Zoekresultaat: 22 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Jaar 2012 x Rubriek Jurisprudentie x
Jurisprudentie

Grenzeloze problemen bij grensoverschrijdende arbeid

De IPR-systematiek van het EVO-Verdrag en de Rome I-Verordening nader beschouwd, HR 3 februari 2012, LJN BS8791, JAR 2012/69 (Schlecker/Boedeker)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 3 2012
Trefwoorden EVO-Verdrag, Rome I-Verordening, toepasselijk recht, vrij werknemersverkeer, VWEU
Auteurs F.G. Laagland
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien een werknemer in een ander land werkzaamheden verricht dan waar hij zijn dienstverband heeft, bevindt de (reikwijdte van zijn) arbeidsovereenkomst zich niet langer onder de glazen stolp van één nationaal rechtsstelsel. De stap over de grens maakt dat de arbeidsovereenkomst raakvlakken vertoont met meer landen, die elk hun eigen normen, waarden en regels kennen inzake het arbeidsrecht. Die eigenheid van het nationale arbeidsrecht maakt de vraag naar het toepasselijke recht relevant. Dat het antwoord hierop niet altijd eenduidig is te geven, blijkt uit de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012. De Hoge Raad stelt in dit arrest twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het EVO-Verdrag indien sprake is van een permanente tewerkstelling in het ene land terwijl alle overige omstandigheden op een nauwe verbondenheid met een ander land wijzen. In deze bijdrage bespreekt de auteur de discussie tussen partijen over het toepasselijke recht in het licht van het EVO-Verdrag (en de Rome I-Verordening). Speciale aandacht gaat uit naar de betekenis van de fundamentele verdragsvrijheid inzake het vrije werknemersverkeer.


F.G. Laagland
Mw. mr. F.G. Laagland is docent/onderzoeker sociaal recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens als redactiesecretaris verbonden aan dit blad.
Jurisprudentie

CBb-trilogie: Apotheek Van Dalen - NZa (en Menzis)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden NZa, aanmerkelijke marktmacht, artikel 48 Wet marktordening gezondheidszorg (WMG), toetsing AMM-bevoegdheden, apotheek
Auteurs Mr. M.Ph.M. Wiggers en mr. dr. J.J.M. Sluijs
SamenvattingAuteursinformatie

    De uitspraak van het CBb van 7 juni 2012 markeert het einde van de eerste AMM-zaak van de NZa. De zaak-Van Dalen heeft aangetoond dat de inzet van de AMM-bevoegdheden door de NZa kwetsbaar is. In de voorlopige voorzieningen heeft Van Dalen grosso modo de procedures gewonnen en de NZa verloren, maar in beroep bij het CBb heeft de NZa haar AMM-besluit overeind weten te houden.


Mr. M.Ph.M. Wiggers
Mr. M.Ph.M. Wiggers is advocaat bij Loyens & Loeff te Amsterdam en verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen als buitenpromovendus.

mr. dr. J.J.M. Sluijs
Mr. dr. J.J.M. Sluijs is advocaat bij Legaltree te Den Haag.
Jurisprudentie

Wegener herzien

Rb. Rotterdam 27 september 2012

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden voorschrift artikel 41 Mw, Boetebeleidsregels 2009, feitelijk leidinggever, verjaring
Auteurs Mr. L.E.J. Korsten
SamenvattingAuteursinformatie

    De Rechtbank Rotterdam heeft het besluit op bezwaar van de NMa vernietigd. De door de NMa aan Wegener en (ex-)bestuurders opgelegde boetes zijn door de rechtbank fors verlaagd. Volgens de rechtbank had de NMa ten onrechte rechttoe rechtaan de Boetebeleidsregels toegepast wat leidde tot veel te hoge boetes. Daarnaast was de scope van de overtreding volgens de rechtbank beperkter dan de NMa had aangenomen. Omdat sprake was van voortdurende overtredingen faalt het beroep op verjaring. De door de NMa aan twee commissarissen opgelegde boetes zijn door de rechtbank geschrapt. Volgens de rechtbank vervulden de commissarissen een toezichthoudende rol. Aansprakelijkheid voor boetes past daar volgens de rechtbank niet bij.


Mr. L.E.J. Korsten
Mr. L.E.J. Korsten is advocaat bij DLA Piper Nederland N.V.
Jurisprudentie

Auto 24 SARL tegen Jaguar Land Rover France SAS (Auto24/JLR)

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 6 2012
Trefwoorden artikel 101 VWEU, selectieve distributie, kwantitatieve criteria, groepsvrijstelling motorvoertuigen
Auteurs Mr. M. Knapen
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit arrest geeft het Hof van Justitie antwoord op de vraag of kwantitatieve selectieve distributiecriteria enkel onder de groepsvrijstelling motorvoertuigen vallen indien zij berusten op objectief gerechtvaardigde criteria die eenvormig en zonder onderscheid worden toegepast op eenieder die om erkenning verzoekt. Het arrest behandelt een aantal fundamentele vraagstukken die relevant zijn bij het opstellen en handhaven van een selectief distributiestelsel en verduidelijkt de voorwaarden die gelden ten aanzien van het rechtvaardigen, toepassen en openbaar maken van selectiecriteria. Opvallend is daarbij dat het Hof van Justitie een minder strikte benadering lijkt te volgen ten aanzien van kwantitatieve selectieve distributiecriteria dan de Nederlandse rechter in de recente Auping- en Batavus-arresten.


Mr. M. Knapen
Mr. M. Knapen is advocaat in dienstbetrekking bij Philips.

Mr. Salina H.M. Helder
mr. Salina H.M. Helder is Assistant Professor PhD aan de University of the Netherlands Antilles.
Jurisprudentie

The Greenery/Oussoren

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 5 2012
Trefwoorden coöperatie, exclusieve leveringsplicht (oud-)leden, verticale beperkingen en cumulatief effect, afweging concurrentiebeperkende tegen concurrentiebevorderende effecten, rule of reason?
Auteurs Mr. P.J. Kreijger
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze zaak oordeelt het Gerechtshof Den Haag over een door landbouwcoöperatie The Greenery met een van haar voormalige leden gemaakte afspraak tot exclusieve levering. Anders dan de rechtbank in eerste aanleg ziet het gerechtshof geen strijd met artikel 101 VWEU en/of artikel 6 Mw. Daartoe maakt het gerechtshof onder meer een afweging tussen de concurrentiebeperkende gevolgen en de concurrentiebevorderende effecten van de leveringsverplichting, zonder deze afweging binnen het kader van artikel 6 lid 1 Mw/artikel 101 lid 1 VWEU te plaatsen. Aanvaardt het gerechtshof hier in feite een, door de Luxemburgse rechtspraak categorisch afgewezen, rule of reason?


Mr. P.J. Kreijger
Mr. P.J. Kreijger is advocaat bij Linklaters LLP in Amsterdam.
Jurisprudentie

2012/40 Hoge Raad 25 mei 2012

Tijdschrift Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Aflevering 8 2012
Trefwoorden Samenwerkingsovereenkomst tussen arts en kliniek, vordering afgifte dossiers vertrekkend art, dossierplicht hulpverlener, recht op kopie van dossiers
Samenvatting

    Samenwerkingsovereenkomst tussen arts en kliniek; vordering afgifte dossiers vertrekkend arts; dossierplicht hulpverlener; recht op kopie van dossiers

Jurisprudentie

Eerste aanleg

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2012
Auteurs Mr. H.M. ten Haaft
Auteursinformatie

Mr. H.M. ten Haaft
Mr. H.M. ten Haaft is advocaat bij Van Doorne te Amsterdam.
Jurisprudentie

Hof Amsterdam 31 januari 2012, rolnr. 200.090.740, LJN BV2565

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 3 2012
Trefwoorden artikel 35 WBP, inzagerecht, medische adviezen, volledig overzicht
Auteurs Mr. ir. J.P.M. Simons
SamenvattingAuteursinformatie

    Met een beroep op artikel 35 WBP vordert een patiënt een volledig overzicht van en inzage in alle stukken van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Het hof oordeelt dat de verzekeraar het advies van zijn medisch adviseur in kopie dient over te leggen. Met betrekking tot de gevoerde correspondentie dient de verzekeraar een overzicht te verstrekken van alle zich in het dossier bevindende relevante stukken. Daarbij dient per document beknopt te worden aangegeven waarover het stuk handelt en om welke reden een uitzondering op het inzagerecht van toepassing zou zijn.


Mr. ir. J.P.M. Simons
Mr. ir. J.P.M. Simons is advocaat bij Leijnse Artz advocaten te Rotterdam.

    Wijzigingsplan maakt uitbreiding melkveehouderij mogelijk. M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit

    Crisis- en herstelwet van toepassing. De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is dat eisers zijn benadeeld in hun belangen door in het strijd met de WGH ontbreken van een akoestisch onderzoek

    Uitleg van de begrippen ‘verstoren’ en ‘verstorend effect’ in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet

Jurisprudentie

Overgang van onderneming in een triptiek: economische activiteiten, anciënniteit en cao’s

HvJ EU 6 september 2011, C-108/10, JAR 2011/262 (Ivana Scattolon/Ministerio dell’Instruzione, dell’Università e della Ricerca)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 2 2012
Trefwoorden overgang van onderneming, behoud senioriteit/anciënniteit, direct toepassen eigen cao na overgang
Auteurs Prof. dr. R.M. Beltzer en Mr. F. Koopman
SamenvattingAuteursinformatie

    Het arrest Scattolon biedt minimaal drie interessante inzichten ten aanzien van overgang van onderneming. Ten eerste geeft het Hof van Justitie inzicht in de toepasselijkheid van Richtlijn 2001/23 op publieke ondernemingen. Ten tweede wordt de vraag beantwoord in hoeverre anciënniteit een voor overgang vatbaar recht is: de anciënniteit dient gekoppeld te zijn aan bij de vervreemder bestaande rechten. Opmerkelijk is dat het Hof tevens overwoog dat, indien anciënniteit op basis van deze regel niet zou overgaan, niettemin compensatie dient plaats te vinden indien de werknemer er anders substantieel op achteruit zou gaan. Ten slotte is hetgeen het Hof impliciet oordeelt over gebondenheid aan de overgekomen cao van groot belang voor de Nederlandse rechtspraktijk: het direct toepassen van de eigen cao na overgang van onderneming is mogelijk. Het Nederlandse recht is hier niet op berekend. Naar het oordeel van de auteurs ligt hier een taak voor de wetgever.


Prof. dr. R.M. Beltzer
Prof. dr. R.M. Beltzer is hoogleraar arbeid en onderneming aan de Universiteit van Amsterdam.

Mr. F. Koopman
Mw. mr. F. Koopman is advocaat arbeidsrecht bij Teekens Karstens.

    Non-concurrentiebeding; art. 6 Mw; redelijkheid en billijkheid; gerechtvaardigde verwachtingen

    Beperking concurrentie; boetebesluit; beroep gegrond

Jurisprudentie

Rb. Almelo 21 december 2011, LJN BV0428

Tijdschrift Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, Aflevering 2 2012
Trefwoorden googelende verzekeraar, internetonderzoek, privacy, bescherming persoonsgegevens, proportionaliteit
Auteurs Mr. H.H. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    Een ‘googelende verzekeraar’ betrapt een slachtoffer van schade op het geven van een te negatief beeld van zijn arbeidsvermogen. De rechtbank oordeelt op basis van uitdraaien van websites dat het slachtoffer een aanzienlijk bedrag als onverschuldigd betaald aan de verzekeraar moet terugbetalen. Het bewijsmateriaal wordt niet ontkend. De vraag is of het slachtoffer de rechtmatigheid van het verzamelen van bewijs door middel van internetonderzoek kan betwisten. De verzekeraar is immers gehouden tot naleving van regels ter bescherming van persoonsgegevens, op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens en voor verzekeraars geldende gedragscodes.


Mr. H.H. de Vries
Mr. H.H. de Vries is advocaat bij Kennedy Van der Laan en medewerker van de afdeling Transnational Legal Studies aan de Vrije Universiteit.

    Vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 voor uitzaaien van geïmporteerde schelpdieren in Natura 2000-gebied is geen verboden handelsbelemmerende maatregel ingevolge het Unierecht

Jurisprudentie

Negen jaar later: eindoordeel in zaak van mobiele operators

Tijdschrift Markt & Mededinging, Aflevering 2 2012
Trefwoorden mobiele operators, besluit op bezwaar, Anic-vermoeden, onderling afgestemde gedraging, bewijs
Auteurs Mr. L.E.J. Korsten
SamenvattingAuteursinformatie

    In de zaak van de mobiele operators heeft de raad van bestuur van de NMa op 26 oktober 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dit besluit volgt op de vernietiging van het eerdere besluit op bezwaar van 27 september 2004 door de rechtbank en bevestiging van die uitspraak door het CBb, volgend op de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie. Hiermee is na bijna negen jaar, gerekend vanaf de boeteoplegging bij besluit van 30 december 2002, een einde aan de zaak gekomen. Bedroeg het gezamenlijke bedrag van de boetes in 2002 circa 88 miljoen euro voor vijf operators, uiteindelijk is dit bedrag door de NMa met meer dan 80 procent verlaagd tot ongeveer 16 miljoen euro voor drie operators. Procederen is weliswaar een kwestie van lange adem en niet goedkoop, maar heeft hier wel degelijk geloond.


Mr. L.E.J. Korsten
Mr. L.E.J. Korsten is advocaat bij DLA Piper Nederland N.V.
Jurisprudentie

Bewijsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2012
Trefwoorden waarheidsplicht, bewijslastverdeling, bewijsaanbod, deskundigenbericht, partijgetuige
Auteurs Mr. dr. R.H. de Bock
SamenvattingAuteursinformatie

    De kroniek Bewijsrecht bevat een overzicht van literatuur, rechtspraak en wetgeving op het terrein van het bewijsrecht die is verschenen in de periode vanaf medio 2010 tot eind 2011.
    Besproken wordt onder meer rechtspraak van de HR over de waarheidsplicht van art. 21 Rv, de bewijslastverdeling bij arbeidsongevallen en verkeersaansprakelijkheid, het passeren van een bewijsaanbod, het opnieuw horen van een partijgetuige, die in hoger beroep niet meer die hoedanigheid heeft en het vaststellen van feiten buiten partijen om. Verder wordt ingegaan op de rechterlijke motiveringsplicht bij het al dan niet overnemen van de bevindingen van een deskundige en de laatste stand van zaken van het wetsvoorstel tot wijziging van art. 843a Rv (exhibitieplicht).


Mr. dr. R.H. de Bock
Mr. dr. R.H. de Bock is vicepresident in het Gerechtshof Amsterdam.
Jurisprudentie

Het beding van artikel 7:613 BW: toepassingsgebied, de relatieve zwaarte van de ‘613’-maatstaf en het vereiste van schriftelijkheid

HR 18 maart 2011, JAR 2011/108 m.nt. Zondag en JIN 2011/320 m.nt. Van der Voet (Monsieurs c.s./Wegener)

Tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, Aflevering 1 2012
Trefwoorden Wijzigingsbeding, artikel 7:613 BW, ‘613’-maatstaf en schriftelijkheid, Monsieurs/Wegener
Auteurs Prof. mr. L.G. Verburg
SamenvattingAuteursinformatie

    De Hoge Raad markeert in het Monsieurs/Wegener-arrest het collectieve karakter van het ‘613’-beding en laat ruimte voor een (klankbord)functie van deze wetsbepaling in individuele situaties. De auteur gaat in op het doel en de strekking van artikel 7:613 BW en behandelt de relatieve zwaarte van de maatstaf van het ‘613’-beding ten opzichte van artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 7:611 BW. De auteur slaat in zijn annotatie een brug naar het leerstuk van Stoof/Mammoet. Ten aanzien van het vereiste van schriftelijkheid verdedigt de annotator dat het oordeel van de Hoge Raad in overeenstemming is met de aard van het ‘613’-beding. Gezien de ontwikkelingen in de manier van communiceren en gelet op het uitgangspunt dat aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag ligt dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt, lijkt de tijd rijp voor vernieuwende gezichtspunten over het vereiste van schriftelijkheid.


Prof. mr. L.G. Verburg
Prof. mr. L.G. Verburg is hoogleraar arbeidsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Toont 1 - 20 van 22 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.