig en zonder onderscheid worden toegepast op eenieder die om erkenning verzoekt. Het arrest behandelt een aantal fundamentele vraagstukken die relevant zijn bij het opstellen en handhaven van een selectief distributiestelsel en verduidelijkt de voorwaarden die gelden ten aanzien van het rechtvaardigen, toepassen en openbaar maken van selectiecriteria. Opvallend is daarbij dat het Hof van Justitie een minder strikte benadering lijkt te volgen ten aanzien van kwantitatieve selectieve distributiecriteria dan de Nederlandse rechter in de recente Auping- en Batavus-arresten.


Mr. M. Knapen
Mr. M. Knapen is advocaat in dienstbetrekking bij Philips.
Jurisprudentie

De geheimhoudingsplicht op scherp?

Rb. Amsterdam 11 juli 2012, LJN BX1528 Rb. Amsterdam 11 juli 2012, LJN BX1531 Rb. Amsterdam 11 juli 2012, LJN BX1537

Tijdschrift Tijdschrift voor Toezicht, Aflevering 4 2012
Auteurs M. Aelen LL.M.
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze notenkraker worden drie uitspraken van de Rechtbank Amsterdam over drie vorderingen jegens DSB Bank besproken. De uitspraken zetten het dilemma tussen geheimhouding van toezichtsinformatie en transparantie van het toezicht op scherp. Twee elementen vallen hierbij in het bijzonder op. Ten eerste wordt duidelijk dat openbaarheid van toezichtsinformatie op de financiële markt gevoeliger ligt dan bij de andere economische toezichthouders en bij niet-economische toezichthouders. Ten tweede is er een spanningsveld tussen het civiele recht en het publieke recht. Het dilemma tussen geheimhouding en transparantie en deze beide elementen zullen in deze notenkraker worden besproken.


M. Aelen LL.M.
M. Aelen LL.M is promovenda bij het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht en schrijft daar een proefschrift over beginselen van goed toezicht. Zij is tevens lid van de redactie van Tijdschrift voor Toezicht.
Jurisprudentie

The Greenery/Oussoren

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2012
Trefwoorden coöperatie, exclusieve leveringsplicht (oud-)leden, verticale beperkingen en cumulatief effect, afweging concurrentiebeperkende tegen concurrentiebevorderende effecten, rule of reason?
Auteurs Mr. P.J. Kreijger
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze zaak oordeelt het Gerechtshof Den Haag over een door landbouwcoöperatie The Greenery met een van haar voormalige leden gemaakte afspraak tot exclusieve levering. Anders dan de rechtbank in eerste aanleg ziet het gerechtshof geen strijd met artikel 101 VWEU en/of artikel 6 Mw. Daartoe maakt het gerechtshof onder meer een afweging tussen de concurrentiebeperkende gevolgen en de concurrentiebevorderende effecten van de leveringsverplichting, zonder deze afweging binnen het kader van artikel 6 lid 1 Mw/artikel 101 lid 1 VWEU te plaatsen. Aanvaardt het gerechtshof hier in feite een, door de Luxemburgse rechtspraak categorisch afgewezen, rule of reason?


Mr. P.J. Kreijger
Mr. P.J. Kreijger is advocaat bij Linklaters LLP in Amsterdam.
Jurisprudentie

Collectieve actie/massaschade

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2012
Trefwoorden ADR, class action, class arbitration
Auteurs Prof. mr. E. Hondius
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze kroniek signaleert enige nieuwe uitgaven en een drietal congressen op het gebied van class actions. De boeken zijn de Gentse dissertatie van Stefaan Voet, een bundel over de rechtseconomische aspecten van class actions onder redactie van Jürgen Backhaus, Alberto Cassone en Giovanni Ramello, en het boek Mass justice onder redactie van Jenny Steele en Willem van Boom. Deze zomer waren aan dit onderwerp in ons land voorts drie bijeenkomsten gewijd: een vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht te Amsterdam, een workshop aan het Netherlands Institute for Advanced Studies te Wassenaar en een inaugurele rede aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Uit een rede van de eurocommissaris voor Justitie kan evenwel worden afgeleid dat er op Europees niveau thans geen class action zal komen.


Prof. mr. E. Hondius
Mr. E. Hondius is hoogleraar Europees privaatrecht aan de Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

Terug naar de vorm? Een blik op Tomra

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2012
Trefwoorden Hof van Justitie, Tomra, Misbruik, Getrouwheidskortingen, Richtsnoeren
Auteurs Mr. P.J.H.M. van Osch LL.M
SamenvattingAuteursinformatie

    Bespreking van de uitspraak van het Hof van Justitie in de Tomra-zaak. Het Hof van Justitie bevestigt het eerdere oordeel van het Gerecht dat Tomra misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie op de markt voor emballage innameautomaten. Het misbruik bestond uit het uitvoeren van een mededingingsbeperkende strategie door het aangaan van exclusiviteitsafspraken, afnamedoelstellingen en kortingsregelingen met terugwerkende kracht. Auteur bespreekt het arrest tegen de achtergrond van de richtsnoeren van de Europese Commissie inzake artikel 102 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met specifieke aandacht voor de mogelijkheid van een de minimis regel en het belang van de effects-based benadering in misbruikzaken.


Mr. P.J.H.M. van Osch LL.M
Mr. P.J.H.M. van Osch LL.M. is advocaat en projectjurist bij Oxcon.
Jurisprudentie

Horizontale betrekkingen in franchiserelaties

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 4 2012
Trefwoorden Franchise, Rayonnering, Horizontaal, Verticaal, Kartelverbod
Auteurs Mr. X.A. Reintjes
SamenvattingAuteursinformatie

    Schakelt de NMa franchising uit als middel voor regionale ondernemingen om landelijk hun diensten te kunnen aanbieden? Deze vraag staat centraal in deze annotatie. Daarbij wordt ingegaan op de concrete geschiktheid van afspraken over rayonnering om de intrabrand mededinging te beperken en het daaruit volgende effect op de interbrand mededinging in de markt. De groepsvrijstelling verticale overeenkomsten kan vervolgens van toepassing zijn, ook op franchiseconstructies waarbij franchisegever en franchisenemers mede in een horizontale relatie staan. De relatie tussen de franchisenemers met beslissende zeggenschap over de franchisegever kan echter worden getoetst aan het kartelverbod en mogelijk onderhevig zijn aan concentratietoezicht.


Mr. X.A. Reintjes
Mr. X.A. Reintjes is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek in Brussel.

    Wijzigingsplan maakt uitbreiding melkveehouderij mogelijk. M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit

    Appellanten zijn niet ontvankelijk aangezien het met het beroep beoogde doel (te weten: weigering vergunning of het verbinden van andere voorschriften aan de vergunning) vanwege de inwerkingtreding van het Bor niet meer kan worden bereikt


Valérie van ’t Lam

    Er is sprake van bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit van de te treffen BBT-maatregelen wenselijk maken


Hans Paul Nijhoff

    Artikel 19kd van de Natuurbeschermingswet 1998 maakt geen uitzondering op de vergunningplicht


Marieke Kaajan
Jurisprudentie

Het Europese grondrecht van jaarlijkse vakantie: voorwaarden bij ziekte en (horizontale) doorwerking

HvJ EU 22 november 2011, C-214/10, JAR 2012/19 (KHS/Schulte) en HvJ EU 24 januari 2012, C-282/10, JAR 2012/54 (Dominguez/CICOA)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Arbeidstijdenrichtlijn, vakantie, grondrecht, horizontale werking, vervaltermijn bij ziekte
Auteurs Mr. dr. A.G. Veldman
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bespreking van de recente arresten van het HvJ EU over het jaarlijkse vakantierecht met behoud van loon worden twee onderwerpen behandeld. Ten eerste het grondrechtelijk karakter van het vakantierecht, de effecten daarvan voor eventuele directe horizontale werking en de verhouding van dit EU-grondrecht met het vergelijkbare ILO-grondrecht. Ten tweede wordt op basis van de nieuwe Europese jurisprudentie, waarbij het verval van vakantierechten bij ziekte niet langer is uitgesloten, onderzocht of de nieuw ingevoerde Nederlandse vervaltermijn voor vakantierechten niet te kort is.


Mr. dr. A.G. Veldman
Mw. mr. dr. A.G. Veldman is als universitair hoofddocent verbonden aan de vaksectie (Europees) arbeidsrecht en sociaal beleid van de Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

Bespreking arresten van het Gerecht van 2 februari 2012 in de zaken T-76/08, DuPont/Commissie en T-77/08, Dow/Commissie

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 3 2012
Trefwoorden Dow, DuPont, Europese Commissie, chloropeenrubberkartel, joint venture
Auteurs Mr. E.H. Pijnacker Hordijk
SamenvattingAuteursinformatie

    In de arresten van het Gerecht van 2 februari 2012 in de zaken T-76/08, DuPont/Commissie en T-77/08, Dow/Commissie, gericht tegen de beschikking van de Commissie van 5 december 2007 inzake het Chloropreenrubberkartel, is met name de vraag aan de orde of een overtreding gepleegd door een concentratieve (full-function) joint venture kan worden toegerekend aan de beide ouders. Deze vraag is niet nieuw, maar was nog niet eerder aan de Unierechter voorgelegd.


Mr. E.H. Pijnacker Hordijk
Mr. E.H. Pijnacker Hordijk is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V. en tevens redactielid van M&M.
Jurisprudentie

Het CBb als wetgever: de bestuurlijke lus toegepast bij de bestuurlijke boete

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 3 2012
Trefwoorden bestuurlijke lus, bestuurlijke boete, Ne bis in idem-beginsel, tussenuitspraak, Noord-Holland Acht
Auteurs Mr. drs. T.N. Sanders
SamenvattingAuteursinformatie

    In twee tussenuitspraken op 14 maart 2012 in de ‘Noord-Holland Acht’-kartelzaken heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de ‘bestuurlijke lus’ toegepast bij de bestuurlijke boete. Het CBb doet dit om tot een spoedige beëindiging van het geschil te komen. Men kan zich echter afvragen of het CBb in het licht van de wetsgeschiedenis van de bestuurlijke lus en de bestuurlijke boete de juiste keuze heeft gemaakt door niet te volstaan met vernietiging ex artikel 8:72a Awb.


Mr. drs. T.N. Sanders
Mr. drs. T.N. Sanders is advocaat bij Stibbe te Amsterdam.

    Vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 voor uitzaaien van geïmporteerde schelpdieren in Natura 2000-gebied is geen verboden handelsbelemmerende maatregel ingevolge het Unierecht

    Nbw-vergunning hoeft niet te worden geweigerd omdat de achtergronddepositie voor ammoniak hoger is dan de kritische depositiewaarde


Marieke Kaajan

    Uitrijden van mest in een Natura 2000-gebied is vergunningplichtig. Er is geen sprake van bestaand gebruik


Marieke Kaajan

    Alleen bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald met welke dodingsmiddelen in afwijking van de Vogelrichtlijn vogels mogen worden gedood. De nijlgans wordt niet beschermd door de Vogelrichtlijn en mag worden vergast

Jurisprudentie

De recidivist onder het mes: NMa beboet de Landelijke Huisartsenvereniging

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2012
Trefwoorden kartel, ondernemersvereniging, vestigingsbeleid, boetebesluit, merkbaarheid
Auteurs Prof. dr. M.F.M. Canoy en Prof. mr. W. Sauter
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nma heeft de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) beboet wegens het voeren van een vestigingsbeleid dat inbreuk maakt op het kartelverbod. Zittende huisartsen selecteerden de nieuwe toetreders door hen al dan niet toe te laten tot de vervangingsregeling. De zorgverzekeraars stelden deelname aan een vervangingsregeling bovendien als voorwaarde voor een deel van hun vergoeding. De Nma legde de LHV een boete op van meer dan 7 miljoen euro, mede omdat de Nma al tien jaar eerder op een ontheffingsverzoek van de LHV had aangegeven dat een dergelijk vestigingsbeleid uit den boze was. Wij concluderen dat de handelwijze van de LHV door de Nma terecht als overtreding van de mededingingswet wordt gezien. Bij de onderbouwing plaatsen wij evenwel een paar vraagtekens.


Prof. dr. M.F.M. Canoy
Prof. dr. M.F.M. Canoy is verbonden aan het Tilburg Centre for Law and Economics (TILEC) van Tilburg University en bovendien hoofdeconoom van Ecorys.

Prof. mr. W. Sauter
Prof. mr. W. Sauter is verbonden aan het Tilburg Centre for Law and Economics (TILEC) van Tilburg University en bovendien expert bij de NZa.
Toont 1 - 20 van 25 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.