Verfijn uw zoekresultaat

Zoekresultaat: 90 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging x

    Sinds inwerkingtreding van de WAMCA kent de collectieve actie een procedurele tweedeling in een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase. Inhoudelijke behandeling van de vordering vindt ingevolge art. 1018c lid 5 Rv pas plaats indien en nadat de rechter over de ontvankelijkheid heeft beslist. De vraag is in hoeverre de twee fasen los van elkaar kunnen worden gezien, nu elementen van de ontvankelijkheidstoets nauw zijn verweven met de inhoudelijke beoordeling. De auteur maakt een vergelijking met de Amerikaanse federale class action, die een soortgelijke problematiek kent, en betoogt dat een genuanceerde toepassing van art. 1018c lid 5 Rv aangewezen is.


Pim Wissink
Mr. P.G.J. Wissink is promovendus en docent burgerlijk recht aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Floris Bakels
Mr. F.B. Bakels is onder meer oud-lid van de toenmalige kortgedingkamer van het gerechtshof Amsterdam, oud-vicepresident van de Hoge Raad en oud-voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam. Hij is inmiddels rechter-plaatsvervanger in die rechtbank.
Artikel

De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging nader beschouwd

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2020
Trefwoorden burgerlijk procesrecht, experimentenwet, wetgeving
Auteurs Elselique Hoogervorst en Parisa Jahan
SamenvattingAuteursinformatie

    De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging is geïntroduceerd ter bevordering van een eenvoudige, snelle, effectieve en de-escalerende geschilbeslechting. De wet maakt een scala aan afwijkingen van het reguliere procesrecht mogelijk. Een experimentele procedure wordt opgenomen in een amvb en heeft een tijdelijk karakter van in beginsel maximaal drie jaar. De wetgever heeft een aantal concrete experimenten voor ogen waaronder een experiment met een toegevoegd deskundig lid in een kamer van een rechtbank of hof en een experiment met een nabijheidsrechter. In deze bijdrage bespreken wij de voorgestelde regeling op hoofdlijnen en plaatsen wij een aantal kanttekeningen bij de wet en de voorgestelde experimenten.


Elselique Hoogervorst
Mr. drs. E.M. Hoogervorst is professional support lawyer bij Houthoff Amsterdam.

Parisa Jahan
Mr. P. Jahan is advocaat bij Houthoff Amsterdam.
Artikel

Access_open ‘Wie is u?’ Deformalisering versus zekerheid: enkele gedachten over de wijziging van partijhoedanigheid tijdens de procedure

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2020
Trefwoorden collectieve actie, goede procesorde, rechtszekerheid, Trafigura, vertegenwoordiging
Auteurs Daan Barbiers en Carla Klaassen
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteurs beschouwen in deze bijdrage de wijziging van partijhoedanigheid tijdens een procedure vanuit het spanningsveld tussen deformalisering en (rechts)zekerheid. De aanleiding hiervoor is het recente Trafigura-arrest van de Hoge Raad. Auteurs zetten mede op basis van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad uiteen wanneer sprake is van een verboden wijziging van partijhoedanigheid en in welke gevallen een uitzondering op dit verbod gerechtvaardigd kan zijn. Bij deze rechtspraak plaatsen zij enkele (kritische) kanttekeningen. Zij signaleren dat de benadering van het leerstuk van de (verboden) hoedanigheidswijziging niet steeds eenduidig en consistent is. Auteurs betogen dat deformalisering bij de toepassing van dit leerstuk is toe te juichen, zolang voldoende rekening wordt gehouden met het verdedigingsbelang en te veel vertraging van de procedure wordt voorkomen.


Daan Barbiers
Mr. D.L. Barbiers is promovendus en docent burgerlijk recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Carla Klaassen
Prof. mr. C.J.M. Klaassen is hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

David de Knijff
Mr. D.M. de Knijff is advocaat bij Ekelmans & Meijer te Den Haag.
Artikel

Access_open De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2020
Trefwoorden waarheidsplicht, waarheidsbeginsel, artikel 21 Rv, artikel 22 Rv, artikel 85 Rv
Auteurs Cindy Seinen
SamenvattingAuteursinformatie

    De waarheidsplicht komt in procedures steeds vaker aan de orde, ofwel omdat een partij om sanctionering ervan vraagt, dan wel omdat de rechter ambtshalve oordeelt dat sanctionering nodig is. Deze bijdrage behandelt de ontwikkelingen aan de hand van de typen gevolgtrekking die rechters sinds 2014 aan schendingen hebben verbonden.


Cindy Seinen
Mr. C.J-A. Seinen is rechter in de rechtbank Den Haag en buitenpromovenda aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Sophie van Kasbergen
Mr. S.W. van Kasbergen is advocaat bij Lexwell Attorneys at Law te Sint Maarten.
Artikel

De stellige ontkenning van een elektronische ondertekening

Is art. 159 lid 2 Rv toe aan modernisering?

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 4 2019
Trefwoorden Elektronische handtekening, Stellige ontkenning, Bewijskracht
Auteurs Rob van Esch
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel gaat de auteur in op de toepassing van art. 159 lid 2 Rv en andere juridische aspecten van een stellige ontkenning van een elektronische ondertekening. Hij betoogt dat toepassing van deze bepaling ook bij een stellige ontkenning van een elektronische handtekening tot resultaten kan leiden waarmee de praktijk uit de voeten kan als haar reikwijdte wordt beperkt tot de waarheid van de ondertekende verklaring.


Rob van Esch
Mr. dr. R.E. van Esch is legal counsel bij Banning te Den Bosch.
Artikel

Advisering door het EHRM in civiele zaken

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2019
Trefwoorden 16e Protocol, EHRM, Hoge Raad, advies, prejudiciële vragen
Auteurs Johan Valk
SamenvattingAuteursinformatie

    Vanaf 1 juni 2019 kan de Hoge Raad het EHRM in concrete zaken vragen om een (prejudicieel) advies uit te brengen. Wat betekent dit voor civiele zaken? Dit artikel biedt een overzicht. Aan de orde komen onder meer het adviesverzoek door de Hoge Raad, de procedure bij het EHRM en de procedure na advisering door het EHRM.


Johan Valk
Mr. J.J. Valk is advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek te Amsterdam.

Pieter Frans Lock
Mr. F.J.P. Lock is senior-raadsheer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hij is tevens als onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en redactielid van dit tijdschrift.
Artikel

Access_open Waarheidsplicht en bewijslastverdeling

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2019
Trefwoorden burgerlijk procesrecht, waarheidsplicht, bewijslastverdeling, bewijsrecht, artikel 21 Rv
Auteurs Redouan El Gamali en Eric Tjong Tjin Tai
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de verhouding tussen de waarheidsplicht en de bewijslastverdeling aan een nader onderzoek onderworpen. Besproken zal worden de praktische uitwerking van de interactie tussen de twee leerstukken. Het wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht wordt daarbij betrokken. Geconcludeerd zal worden dat de waarheidsplicht in zeker opzicht breder is dan de bewijslastverdeling, maar zij is niet los te denken van de vraag wie het bewijsrisico draagt. Een verbeterd sanctiestelsel zou de waarheidsplicht beter doen aansluiten bij de praktijk van het civiele proces.


Redouan El Gamali
Mr. R. El Gamali is advocaat bij Pels Rijcken te Den Haag en afgestudeerd aan Tilburg Law School.

Eric Tjong Tjin Tai
Prof. mr. ir. T.F.E. Tjong Tjin Tai is hoogleraar privaatrecht aan Tilburg University en onderzoeker bij het Tilburg Instituut voor Privaatrecht (TIP).
Artikel

Misbruik van de wrakingsregeling

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2019
Trefwoorden Wraking, Misbruik, Burgerlijk procesrecht, Verschoning, Onpartijdigheid
Auteurs Annemarie van der Kruk
SamenvattingAuteursinformatie

    Binnen de rechterlijke macht en de literatuur leeft het beeld dat vaker dan voorheen op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de wrakingsregeling. Of dat daadwerkelijk zo is, kan vanwege het ontbreken van empirisch onderzoek niet worden vastgesteld. In 2018 heeft een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden die eventuele oneigenlijke wrakingsverzoeken kunnen terugdringen. De Hoge Raad heeft op 25 september 2018 heldere criteria geschetst voor het toetsingskader van wrakingskamers. Daarnaast hebben de voorzitters van de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal een globale voorzet gedaan voor wijziging van de wrakingsregeling. Beide ontwikkelingen waren aanleiding voor het schrijven van dit artikel.


Annemarie van der Kruk
Mr. A. van der Kruk is wetenschappelijk medewerker bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Artikel

Vernietiging door de Hoge Raad: gevolgen van de vernietiging bij verwijzing

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2019
Trefwoorden vernietiging uitspraak, Hoge Raad, verwijzing na cassatie
Auteurs Ida Lintel
SamenvattingAuteursinformatie

    Dit artikel behandelt de gevolgen van de vernietiging van een rechterlijke uitspraak door de Hoge Raad in het geval dat de Hoge Raad de zaak niet zelf afdoet, maar verwijst. In het artikel is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten beslissingen die door een vernietiging van de Hoge Raad kunnen worden geraakt.


Ida Lintel
Mr. I.M.A. Lintel is cassatieadvocaat bij Wijn & Stael Advocaten in Utrecht.
Artikel

Een kritische beschouwing over het Wetsvoorstel ter vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 1 2019
Trefwoorden modernisering, bewijsrecht, procesrecht, partijautonomie, KEI
Auteurs Ralph Ubels en Tom van Amsterdam
SamenvattingAuteursinformatie

    Het recent gepubliceerde ‘Wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht’ beoogt het civiele bewijsrecht te vereenvoudigen en te moderniseren. Hiertoe doet de minister voor Rechtsbescherming onder meer de volgende drie voorstellen: (1) partijen worden voorafgaande aan een procedure verplicht bewijs te verzamelen en te delen, (2) de regierol van de rechter wordt vergroot, en (3) de normen voor de verschillende voorlopige bewijsverrichtingen worden gelijkgetrokken. De minister voor Rechtsbescherming streeft naar efficiëntere civiele rechtspleging, maar de auteurs vrezen dat met deze voorstellen het tegenovergestelde wordt bereikt. Zij verwachten dat een bewijsverzamel- en -aandraagplicht en het gelijktrekken van de normen voor voorlopige bewijsverrichtingen zullen leiden tot meer, langere en duurdere procedures. De auteurs vrezen ook dat de voorgestelde bevoegdheid voor de rechter ambtshalve gronden en verweren aan te dragen afbreuk doet aan de meest gewenste rolverdeling tussen de procespartijen enerzijds en de rechter anderzijds. Bovendien kan het afbreuk doen aan de objectieve en subjectieve onpartijdigheid van de rechter.


Ralph Ubels
Mr. R.L. Ubels is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.

Tom van Amsterdam
Mr. T.A. van Amsterdam is advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam.

Jan Willem de Groot
Mr. J.W. de Groot is advocaat bij Houthoff te Amsterdam.
Boekbespreking

Het onderzoek in de enquêteprocedure

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Boekbespreking, Proefschrift, Enquêteprocedure
Auteurs Prof. mr. G. de Groot
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bevat een bespreking van het proefschrift van R.M. Hermans over het onderzoek in de enquêteprocedure.


Prof. mr. G. de Groot
Prof. mr. G. de Groot is vicepresident in de Hoge Raad en bijzonder hoogleraar Rechtspraak en conflictoplossing aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Artikel

Hoe verkrijg ik een executoriale titel?

De deugdelijkheid van twee constructies onderzocht

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Executoriale titel, Schikking, Proces-verbaal, Rechterlijke uitspraak
Auteurs Mr. M.W. Knigge
SamenvattingAuteursinformatie

    Indien partijen ter zitting een schikking bereiken, kunnen zij een executoriale titel verkrijgen door de schikking op grond van artikel 87 lid 3 Rv /artikel 30 m lid 1 Rv (KEI) neer te leggen in een proces-verbaal. De vraag is wat geldt indien partijen buiten de zitting tot een schikking komen. In dit artikel staan twee constructies centraal die tot doel hebben om partijen in een dergelijk geval een executoriale titel te verschaffen. De eerste constructie houdt in dat de rechter uitspraak doet conform de schikking, waarbij hij een onderhandse akte aan het vonnis of de beschikking kan hechten. In de tweede constructie maakt de rechter een proces-verbaal in executoriale vorm op, waaraan hij een door partijen opgemaakte onderhandse akte met daarin de schikking hecht. In dit artikel wordt verdedigd dat beide constructies geschikt zijn om partijen een executoriale titel te verschaffen. Wel verdient de tweede constructie duidelijk de voorkeur boven de eerste.


Mr. M.W. Knigge
Mr. M.W. Knigge is universitair docent Burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden. Met dank aan prof. mr. H.B. Krans en mr. G.M. Veldt voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Artikel

Motivering door de Nederlandse cassatierechter

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden cassatie, motivering, Hoge Raad, rechtsontwikkeling
Auteurs Mr. drs. B.T.M. van der Wiel
SamenvattingAuteursinformatie

    Ook uitspraken van de Hoge Raad dienen zodanig te worden gemotiveerd dat de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar is. Bezien wordt hoe de Hoge Raad invulling geeft aan deze eisen, met name in het licht van zijn rechtsontwikkelingsfunctie.


Mr. drs. B.T.M. van der Wiel
Mr. drs. B.T.M. van der Wiel is advocaat bij Houthoff te Amsterdam en redacteur van TCR. De auteur dankt mr. drs. E.M. Hoogervorst (professional support lawyer bij Houthoff) en H. Kleijn (student aan de Universiteit van Amsterdam) voor hun ondersteuning.
Artikel

Access_open Experimentenwet: carte blanche verdient nadere overweging

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 3 2018
Trefwoorden Experimenteren, Fundamentele beginselen van procesrecht, Innovatie, Artikel 86 Rv
Auteurs Mr. P. Ingelse
SamenvattingAuteursinformatie

    Tot 1 juni lag een wetsvoorstel Experimentenwet rechtspleging ter consultatie voor. Volgens dit voorstel krijgt de regering met het oog op innovatie van de rechtspraak voor onbepaalde tijd de bevoegdheid om bij AMvB te experimenteren met het Nederlands burgerlijk procesrecht. Concreet wordt onder meer gedacht aan experimenten met een eenvoudige procedure voor het MKB, met een deskundige lekenrechter naast de gewone rechter en met een harmonieuze alternatieve echtscheidingsprocedure. De experimenten moeten blijven binnen de grenzen van EU-recht, verdragen en de fundamentele beginselen van procesrecht, maar verder is de bevoegdheid vrijwel ongeclausuleerd.
    Het is de vraag of deze bevoegdheid strookt met (de strekking van) de Grondwet en past binnen de staatrechtelijke verhoudingen. De bevoegdheid is hoe dan ook te ruim doordat het experimenten mogelijk maakt en ook daadwerkelijk beoogt die de verwezenlijking van burgerlijke rechten en verplichtingen – tegen de wil van (een van) partijen – kan aantasten.
    De wetgever moet zich driemaal bedenken voordat hij een dergelijke twijfelachtige en grotendeels onnodige carte blanche in handen van de AMvB-regelgever speelt.
    Dat neemt niet weg dat de rechtspraak er zeker naar moet streven de civiele procedure eenvoudiger, sneller, flexibeler en effectiever te maken, waar nodig en aanvaardbaar met experimenten. Nog lang niet alle inventiviteit en creativiteit is uitgeput. Die experimenten hebben echter alleen zin, indien de financiële middelen worden verschaft om de consequenties te trekken uit een geslaagd experiment.


Mr. P. Ingelse
Mr. P. Ingelse is mediator/arbiter bij ReulingSchutte te Amsterdam. Tot begin 2015 was hij lid van het Gerechtshof Amsterdam, laatstelijk als voorzitter van de Ondernemingskamer.
Artikel

Grensoverschrijdende bewijsverkrijging door de Nederlandse rechter in strijd met buitenlandse wettelijke geheimhoudingsplichten

Lessen uit de Amerikaanse discovery-praktijk

Tijdschrift Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging, Aflevering 2 2018
Trefwoorden grensoverschrijdende bewijsverkrijging, geheimhouding, comitas, inzage
Auteurs Mr. R. Jansen
SamenvattingAuteursinformatie

    Deze bijdrage bespreekt een mogelijk internationaal gevolg van het advies Modernisering burgerlijk bewijsrecht. Uit Amerikaanse federale jurisprudentie blijkt dat partijen in een spagaat kunnen belanden, wanneer hun wederpartij hen kan verplichten om informatie te verstrekken waarop een buitenlandse wettelijke geheimhoudingsplicht rust. De auteur beschrijft de afweging die federale rechters maken bij het beoordelen van een inzageverzoek. Deze blijkt soortgelijk te zijn aan een beoordeling onder art. 843a Rv. Zijns inziens bestaat hierdoor de kans dat de Nederlandse rechter onvoldoende gewicht toekent aan een buitenlandse geheimhoudingsplicht. De comitas-leer zou de rechter ertoe kunnen bewegen om het inzageverzoek via de internationale bewijsverkrijgingsregelingen te laten verlopen.


Mr. R. Jansen
Mr. R. Jansen is als promovendus verbonden aan het departement Privaatrecht van Tilburg University, waar hij onderzoek verricht naar de rol van buitenlandse verschoningsrechten in civiele procedures en de invloed van de comitas-leer.
Toont 1 - 20 van 90 gevonden teksten
« 1 3 4 5
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.