Zoekresultaat: 16 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht x Jaar 2011 x


Prof. mr. G.A. Biezeveld
Prof. mr. G.A. (Gustaaf) Biezeveld is bijzonder hoogleraar Milieurecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en lid van de redactie van TO.
Jurisprudentie

Luchtkwaliteit in de jurisprudentie

Programmasystematiek blijft haar waarde bewijzen

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2011
Trefwoorden Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, fijn stof, stikstofdioxide, NEC-richtlijn
Auteurs Mr. dr. C.N. van der Sluis
SamenvattingAuteursinformatie

    In het jaar 2010 en 2011 heeft het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn waarde bewezen in de rechtszaal. Ondanks tegenvallende ontwikkelingen of maatregelen die niet of anders werden uitgevoerd, blijft het NSL, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een plan dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden. Daarmee vormt het dus een onderbouwing voor individuele projecten. Deze rapportageperiode bleek ook dat aan de grenswaarde voor PM2,5 nog geen toetsing plaatsvindt. Het toepasbaarheidsbeginsel – kort gezegd: daar waar geen mensen verblijven, wordt de luchtkwaliteit niet beoordeeld – wordt strikt toegepast en beoordeeld. De uitspraak van het Hof van Justitie van de EG over de NEC-richtlijn geeft aan dat uit de(ze) Europese richtlijn geen directe koppeling voortvloeit, waaruit zou volgen dat het mogelijk niet voldoen aan een nationaal emissieplafond een rol kan spelen bij individuele besluitvorming.


Mr. dr. C.N. van der Sluis
Mr. dr. C.N. van der Sluis is advocaat bestuurs- en omgevingsrecht bij Ploum Lodder Princen en lid van de redactie van TO.
Artikel

Eén jaar Wabo-jurisprudentie

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 4 2011
Trefwoorden Wabo, Jurisprudentie, één jaar, Knelpunten
Auteurs Mr. J.R. van Angeren en Mevr. mr. V.M.Y. van ‘t Lam
SamenvattingAuteursinformatie

    De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is op dit moment iets meer dan een jaar in werking. Voor de auteurs vormde dat een reden om terug te blikken op één jaar ‘Wabo’-ervaring. Wat zijn tot nu toe de ervaringen met de Wabo; in het bijzonder wat zijn tot nu toe opvallende of van belang zijnde uitspraken over de Wabo? De conclusie is dat een jaar nadat de Wabo in werking is getreden er veel voorlopige voorzieningen zijn gewezen waarin de Wabo aan de orde is. Veel van die zaken gaan over het overgangsrecht en handhaving. Er zijn weinig uitspraken gewezen over omgevingsvergunningen die zien op verschillende van de in artikel 2.1 en 2.2 Wabo genoemde activiteiten, terwijl de doelstelling van de Wabo nu juist was dergelijke vergunningen mogelijk te maken. Er zijn over diverse onderwerpen uitspraken gewezen waarin bepaalde aspecten – bijvoorbeeld aspecten die voor de inwerkingtreding van de Wabo onduidelijk waren – nader worden uitgelegd. Ook zijn bepaalde in de literatuur genoemde knelpunten van de Wabo in jurisprudentie (al dan niet geheel) opgelost, zoals het belanghebbendebegrip en de vraag wat onder onlosmakelijke samenhang moet worden verstaan. Niet alle in de literatuur gesignaleerde knelpunten over de Wabo zijn in jurisprudentie opgelost, zoals de vraag hoe het begrip project moet worden uitgelegd. De auteurs wachten met spanning af op de contouren van de nieuwe Omgevingswet.


Mr. J.R. van Angeren
Mr. J.R. van Angeren is advocaat en partner bij Stibbe.

Mevr. mr. V.M.Y. van ‘t Lam
Mevr. mr. V.M.Y. van ’t Lam is advocaat bij Stibbe en lid van de redactie van TO.
Artikel

Herontwikkeling van stortplaatsen

Kansen en belemmeringen vanuit milieurechtelijk perspectief

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2011
Trefwoorden stortplaats, Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, bodemverontreiniging, herontwikkeling
Auteurs Mr. drs. M.A. de Groote
SamenvattingAuteursinformatie

    Er zijn twee soorten stortplaatsen in Nederland, namelijk voormalige stortplaatsen en stortplaatsen die vallen onder de reikwijdte van de Wet milieubeheer (Wm). Een stortplaats die op of na 1 september 1996 in gebruik was of is, valt onder de nazorgregeling van de Wm; overige stortplaatsen zijn voormalige stortplaatsen.Thans worden bijna uitsluitend voormalige stortplaatsen herontwikkeld. Bij de beheersing van bodemverontreiniging van dergelijke stortplaatsen wordt gebruik gemaakt van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit lijkt in de praktijk te werken, maar recente rechtspraak noopt tot aanpassing van de wet. De nazorgregeling uit de Wm gaat uit van een actieve nazorg en legt de verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische situatie na sluiting van de stortplaats bij de provincie. Bij herontwikkeling van Wm-stortplaatsen moet er zijn voldaan aan diverse verplichtingen die de Wm voorschrijft. Dat maakt herontwikkeling van Wm-stortplaatsen ingewikkelder dan herontwikkeling van voormalige stortplaatsen. Overheden kunnen door meerdere maatregelen herontwikkeling van beide soorten stortplaatsen vergemakkelijken.


Mr. drs. M.A. de Groote
Mr. drs. M.A. (Michiel) de Groote is werkzaam als advocaat in dienst van de gemeente Amsterdam (directie Juridische Zaken).
Artikel

De ontheffingsbevoegdheid in provinciale ruimtelijke verordeningen in het licht van de wijzigingswet Wro

Instrument voor gemeentelijke flexibiliteit of provinciale sturing?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2011
Trefwoorden artikel 4.1 Wro, ontheffing, interbestuurlijke regel, interbestuurlijk toezicht, wijzigingswet Wro
Auteurs Mr. dr. F.A.G. Groothuijse en Mr. drs. D. Korsse
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 22 juni 2011 is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend dat ertoe strekt een grondslag in de Wro op te nemen voor het toekennen van een ontheffingsbevoegdheid in algemene, interbestuurlijke regels op grond van hoofdstuk 4 van die wet. In deze bijdrage wordt eerst nagegaan waarom een ontheffingsbevoegdheid van belang kan zijn, waarom een expliciete grondslag voor zo’n bevoegdheid is vereist en welke bezwaren momenteel tegen het toekennen van een dergelijke bevoegdheid bestaan. In het licht hiervan wordt vervolgens de bevoegdheidsgrondslag beschreven die met het wetsvoorstel in de Wro zal worden opgenomen. Tot slot worden kritische kanttekeningen bij de inhoud van het wetsvoorstel geplaatst en wordt stilgestaan bij de gevolgen van het wetsvoorstel voor de bestaande interbestuurlijke regels die een ontheffingsbevoegdheid bevatten.


Mr. dr. F.A.G. Groothuijse
Mr. dr. F.A.G. (Frank) Groothuijse is onderzoeker/docent bij het Centrum voor Milieurecht (ACELS) aan de Universiteit van Amsterdam en redactielid van TO.

Mr. drs. D. Korsse
Mr. drs. D. (Daan) Korsse is promovendus bij het Centrum voor Omgevingsrecht van de Universiteit Utrecht en bereidt een proefschrift voor over de provinciale planologische verordening.
Jurisprudentie

Jurisprudentie Waterwet

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 3 2011
Trefwoorden Waterwet, watervergunning, Bkmw, Kaderrichtlijn water
Auteurs Mr. ir. S. Handgraaf
SamenvattingAuteursinformatie

    Bijna twee jaar na inwerkingtreding van de Waterwet is het tijd voor een jurisprudentieoverzicht.De eerste uitspraken laten zien dat het nieuwe, integrale toetsingskader van de Waterwet geen problemen oplevert. Ook de toepassing van de milieukwaliteitseisen van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009, ter uitwerking van de Kaderrichtlijn water, verloopt conform de bedoeling van de wetgever. De gekozen implementatie van het vereiste van geen achteruitgang (een verslechtering van de waterkwaliteit binnen de toestandsklasse is acceptabel) lijkt stand te houden.Het overgangsrecht van de Invoeringswet Waterwet heeft tot enkele vragen over de bevoegdheid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geleid. Daarnaast lijkt het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten niet sluitend, waardoor in sommige gevallen de bevoegdheid om te beslissen op een bezwaarschrift, dat voor inwerkingtreding van de Waterwet is ingediend, kan ontbreken.


Mr. ir. S. Handgraaf
Mr. ir S. (Simon) Handgraaf is mede-eigenaar van Colibri Advies.
Artikel

Het belanghebbendebegrip en de onderdelenfuik in de Wabo

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden onderdelenfuik, belanghebbendebegrip, Wabo, Awb, 6:13, besluitonderdeel
Auteurs Mr. V.M.Y Van ’t Lam
SamenvattingAuteursinformatie

    De Afdeling heeft recent haar koers gewijzigd ten aanzien van de uitleg van de onderdelenfuik en het belanghebbendebegrip in het kader van de Wabo. In het kader van de Wabo wordt elk van de in artikel 2.1 en 2.2 bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen als besluitonderdeel aangemerkt. De beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende milieugevolgen die in een omgevingsvergunning zijn vervat, merkt de Afdeling niet (meer) aan als besluitonderdeel. Voorts heeft de Afdeling recent bepaald dat in het kader van het belanghebbendebegrip per activiteit moet worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. In dit artikel wordt deze koerswijziging besproken. Voorts wordt jurisprudentie besproken die ook na deze koerswijziging van belang blijft.


Mr. V.M.Y Van ’t Lam
Mr. V.M.Y. (Valérie) van ’t Lam is advocaat bij Stibbe in Amsterdam en redacteur van TO.

Mr. H.A.J. Gierveld
Mr. H.A.J. (Henk) Gierveld is werkzaam bij de hoofddirectie Juridische Zaken van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en redacteur van TO.
Artikel

Naar meer flexibiliteit in het omgevingsrecht: het compensatiebeginsel centraal?

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden compensatiebeginsel, integrale belangenafweging, programmatische aanpak
Auteurs Mr. H.D. Tolsma
SamenvattingAuteursinformatie

    Het huidige stelsel van het omgevingsrecht is regelmatig doelwit van kritiek: te complex en te star. De minister van Infrastructuur en Milieu is voornemens om in het voorjaar van 2012 met een uitgewerkt wetsvoorstel te komen om deze problemen op te lossen. Flexibelere regelgeving is een van de vertrekpunten bij het opbouwen van deze ‘Raamwet omgevingsrecht’. In deze bijdrage wordt bezien welke rol het compensatiebeginsel kan vervullen om te komen tot de gewenste flexibiliteit. De achtergrond van het compensatiebeginsel komt aan bod. Verder wordt ter illustratie van het compensatiebeginsel de regeling uit de Richtlijn luchtkwaliteit, de Kaderrichtlijn water, de Interimwet stad- en milieubenadering en de Crisis- en herstelwet beschreven. Tot slot wordt ingegaan op een aantal juridische vraagstukken rond het compensatiebeginsel. Blijken zal dat de toepassing van het compensatiebeginsel het bestuur meer manoeuvreerruimte kan bieden om belangen af te wegen en prioriteiten te stellen. De verwachtingen over de flexibiliteit in de regelgeving moeten vanwege de vereiste juridische waarborgen (zoals rechtszekerheid, evenredigheid en rechtsbescherming) evenwel niet te hoog gespannen zijn.


Mr. H.D. Tolsma
Mr. H.D. (Hanna) Tolsma is als postdoconderzoeker verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen en werkt aan een door NWO gefinancierd onderzoek: ‘De omgevingsvergunning met integrale belangenafweging: een verkenning van de juridische mogelijkheden’.
Boekbespreking

Ieder voor zich en de natuur voor ons allen

Over de relatie tussen mens en natuur en de toekomst van het natuurbeschermingsrecht

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2011
Auteurs Prof. mr. G.A. Biezeveld
SamenvattingAuteursinformatie

    Een bespreking van de oratie van prof. dr. C.J. Bastmeijer, Ieder voor zich en de natuur voor ons allen. Over de relatie tussen mens en natuur en de toekomst van het natuurbeschermingsrecht, bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in het natuurbeschermings- en waterrecht aan de Universiteit van Tilburg op 31 maart 2010.


Prof. mr. G.A. Biezeveld
Prof. mr. G.A. (Gustaaf) Biezeveld is bijzonder hoogleraar Milieurecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en redacteur van TO.
Artikel

De watervergunning en samenloop van bevoegdheden

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 2 2011
Trefwoorden Waterwet, samenloop van bevoegdheden, artikel 6.17 Waterwet, watervergunning, handhaving
Auteurs Mr. W.B. van der Gaag
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds 22 december 2009 is de Waterwet van kracht. Sinds deze datum is integraal waterbeheer in het nationale recht verankerd. Deze bijdrage richt zich op de integratie ten aanzien van vergunningverlening en handhaving. Wanneer voor een samenstel van handelingen voor meerdere onderdelen een vergunning noodzakelijk is, geldt als uitgangspunt dat één integrale watervergunning wordt verleend. De Waterwet biedt echter de mogelijkheid om een uitzondering te maken ten aanzien van dit uitgangspunt en afzonderlijke watervergunningen te verlenen. In deze bijdrage geeft de auteur aan dat deze uitzonderingsmogelijkheid niet onbeperkt is.Bij een samenstel van handelingen kan het voorkomen dat meerdere bestuursorganen de bevoegdheid om op een vergunningaanvraag te beslissen toebedeeld hebben gekregen. In deze gevallen is sprake van samenloop van bevoegdheden. In de lijn met het uitgangspunt van één integrale watervergunning kent de Waterwet als uitgangspunt dat slechts één bestuursorgaan het bevoegde gezag is. Om vast te houden aan de gedachte van één bevoegd gezag is voor deze gevallen van samenloop van bevoegdheden de samenloopregeling in de Waterwet opgenomen. Op grond van deze samenloopregeling wordt bepaald welk van de bestuursorganen in het concrete geval bevoegd gezag is.


Mr. W.B. van der Gaag
Mr. ing. W.B. (Wouter) van der Gaag is beleidsadviseur bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Deze bijdrage is geschreven op persoonlijke titel.


Mr. J.H.G. van den Broek
Mr. J.H.G. van den Broek is Senior legal counsel bij VNO-NCW en MKB Nederland. Hij schrijft deze opinie op persoonlijke titel.
Artikel

Interbestuurlijk toezicht ‘nieuwe stijl’ een stap dichterbij: voorlopig nog dubbel toezicht op gemeentelijke planologische besluiten

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden interbestuurlijk toezicht (IBT), reactieve aanwijzing (RA), beroep, schorsing en vernietiging, indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, toezichthouder, bestuursorgaan
Auteurs Mr. dr. H.J. de Vries
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt ingegaan op de betekenis van het in mei 2010 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel Wet revitalisering generiek toezicht (Wrgt) voor het toezicht door Rijk en provincies op gemeentelijke planologische besluiten. Met de Wrgt worden een herijking en revitalisering van klassieke toezichtinstrumenten uit de Provincie- en Gemeentewet beoogd, namelijk het schorsings- en vernietigingsrecht en de indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing. Deze gemeentelijke planologische besluiten betreffen bestemmingsplannen en bepaalde omgevingsvergunningen en projectuitvoeringsbesluiten. In afwijking van de uitgangspunten van het wetsvoorstel blijft voorlopig nog dubbel toezicht – dus van Rijk en provincies – op deze gemeentelijke planologische besluiten bestaan. Daarbij hebben de toezichthouders van Rijk en provincie de beschikking over een specifiek toezichtinstrument, namelijk de reactieve aanwijzing. Bovendien kunnen deze toezichthouders beroep bij de bestuursrechter instellen als alternatief voor het geven van een reactieve aanwijzing. Het is echter de vraag of een provinciale toezichthouder ook van dat beroepsrecht gebruik kan maken wanneer het een gemeentelijk planologisch besluit betreft voor een project dat valt onder de Crisis- en herstelwet. Artikel 1.4 Chw lijkt aan het instellen van beroep in de weg te staan. De vraag is hoe deze instrumenten zich verhouden tot het generieke schorsings- en vernietigingsrecht en op welke wijze toezichthouders met deze instrumenten zouden moeten omgaan. Ook wordt stilgestaan bij de vraag welke toezichthouder bevoegd is tot indeplaatsstelling over te gaan wanneer een gemeentebestuur in verzuim blijft tijdig een bestemmingsplan te actualiseren en er dus sprake is van taakverwaarlozing.


Mr. dr. H.J. de Vries
Mr. dr. H.J. (Henk) de Vries is beleidsadviseur bij de afdeling Bestuur en Juridische Zaken van de provincie Utrecht en voorzitter van de redactie van TO.
Artikel

Lsp in het omgevingsrecht en de Awb

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden Afdeling 4.1.3.3 Awb, lex silencio positivo, positieve fictieve beschikking, omgevingsvergunning van rechtswege
Auteurs Mr. dr. K.J. de Graaf en H.A. Komduur
SamenvattingAuteursinformatie

    Sinds de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn op 28 december 2009 kent de Awb een regeling waardoor een toestemming van rechtswege wordt geacht te zijn verleend in het geval niet tijdig wordt beslist op een aanvraag. Deze regeling doet zich ook gevoelen in het omgevingsrecht. Zo geldt de zogenaamde lex silencio positivo per 1 oktober 2010 voor elke aanvraag voor een omgevingsvergunning waarop de reguliere procedure van toepassing is. De regeling is mede het gevolg van de wens van de overheid om de burger binnen de wettelijke beslistermijn rechtszekerheid te bieden over zijn aanvraag. Het systeem van fictieve positieve besluiten zou daarom op zoveel mogelijk toestemmingsstelsel van toepassing moeten zijn. In deze bijdrage staat allereerst centraal voor welke toestemmingsstelsels het systeem van de lex silencio positivo geldt. Vervolgens worden de juridische haken en ogen van de regeling besproken en wordt ingegaan op de vraag of de betrokken burgers rechtszekerheid ontlenen aan een van rechtswege verleende vergunning.


Mr. dr. K.J. de Graaf
Mr. dr. K.J. (Kars) de Graaf is verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen als universitair hoofddocent.

H.A. Komduur
H.A. (Hilde) Komduur is verbonden aan de vakgroep Bestuursrecht en Bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen als student-assistent.
Artikel

Knelpunten en mogelijkheden bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren: de belangen van veehouderijen in de besluitvormingsprocedure

Tijdschrift Tijdschrift voor Omgevingsrecht, Aflevering 1 2011
Trefwoorden Wet geurhinder en veehouderij, Besluit landbouw milieubeheer, geurgevoelige objecten, ruimtelijke ontwikkelingen, geurcontouren
Auteurs Mr. ing. E. Houwertjes
SamenvattingAuteursinformatie

    De rond een veehouderij gelegen geurcontouren dienen ertoe om geurhinder bij geurgevoelige objecten te reguleren. Milieurechtelijk gezien mogen daarbinnen in beginsel geen geurgevoelige objecten zijn gelegen. De geurcontouren gelden echter niet als grenswaarden in het ruimtelijke ordeningsrecht. Rechten van een bestaande veehouderij kunnen dan ook worden beperkt wanneer binnen een geurcontour geurgevoelige objecten worden geprojecteerd. De veehouderijen die onder de werking van het Besluit landbouw milieubeheer vallen worden daarbij ten opzichte van de vergunningplichtige veehouderijen, waarbij de vigerende vergunning in beginsel de bestaande rechten waarborgt, onevenredig benadeeld. Deze veehouderijen worden met de komst van de geurgevoelige objecten vergunningplichtig. Bestaande rechten worden in dat geval niet gewaarborgd door de Wet geurhinder en veehouderij. De situatie kan daardoor ontstaan dat een voorheen, onder het Besluit landbouw milieubeheer, legale veehouderij niet kan worden gelegaliseerd middels omgevingsvergunning. Om het voortbestaan van dergelijke veehouderijen te garanderen verdient het aanbeveling in het milieurecht een regeling op te nemen waarmee de bestaande rechten worden gewaarborgd.


Mr. ing. E. Houwertjes
Mr. ing. E. Houwertjes is jurist bij Milieudienst IJmond en in die hoedanigheid werkzaam in de unit Milieudienst Waterland (e-mail: ehouwertjes@milieudienst-waterland.nl).


Mr. G.A. van der Veen
Mr. G.A. (Gerrit) van der Veen is advocaat omgevingsrecht en bestuursrecht bij AKD te Rotterdam en is tevens redactielid van TO.
Interface Showing Amount
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.