Zoekresultaat: 126 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Jurisprudentie x

    Met de onderhavige uitspraak bracht de Hoge Raad het alcoholslot (voluit: het alcoholslotprogramma) een gevoelige klap toe door – in navolging van het oordeel van het Hof Den Haag van 22 september 2014 en overeenkomstig de conclusie van AG Harteveld – te bepalen dat een strafrechtelijke vervolging wegens rijden onder invloed onverenigbaar is met het opleggen van dit programma.


prof. mr. J.H. Crijns
Jurisprudentie

Advocatuur

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2014
Auteurs Mr. dr. R. Verkijk
Auteursinformatie

Mr. dr. R. Verkijk
Mr. dr. R. Verkijk is advocaat bij Helgers Advocaten en universitair hoofddocent aan de Open Universiteit.

Mr. dr. P. Smits
Mr. dr. P. Smits is advocaat bij ING Bank.

    Cardioloog; succesvol beroep tegen waarschuwing in eerste aanleg; informed consent; art. 7:450 en 7:452 BW

Jurisprudentie

De kwalificatie bij witwassen in ontwikkeling

HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2014:714

Tijdschrift Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving, Aflevering 2 2014
Auteurs mr. D.J. van Leeuwen en
Samenvatting


mr. D.J. van Leeuwen


Jurisprudentie

IPR-problemen in de WOR en het enquêterecht

Ondernemingskamer 21 december 2012, JAR 2013/67 (VLM II) en HR 29 maart 2013, JOR 2013/166 (Chinese Workers)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden WOR, enquêterecht, IPR, toepasselijk recht, bevoegde rechter, VLM, Chinese Workers
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    De Ondernemingskamer is de enige bevoegde rechter in feitelijke instantie in WOR- en enquêtezaken. In korte tijd moest de Ondernemingskamer in beide rechtsgebieden oordelen over twee zaken die zich afspeelden binnen internationaal concernverband. Bij internationale kwesties komt het internationaal privaatrecht (IPR) om de hoek kijken. Het gaat bij het IPR om twee te onderscheiden aspecten: (1) de internationale bevoegdheid van de rechter (rechtsmacht) en (2) zijn oordeel over het op het internationale rechtsgeschil toepasselijke recht. In deze bijdrage gaat de auteur aan de hand van de VLM II-beschikking en de Chinese Workers-beschikking na hoe de Ondernemingskamer in WOR- en enquêtezaken omgaat met vragen van internationaal-privaatrechtelijke aard.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en redactiesecretaris van ArA.
Jurisprudentie

Verplichte vervroegde pensionering van piloten: leeftijdsdiscriminatie?

HR 13 juli 2012, JAR 2012/209, NJ 2012, 396 (werknemers/KLM en VNV)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2013
Trefwoorden vervroegd pensioenontslag, leeftijdsdiscriminatie, objectieve rechtvaardigingsgronden, legitiem doel, proportionaliteit, motivering
Auteurs T. Jaspers
SamenvattingAuteursinformatie

    Verplicht vervroegd pensioen is een fenomeen dat weliswaar steeds minder voorkomt, maar voor sommige beroepen nog vrij normaal is. Bij luchtvaartmaatschappijen zoals de KLM, maar daar niet alleen, geldt nog steeds een regeling dat piloten ruim voor de AOW-leeftijd, variërend van 56 tot 60 jaar, met pensioen (moeten) gaan. Er geldt een automatisch pensioenontslag. In 2012 heeft de Hoge Raad zich opnieuw moeten buigen over wat door piloten als leeftijdsdiscriminatie wordt aangemerkt. In 2006 had de Hoge Raad dat ook al eens gedaan in soortgelijke zaken. In de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vindt men inmiddels een uitgebreide jurisprudentie op verplicht pensioenontslag. In zijn recente arrest van 2012 volgt de Hoge Raad de lijn van de rechtspraak van het Europese Hof en komt tot de conclusie dat er weliswaar sprake is van ‘onderscheid naar leeftijd’, maar dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat zoals door KLM en de vakbond van piloten was aangegeven. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor deze KLM-piloten, maar gaat verder, omdat het verplichte of automatische pensioenontslag, niet alleen ‘vervroegd’ maar ook op latere leeftijd, zoals dat tegenwoordig vaker voorkomt, hier aan de orde is. In deze annotatie wordt de motivering van de Hoge Raad – en van het hof van Amsterdam in appèl – tegen het licht gehouden en geconfronteerd met de wijze waarop het Europese Hof en de hoogste gerechten in Duitsland en Frankrijk te werk gaan. Er kan gerede twijfel rijzen of de redeneringen in de Nederlandse rechtspraak wel even sound en houdbaar zijn als we in de rechtspraak van het Europese Hof en het Duitse Bundesarbeitsgericht aantreffen. De materie is weerbarstig, dat is wel duidelijk. Zij heeft vele facetten, niet in het minst uit een oogpunt van werkgelegenheidsbeleid, landelijk én lokaal of zelfs op het niveau van de onderneming. In deze annotatie worden de verschillende invalshoeken belicht om tot een oordeel te komen óf en zo ja onder welke voorwaarden een dergelijk onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd zou kunnen zijn en welke eisen gesteld zouden moeten worden aan de motivering ervan.


T. Jaspers
Prof. mr. A.P.C.M. Jaspers is emeritus hoogleraar Sociaal Recht aan de Universiteit Utrecht.

    Gedoogplicht van gebruik van gedeelte perceel voor verbreding watergang moet worden beschouwd als de feitelijke onteigening van dat gedeelte van het perceel hetgeen niet betekent dat altijd de Onteigeningswet moet worden toegepast

Jurisprudentie

Jurisprudentieoverzicht

Tijdschrift Tijdschrift Erfrecht, Aflevering 4 2013
Auteurs E.M. van Amersfoort

E.M. van Amersfoort
Jurisprudentie

De toezeggingsbeschikking inzake e-books

Besluit van de Commissie van 12 december 2012, zaak COMP/39.847

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 3 2013
Trefwoorden e/books, Apple, kartelverbod, agentuurovereenkomst, toezeggingsbeschikking
Auteurs Mr. P.P.J. van Ginneken en Mr. C.P.J. van Veen
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 12 december 2012 heeft de Europese Commissie een toezeggingsbeschikking op grond van artikel 101 VWEU genomen met betrekking tot de detailhandelsprijzen voor e-books. In deze annotatie plaatsen de auteurs enkele kanttekeningen bij deze toezeggingsbeschikking door deze te vergelijken met het Amerikaanse e-books-onderzoek. De auteurs vragen zich af of de beoordeling van de rol van Apple en de keuze van een toezeggingsbeschikking door de Commissie wel juist zijn.


Mr. P.P.J. van Ginneken
Mr. P.P.J. van Ginneken is werkzaam bij Brinkhof N.V.

Mr. C.P.J. van Veen
Mr. C.P.J. van Veen is werkzaam bij Brinkhof N.V.
Jurisprudentie

Access_open Het verbod op gezichtsbedekkende kleding

Getoetst door het Grondwettelijk Hof van België

Tijdschrift Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, Aflevering 1 2013
Auteurs Carla Zoethout
SamenvattingAuteursinformatie

    The Court recognizes the appeal to the freedom of religion, as laid down in Article 10 European Convention of Human Rights. This freedom is not illimitable, however. According to the Court, the prohibition of wearing face-covering clothes is legitimate and the aims of public security, equality of men and women, and the wish to express a specific viewpoint on ‘living together in society’, are in conformity with the limitation clause of Article 10 ECHR. The Court considers the law proportionate and ‘necessary in a democratic society’ with a view to the aims of the law, with the caveat that the law is not applicable in places of worship open to the public.
    In the annotation, the parliamentary debate leading to the adoption of the law is analyzed. The law is a clear expression of a specific stance towards society in general and the position of men and women in particular. As it is a choice by the democratic institutions, the Court takes an attitude of restraint in this matter. All the same, the question is raised whether the term ‘in publicly accessible places’ may prove to be too vague and with that, not proportional to the legitimate aims pursued.


Carla Zoethout
Dr. C.M. Zoethout is universitair hoofddocent Staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is redactielid van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. C.M.Zoethout@uva.nl.
Jurisprudentie

Grenzeloze problemen bij grensoverschrijdende arbeid

De IPR-systematiek van het EVO-Verdrag en de Rome I-Verordening nader beschouwd, HR 3 februari 2012, LJN BS8791, JAR 2012/69 (Schlecker/Boedeker)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2012
Trefwoorden EVO-Verdrag, Rome I-Verordening, toepasselijk recht, vrij werknemersverkeer, VWEU
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien een werknemer in een ander land werkzaamheden verricht dan waar hij zijn dienstverband heeft, bevindt de (reikwijdte van zijn) arbeidsovereenkomst zich niet langer onder de glazen stolp van één nationaal rechtsstelsel. De stap over de grens maakt dat de arbeidsovereenkomst raakvlakken vertoont met meer landen, die elk hun eigen normen, waarden en regels kennen inzake het arbeidsrecht. Die eigenheid van het nationale arbeidsrecht maakt de vraag naar het toepasselijke recht relevant. Dat het antwoord hierop niet altijd eenduidig is te geven, blijkt uit de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012. De Hoge Raad stelt in dit arrest twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het EVO-Verdrag indien sprake is van een permanente tewerkstelling in het ene land terwijl alle overige omstandigheden op een nauwe verbondenheid met een ander land wijzen. In deze bijdrage bespreekt de auteur de discussie tussen partijen over het toepasselijke recht in het licht van het EVO-Verdrag (en de Rome I-Verordening). Speciale aandacht gaat uit naar de betekenis van de fundamentele verdragsvrijheid inzake het vrije werknemersverkeer.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens als redactiesecretaris verbonden aan dit blad.
Jurisprudentie

Collectieve actie/massaschade

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2012
Trefwoorden ADR, class action, class arbitration
Auteurs Prof. mr. E. Hondius
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze kroniek signaleert enige nieuwe uitgaven en een drietal congressen op het gebied van class actions. De boeken zijn de Gentse dissertatie van Stefaan Voet, een bundel over de rechtseconomische aspecten van class actions onder redactie van Jürgen Backhaus, Alberto Cassone en Giovanni Ramello, en het boek Mass justice onder redactie van Jenny Steele en Willem van Boom. Deze zomer waren aan dit onderwerp in ons land voorts drie bijeenkomsten gewijd: een vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht te Amsterdam, een workshop aan het Netherlands Institute for Advanced Studies te Wassenaar en een inaugurele rede aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Uit een rede van de eurocommissaris voor Justitie kan evenwel worden afgeleid dat er op Europees niveau thans geen class action zal komen.


Prof. mr. E. Hondius
Mr. E. Hondius is hoogleraar Europees privaatrecht aan de Universiteit Utrecht.


Mr. M.H. de Boer
Mr. M.H. de Boer is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

    Bij het stellen van de geluidsgrenswaarden voor bijzondere activiteiten is terecht aansluiting gezocht bij de spraakverstaanbaarheid in de woningen rondom de inrichting

Jurisprudentie

Het Europese grondrecht van jaarlijkse vakantie: voorwaarden bij ziekte en (horizontale) doorwerking

HvJ EU 22 november 2011, C-214/10, JAR 2012/19 (KHS/Schulte) en HvJ EU 24 januari 2012, C-282/10, JAR 2012/54 (Dominguez/CICOA)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2012
Trefwoorden Arbeidstijdenrichtlijn, vakantie, grondrecht, horizontale werking, vervaltermijn bij ziekte
Auteurs Mr. dr. A.G. Veldman
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bespreking van de recente arresten van het HvJ EU over het jaarlijkse vakantierecht met behoud van loon worden twee onderwerpen behandeld. Ten eerste het grondrechtelijk karakter van het vakantierecht, de effecten daarvan voor eventuele directe horizontale werking en de verhouding van dit EU-grondrecht met het vergelijkbare ILO-grondrecht. Ten tweede wordt op basis van de nieuwe Europese jurisprudentie, waarbij het verval van vakantierechten bij ziekte niet langer is uitgesloten, onderzocht of de nieuw ingevoerde Nederlandse vervaltermijn voor vakantierechten niet te kort is.


Mr. dr. A.G. Veldman
Mw. mr. dr. A.G. Veldman is als universitair hoofddocent verbonden aan de vaksectie (Europees) arbeidsrecht en sociaal beleid van de Universiteit Utrecht.
Jurisprudentie

2012/29 Rechtbank Breda 14 mei 2012

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 6 2012
Trefwoorden Vervangende toestemming, medische behandeling minderjarige, ondertoezichtstelling
Samenvatting

    Vervangende toestemming; medische behandeling minderjarige; ondertoezichtstelling

    Het opleggen van een maatwerkvoorschrift met hogere geluidsnormen is niet in overeenstemming met de best beschikbare technieken (bbt), omdat de kosten van gevelisolatie de toepassing van bbt niet te boven gaan

Jurisprudentie

Vrijheid van meningsuiting op de werkplek in twee maten en gewichten: de werknemer mag blaffen, de ‘watchdog’ wordt gemuilkorfd

EHRM 21 juli 2011, Application nr. 28274/08 (Heinisch/Duitsland) en EHRM 12 september 2011, Application nr. 28955/06, 28957/06, 28959/06 en 28964/06 (Palomo Sanchez e.a./Spanje)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2011
Trefwoorden klokkenluiders, vrijheid van meningsuiting op de werkplek, private en publieke sector, vakverenigingsvrijheid, EVRM
Auteurs Prof. dr. F. Dorssemont
SamenvattingAuteursinformatie

    Tijdens de zomermaanden oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over twee verzoekschriften waarin de vrijheid van meningsuiting van werknemers centraal stond. De eerste zaak (Heinisch/ Duitsland) betrof naar de woorden van het Hof een zaak van whistle-blowing (klokkenluiders). Een werkneemster maakte van haar vrijheid van meningsuiting gebruik om extern wantoestanden in de onderneming aan te klagen die een kwestie van algemeen belang raken. In de tweede zaak (Sanchez e.a./Spanje) onderzocht een Grote Kamer het ontslag op staande voet van enkele vakbondsleden wegens een naar de mening van de werkgever diffamerende cartoon in een interne vakbondspublicatie. Deze cartoon hield verband met een juridisch geschil tussen de vakbond en de werkgever dat in de Spaanse rechtbanken werd uitgevochten. In deze zaak wordt ook aan de vakverenigingsvrijheid getoetst. Een onderliggende vergelijking van beide zaken laat toe te appreciëren of werknemers in de uitoefening van een vertegenwoordigend mandaat dat zij van aangesloten vakbondsleden hebben gekregen, over een grotere dan wel een kleinere expressievrijheid beschikken dan geïsoleerde werknemers die ‘onrecht’ aanklagen. De relevantie van de aard van de ondernemingsactiviteit (publieke of private sector) en de arbeidsverhouding (ambtenaar/contractueel) wordt bekeken. Na een afzonderlijke analyse van beide zaken, een beschouwing over de tussenkomst van de vakbond in de zaak Heinisch en een beschouwing over de formele methodologie van het Hof worden beide arresten vanuit enkele kernvragen rond expressievrijheid op de werkplek op een meer vergelijkende wijze beschouwd.


Prof. dr. F. Dorssemont
Prof. dr. F. Dorssemont is als hoogleraar verbonden aan onderzoekscentrum Crides Jean Renauld van de Université catholique de Louvain.
Toont 1 - 20 van 126 gevonden teksten
« 1 3 4 5 6 7
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.